dinsdag 5 maart 2013

P.F. Thomése - Het bamischandaal

P.F. Thomése - Het bamischandaal. Atlas Contact (2012), 268 blz.

P.F. Thomése is bij mijn weten de enige persoon die ooit live op nationale televisie tegen Ramsey Nasr heeft gezegd dat hij zijn grote mond eens moet houden. Alleen daarom al verdient hij een standbeeld. P.F. Thomése is daarnaast ook een groot schrijver. De prachtige, ontroerende verhalen in Zuidland. De superieure achteloosheid van Heldenjaren. De scherpe zedenschets Vladiwostok! De weldadige nuchterheid van Grillroom Jeruzalem. Stuk voor stuk meesterlijk. En dat raar-hilarische boek J.Kessels: The Novel, een schelmenroman annex whodunnit, plat en grof van taal, maar zichzelf ook ondermijnend en daardoor nog steeds door en door literair.

Het vulgaire maakt net zozeer deel uit van het leven als het verhevene, zei Thomése ergens rond de verschijning van Het bamischandaal in een interview, of woorden van gelijke strekking, en verdient dus evenzeer een plaats in de literatuur als het verhevene. Het moet echter wel op een literaire manier worden gebracht. In J.Kessels bediende Thomése zich al van metafictioneel commentaar om het verhaal, en in het bijzonder het autobiografische karakter ervan, continu te ironiseren en te ondergraven. In Het bamischandaal is die metafictie nog overheersender.

Het boek opent met een proloog. J. Kessels ligt te rukken op een hotelkamer in Shanghai. Nagenoeg meteen treedt de auteur-verteller het verhaal binnen om zijn personage toe te spreken: 'Wacht eens even, vriend. Al sta je met je doorleefde kanis wederom op het omslag, het is nog altijd mijn roman. En dan ga je niet uitgebreid liggen onaneren alsof je thuis bent. Op de eerste pagina nog wel, gatverdamme. Dat doe je niet. Zo werkt literatuur niet. Daar zijn we het met zijn allen zo langzamerhand wel over eens.' Wat literatuur is of zou moeten zijn, dat is waar het eigenlijk steeds om gaat in Het bamischandaal.

De auteur-verteller laat geen mogelijkheid onbenut zijn onmacht te benadrukken. Het is immers allemaal waargebeurd, dus hij kan er allemaal weinig aan doen als het niet voldoet aan de normen van de literatuur met een grote L. Sinds hij 'voor de grap' een bestseller over Kessels heeft geschreven 'is het uit de hand gelopen. [...] Geen peil meer op te trekken, geen klok meer op gelijk te zetten. Op deze manier winnen we de Nobelprijs natuurlijk nooit.' Kessels hoort in Tilburg-Noord op zijn flatje te zitten, wat doet hij dan nu in China? 'Shanghai? Cockroach Hotel? Rare stijlbreuk. Die ik als auteur zeker mag zien te lijmen.' Maar ik-de-auteur heeft ook niet het benodigde overzicht om die taak naar wens te volbrengen: 'Ieder leven is voorbestemd om in een verhaal te eindigen, en J. Kessels heeft de pech of het geluk dat ik dat verhaal vertel. Voor zover ik het kan volgen althans.'

Kessels blijkt in Shanghai te zitten omdat hij verliefd is geworden op het nichtje van de afhaalchinees waar hij altijd zijn bak bami goreng compleet haalt. 'Thomése' wist hier niets van. J.Kessels: The Novel was waargebeurd, er was 'aan dat bezopen boek geen komma gelogen', maar hij had het wel geschreven zonder medeweten van Kessels zelf. Daarom is het wellicht niet vreemd dat hij zijn verliefdheid nu verborgen heeft gehouden en met stille trom is vertrokken, hij zal immers geen zin gehad hebben 'het hele verhaal straks zeker als paperback voor 16,95 euro in de schappen van de grote winkelketens' terug te vinden. Hier prijst de roman zichzelf als pulp aan - en dus ook weer niet.

Thomése vliegt naar China met een andere beste vriend van Kessels, Peer Sonnemans. Ook die bestaat echt, vergeet de auteur-verteller vooral niet te benadrukken. Peer is nogal een slome: 'Het is misschien onsympathiek om als schrijver een personage zo af te vallen, en zeker als dat personage echt bestaat en gewoon in Tilburg blijkt te wonen. [...] Hij bestaat, ja, en hij heeft mij opgebeld. Ik niet hem, voor alle duidelijkheid. Hij is er zelf mee begonnen, die kleine zeikerd, hij heeft zich aan mij opgedrongen, met dat geouwehoer van hem. Ik niet aan hem. Alsof ik er blij mee ben dat hij in mijn boek terecht is gekomen, zo'n waardeloze lulhannes die nergens iets van snapt.'

Hij is dan wel de schrijver, dat wil niet zeggen dat hij alles zomaar kan verzinnen. De gebeurtenissen en de figuren zijn nu eenmaal allemaal naar het leven getekend, en dus is 'Thomése' met handen en voeten geketend aan de werkelijkheid: 'Een beetje wegretoucheren, een beetje opwaarderen, jaja, ik snap het, wat wegmoffelen hier, wat erbij smokkelen daar. Het bekende gesjoemel. Nee, Tilboknakker, zo werkt dat niet bij ons in de literatuur. Ik maak het niet mooier dan het is. Ik schrijf gewoon op wat er gebeurt, hier op het papier [...] Een kutboek wordt het sowieso, die mag je alvast bijschrijven.'

In Shanghai roepen ze de hulp in van de daar woonachtige Bredanaar de Schel, een al even grote zeverzak als Peerke, tot ongenoegen van de auteur-verteller: 'Naarmate deze twee aan elkaar gewaagde Brabo's aanweziger werden, werd ik steeds stiller. Een schrijver hoort zijn eigen personages niet af te vallen, dat is waar. Maar, zeg ik ter verdediging, ik heb hier niet om gevraagd, om deze uit de hand gelopen bijfiguren. J. Kessels is mijn hoofdpersoon, en bovendien mijn beste vriend. Om hem draait het allemaal. Deze slappe gasten hoeven van mij eerlijk gezegd niet. Wat een stijlloze zeikerds, o god o god, die zich er alleen maar in hebben weten te praten omdat ze toevallig echt bestaan. Even niet opgelet en je krijgt ze niet meer weggedacht. Nou, als dat je enige verdienste is: je schreeuwend aan de werkelijkheid opdringen en op die manier in een boek terechtkomen.'

Kortom: al die platheid en al dat gescheld zijn niet de schuld van de schrijver, die verrekte kutpersonages, die zijn nu eenmaal zo (b)anaal: 'Kijk, als J. Kessels Breda afzeikt, dan heeft dat nog enig niveau. J. Kesselsniveau om precies te zijn. Maar dit is niet geestig, dit is gewoon plat, grof en anaal. Te flauw voor woorden dus. De Schel en Peer Sonnemans zijn, zoals ik het zie, twee waardeloze personages die hard bezig zijn deze roman tot een shitboek te maken dat je niet voor je plezier gaat lezen, laat staan dat je er iets van opsteekt.' (Saillant detail is dat Thomése die waardeloze Peer laat zaniken over de mensenrechtensituatie in China, een heerlijke steek onder water aan het adres van Ramsey Nasr, die zich door het schrijvers de mond snoerende Chinese regime liet uitnodigen voor een boekenbeurs en dacht daar wel even de mensenrechtensituatie te kunnen aankaarten.)

De toespelingen op de vermeende normen van de Literatuur zijn talloos: 'Ik ga in een roman niet zitten zaniken over geld. Dat is niet literair, het drukt namelijk geen universele waarde uit, zelfs niet wanneer ik die lullige yuans braaf zou terugrekenen naar de euro - die waarschijnlijk allang afgeschaft blijkt te zijn, die hele kuteuro, op het moment dat de diepere en waarachtige betekenis van Het bamischandaal eindelijk tot de hongerige lezersscharen zal zijn doorgedrongen.' En: 'Waar gáát dit over, dacht ik bij mezelf. Toch schrijf ik het voor de zekerheid maar op. Je weet nooit waar je het later voor kunt gebruiken.'

Ook de vermenging van hoog en laag is een constante, bijvoorbeeld in een verwijzing binnen één zin naar het hoogste van het hoogste en het laagste van het laagste. Om Kessels te vinden in die megadrukke stinkstad is een wonder nodig: '"Magic," hamert Nabokov in zijn Lectures on Literature. Schrijven is magic, magic, magic. Maar je kunt het ook overdrijven, vind ik. Ik ben Harry Potter niet, dat kutventje, godsakke. Het moet niet gekker worden. Het bamischandaal is zo al ongeloofwaardig genoeg, ik ga hier echt niet ook nog eens de magician spelen.'

In tegenstelling tot The Novel, waar 'Thomése' er vanaf zag een Hamburgs hoertje aan te duwen, gaat hij in Het bamischandaal wel uitgebreid van bil. Ook dát is niet echt literair, geeft hij toe: 'Sorry mensen, het is altijd een beetje gênant als een auteur uitgebreid gaat liggen neuken in zijn eigen boek, maar het moet even, niks aan te doen, ik kan het gewoon niet tegenhouden. Sommige dingen gebeuren, en in mijn vak heb je dan de pech dat je lezers ongevraagd kunnen meegenieten van jouw particuliere pompbewegingen die onder meer vanwege je bedenkelijke uiterlijk ook nog eens niet de schoonheidsprijs verdienen.' Thomése ligt non-stop te krikken met een lelijk wijf uit Aarle-Rixtel ('Anus-Rectum'), en Peerke en de Schel fietsen elke dag dezelfde route door de stad met een groep Duitse homo's. Kessels blijft zo onvindbaar, het verhaal dreigt vast te lopen.

Maar de auteur claimt uiteindelijk toch zijn almacht: waarom zou hij Kessels niet gewoon tegenkomen op de stoep voor het hotel? De hypothese stellen is hem bewijzen, daar ben je immers schrijver voor: 'Als mijn theorie klopte - en waarom zou ze niet kloppen (ik was immers de schrijver van dit boek, en al probeerden bepaalde personen of personages er de hele tijd op hun domst doorheen te schreeuwen, ik hield de regie stevig in handen) - moest mijn vriend mij vanzelf een keer tegen het lijf lopen. In de literatuur bestaan  nu eenmaal wetten. Daar is over nagedacht. Een schrijver ging in zijn eigen roman heus niet voor niets voor zijn Shanghaise lowbudgethotel op de stoep zitten. Zoiets had een reden. En je hoefde echt geen Nederlandse taal- en letterkunde bij zo'n moeilijk formulerende tekst-en-uitleg-professor te hebben gestudeerd om die reden te kunnen snappen.' En inderdaad, daar komt J. Kessels al naar buiten gewandeld.

Met Het bamischandaal is Thomése nog verder gegaan dan met J.Kessels; hij heeft nog meer gedurfd plot, spanningsboog, karaktertekening, etc. tot een minimum te beperken. De ironie ligt er nog dikker bovenop, de zelfspot is nog overheersender, het literaire spel daardoor nog gewaagder. Daar kleeft wel een inherent manco aan: je kunt de nietszeggendheid van je roman wel door en door ironiseren door steeds zelf alvast te melden dat het inderdaad een kutverhaal is, maar het wordt daardoor nog niet het tegenovergestelde, integendeel: blijft een kutverhaal. Met andere woorden: Het bamischandaal is gewoon niet zoveel aan. Het schrijfplezier spat er wel weer vanaf en Thomése bewijst zich opnieuw als taalvirtuoos, maar herlezen is bijvoorbeeld minder aantrekkelijk dan bij Kessels het geval was - die boeiende metafictionele laag ten spijt.

In het dankwoord wordt ook 'P.F. Thomése' bedankt voor zijn 'bereidwilligheid om zich hiervoor te lenen'. En de disclaimer luidt: 'Dit is een roman. Personen die hier onder hun eigen naam optreden, doen dit op eigen risico.' Ironischer, speelser, literairder kan het bijna niet.

*****

Geen opmerkingen: