vrijdag 17 juli 2009

[Tour 2009] Pro Mart

Mart Smeets, fenomeen. Al meer dan dertig jaar is hij het gezicht van Studio Sport en in het bijzonder van de Tour de France op de Nederlandse televisie. Smeets haat naar eigen zeggen grijs, het is bij hem wit of zwart. Dat geldt ook voor de meningen over Smeets: je houdt van hem of je haat hem. Ik ben een Mart-fan. Ik zal dat toelichten aan de hand van de meest gehoorde kritiek op Smeets.

Mart is arrogant
Arrogantie is tenenkrommend en te allen tijde laakbaar. Een minder scherpe vorm van arrogantie is koketterie, en daar heeft Mart inderdaad wel een handje van. Dat is echter toegestaan onder één voorwaarde: je moet uitblinken in wat je doet. En dat doet Mart. Hij is als presentator ongeëvenaard. Op virtuoze wijze weet hij steeds weer een etappe samen te vatten, een mens te portretteren, een situatie te schilderen. Mart weet elk jaar weer van De Avondetappe een gedenkwaardige serie te maken. Zelfs wanneer Johan Cruijff zichzelf voor lul zet door blijk te geven van een verregaande onwetendheid op het gebied van wielrennen, weet Mart hem te sparen door feilloos bij te springen of van onderwerp te veranderen. In de Nederlandse sportjournalistiek kent Mart geen gelijke. In het buitenland, bijvoorbeeld bij onze zuiderburen, is de waardering voor hem overigens veel groter.

Mart is hypocriet
De dopingproblematiek in het wielrennen zou door Mart gebagatelliseerd worden. Hij zou weet hebben van dopingpraktijken en namen en rugnummers kunnen noemen. Hij verzuimt dit en verzaakt daarmee zijn journalistieke plicht. Maar ben je een goede journalist als je je beroept op insinuaties, geruchten en hear say? Dan ben je in mijn ogen een roddeljournalist, een Albert. Mart staat steeds op het standpunt dat hij pas in actie komt als er feiten bekend zijn, statistieken. Het gelijk van deze bewering bleek maar weer toen de Rus Vladimir Gusev vanwege afwijkende bloedwaarden ontslagen werd door zijn ploeg Astana. Later bleek dit ten onrechte. Bovendien stelt Mart meer belang in de mens die de renner toch ook is, met alle onmogelijkheden en zwakheden die de mens eigen zijn.

Mart is vies
Moe van alle roddels bekende Ria Visser in een uitzending van Paul de Leeuws Mooi weer De Leeuw dat zij inderdaad ooit eens het bed had gedeeld met Mart. Wat een viespeuk, die Mart, was de gangbare reactie. Maar je kunt het ook in zijn context zien: je bent Mart Smeets, een corpulente sportverslaggever en je wordt met je microfoontje naar de ijsbaan gestuurd en daar zie je een jonge Ria Visser in haar strakke schaatspak rondjes schaatsen. Je denkt: zo, die zou ik wel willen doen, maar ach ik ben dik en oud en zij is slank en jong, dus dat lukt toch nooit. En dan lukt het je toch. Dat vind ik niet vies. Dat noem ik klasse.

Mart is slechtgekleed
Deze horen we vooral in het schaatsseizoen. Daar zit Mart weer in zijn Noorse trui. Tsja, daar is helemaal niks tegenin te brengen...

Mart is een taalbarbaar
Nico Dijkshoorn oogst tegenwoordig veel succes met zijn Mart-imitatie: 'Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen...'. Mart vervalt inderdaad nogal vaak in herhaling qua uitdrukkingen en zegswijzen. Overigens kun je ook niet anders, denk ik, als je al ruim dertig jaar in het vak zit. Ook heeft hij zijn onhebbelijkheden ('sank you', 'Botskarjov'). Mart heeft echter iets gedaan waar maar weinig individuen in zijn geslaagd: hij heeft de Nederlandse taal verrijkt met een staande uitdrukking. Midden jaren negentig muntte hij de klassieker 'met het bord op schoot'. Het voetbal begon steevast op zondagavond om zeven uur en mensen keken met het bord avondeten op schoot naar de uitzending. De uitdrukking werd zo populair dat zij zelfs de functie van strijdkreet kreeg in de tijd dat Talpa de rechten bezat.

Mart is dus de man, meent ondergetekende. Maar de Babbelbox staat vandaag op Zoggels blog en vraagt: wat vindt ú eigenlijk van Mart Smeets?

dinsdag 14 juli 2009

Vergane Glorie #1: Brutil Hosé

Geïnspireerd door de comment van Le Bob in dit bericht, een nieuwe rubriek: vergane glorie. Over vergeten legendes, gevallen helden en uit het zicht geraakte jeugdidolen. Waar kennen we ze van? En waar zijn ze gebleven?

Naam: Brutil Hosé
Functie: Voetballer

De glorie
Brutil Hosé debuteerde in november 1998 op negentienjarige leeftijd in het eerste van Ajax. Hij maakte meteen naam, zeker met zo'n naam. Brutil was alles wat zijn voornaam beloofde: een bruut, een brutaaltje en een bulldog. Lochte acties en een verregaande agressiviteit waren echter zijn meest kenmerkende eigenschappen, voetballend talent en scorend vermogen kwamen nooit aan het licht. Hosé droeg een torenhoog verwachtingspatroon als een zware last met zich mee. Hans Westerhof noemde hem ooit 'het grootste talent van Ajax sinds jaren'. Nu wordt ieder jonkie dat één keer een mannetje passeert meteen gebombardeerd tot Ajax' nieuwste godenzoon, maar in Hosé's geval zegt het meer iets over Hans Westerhof, de man die er bijna in slaagde Vitesse te laten degraderen.

Brutil Hosé speelde in de seizoenen 1998-1999 en 1999-2000 in totaal zeventien wedstrijden voor de Amsterdammers. Hij wist daarin drie keer het net te vinden. Geen begenadigde topspits dus, onze Brutil. Hét hoogtepunt uit zijn carrière, de actie waar iedere liefhebber hem nog van kent, vindt plaats op een kille woensdagavond in december 2001. Ajax 2 speelt in een halflege ArenA tegen FC Twente, Hosé moet opdraven in het tweede. Zijn directe tegenstander is Dennis Hulshoff, erkende schoft en enkelkraker. De twee hebben het de hele avond met elkaar aan de stok.

Vlak voor rust ontspoort de tweekamp. Hosé duwt Hulshoff, waarop de Twente-speler de bal tegen de Ajacied aan schiet. Hosé reageert met een bodycheck, Hulshoff neemt wraak met een geplaatste kopstoot. Dan geschiedt wat Hosé onsterfelijk maakt, wat hem onderscheidt van alle andere voetballers. Iedere speler stort na een kopstoot als een stervende zwaan ter aarde, schreeuwend en kermend en huilend. Zo niet Brutil. Hij is even verbouwereerd, maar deelt dan de genadeklap uit. Letterlijk. Brutil Hosé velt Dennis Hulshoff met een directe rechtse. Knock-out.

De vergetelheid
Brutil Hosé krijgt de rode kaart en zijn aftocht is symbolisch. Het is het laatste wat we van de lange Surinamer hebben gezien. Ajax verhuurt hem na de winterstop aan De Graafschap. Via Haarlem, Sparta en FC Dordrecht verdwijnt Hosé uit het betaalde voetbal. Hij gaat spelen voor Haaglandia, getraind door John de Wolf.

Hosé past ook daar zijn 'agressieve' speelstijl toe, getuige Wikipedia: Hosé speelde 'maar 5 officiële wedstrijden (onder andere door een schorsing van 6 wedstrijden)'... Hosé zoekt vervolgens zijn heil in het buitenland. Hij trekt als een nomade langs obscure clubs als Poseidon Nuon Perron (Griekenland), Al-Wakrah (Qatar) en Sarawak FA (Maleisië). Sinds 2006 speelt hij weer voor Haaglandia.

In de database van vi.nl is Hosé na het incident-Hulshoff alleen nog te vinden in twijfelachtige berichten als 'Hosé mag alweer weg bij AA Gent' en 'Hosé op proef bij Sunderland'. De Amsterdammer is een van de vele voorbeelden van een belofte die het nooit heeft waargemaakt. In de annalen van het betaalde voetbal is hij slechts een vluchtige aantekening. Maar die vuistslag, die staat nu nog op het gezicht van Dennis Hulshoff.

zondag 12 juli 2009

[Tour 2009] De eerste week

Een jaar of acht geleden sprak men bij Rabobank na een mislukte Tour gekscherend van een oneven jaren-syndroom. Alleen in de even jaren zouden de oranjehemden het goed doen, in de oneven jaren was het altijd kommer en kwel. Vreemd, maar die trend lijkt zich onverminderd voort te zetten. In 2007 was er de ramp Rasmussen en ook in 2009 zit alles tegen wat maar tegen kan zitten.

Het begon eigenlijk al met Thomas Dekker die met terugwerkende kracht betrapt werd op doping en met het verhoor van enkele renners door de Oostenrijkse politie. Sindsdien is Rabobank geen moment in vorm gekomen. Menchov die de proloog verprutst, elke dag een minuut verliest en in de ploegentijdrit onderuitgaat in de eerste de beste bocht. Laurens ten Dam die twee keer hard ten val komt, Robert Gesink die niet scherp is - zelfs hij - en heel lullig zijn pols breekt. Stef Clement die geen schim is van de Clement in de Dauphiné. Oscar Freire die zich een oor aan laat naaien door Hushovd. Het gaat maar door.

En dan was er vandaag nog de aantijging van het paranoïde geworden Kohltje aan het adres van Boogerd. Althans, dat moeten we geloven. In werkelijkheid is het een Oostenrijkse krant die een lekkende bron citeert die een jusititeel rapport citeert dat uit de verhoren van Bernard Kohl citeert. Enfin, we wachten wel op de feiten. Zeker is in ieder geval dat dit gedoe rondom de ploeg allesbehalve bevordelijk is voor de moraal.

De eerste week dus. De Pyreneeën hebben we al achter de rug, al zou je dat niet zeggen. Alleen vrijdag was de finish bergop. Het was aan Alberto Contador te danken dat er daar nog iets gebeurde. Als de Spanjaard niet op eigen houtje was gaan aanvallen, hadden we de groep in gesloten formatie onder leiding van Armstrong en kornuiten zien finishen. Armstrong was not amused: "Ik had wel verwacht dat Contador zich niet aan de teamtactiek zou houden." Zeikerd. Ik hoop van harte dat Contador wint.

Dat er een Astana op de hoogste trede van het podium in Parijs zal staan, is nu al zeker. De ploegentijdrit lijkt bepalend te zijn voor het klassement. De concurrentie krijgt bovendien nauwelijks de kans iets van de achterstand af te rijden. De beide etappes van dit weekend waren waardeloos, een aanfluiting voor de Tour. Christian Prudhomme moet zich diep schamen. Zowel op zaterdag als op zondag lagen de hoge cols op vele tientallen kilometers van de eindstreep. Gevolg was dat beide ritten verwerden tot slappe-hap-etappes met weinig vuurwerk en een massasprint aan het eind. Je kunt van mannen als Andy Schleck en Cadel Evans niet verwachten dat ze een aanval plaatsen op de Tourmalet als ze vervolgens nog 70km moeten dalen.

Rinaldo Nocentini is de verrassende drager van de gele trui, een gevolg van een redelijke ploegentijdrit (AG2R werd 9de) en een ontsnapping met enkele minuten tijdwinst. De revelatie van deze Tour is echter Bradley Wiggins (#5). Van de Britse baanrenner wisten we alleen dat hij een goede proloog kon rijden, maar ook bergop houdt hij voorlopig moeiteloos stand. Andere surprises in de top van het klassement zijn Luis-Leon Sanchez (#11) en Brice Feillu (#25), maar ook voor hen geldt dat zij hun klassering te danken hebben aan een succesvolle vlucht.

Van de favorieten is het dus het Astana-kwartet dat alle kaarten in handen heeft (Contador #2, Armstrong #3, Leipheimer #4, Klöden #6). Evans (#18), Andy Schleck (#9), Menchov (#27) en de onzichtbare Carlos Sastre (#16) staan al op meerdere minuten achterstand. Ook hier laat de ploegentijdrit zijn invloed gelden. Serieuze tegenvallers zijn Amaël Moinard (#93), Stijn Devolder (#108), Marzio Bruseghin (#113) en Michael Rogers (#117). Rogers kwam hard ten val, de anderen zijn uit vorm.

Skil-Shimano kweekte wat goodwill met de aanvalslust in de vlakke etappes, maar de tweede Nederlandse formatie is toch met afstand de zwakste van allemaal. In het ploegenklassement staan de eerste zeventien teams binnen een half uur, 18de is Quick-Step op 50 minuten. Voorlaatste is het armetierige Lampre (1 uur 35) en Skil sluit de rij met een achterstand van maar liefst 2 uur en 53 minuten. De best geklasseerde renner is Thierry Hupond op plaats 108. Kenny van Hummel vecht elke dag om binnen de tijdslimiet te finishen. Hij staat laatste op bijna 2 uur van Nocentini. Van Hummel vecht wel als een leeuw. Wim Vansevenant was een charlatan die zich vlak voor de streep nog even liet afzakken om zijn laatste plaats te verstevigen. Van Hummel mikt niet op die rode lantaarn, hij doet er alles aan om in koers te blijven.

Een tamme eerste week al met al. Ook komende week zal voor de sprinters en de vluchters zijn. Vrijdag is er een geniepige etappe in het middengebergte, vanaf zondag zal de strijd pas echt losbarsten. Hopelijk is Laurens ten Dam er dan nog bij. Bij de onfortuinlijke Raborenner werden na afloop van de etappe diverse kneuzingen en schaafwonden geconstateerd. Het is even afwachten of hij kan herstellen, maar een nieuwe opgave na Piet Rooijakkers en Gesink zou passen in de negatieve spiraal.