zondag 23 september 2007

25 jaar integratiedebat

'In september 1990 zat de top van de Nederlandse politiek in een bushokje in Alma Ata, de hoofdstad van Kazachstan. De leiders van de VVD, D66, de PvdA en het CDA – Frits Bolkestein, Hans van Mierlo, Thijs Wöltgens en Elco Brinkman – zaten daar op een bus te wachten toen Bolkestein hen uitnodigde even een blokje om te lopen. “Toen heb ik discreet bij hen aangekaart dat ik de migranten een belangrijk probleem vond. […] Ik zei: het minderhedenprobleem is belangrijk, het zal de politieke agenda van de komende tien, twaalf jaar bepalen. Het is een probleem dat één politieke partij overstijgt. Ik zei ook: er is geen alternatief voor integratie van de minderheden in de Nederlandse samenleving. Ik moet er nu om lachen. Ik denk nu: ik zei niets bijzonders. Maar toen lag dat anders. Je had toen die idiote slagzin: integratie met behoud van eigen identiteit. Een kind kon zien dat dat niet werkte, omdat het een contradictio in terminis was.”

[...]

Fortuyn was de grote buitenstaander, die het onbehagen een stem gaf en begreep dat dat onbehagen ten diepste voortkwam uit een teloorgang van identiteit, een verdwijnen van gedeelde vormen, het afbrokkelen van het culturele fundament (Bolkestein is de enige geweest die het daar eveneens over heeft gehad, over dat belang van een morele basis als absolute voorwaarde voor het goed functioneren van een vrije markt en een democratische rechtsstaat.) Een van de samenleving en de werkelijkheid vervreemde politieke elite zou, aldus Fortuyn, niet begrijpen dat die verzwakte identiteit geen weerstand kon bieden aan een cultuur die op wezenlijke punten haaks stond op de onze. Uit partijpolitieke loyaliteit, neem ik aan, heeft Bolkestein hem ooit een ‘plee­figuur’ genoemd. Maar hij had hem moeten omhelzen als een politieke erfgenaam, omdat zij, Bolkestein en Fortuyn, eenzelfde intellectuele kracht, gepaard aan retorisch talent en politiek realisme, met elkaar deelden – en omdat zij beiden, in afwijking van alle anderen, begrepen dat wetten en regels niet volstaan als een cultuur in verval raakt. Bovendien waren zij bereid – anders dan Janmaat vóór hen en Wilders na hen – het debat met moslims aan te gaan.

[...]

Met zijn uitspraken, die ontegenzeggelijk op een steeds verdere radicalisering duiden, kiest Wilders een positie in het islamdebat die tot nog toe uniek is. De socioloog J.A.A. van Doorn heeft eens opgemerkt dat de islam ‘als een rotsblok in ons vlakke religieuze landschap ligt. Wie erop bijten wil, bijt op graniet’ (Trouw, 1-2-2003). Wanneer we die karakterisering als uitgangspunt nemen, zijn er ruwweg drie posities mogelijk.

We kunnen, ten eerste, de aanwezigheid en groei van de islam (als gevolg van de demografische ontwikkelingen) als iets onvermijdelijks zien en daarin berusten en hopen dat het uiteindelijk allemaal wel mee zal vallen. [...] We kunnen, ten tweede, die aanwezigheid en groei ook als een bedreiging zien en dan ferm besluiten: ‘Dat nooit!’. Vanuit de gedachte dat de islam, in principe en altijd en overal, nu en in de toekomst, niet in een moderne, democratische samenleving inpasbaar is, ontwikkelen we dan een politiek die gericht is op provocatie – met de uiteindelijke bedoeling dat moslims eieren voor hun geld zullen kiezen. [...]

Een derde mogelijkheid is de onderkenning van alle problemen die het gevolg zijn van de aanwezigheid en de groei van de islam in Nederland, gevolgd door het besluit om door het voeren van een debat, zo hard en scherp als nodig is, en door het nemen van politieke maatregelen, het ontstaan van een politieke islam te voorkomen en een vorm van islam te ontwikkelen die wél inpasbaar is in onze cultuur. Een beweging dus die erop gericht is dat niet zij ons maar wij hen veranderen en die het graniet weet te vergruizen. Deze derde positie is, denk ik, vanuit rechtsstatelijk standpunt de enig mogelijke, en bovendien de meest manmoedige. Het ontwikkelen van zo’n gemoderniseerde vorm van islam is immers nog nooit eerder in de geschiedenis gelukt. Maar natuurlijk, over duizend jaar zal men van ons zeggen: ‘This was their finest hour.’

[...]

Veel belangrijker dan welke kritiek op Wilders dan ook is het besef dat de ontvankelijkheid voor radicale ideeën wordt veroorzaakt door een falende politieke elite. De kracht van Wilders is de zwakte van de oude volkspartijen in het politieke centrum: de zwakte van links om over zijn eigen schaduw heen te springen en de culturele problemen in de wijken en op de zwarte scholen werkelijk serieus te nemen, en de zwakte van CDA en VVD om een scherp alternatief op Wilders’ positie te formuleren, zonder daarbij te vluchten in de achterhaalde methodieken van praten, thee drinken en onderhandelen.

Zolang kiezers beseffen dat de werkelijke problemen van straat en school bij de partijen in het politieke centrum niet in goede handen zijn, zullen zij naar de vleugels blijven uitwijken en dreigt er een parlementaire crisis die uiteindelijk alleen maar in onregeerbaarheid kan uitmonden.'

Dit zijn fragmenten uit het lange artikel '25 jaar Integratie-debat' van de hand van Bart Jan Spruyt. In dit stuk geeft hij een historisch overzicht van de omgang met het thema van de integratie in de Nederlandse politiek. Van Janmaat en Bolkestein, via Fortuyn, naar Verdonk en Wilders. Het artikel is helder geschreven, staat barstensvol informatie en vormt daarmee een uitstekend (inleidend) overzicht voor iedereen die geïnteresseerd is in hét hete hangijzer van deze tijd: de integratieproblematiek.

Ik kan dan ook iedereen aanraden het volledige artikel te lezen. Het is te vinden in het weekblad Opinio en op het weblog van Bart Jan Spruyt. Directe link: http://bartjanspruyt.blogspot.com/2007/09/25-jaar-integratiedebat.html

Geen opmerkingen: