Klassieke Nederlandse poëzie is opvallend vaak op de een of andere manier in de trein of op een treinstation gesitueerd. Wat 'Aan Rika' van Piet Paaltjens zo geestig maakt wordt door de structuur van de eerste strofe veroorzaakt, meer bepaald door hoe in de vierde regel de gortdroge conclusie uit de eerste drie regels wordt getrokken:
Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
Gezeten in een sneltrein, die de trein
Waar ik mee reed, passeerde in volle vaart.
De kennismaking kon niet korter zijn.
Prachtig is Willem Wilminks 'Echtpaar in de trein', waarin een man en zijn vrouw tegenover elkaar gezeten een treinreis maken. Het verschil in perspectief ('zij rijdt vóór-, ik achteruit') leidt tot een wijsgerige uiteenzetting over de tegengestelde manier waarop Man en Vrouw het huwelijksleven ervaren:
We zien dezelfde dingen wel,
maar ik heel traag en zij heel snel.
Zij kijkt tegen de toekomst aan,
ik zie wat is voorbijgegaan.
Zo is de huwelijkse staat:
de vrouw ziet wat gebeuren gaat,
terwijl de man die naast haar leeft,
slechts merkt wat zijn beslag al heeft.
Zij rijdt 'de toekomst in', hij 'het verleden uit', maar 'beiden aan dezelfde ruit'.
Het slot van Martinus Nijhoffs Awater speelt zich volledig af op een station, specifiek een perron. Typische elementen van zo'n setting zijn door de dichter in beklijvende regels gegoten. De eigenaardige manier waarop de wijzers van een stationsklok zich gedragen bijvoorbeeld: 'De klok verspringt van minuut naar minuut.' Dat is vandaag de dag, bijna 80 jaar later, nog altijd zo. Maar ook het indrukwekkende voorkomen van de verdwenen stoomtrein is vereeuwigd in onsterfelijke regels: 'Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen.' En 'Van schakels is haar klinkende ceintuur.' En dan die machtige slotregel: 'Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.'
Een andere categorie vormen gedichten die meestal geen enkele referentie aan de trein bevatten, maar die geschreven zijn in een treincoupé. Bekendste voorbeeld is natuurlijk Pierre Kemp, die talloze gedichten schreef op zijn dagelijkse treinreizen als forens tussen Maastricht en Eygelshoven. Maar ook drie klassieke gedichten van J.C. Bloem, 'Regen en maanlicht', 'Herfstdag' en 'De Dapperstraat', blijken hun oorsprong te hebben in een treinreis. Opvallend is dat in twee van de drie geen enkel spoor hiervan terug te vinden lijkt in de tekst, integendeel zelfs.
Guus Sötemann over eerstgenoemd gedicht: 'op 7 januari [1917], in de trein van Almelo naar Amsterdam, schrijft hij het prachtige gedicht dat wel beschouwd mag worden als de eerste "vintage"-Bloem: "Regen in den zomernacht" (later gepubliceerd als "Regen en maanlicht").' (Vier opstellen over J.C. Bloem, 1979, p. 40). 'Regen en maanlicht' is echter gesitueerd in een slaapkamer, het lyrisch ik tuurt 's nachts uit het open venster naar de maan en geniet van de regen; een statisch en verstild moment en wel het tegendeel van een rijdende trein.
De evergreen 'De Dapperstraat' is 'gedeeltelijk geschreven in de trein van Amsterdam naar Amersfoort' (Op. cit., p. 104), terwijl het gedicht toch eindigt met de verklaring van het lyrisch ik dat hij de voorgaande overpeinzingen omtrent natuur en stad heeft 'overdacht, / Verregend, op een miezerigen morgen, / Domweg gelukkig, in de Dapperstraat', in de verste verte niet in een treincoupé.
Alleen 'Herfstdag', dat 'ontstond op een herfstdag, toen Bloem door de bollenstreek tussen Haarlem en Leiden spoorde' (Op. cit., p. 93), kan inderdaad gelezen worden als de waarneming van een achter het raam van een trein gezeten beschouwer die de 'tuinders' in de dan braakliggende bollenvelden, 'de bruine hoven', met daarboven de egaal grijze hemel bekijkt: 'Herfst, land en mensen in een stil verband'.
Land en mensen kwamen op een soortgelijke manier al samen in Marsmans 'Herinnering aan Holland', maar daar niet in een 'stil' maar in 'een grootsch verband'. Het gedicht lijkt geheel uit natuurevocaties te bestaan, aangevuld met enkele boerderijen en kerktorens. Of zouden de 'grijze veelkleurige dampen' waarin de zon wordt 'gesmoord' misschien veroorzaakt worden door de rook van de stoomtrein die dit landschap doorsnijdt?
Andere auteurs hebben de dampen wel in die betekenis overgenomen. Maarten 't Hart bijvoorbeeld legt in 'Mammoet op zondag' de link met de petrochemische industrie van Pernis: 'ik ging staan op de trappers en reed in de richting van de dikker wordende nevel, de rook van Pernis en van de zon die inderdaad in grijze veelkleurige dampen versmoord werd.' En K. Michel verandert in een titelloos gedicht uit Ja! Naakt als de stenen (1989) de richting van Marsmans rivier ('Grote rivier! Draai om! [...] Vertrouw het laagland [...] niet.') en de grijze dampen zijn 'oker en verstikkend'.
Ook minder bekende gedichten van toch bekende dichters die iets met de trein te maken hebben zijn soms verborgen parels in hun poëtisch oeuvre. 'Treinnimf' van Gerrit Achterberg bijvoorbeeld, dat zich na een mooie openingsregel aanvankelijk nogal moeizaam voortsleept:
Het leven ligt te bloeien aan haar wang.
In zoete welving steekt de kin naar buiten
om met een gleuf tegen haar lip te sluiten,
die met de bovenlip staat in ontvang
van kussen, die als koele winden fluiten.
Maar na die eerste vijf regels wordt het lyrisch ik, een dichter, steeds directer. We zien hem het meisje observeren, tersluiks haar ondeugende schoonheid bewonderen:
Wat zijn haar benen rank en recht en lang.
Knieën en enkels en de slanke kuiten
staan in het rokje strang en in bedwang.
Dit wordt hem evenwel meteen betaald gezet:
Zijn wij in Amsterdam, vroeg ze tenslotte.
Ik stotterde. Ik kon geen antwoord geven.
Een ander was mij voor en kreeg haar blik.
De dichter verkiest echter de poëtische ontmoeting van de geest boven de banale, aardse variant. En daarin is hij allang geslaagd - daar is hij dichter voor -, zodat hij in de slotregels alsnog zijn triomf kan vieren:
Toch valt er met een dichter niet te spotten:
omdat hij alles al heeft opgeschreven
maakt hij zich achteraf niet dun of dik.
Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen
dinsdag 26 november 2013
dinsdag 9 oktober 2012
Een vader en een zoon. Over Rutger Kopland en Abe Lenstra
Woensdag 11 juli jongstleden overleed Rutger Kopland. Ik las het bericht van zijn overlijden op NOS Teletekst. ‘Zijn bekendste gedicht is Jonge sla’, stond er. Ik moest meteen denken aan een televisiefragment van ergens eind jaren negentig. Kopland was te gast bij Hanneke Groenteman – het zal waarschijnlijk ‘De Plantage’ zijn geweest – en Groenteman vroeg of hij ‘Jonge sla’ wilde voorlezen. Het gezicht van de dichter vertoonde een kleine seconde een gekwelde uitdrukking. Minzaam, maar ook met nauwelijks verholen moedeloosheid, sprak hij vervolgens de woorden: ‘Ik heb ook nog andere gedichten geschreven, hoor.’
De enige keer dat ik Kopland in levenden lijve heb gezien was in het voorjaar van 2008 in ’s-Hertogenbosch, bij het poëziefestival Onbederflijk Vers. In de Stadsbibliotheek las Kopland voor uit eigen werk. Hij sloot af met een gedicht uit zijn bundel Tot het ons loslaat (1997). Ver weg was ineens de matheid van bij Groenteman. Met zichtbare emotie bracht hij het vers. Het was het gedicht ‘Abe Lenstra’:
Hoewel literatuur en voetbal meestal twee overzijden lijkten te zijn die elkaar vermijden, is Abe Lenstra soms de brug geweest die beide verbond, niet alleen bij Rutger Kopland. In 1952 liet de altijd ironische Godfried Bomans zijn Pa Pinkelman al een gesprekje vol voetbaljargon voeren met Abe Lenstra: ‘Hij nam Pinkelman terzijde en fluisterde “‘t Is allemaal heel aardig, maar weet je wel wat voor systeem we eigenlijk spelen?” “Stopperspil,” opperde Pa Pinkelman, “met teruggetrokken W-formatie.” “Precies”, zei Lenstra, “zwervende backs, voedende middenlinie en breed spel in de voorhoede.” “Productief”, mompelde Pa Pinkelman, “voor de woning met dat ding. Prik ‘m in de touwen.”’ En zo gaat het nog een volle bladzijde door. (De onsterfelijke Pa Pinkelman, 1952)
In De neus van Pinokkio (1990) van Kees ’t Hart wordt Lenstra in een goddelijk rijtje geplaatst: ‘Andere mensen hebben Jezus nodig. Of Abe Lenstra. Of Harry Mulisch.’ En in Meneer Beerta (1996), deel 1 van Voskuils Bureau, verhaalt conciërge De Bruin van zijn prestaties op het voetbalveld: ‘Evenzogoed hebben ze me onlangs in een veteranenwedstrijd nog voor Abe gescholden.’ Ook in de poëzie komen we Abe vaker tegen. In het gedicht ‘De andere wereld’ van J.B. Charles, uit de bundel Waarheen daarheen (1954), heeft het lyrisch ik gedroomd dat hij de plaatsvervanger van Abe Lenstra is:
Ook Willem Wilmink en Theun de Winter dichtten over Abe, net als ongetwijfeld nog een klein pantheon Friese literatoren. En er is natuurlijk Nico Scheepmaker, die in 1973 met Theo van den Boogaard de strip Abe, hot story van een voetballerina uitbracht en een theologisch Abe-gedicht schreef: ‘In de naam van de vader / Van de zoon / Van de Heilige Geest / Abe.’ Al in 1957 had Scheepmaker in zijn bundel De kip van Egypte de bekentenis gedaan dat kunstwerken bij hem niet de ontroering vermochten te veroorzaken die Abe wel teweegbracht:
Veertig jaar later volgde dus Kopland met zijn hommage aan Abe. In een interview met Jacob Moerman uit 1998 heeft Kopland iets meer verteld over de autobiografische achtergrond van het gedicht: ‘Ik stond daar als kleine jongen met mijn vader naar een voetbalwedstrijd te kijken. Het gedicht had bij wijze van spreken ook kunnen gaan over een dikke snoek die mijn vader aan de haak had geslagen en plotseling weer in de diepte verdween. Bij dat Abe Lenstra-gedicht hoop ik vooral dat iets duidelijk wordt van wat tussen een vader en een zoon bestaat. Het gaat niet over de gebeurtenis zelf, maar over deernis met iemand die naast je staat.’ (Noordhollands Dagblad, 27 januari 1998)
Kunnen we wellicht achterhalen wanneer de in het gedicht aangehaalde wedstrijd Achilles-Heerenveen plaatsvond? In 1954 ging in Nederland de profcompetitie van start zonder Achilles, maar daarvoor speelde de Assense club decennialang een voorname rol in het ‘Noordelijk kampioenschap voetbal’. In 1938-1939 bijvoorbeeld werd Achilles kampioen. De Leeuwarder Courant van 19 september 1938 – digitaal raadpleegbaar via de applicatie ‘Historische Kranten’ van de KB – berichtte over de wedstrijd Achilles-Heerenveen (3-1): de kansen van Heerenveen gingen ‘door talmen en slecht richten verloren […] waarbij A. Lenstra eens hard tegen den paal schoot’.
In en na de oorlog was Heerenveen oppermachtig, met acht titels op rij. In april 1941 zette Lenstra Heerenveen op voorsprong in Assen: ‘Abe Lenstra, die ongetwijfeld de beste speler van het veld was, verschafte Heerenveen de leiding’. (Leeuwarder Courant, 28 april 1941) Kopland schreef in zijn gedicht: ‘voetbal was oorlog, toen al’. Het verslag van deze wedstrijd bevestigt dat deels: ‘Jammer was het, dat Bruinsma, die zich op een gegeven oogenblik niet kon beheerschen, wegens natrappen door scheidsrechter Smit moest worden weggezonden, hoewel de onderlinge verstandhouding overigens niets te wenschen liet.’
De oorlog bracht Kopland echter door in Bussum. In 1946 verhuisde het gezin naar Assen. We moeten de bewuste wedstrijd dus hoogstwaarschijnlijk na de oorlog situeren. De hoofdknik van Lenstra in het gedicht suggereert dat de Fries met een kopbal scoorde. Kopland publiceerde echter een voorversie van het gedicht in de bloemlezing Het Hogere Noorden. Poëzie uit Groningen (1997), waarin de regels ‘de bal kwam, hij kwam uit de grauwe lucht / en woei voor het doel’ nog luidden: ‘de bal kwam, kwam / door de grauwe lucht en woei / ergens neer voor het doel’. Het kan dus ook best een doelpunt vanaf de grond zijn geweest.
Was het misschien de wedstrijd Achilles-Heerenveen van 1 december 1946 (3-3)? 1946-1947 was een topseizoen voor Abe Lenstra, hij scoorde maar liefst 46 goals. Een daarvan was de 0-2 tegen Achilles, waarover de Leeuwarder Courant van 2 december 1946 schreef: ‘In de 12de minuut vangt Abe Lenstra den bal op van Wuyts en mooi doordringend brengt hij den stand op 0-2.’ Mooi doordringend, dat is al bijna poëzie. Het is december 1946, Kopland is dan twaalf jaar oud, nog net een ‘kleine jongen’. En ook al zal de match nog in een gelijkspel eindigen, 0-2 na 12 minuten, dat voelt inderdaad als ‘verloren voor we het wisten’.
Of het klopt weet ik niet, en dat hoef ik ook eigenlijk niet te weten. De poëtische waarheid is immers vaak mooier dan de historische. Ik stel me zo voor dat Abe zijn hoofdknikje dan ook pas ná het doelpunt bracht. Zoals Kopland in 2008 het applaus na zijn met zichtbare emotie gebrachte gedicht beantwoordde met een kort hoofdknikje. Bijna ootmoedig, bijna verlegen, bijna verontschuldigend.
Deze tekst verscheen eerder op www.textualscholarship.nl
De enige keer dat ik Kopland in levenden lijve heb gezien was in het voorjaar van 2008 in ’s-Hertogenbosch, bij het poëziefestival Onbederflijk Vers. In de Stadsbibliotheek las Kopland voor uit eigen werk. Hij sloot af met een gedicht uit zijn bundel Tot het ons loslaat (1997). Ver weg was ineens de matheid van bij Groenteman. Met zichtbare emotie bracht hij het vers. Het was het gedicht ‘Abe Lenstra’:
We stonden bij Achilles, het regende en woei,
in een geur van sigaren, nat gras en natte mannen,
het gromde en stampvoette om ons heen,
voetbal was oorlog, toen al.
Vader, weet je nog hoe het even doodstil werd,
de bal kwam, hij kwam uit de grauwe lucht
en woei voor het doel,
niemand had gezien dat hij daar stond.
Weet je nog hoe hij toen even met zijn hoofd knikte,
bijna ootmoedig, bijna verlegen, bijna verontschuldigend.
We hadden verloren voor we het wisten. Abe.
Hoewel literatuur en voetbal meestal twee overzijden lijkten te zijn die elkaar vermijden, is Abe Lenstra soms de brug geweest die beide verbond, niet alleen bij Rutger Kopland. In 1952 liet de altijd ironische Godfried Bomans zijn Pa Pinkelman al een gesprekje vol voetbaljargon voeren met Abe Lenstra: ‘Hij nam Pinkelman terzijde en fluisterde “‘t Is allemaal heel aardig, maar weet je wel wat voor systeem we eigenlijk spelen?” “Stopperspil,” opperde Pa Pinkelman, “met teruggetrokken W-formatie.” “Precies”, zei Lenstra, “zwervende backs, voedende middenlinie en breed spel in de voorhoede.” “Productief”, mompelde Pa Pinkelman, “voor de woning met dat ding. Prik ‘m in de touwen.”’ En zo gaat het nog een volle bladzijde door. (De onsterfelijke Pa Pinkelman, 1952)
In De neus van Pinokkio (1990) van Kees ’t Hart wordt Lenstra in een goddelijk rijtje geplaatst: ‘Andere mensen hebben Jezus nodig. Of Abe Lenstra. Of Harry Mulisch.’ En in Meneer Beerta (1996), deel 1 van Voskuils Bureau, verhaalt conciërge De Bruin van zijn prestaties op het voetbalveld: ‘Evenzogoed hebben ze me onlangs in een veteranenwedstrijd nog voor Abe gescholden.’ Ook in de poëzie komen we Abe vaker tegen. In het gedicht ‘De andere wereld’ van J.B. Charles, uit de bundel Waarheen daarheen (1954), heeft het lyrisch ik gedroomd dat hij de plaatsvervanger van Abe Lenstra is:
Toen ik dacht dat ik wist wat doodgaan was
dacht ik voorbij de doodsangst ongepast:
wie moet doelpunten in het Nederlandse elftal
nu ik des nachts niet meer voor Abe Lenstra inval
Ook Willem Wilmink en Theun de Winter dichtten over Abe, net als ongetwijfeld nog een klein pantheon Friese literatoren. En er is natuurlijk Nico Scheepmaker, die in 1973 met Theo van den Boogaard de strip Abe, hot story van een voetballerina uitbracht en een theologisch Abe-gedicht schreef: ‘In de naam van de vader / Van de zoon / Van de Heilige Geest / Abe.’ Al in 1957 had Scheepmaker in zijn bundel De kip van Egypte de bekentenis gedaan dat kunstwerken bij hem niet de ontroering vermochten te veroorzaken die Abe wel teweegbracht:
Alleen als Abe Lenstra
zwijgend speelt
met tegenstanders en een
oerbesef, –
laat ik een traan
op ’t asfalt van de kunst
Want ik vind het mooi
ik kan er niets aan doen.
Veertig jaar later volgde dus Kopland met zijn hommage aan Abe. In een interview met Jacob Moerman uit 1998 heeft Kopland iets meer verteld over de autobiografische achtergrond van het gedicht: ‘Ik stond daar als kleine jongen met mijn vader naar een voetbalwedstrijd te kijken. Het gedicht had bij wijze van spreken ook kunnen gaan over een dikke snoek die mijn vader aan de haak had geslagen en plotseling weer in de diepte verdween. Bij dat Abe Lenstra-gedicht hoop ik vooral dat iets duidelijk wordt van wat tussen een vader en een zoon bestaat. Het gaat niet over de gebeurtenis zelf, maar over deernis met iemand die naast je staat.’ (Noordhollands Dagblad, 27 januari 1998)
Kunnen we wellicht achterhalen wanneer de in het gedicht aangehaalde wedstrijd Achilles-Heerenveen plaatsvond? In 1954 ging in Nederland de profcompetitie van start zonder Achilles, maar daarvoor speelde de Assense club decennialang een voorname rol in het ‘Noordelijk kampioenschap voetbal’. In 1938-1939 bijvoorbeeld werd Achilles kampioen. De Leeuwarder Courant van 19 september 1938 – digitaal raadpleegbaar via de applicatie ‘Historische Kranten’ van de KB – berichtte over de wedstrijd Achilles-Heerenveen (3-1): de kansen van Heerenveen gingen ‘door talmen en slecht richten verloren […] waarbij A. Lenstra eens hard tegen den paal schoot’.
In en na de oorlog was Heerenveen oppermachtig, met acht titels op rij. In april 1941 zette Lenstra Heerenveen op voorsprong in Assen: ‘Abe Lenstra, die ongetwijfeld de beste speler van het veld was, verschafte Heerenveen de leiding’. (Leeuwarder Courant, 28 april 1941) Kopland schreef in zijn gedicht: ‘voetbal was oorlog, toen al’. Het verslag van deze wedstrijd bevestigt dat deels: ‘Jammer was het, dat Bruinsma, die zich op een gegeven oogenblik niet kon beheerschen, wegens natrappen door scheidsrechter Smit moest worden weggezonden, hoewel de onderlinge verstandhouding overigens niets te wenschen liet.’
De oorlog bracht Kopland echter door in Bussum. In 1946 verhuisde het gezin naar Assen. We moeten de bewuste wedstrijd dus hoogstwaarschijnlijk na de oorlog situeren. De hoofdknik van Lenstra in het gedicht suggereert dat de Fries met een kopbal scoorde. Kopland publiceerde echter een voorversie van het gedicht in de bloemlezing Het Hogere Noorden. Poëzie uit Groningen (1997), waarin de regels ‘de bal kwam, hij kwam uit de grauwe lucht / en woei voor het doel’ nog luidden: ‘de bal kwam, kwam / door de grauwe lucht en woei / ergens neer voor het doel’. Het kan dus ook best een doelpunt vanaf de grond zijn geweest.
Was het misschien de wedstrijd Achilles-Heerenveen van 1 december 1946 (3-3)? 1946-1947 was een topseizoen voor Abe Lenstra, hij scoorde maar liefst 46 goals. Een daarvan was de 0-2 tegen Achilles, waarover de Leeuwarder Courant van 2 december 1946 schreef: ‘In de 12de minuut vangt Abe Lenstra den bal op van Wuyts en mooi doordringend brengt hij den stand op 0-2.’ Mooi doordringend, dat is al bijna poëzie. Het is december 1946, Kopland is dan twaalf jaar oud, nog net een ‘kleine jongen’. En ook al zal de match nog in een gelijkspel eindigen, 0-2 na 12 minuten, dat voelt inderdaad als ‘verloren voor we het wisten’.
Of het klopt weet ik niet, en dat hoef ik ook eigenlijk niet te weten. De poëtische waarheid is immers vaak mooier dan de historische. Ik stel me zo voor dat Abe zijn hoofdknikje dan ook pas ná het doelpunt bracht. Zoals Kopland in 2008 het applaus na zijn met zichtbare emotie gebrachte gedicht beantwoordde met een kort hoofdknikje. Bijna ootmoedig, bijna verlegen, bijna verontschuldigend.
Deze tekst verscheen eerder op www.textualscholarship.nl
zondag 30 oktober 2011
Gezien: Geen Daden Maar Woorden
Wanneer: zaterdag 22 oktober 2011
Waar: Theater Kikker, Utrecht
Wat: Geen Daden Maar Woorden Festival
Wie: Meindert Talma, Sander Alt, Delphine Lecompte, John Schoorl, Renate Dorrestein, John Buijsman, Marcel Möring, Chop Wood, La Femme Belge & Kees van Kooten
Vorige week zondag was het Ajax-Feyenoord (geen woorden maar daden), de avond ervoor bezocht ik het festival Geen Daden Maar Woorden, editie Utrecht. GDMW slaagt er al vele jaren in literatuur op prettige, ongedwongen wijze te combineren met muziek, film en theater. Er is voor elk wat wils, zonder dat het festival tot een allegaartje van uiteenlopende stijlen en artiesten verwordt.
De eerste sessie van de avond bracht ik in de Kleine Zaal door. Publiek dat bovenin plaats had genomen werd verzocht wat naar voren te komen als de zaal verder leeg zou blijven, maar dat bleek ongegronde angst: men moest uiteindelijk zelfs wat inschikken om iedereen een zitplaats te gunnen. Meindert Talma mocht het spits afbijten. Zittend, met op schoot een stokoud orgeltje, bracht hij enkele gedichten ten gehore, 'poëziemuziek', een merkwaardig interessante mengvorm van zang en voordracht. Alles op bijzonder droogkomische wijze, scherend langs sentiment en ontroering. Over voetballers met snorren en baarden. En over de 'stadskabouter', die iedereen met zijn racefiets omverrijdt. Een aanrader: check
Vervolgens werd er een korte animatiefilm vertoond van Sander Alt, gebaseerd op het gedicht 'In dromen voorbij' van Delphine Lecompte, die zelf ook de tekst had ingesproken. De knap vervaardigde film deed qua stijl en sfeer ergens wel wat denken aan Father and Daughter van Michael Dudok de Wit, door Paul Verhoeven nog in zijn geheel vertoond in diens Zomergasten-aflevering. Delphine Lecompte was zelf aanwezig in de zaal. Na de vertoning mocht zij het eerste exemplaar van de dvd in ontvangst nemen en een reactie geven. Dat laatste leek aanvankelijk een fiasco te worden. Lecompte bleek een onooglijk, doodsbang vogeltje dat nauwelijks een woord over de lippen kreeg. Al gauw werd echter duidelijk dat de dichteres dit imago cultiveerde: ze acteerde onnozelheid, waarmee ze het publiek op haar hand kreeg. Op de voorgelezen gedichten werd dan ook met groot applaus gereageerd.
Deze sessie werd afgesloten door John Schoorl, de gelauwerde muziekjournalist in wiens stukken alles om stijl draait. Elke zin moet een kunststukje op zich zijn, qua woordkeus, metaforiek en retorische kracht. Schoorl las twee verhalen voor uit zijn bundel De naald erin!, een over Pim Maas, de Nederlandse Elvis die onlangs ten onrechte doodverklaard werd, en een over The Clash.
Hierna werd snel de oversteek gemaakt naar de Grote Zaal, waar de tweede sessie inmiddels al begonnen was: Renate Dorrestein las voor uit eigen autobiografisch werk. Ik viel midden in haar voordracht, maar aan dit ouwewijvenproza kon niet veel worden gemist: voorgelezen met een waanwijsheid die mateloos irriteerde, als jeuk onder je voetzool met je schoen nog aan. Gelukkig werd meteen daarna het podium in gereedheid gebracht voor John Buijsman, die met zijn band een prachtig voorproefje gaf van zijn voorstelling Het alziend oor. Opzwepende jazz, gedichten van Deelder en provocatieve teksten: 'Kanker is tegenwoordig het belangrijkste excuus: "Wat een kutmuziek." Ja, maar hij heeft kanker. "O, dan...".' Marcel Möring sloot de sessie af met een hoofdstuk uit Louteringsberg.
Na een korte pauze was het tijd voor de grande finale in de Grote Zaal. Eerst ging Chop Wood in de weer met zijn samplemachines. Hij kondigde een bewerking van het gedicht 'Straattoneel' van W.F. Hermans aan, maar dit bleek nogal los te lopen: het gedicht werd achter hem op een scherm geprojecteerd, zelf had hij een nieuwe tekst bedacht. Een zeer vrije interpretatie, laten we het daar op houden. La Femme Belge, een Vlaamse groep, had ''k Heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen' van Elsschot op muziek gezet. De groep gaf ook nog enkele eigen nummers ten gehore, vol sympathieke zelfspot.
Het slotakkoord was voor Kees van Kooten. De goeie ouwe humorist was in topvorm. Hij begon met een verhaal over ene Gisterwereld, een anagram, zo bleek al snel, van Geert Wilders. Hij had ook nog anagrammen van Emile Roemer en Jan-Peter Balkenende: 'Meer remolie' respectievelijk 'Een pedante kwal, een jerk'. Van Kooten las ook zijn klassieker 'Zwijgstront' voor, over het echtpaar dat ruzie heeft en geen woord meer tot elkaar spreekt, wat krampachtig wordt verhuld wanneer ze onder vrienden of familie zijn. Maar iedereen heeft het door: ze hebben de zwijgstront.
Het thema van het verhaal vormde een fraai contrast met het festival: zwijgen versus spreken, geen daden maar woorden. Poëzie, muziek, theater, film, verhalen: de literatuur leeft.
Waar: Theater Kikker, Utrecht
Wat: Geen Daden Maar Woorden Festival
Wie: Meindert Talma, Sander Alt, Delphine Lecompte, John Schoorl, Renate Dorrestein, John Buijsman, Marcel Möring, Chop Wood, La Femme Belge & Kees van Kooten
Vorige week zondag was het Ajax-Feyenoord (geen woorden maar daden), de avond ervoor bezocht ik het festival Geen Daden Maar Woorden, editie Utrecht. GDMW slaagt er al vele jaren in literatuur op prettige, ongedwongen wijze te combineren met muziek, film en theater. Er is voor elk wat wils, zonder dat het festival tot een allegaartje van uiteenlopende stijlen en artiesten verwordt.
De eerste sessie van de avond bracht ik in de Kleine Zaal door. Publiek dat bovenin plaats had genomen werd verzocht wat naar voren te komen als de zaal verder leeg zou blijven, maar dat bleek ongegronde angst: men moest uiteindelijk zelfs wat inschikken om iedereen een zitplaats te gunnen. Meindert Talma mocht het spits afbijten. Zittend, met op schoot een stokoud orgeltje, bracht hij enkele gedichten ten gehore, 'poëziemuziek', een merkwaardig interessante mengvorm van zang en voordracht. Alles op bijzonder droogkomische wijze, scherend langs sentiment en ontroering. Over voetballers met snorren en baarden. En over de 'stadskabouter', die iedereen met zijn racefiets omverrijdt. Een aanrader: check
Vervolgens werd er een korte animatiefilm vertoond van Sander Alt, gebaseerd op het gedicht 'In dromen voorbij' van Delphine Lecompte, die zelf ook de tekst had ingesproken. De knap vervaardigde film deed qua stijl en sfeer ergens wel wat denken aan Father and Daughter van Michael Dudok de Wit, door Paul Verhoeven nog in zijn geheel vertoond in diens Zomergasten-aflevering. Delphine Lecompte was zelf aanwezig in de zaal. Na de vertoning mocht zij het eerste exemplaar van de dvd in ontvangst nemen en een reactie geven. Dat laatste leek aanvankelijk een fiasco te worden. Lecompte bleek een onooglijk, doodsbang vogeltje dat nauwelijks een woord over de lippen kreeg. Al gauw werd echter duidelijk dat de dichteres dit imago cultiveerde: ze acteerde onnozelheid, waarmee ze het publiek op haar hand kreeg. Op de voorgelezen gedichten werd dan ook met groot applaus gereageerd.
Deze sessie werd afgesloten door John Schoorl, de gelauwerde muziekjournalist in wiens stukken alles om stijl draait. Elke zin moet een kunststukje op zich zijn, qua woordkeus, metaforiek en retorische kracht. Schoorl las twee verhalen voor uit zijn bundel De naald erin!, een over Pim Maas, de Nederlandse Elvis die onlangs ten onrechte doodverklaard werd, en een over The Clash.
Hierna werd snel de oversteek gemaakt naar de Grote Zaal, waar de tweede sessie inmiddels al begonnen was: Renate Dorrestein las voor uit eigen autobiografisch werk. Ik viel midden in haar voordracht, maar aan dit ouwewijvenproza kon niet veel worden gemist: voorgelezen met een waanwijsheid die mateloos irriteerde, als jeuk onder je voetzool met je schoen nog aan. Gelukkig werd meteen daarna het podium in gereedheid gebracht voor John Buijsman, die met zijn band een prachtig voorproefje gaf van zijn voorstelling Het alziend oor. Opzwepende jazz, gedichten van Deelder en provocatieve teksten: 'Kanker is tegenwoordig het belangrijkste excuus: "Wat een kutmuziek." Ja, maar hij heeft kanker. "O, dan...".' Marcel Möring sloot de sessie af met een hoofdstuk uit Louteringsberg.
Na een korte pauze was het tijd voor de grande finale in de Grote Zaal. Eerst ging Chop Wood in de weer met zijn samplemachines. Hij kondigde een bewerking van het gedicht 'Straattoneel' van W.F. Hermans aan, maar dit bleek nogal los te lopen: het gedicht werd achter hem op een scherm geprojecteerd, zelf had hij een nieuwe tekst bedacht. Een zeer vrije interpretatie, laten we het daar op houden. La Femme Belge, een Vlaamse groep, had ''k Heb in mijn jeugd gelijk een beest gezopen' van Elsschot op muziek gezet. De groep gaf ook nog enkele eigen nummers ten gehore, vol sympathieke zelfspot.
Het slotakkoord was voor Kees van Kooten. De goeie ouwe humorist was in topvorm. Hij begon met een verhaal over ene Gisterwereld, een anagram, zo bleek al snel, van Geert Wilders. Hij had ook nog anagrammen van Emile Roemer en Jan-Peter Balkenende: 'Meer remolie' respectievelijk 'Een pedante kwal, een jerk'. Van Kooten las ook zijn klassieker 'Zwijgstront' voor, over het echtpaar dat ruzie heeft en geen woord meer tot elkaar spreekt, wat krampachtig wordt verhuld wanneer ze onder vrienden of familie zijn. Maar iedereen heeft het door: ze hebben de zwijgstront.
Het thema van het verhaal vormde een fraai contrast met het festival: zwijgen versus spreken, geen daden maar woorden. Poëzie, muziek, theater, film, verhalen: de literatuur leeft.
donderdag 13 oktober 2011
Leo Vroman nog steeds niet dood
Jan Wolkers is dood, Hugo Claus is dood, Simon Vinkenoog dood, Harry Mulisch ook dood, zelfs Hans Keilson is dood. Leo Vroman overleeft ze allemaal. In 2008 gaf hij een poëziebundel al de titel Nee, nog niet dood. Een heerlijke titel, waaruit zowel oprechte verbazing als ingehouden triomf spreekt.
Nu is er opnieuw een kloeke bundel van de inmiddels 96-jarige Vroman verschenen: Daar. Op vrijwel elke van de in totaal ruim 200 bladzijden is de dood prominent aanwezig. Vroman keert de dood binnenstebuiten, soms zo uitentreuren dat hij er zelf moe van wordt:
Op zo'n hoge leeftijd is een zekere nieuwsgierigheid naar de dood niet tegen te houden. Vaak voeren berusting en gevoelens van dankbaarheid en lome tevredenheid hierbij de boventoon, maar de levenslust blijft toch onverminderd woeden:
Steeds weer ziet Vroman het wisselen der seizoenen aan zich voorbij trekken ('Alweer lente') en steeds weer is er ook die vraag: 'Zal ik sterven in dit seizoen?' De grote charme van deze poëzie is de menselijkheid, de empathie en de volwassen naïviteit: Vroman blijft altijd optimistisch en vitaal, zonder dat het ongeloofwaardig of idealistisch wordt.
De gedichten zijn 'actueel', in de zin dat ze veelal de roerselen en belevenissen van Leo en Tineke in Fort Worth, Texas als thema hebben. Anekdotisch en persoonlijk - en niet te vergeten zeer lichamelijk -, maar ook met oog voor wereldbranden als 9/11 en 'Seeotwee'.
Zo nu en dan is er ook melancholie of nostalgie en gaan de gedachten terug naar Nederland, dat hij nooit meer zal betreden, of naar de oorlog, toen hij als marinier tussen Kaapstad en Java voer, en waarvan hij 'het stampen van de schroef' van het schip nog regelmatig hoort
De gedichten in Daar zijn te karakteriseren als light verse, in de zin dat ze makkelijk te begrijpen zijn en weinig ruimte over laten voor de fantasie of inspanning van de lezer. Het consequente gebruik van eindrijm is soms geforceerd, maar de zelfironie ontbreekt hier niet:
'Zet al dat gesterf eens terzijde', spreekt Vroman zichzelf ergens vermanend toe. Want zo lang hij leeft is de dood er niet, en als hij dan dood zal zijn is hij er zelf niet meer bij. Maar ook al leeft hij voorlopig maar door, het zal niet voor eeuwig zijn:
Nu is er opnieuw een kloeke bundel van de inmiddels 96-jarige Vroman verschenen: Daar. Op vrijwel elke van de in totaal ruim 200 bladzijden is de dood prominent aanwezig. Vroman keert de dood binnenstebuiten, soms zo uitentreuren dat hij er zelf moe van wordt:
Zandloper, zoden, zerk en zeis,
de dood verveelt mij rot.
Ten slotte, het doel van elke reis
is de reis, en niet het slot.
Achter mij ligt het paradijs.
Op zo'n hoge leeftijd is een zekere nieuwsgierigheid naar de dood niet tegen te houden. Vaak voeren berusting en gevoelens van dankbaarheid en lome tevredenheid hierbij de boventoon, maar de levenslust blijft toch onverminderd woeden:
Troost mij niet met 'Nog enkele jaren
en dan voor eeuwig rust'.
De golven zullen niet bedaren
bij het naderen van de kust;
Steeds weer ziet Vroman het wisselen der seizoenen aan zich voorbij trekken ('Alweer lente') en steeds weer is er ook die vraag: 'Zal ik sterven in dit seizoen?' De grote charme van deze poëzie is de menselijkheid, de empathie en de volwassen naïviteit: Vroman blijft altijd optimistisch en vitaal, zonder dat het ongeloofwaardig of idealistisch wordt.
De gedichten zijn 'actueel', in de zin dat ze veelal de roerselen en belevenissen van Leo en Tineke in Fort Worth, Texas als thema hebben. Anekdotisch en persoonlijk - en niet te vergeten zeer lichamelijk -, maar ook met oog voor wereldbranden als 9/11 en 'Seeotwee'.
Zo nu en dan is er ook melancholie of nostalgie en gaan de gedachten terug naar Nederland, dat hij nooit meer zal betreden, of naar de oorlog, toen hij als marinier tussen Kaapstad en Java voer, en waarvan hij 'het stampen van de schroef' van het schip nog regelmatig hoort
De gedichten in Daar zijn te karakteriseren als light verse, in de zin dat ze makkelijk te begrijpen zijn en weinig ruimte over laten voor de fantasie of inspanning van de lezer. Het consequente gebruik van eindrijm is soms geforceerd, maar de zelfironie ontbreekt hier niet:
En wat wil dit vers beweren?
Geen hoop op een verleden tijd,
maar anders rijmt het niet.
'Zet al dat gesterf eens terzijde', spreekt Vroman zichzelf ergens vermanend toe. Want zo lang hij leeft is de dood er niet, en als hij dan dood zal zijn is hij er zelf niet meer bij. Maar ook al leeft hij voorlopig maar door, het zal niet voor eeuwig zijn:
Ik zal straks moeten leren
hoe ik er niet meer zal zijn.
Maar wat lig ik hier te beweren?
Word ik soms Ik in het klein?
Wie heeft ooit uit alle macht
het zonlicht weggedacht
en in zelf verzonnen nacht
een eeuwigheid doorgebracht?
Nee, wreed van achteloosheid
blijft deze wereld bestaan
en zelfs mijn machteloosheid
schuift hij van de baan.
Wat raakt dan uit mij vrij
en merkt een heimwee naar mij?
Zij? Maar hoe het ook zij
ik ben er dan niet bij.
dinsdag 19 oktober 2010
Jack van Gelder, radiodichter des vaderlands
Bij toeval stuitte ik op een publicatie waarvan de verschijning vorige maand me wonderwel was ontgaan: het Langs de Lijn-commentaar van Jack van Gelder en Bas Ticheler bij het WK deze zomer in Zuid-Afrika is in dichtvorm uitgebracht. Onder de titel Hij zit erin! zijn de commentaarteksten bij de twaalf doelpunten van Oranje in een bundeltje bijeengebracht. Dat levert regels op als 'Van Persie wat kan je? / hij geeft hem aan Sneijder / die moet dan / op de rand / van het strafschopgebied misschien / gaan schieten, Sneijder / de bal wordt aangeraakt / - o goal'.
Een beetje duf, maar van die twaalf goals waren er dan ook niet veel van grote schoonheid. De goddelijke pegel van Van Bronckhorst kwam bovendien uit de lucht vallen, waardoor het commentaar bij dit doelpunt pas kon beginnen toen de bal al in het net lag.
Je kunt je afvragen wat de toegevoegde waarde is van zo'n bundeling. Het lijkt een beetje aan te sluiten bij de trend uitsmijterzinnen en aforismen in stukjes te hakken en ze dan als poëzie te verkopen. Nico Dijkshoorn heeft er via zijn alter ego P. Kouwes succes mee, maar zijn 'gedigten' zijn in ieder geval erg grappig en soms ook knapper, gelaagder dan ze op het eerste gezicht lijken.
Ron Rijghard plaatst Hij zit erin! in NRC Handelsblad in de traditie van ready mades en flarfgedichten. Dichters van die genres halen echter teksten van anderen rechtstreeks uit de werkelijkheid en presenteren ze als poëzie. Dat roept de vraag op wie hier de taak van knip- en plakker op zich heeft genomen. Hebben Ticheler en Van Gelder hun eigen teksten tot verzen verknipt of heeft iemand anders de enjambementen aangebracht?
Misschien kan Jack van Gelder ooit nog eens zijn verzamelde doelpunten in poëzievorm uitbrengen. Daar staat dan een gedicht in dat wel een canonieke status kan bereiken, zoals met het originele gesproken commentaar al is gebeurd. Ik heb het natuurlijk over de 2-1 van Dennis Bergkamp tegen Argentinië in 1998:
Dennis Bergkamp
Nederland
Nederland gaat in de halve finale komen
Ik heb opeens zo'n GEVOEL dat we in de halve finale gaan komen
Met balbezit voor Frank de Boer
Frank de Boer - speelt de bal
Heel goed naar Dennis Bergkamp
Dennis Bergkamp
Dennis Bergkamp neemt de bal aan
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
OOOOOOOOOHHHH
Frankdeboerspeeltdebalopdennisbergkamp
Die neemt de bal feilloos aan
En die schiet de bal erin
We spelen nog officieel twintig seconden
Den-nis Berg-kamp
Twee één
Schitterend. Van Gelder incorporeert hier achteloos de hele moderne Nederlandse poëziegeschiedenis, van Van Ostaijen via Vroman naar Rutger Kopland. Hij wisselt van stijlregister zonder stijlbreuken te plegen.
En natuurlijk is de naam 'Dennis Bergkamp' alleen al poëzie.
Een beetje duf, maar van die twaalf goals waren er dan ook niet veel van grote schoonheid. De goddelijke pegel van Van Bronckhorst kwam bovendien uit de lucht vallen, waardoor het commentaar bij dit doelpunt pas kon beginnen toen de bal al in het net lag.
Je kunt je afvragen wat de toegevoegde waarde is van zo'n bundeling. Het lijkt een beetje aan te sluiten bij de trend uitsmijterzinnen en aforismen in stukjes te hakken en ze dan als poëzie te verkopen. Nico Dijkshoorn heeft er via zijn alter ego P. Kouwes succes mee, maar zijn 'gedigten' zijn in ieder geval erg grappig en soms ook knapper, gelaagder dan ze op het eerste gezicht lijken.
Ron Rijghard plaatst Hij zit erin! in NRC Handelsblad in de traditie van ready mades en flarfgedichten. Dichters van die genres halen echter teksten van anderen rechtstreeks uit de werkelijkheid en presenteren ze als poëzie. Dat roept de vraag op wie hier de taak van knip- en plakker op zich heeft genomen. Hebben Ticheler en Van Gelder hun eigen teksten tot verzen verknipt of heeft iemand anders de enjambementen aangebracht?
Misschien kan Jack van Gelder ooit nog eens zijn verzamelde doelpunten in poëzievorm uitbrengen. Daar staat dan een gedicht in dat wel een canonieke status kan bereiken, zoals met het originele gesproken commentaar al is gebeurd. Ik heb het natuurlijk over de 2-1 van Dennis Bergkamp tegen Argentinië in 1998:
Dennis Bergkamp
Nederland
Nederland gaat in de halve finale komen
Ik heb opeens zo'n GEVOEL dat we in de halve finale gaan komen
Met balbezit voor Frank de Boer
Frank de Boer - speelt de bal
Heel goed naar Dennis Bergkamp
Dennis Bergkamp
Dennis Bergkamp neemt de bal aan
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
DENNIS BERGKAMP
OOOOOOOOOHHHH
Frankdeboerspeeltdebalopdennisbergkamp
Die neemt de bal feilloos aan
En die schiet de bal erin
We spelen nog officieel twintig seconden
Den-nis Berg-kamp
Twee één
Schitterend. Van Gelder incorporeert hier achteloos de hele moderne Nederlandse poëziegeschiedenis, van Van Ostaijen via Vroman naar Rutger Kopland. Hij wisselt van stijlregister zonder stijlbreuken te plegen.
En natuurlijk is de naam 'Dennis Bergkamp' alleen al poëzie.
zondag 18 oktober 2009
Lezen, lezen, lezen #14
Jutta Chorus & Menno de Galan - In de ban van Fortuyn. Reconstructie van een politieke aardschok (2006), 352 blz.Pim Fortuyn zal mij altijd blijven fascineren. Ik was nog geen zestien toen de kale Rotterdammer het land op zijn kop zette en de gezapige politiek voor mij interessant maakte. De politieke en de dagelijkse werkelijkheid waren voor mij altijd gescheiden werelden geweest, Fortuyn bouwde een brug tussen de overzijden. In feite is Fortuyn nog geen jaar in de volle aandacht geweest, het speelde zich allemaal af in de periode augustus 2001-mei 2002. Toevallig de periode waarin ik in 4 atheneum zat, misschien wel het jaar waarin je vorming en bewustwording op het hoogtepunt zijn. Jutta Chorus en Menno de Galan reconstrueren in hun boek tot in detail de tien turbulente maanden van Pim Fortuyn, Leefbaar Nederland en de LPF. Ik heb In de ban van Fortuyn ademloos gelezen. Chorus en De Galan hebben al die tijd dicht op de huid van Fortuyn gezeten en maken de typering 'reconstructie' uit de ondertitel helemaal waar. Deze 'journalistieke studie' leest als een spannende roman met de auteurs als alwetende vertellers. Bijna van uur tot uur wordt opkomst van Fortuyn beschreven, objectief en to the point. Elk zinnetje bevat nieuwe informatie, uitweidingen en zijpaden worden vermeden. Ik zag de legendarische momenten weer voor me, bijvoorbeeld het debat op mijn verjaardag 6 maart met een superieure Fortuyn en de zure, vale klerkensmoel van Ad Melkert. Ook thans terecht vergeten querulanten als Harry Wijnschenk en Winny de Jong komen voorbij. Zeer ingenomen ben ik met de manier waarop Mat Herben naar voren komt. De auteurs citeren uit De Volkskrant van 1 juni 2002 dat 'niemand meer aarzelt te getuigen van diepe bewondering voor de nieuwkomer [Herben]' die nog op geen enkele fout te betrappen was geweest. Arme Mat, hij is daarna slachtoffer geworden van de ijdeltuiten, baantjesjagers en amokmakers na de dood van Fortuyn. Ik hoop dat hij nog eens terugkeert voor mijn stem.
Geert Buelens - Europa! Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog (2008), 375 blz.
'Zum Frühstuck auf nach Paris!' was een hoofdstuktitel in het geschiedenisboek op de middelbare school. De slogan verwoordde perfect de zorgeloze, zelfs naïeve houding aan de vooravond van de eerste moderne oorlog: voor dag en dauw even snel gehakt maken van de vijand en dan zijn we op tijd terug voor het ontbijt. Het is deze houding die ook uit sommige poëzie uit die tijd spreekt. De oorlog werd beschouwd als een noodzakelijke, soms zelfs mooie gebeurtenis waar hooggestemde idealen en verheven redenen aan ten grondslag lagen. Al gauw sijpelde de verschrikkelijke werkelijkheid door in de gedichten. Beschaving verwerd tot barbarij, jonge, veelbelovende mannen degradeerden tot willoos en zielloos slachtvee. Geert Buelens beschrijft in Europa! Europa! dit proces aan de hand van de Europese poëzie. Bekende namen als Siegfried Sassoon, Guillaume Apollinaire en de onvermijdelijke Paul van Ostaijen spelen een hoofdrol, maar Buelens heeft ook aandacht voor onbekende oorlogspoëten uit alle uithoeken van het in brand staande Europa. Zo ontstaat een mooie wisselwerking: de poëziegeschiedenis wordt beschreven tegen de achtergrond van de oorlog en de oorlogsgeschiedenis krijgt reliëf door de gedichten. Het boek is chronologisch opgezet, waardoor we de dichters door de oorlog heen kunnen volgen op hun lijdensweg van hoop en vaderlandsliefde naar tragiek en verbittering. Velen raken we echter onderweg kwijt; ook dichters sneuvelen ongenadig in de wrede oorlog. Buelens toont ook aan dat er niet alleen poëzie óver de zich afspelende oorlog werd geschreven, ze had ook een directe functie. Soldaten werden opgepept met gedichten, het thuisfront werd ermee geïnformeerd en geïndoctrineerd. De Eerste Wereldoorlog wordt niet voor niets ook wel 'de literaire oorlog' genoemd. Buelens meldt dat alleen al in augustus 1914 in Duitsland naar schatting vijftigduizend gedichten per dag werden geschreven!
Hans den Hartog Jager - Dit is Nederland in tachtig meesterwerken (2008), 208 blz.
Van de Nederlandse schilderkunst weet ik schrikbarend weinig af. Ik heb dan wel Nederlandse Taal & Cultuur gestudeerd, maar dat 'Cultuur' bleek in de praktijk een synoniem van 'literatuur'. Andere uitingen van cultuur, laat staan onderwijs en debat over samenleving en identiteit, waren niet in het curriculum opgenomen. Ik kan nog net enkele wereldberoemde schilderijen opnoemen (Nachtwacht, Zonnebloemen, Het melkmeisje), maar daar houdt het wel op. Hans den Hartog Jager heeft een prachtig boek samengesteld dat wat aan die culturele achterstand heeft gedaan. In Dit is Nederland worden tachtig schilderijen gepresenteerd die 'het fundament van de Nederlandse cultuur' vormen. De 80 zijn stuk voor stuk groot genoeg afgedrukt om alle details en facetten te kunnen bekijken. Elk meesterwerk gaat vergezeld van een korte (1 tot 1,5 pagina), nuttige toelichting. Hofleverancier met zes schilderijen is Rembrandt. Johannes Vermeer en Van Gogh staan er met vier meesterwerken in, Frans Hals en Mondriaan met drie. Van Geertgen tot Sint Jans, Hieronymus Bosch, Jacob van Ruisdael, Willem van de Velde de Jonge, G.H. Breitner en Marlene Dumas zijn twee werken geselecteerd. Het zwaartepunt ligt vanzelfsprekend in de Gouden Eeuw, terwijl uit de hele achttiende eeuw slechts één schilderij is geselecteerd. Ik merk dat ik zelf een voorkeur heb voor de traditionelere landschappen. Erg mooi vind ik het Winterlandschap (1838) van Barend Koekkoek, Het laantje van Middelharnis (1689) van Meindert Hobbema en het imponerende Gezicht op Haarlem met bleekvelden (ca. 1670) van Jacob van Ruisdael. Indrukwekkend vind ik voorts Rembrandts De staalmeesters (1662) en Interieur van de Sint Odolphuskerk te Assendelft (1649) van Pieter Saenredam. Een mooi overzichtswerk, en ook de achterliggende gedachte van Den Hartog Jager spreekt me wel aan: 'Nederlanders weten zich geen raad met hun beroemdste kunstwerken. [...] Liever roepen we dat het allemaal niet zoveel voorstelt en dat je de ene cultuur niet boven de andere moet stellen - juist in Nederland heeft het cultuurrelativisme de afgelopen honderd jaar grote hoogten bereikt. Terwijl juist dat relativisme, dat vaak als heel "verlicht" wordt gepresenteerd, veel Nederlanders het gevoel geeft dat we niks met elkaar te maken willen hebben [...]. Cultuur is en blijft een kwestie van zelfbewust het gesprek aangaan, waarbij zelfbewustzijn en gesprek precies even belangrijk zijn.'
zondag 29 maart 2009
Lezen, lezen, lezen #9
Dick Pels - De geest van Pim. Het gedachtegoed van een politieke dandy (2003), 316 blz.Voor dit boek kreeg de vermaarde socioloog Dick Pels in 2004 de Socrateswisselbeker voor het meest oorspronkelijke en prikkelende filosofieboek. Het is bovenal de eerste serieuze studie die het gedachtegoed van Pim Fortuyn als onderwerp heeft, en niet in de eerste plaats de politieke periode uit diens leven. De grote kracht van dit boek is de objectieve, neutrale blik op het denken van Fortuyn, van diens vroege marxistische theorieën in zijn jaren als socioloog tot de latere politieke gedachten over multicultuur en vrijheid van meningsuiting. Pels staat ver van zowel de met Fortuyn-vlaggen getooide dwepers als de kortzichtige haters die niet verder komen dan stempels als 'racist' en 'fascist'. De weg die Fortuyn aflegde van links naar rechts verklaart Pels met het vernuftige 'hoefijzermodel'. Het politieke spectrum wordt daarin voorgesteld niet als een rechte horizontale lijn maar als een hoefijzervorm. De beide uitersten liggen daardoor dichter bij elkaar, wat overstappen vergemakkelijkt. Pels schrijft erudiet (al verdwaalde ik soms in de sociologische terminologie) en graaft zeer diep in de geschriften en theorieën van Fortuyn. De nadruk ligt daarbij op diens sociaal-economische ideeën. De rode draad in Fortuyns denken was volgens Pels dat hij steeds op zoek was naar zogenaamde 'derde wegen', nieuwe oplossingen die klassieke opposities moesten omzeilen. Zo ontstaat een even helder als veelomvattend beeld van de man wiens gedachtegoed een "speurtocht [was] naar derde wegen die leiden voorbij de klassieke ideologische opposities tussen socialisme en liberalisme, staat en markt, economie en cultuur, individuele en nationale identiteit, of charismatisch leiderschap en vertegenwoordigende democratie." In zekere zin komt Fortuyn zo naar voren als een typisch postmoderne denker. Het eerste deel van het boek behandelt Fortuyns academische carrière en is veel taaier dan het tweede deel waarin Pels bijzonder boeiende gedachten wijdt aan de intellectuele herwaardering van het fascisme, de implicaties van artikel 1 van de grondwet, de enge kanten van Fortuyns 'spruitjesnationalisme' en het personalisme als nieuwe manier van politiek bedrijven, een positief aspect van het populisme en volgens Pels dé poltitieke praktijk van de toekomst. Daarbij hoort ook de terechte kritiek op de eenzijdige blik van Arie van der Zwan, die in De uitdaging van het populisme louter oog heeft voor de negatieve aspecten van populisme. Dick Pels heeft met De geest van Pim een behartenswaardige studie geschreven waarin eindelijk eens met een onbevooroordeelde en wetenschappelijke blik naar de onvermoede diepten van de intellectuele erfenis van het fenomeen Fortuyn wordt gekeken.
J.M. Coetzee - Landscape with Rowers. Poetry form the Netherlands (2004), ix + 106 blz.
Nederlandse poëzie in Engelse vertaling is zeldzaam. Ik had althans nog nooit eerder een befaamd gedicht als Gerrit Achterbergs Ballade van de gasfitter in een andere taal dan het Nederlands onder ogen gehad. Coetzee, die eerder al blijk gaf van aandacht voor de Nederlandse literatuur, vertaalt in Landscape with Rowers poëzie van Achterberg, Sybren Polet (Self-Repeating Poem), Hugo Claus (Ten Ways of Looking at P.B. Shelley), Cees Nooteboom (Basho), Hans Faverey (Chrysanthemums, rowers; 'The earth; consisting of earthenware' en 'From the vase') en Rutger Kopland (Descent in Broad Daylight). In de inleiding maakt Coetzee een vreemde opmerking: "Dutch is a minor language in the sense that it is spoken only by some fifteen million people [...]". De Zuid-Afrikaan vergeet hier voor het gemak even de Vlamingen en de overzeese medelanders. De beperking tot deze dichters lijkt me een te verdedigen selectie. De zes vormen een mooie afspiegeling van de Nederlandstalige poëziewereld en hebben (potentiële) internationale allure. Coetzee heeft veel bewondering voor The Ballad of the Gasfitter, dat hij rekent tot de "in typically high modernist fashion" geschreven meesterwerken. Coetzee heeft ervoor gekozen in zijn vertaalarbeid zeer dicht bij het origineel te blijven, en dan vooral in semantisch opzicht. Een letterlijke vertaling heeft bijna altijd de voorkeur boven een metrische of op eindrijm gerichte vertaling. Soms slaagt hij er echter wonderwel in een uitstekende middenweg te vinden. De regels 'Diep in zijn bril wemelt het, of hij huilt./ Hij drukt mijn hand, vermant zich en meesmuilt.' uit de Ballade van de gasfitter worden dan in vertaling 'Behind his glasses tears obscure his eyes./ He clasps my hand, collects himself, half-smiles.' Het ietwat pejoratieve karakter van de term 'knauw hauw' uit Polets 'Zelfrepeterend gedicht' blijft heel mooi behouden in Coetzee's 'no-how'. Faverey gebruikt in het eerste gedicht uit de reeks 'Chrysanten, roeiers' de vormen 'door de war maakt', 'verwart' en 'in de war is'. Coetzee respecteert de subtiele verschillen door in 'Chrysanthemums, rowers' ook drie licht verschillende woorden te kiezen, respectievelijk 'discomposes', 'disturbs' en 'is disarranged'. Al met al een interessant bundeltje; ik ben benieuwd of het enige aandacht heeft gekregen in de angelsaksische pers.
Robert Huxley (red.) - De grote natuuronderzoekers (2008), 304 blz.
Wie momenteel een boekwinkel binnenloopt, wordt doodgegooid met boeken over Darwin. De grote winkels hebben zelfs een aparte tafel gereserveerd voor boeken over de man die met de 'natuurlijke selectie' op de proppen kwam. Een grote groep auteurs heeft onder leiding van Robert Huxley, hoofd collecties van de afdeling botanie van het Natural History Museum in Londen, voor De grote natuuronderzoekers een serie portretten van de grote namen uit de natuurwetenschappen t/m de negentiende eeuw geschreven. Er is aandacht voor bij iedere sterveling bekende grootheden als Antoni van Leeuwenhoek, Linnaeus, Charles Lyell en Darwin, maar ook minder bekende goden als Andrea Cesalpino, Sir Hans Sloane, Louis Agassiz en Alfred Russell Wallace - die tegelijkertijd met Darwin het principe van natuurlijke selectie bedacht! - komen uitgebreid aan bod. De samenwerking met het Natural History Museum heeft in de eerste plaats een prachtig geïllustreerd boekwerk opgeleverd. Op elke bladzijde zijn portretten, afbeeldingen van specimens en persoonlijke zaken als dagboekaantekeningen te bewonderen. De makers hebben er bewust voor gekozen hun selectie te beperken tot onderzoekers uit de tijd van vóór de specialisatie binnen de wetenschappen. De onderzoekers in dit boek waren alle actief op een breed terrein en niet zelden pioniers. In De grote natuuronderzoekers wordt dan ook "de natuurwetenschap zonder gêne ingeperkt tot vooral de geschiedenis van de ontdekking, beschrijving, classificatie en het begrip van complete organismen." Niet alle lemma's zijn even interessant; sommige zijn gewoon te kort om enige diepgang te bereiken. Ook kent het boek zijn kleine slordigheden (Van Leeuwenhoek zou bijvoorbeeld volgens de data honderdelf jaar oud zijn geworden). De makers hebben gekozen voor een laagdrempelige opzet, waardoor dikwijls de aandacht naar mijn smaak iets te veel uitgaat naar biografische anekdotiek in plaats van naar de inhoud en waarde van de ontdekkingen van de betreffende pionier. Niettemin een informatief en aantrekkelijk boek.
maandag 2 februari 2009
Lezen, lezen, lezen #6
Gerrit Komrij - Komrij's canon in 100 gedichten (2008), 415 blz.Dichter, bibliofiel en oerbloemlezer Gerrit Komrij is en blijft een geweldenaar. De heisa rondom de verkiezing van de nieuwe Dichter des Vaderlands heeft weer een zinderend stukje proza opgeleverd op zijn blog Lucifer in het hooi: 'Eregast'. De stukken in Komrij's canon zijn minder polemisch, al wil er zo nu en dan wel een scherp geformuleerde sneer of uitval tussen zitten, een warm pleidooi voor eerherstel van een dichter of een genre. In deze bundel presenteert Komrij een selectie uit In liefde bloeyende, Trou moet blycken en Kost en inwoning. De stukken zijn opgebouwd volgens een prachtig procédé: we lezen steeds een gedicht, dat Komrij vervolgens in maximaal tweeëneenhalve bladzijde toelicht. Soms interpreteert hij regel voor regel, soms is een gedicht aanleiding voor een meer poëticaal getoonzet discurs of voor een van het gedicht af bewegende uiteenzetting. Dat geeft een prettige afwisseling van stijl en inhoud. De mini-essays worden bovendien nooit saai of eentonig. Deze canon is misschien wel Komrij's ultieme bloemlezing. 100 mooie gedichten van 100 verschillende dichters met steeds een korte beschouwing van de meester. Losse gedichten zijn eigenlijk altijd naakt, kwetsbaar. Elk gedicht zou vergezeld moeten gaan van zo'n soeverein stukje proza.
Joris van Casteren - In de schaduw van de Parnassus. Gesprekken met vergeten dichters (2002), 223 blz.
De tragiek van de vergetelheid, dat is wat Joris van Casteren zichtbaar wilde maken met dit boek. Een serie interviews met dichters die lang geleden, na een korter of langer verblijf op de Parnassus, voorgoed uit beeld verdwenen. Resultaat is een prachtige verzameling klein leed, middelmatigheid en grote rancune. Veel vergetenen leggen de schuld bij de uitgever, de coach die ze van het literaire veld haalde en om ze nooit meer op te stellen, hoe hard ze ook bleven proberen. Dat de kwaliteit ook een rol speelde, blijkt uit de afgedrukte gedichten. Positieve uitzonderingen zijn Johan Joos en Peter Simpelmans. Joos, een onvervalste poète maudit, wordt ondanks een avontuurlijke zoektocht net niet getraceerd. Van hem staat wel een mooi gedicht afgedrukt: "gejaagd silhouet/ dat moorddadig/ op zichzelf mikt// niets dan vrieslucht/ en in maag:/ uitgemergelde woorden// stormnacht schenkt/ zijn diepste zwart/ - vissers op zeeën// kassei:/ gekrompen altaar/ aambeeld voor schedel". Ook Simpelmans ontstijgt de massa. Op zijn vijftiende overvielen hem poëtische uitbarstingen, een grote woordenvloed overstroomde de jonge dichter, wat opvallend levendige poëzie heeft opgeleverd. In de schaduw van de Parnassus levert ook aanvullend bewijs voor de stelling dat de literaire wereld een incrowdgebeuren is. Wie zich niet in het centrum begeeft, is de pineut. Opvallend hoofdstuk: de dollemansrit met W.J. van Wouten. Leuk: de dandy Tony Rombouts, die onderweg naar zijn huis Van Casteren op schitterende wijze onderhoudt: "'Zag je die mooie jonge meiden in hun volle jeugd staan? Met decolleté aan en weet ik wat allemaal. Maar van waar ik stond, kon ik hun zweet al rieken. Bedenk, de schaduwzijden zijn er altijd.'" Wat een koning.
Brian Greene - De ontrafeling van de kosmos. Over de zoektocht naar de theorie van alles (2005), 624 blz.
Allemaal leuk en aardig, die poëzie en literatuur, maar er is ook nog de theorie van alles. Bij het CERN kunnen ze nu toch echt bijna gaan beginnen met de machtige deeltjesversneller. In De ontrafeling van de kosmos vertelt Brian Greene uitgebreid de geschiedenis van de zoektocht naar de ultieme verklaring van de kosmos. Ruimte en tijd zijn dan vanzelfsprekend de belangrijkste thema's. Twee hoofdvragen sturen Greene's verhaal: Is ruimte een reëel iets? en Waarom heeft tijd een richting? Natuurwetenschappers zoeken al meer dan een eeuw met volharding naar antwoorden op die vragen. Drie theorieën zijn daarbij revolutionair en toonaangevend: allereerst natuurlijk de algemene relativiteitstheorie van Einstein, vervolgens de door John Bell geïnitieerde quantummechanica en ten derde de huidige supersnaar/M-theorie van Edward Witten cs. De materie is naast bijzonder boeiend ook dikwijls zeer ingewikkeld. Greene is echter een onderhoudende verteller die erin slaagt met vernuftige analogieën veel zaken inzichtelijk te maken. Alles komt aan de orde: van ruimtetijd en de vraag naar de oorsprong van het heelal tot Calabi-Yau-vormen en braanwerelden. Na een uitputtende uitleg blikt Greene in het laatste deel vooruit op achtereenvolgens experimenteren met, reizen door en vooruitzichten voor ruimte en tijd. Dit boek is net als Grondleggers van de moderne wereld (#1) uitgebracht in de SCALA-reeks, in een goedkope, dichtbedrukte pocket waar je wel een aantal weken mee zoet bent. Die inspanning is het echter meer dan waard. Want de huidige theorieën mogen dan velen de pet te boven gaan, dat weinig mensen weten dat Edward Witten de Albert Einstein van onze tijd is, is eigenlijk een kleine schande.
zondag 18 januari 2009
The mirror I've been saving
Dinsdag gaat het dan eindelijk gebeuren: Barack Obama lost George W. Bush af als president van de Verenigde Staten. De wereld slaakt een zucht van verlichting. Het beleid van Bush heeft desastreuze gevolgen gehad voor de staat van het land en voor de internationale verhoudingen. De Texaan greep zijn afscheidsrede aan om al het goede dat hij heeft bewerkstelligd te benadrukken. Een beschamende en ergens ook wel meelijwekkende vertoning.
Na Bush Obama. Het contrast kan niet groter zijn, de beeldvorming versterkt dat effect nog eens. Het imago van Obama is dat van een intelligente, sociale, welbespraakte en innovatieve leider. Van Bush heerst het beeld van een domme, oorlogszuchtige, hakkelende en reactionaire cowboy. Veel van zulke typeringen lijken zeer juist, de antoniemen intelligent - dom zijn echter meer een gevolg van uit de hand gelopen beeldvorming. Bush studeerde aan Yale en Harvard en behaalde een bachelorgraad in de geschiedwetenschap en een mastertitel in de bedrijfswetenschappen. Om dat te bereiken moet je wel wat in je mars hebben. Ook een intelligent man kan echter een waardeloze president zijn, zo is gebleken. De geschiedenis zal oordelen over zijn presidentschap, stelt Bush. Hij maakt zich daar geen zorgen over, aangezien hij dit eindoordeel bij leven niet meer zal meemaken. Daarin vergist hij zich echter. Nu al beschouwt men hem als de slechtste president aller tijden, een diskwalificatie waaraan naar alle waarschijnlijkheid niet veel meer zal veranderen in de toekomst.
Obama reist per trein van Philadelphia naar Washington, een herhaling van de tocht die Abe Lincoln anderhalve eeuw geleden ook maakte. Heel Washington barst uit zijn voegen, zoveel mensen komen er op de inauguratie af. Grote artiesten als Bruce Springsteen, Mariah Carey, Jay-Z, Alicia Keys, Beyoncé en Stevie Wonder treden op, Oprah Winfrey doet haar show eenmalig in Washington, sterren als Steven Spielberg, Halle Berry en Tom Hanks zijn als gast aanwezig en betalen grotendeels de festiviteiten. In Legoland California is met 380 792 blokjes lego de plechtigheid nagebouwd. Nog belangrijker zijn de veiligheidsmaatregelen. Obama is een gewild doelwit voor racisten en andere haters. Elk pakhuis wordt scherp gecontroleerd op sluipschutters. Het enthousiasme van de mensen is enorm, de nieuwe president is de nieuwe mens.
Ik kan niet ontkennen dat Obama ook bij mij iets teweegbrengt. Als ik de tengere man met de ebonieten huid, de vriendelijke oogopslag en de dwingende stem op tv zie, dan ervaar ik toch een fijne mix van hoop en verwachting, het gevoel dat er écht een nieuw tijdperk voor de deur staat. Analisten waarschuwen tegen de huidige euforie. Een president heeft maar een beperkte invloed op het wereldgebeuren, binnen no time zal ook Obama gezien worden als de zoveelste president die vastloopt in goede bedoelingen en hardnekkige barrières. En toch blijft de gedachte hangen dat deze man dit historische juk van zich af kan werpen. Ik heb bij hem nooit het idee naar een Amerikaan te kijken. Bush, Clinton, al hun voorgangers, hoe uiteenlopend van politieke kleur ook, waren in de eerste plaats Amerikanen. Obama onttrekt zich aan elke geografische duiding. Ook de rest van de wereld lijkt rekenschap te geven van deze ervaring. Zelfs Iran heeft voor het eerst het idee te maken te hebben met een wereldleider in de letterlijke betekenis van het woord: de leider van de hele wereld, niet in de eerste plaats die van de VS als machtigste natie van die wereld. Al blijft het met Iran natuurlijk altijd oppassen geblazen.
Een bijkomende component van dit supranationale aura dat Obama omstraalt, is zijn dichterschap. In 1981 publiceerde een literair tijdschriftje twee gedichten van de latere president. 'Underground', een klein gedicht, beschrijft in korte, afstandelijke observaties het gedrag van apen in onderwatergrotten. Het tweede gedicht, 'Pop', is een lang autobiografisch gedicht over de grootvader. Het bevat meteen aan het begin een opvallend enjambement:
Sitting in his seat, a seat broad and broken
In, sprinkled with ashes
Het lyrisch ik, laten we zeggen: Obama, omschrijft zichzelf als
[...] a green young man
Who fails to consider the
Flim and flam of the world, since
Things have been easy for me;Het gedicht is een beheerst geschreven expressie van gevoelens van twijfel en liefde die leefden in de jonge Barack, die, zoals bekend, opgevoed werd door zijn opa. De taal is eenvoudig, de woorden zorgvuldig verspreid over de regels.
[...] and from
Under my seat, I pull out the
Mirror I’ve been saving; I’m laughing,
Laughing loud, the blood rushing from his face
To mine, as he grows small,
A spot in my brain, something
That may be squeezed out, like a
Watermelon seed between
Two fingers.
In Oneigenlijk gebruik (2008) wijdt Geert Buelens een hoofdstuk aan dichtende politici. Dit stuk, getiteld 'Imagoprobleem, zei u?' is ook opgenomen in de Gele Zwagerman. 'Elke politicus die dichter is, verdient het extra gewantrouwd te worden' schrijft Buelens. Hij doelt vooral op de historische voorbeelden waarbij gevaarlijke politici hun poëzie misbruikten om 'allerlei (niet zelden totalitaire) ideeën werkelijkheid te laten worden.' Radovan Karadzic is daar met zijn morbide en machtswellustige gedichten het meest recente voorbeeld van. Nu is Obama nauwelijks een dichter te noemen - de vroege gedichten hebben geen vervolg gekregen - en heeft hij zijn werkjes ook niet ingezet voor politieke doeleinden. Wel werden ze tijdens de voorverkiezingen onder het stof vandaan gehaald. Ze zullen toen zeker bijgedragen hebben aan het positieve imago van de kandidaat.
Buelens is somber over het imago van de poëzie: 'De dichter die het alleen bij mooie woorden houdt, staat maatschappelijk buitenspel. En de dichter-politicus die zijn eloquentie ten dienste stelt van een ideaal in de wereld, slaagt daar misschien wel in, maar dreigt net door de vertaling van die Idee naar de Realiteit de poëzie op te offeren.' Misschien wil Obama het tegendeel bewijzen. In 'Pop' schemert al iets door van de latere Democraat. Een innerlijke strijd over engagement met de 'flim and flam of the world'. Aandacht voor het belang van communicatie en familiebanden. De importantie van de opvoeding en het zich spiegelen aan voorouders en voorgangers.
Barack Obama heeft vast nog vele gedichten geschreven, goed weggestoken in een map, in een doos, op zolder. De beste man moet ze hoe dan ook weer gaan schrijven. Zijn idealen en bedoelingen verwoorden in heldere poëzie. Het is misschien zeer oneigentijds, maar wie weet kan Obama een stukje van het afgebrokkelde imago van de dichter als ziener van 'het Goede, het Ware en het Schone' herstellen. 'Oorlogen zal de poëzie niet kunnen tegenhouden,' merkt Buelens terecht op, maar toch...
I have a dream: Obama's dichtkunst als ontmoetingsplek van de idee schoonheid en de politieke realiteit. Yes, he can?
he switches channels, recites
an old poem
He wrote before his mother died,
Stands, shouts, and asks
For a hug, as I shrink, my
Arms barely reaching around
His thick, oily neck, and his broad back;
'cause
I see my face, framed within
Pop's black-framed glasses
And know he's laughing too.
Na Bush Obama. Het contrast kan niet groter zijn, de beeldvorming versterkt dat effect nog eens. Het imago van Obama is dat van een intelligente, sociale, welbespraakte en innovatieve leider. Van Bush heerst het beeld van een domme, oorlogszuchtige, hakkelende en reactionaire cowboy. Veel van zulke typeringen lijken zeer juist, de antoniemen intelligent - dom zijn echter meer een gevolg van uit de hand gelopen beeldvorming. Bush studeerde aan Yale en Harvard en behaalde een bachelorgraad in de geschiedwetenschap en een mastertitel in de bedrijfswetenschappen. Om dat te bereiken moet je wel wat in je mars hebben. Ook een intelligent man kan echter een waardeloze president zijn, zo is gebleken. De geschiedenis zal oordelen over zijn presidentschap, stelt Bush. Hij maakt zich daar geen zorgen over, aangezien hij dit eindoordeel bij leven niet meer zal meemaken. Daarin vergist hij zich echter. Nu al beschouwt men hem als de slechtste president aller tijden, een diskwalificatie waaraan naar alle waarschijnlijkheid niet veel meer zal veranderen in de toekomst.
Obama reist per trein van Philadelphia naar Washington, een herhaling van de tocht die Abe Lincoln anderhalve eeuw geleden ook maakte. Heel Washington barst uit zijn voegen, zoveel mensen komen er op de inauguratie af. Grote artiesten als Bruce Springsteen, Mariah Carey, Jay-Z, Alicia Keys, Beyoncé en Stevie Wonder treden op, Oprah Winfrey doet haar show eenmalig in Washington, sterren als Steven Spielberg, Halle Berry en Tom Hanks zijn als gast aanwezig en betalen grotendeels de festiviteiten. In Legoland California is met 380 792 blokjes lego de plechtigheid nagebouwd. Nog belangrijker zijn de veiligheidsmaatregelen. Obama is een gewild doelwit voor racisten en andere haters. Elk pakhuis wordt scherp gecontroleerd op sluipschutters. Het enthousiasme van de mensen is enorm, de nieuwe president is de nieuwe mens.
Ik kan niet ontkennen dat Obama ook bij mij iets teweegbrengt. Als ik de tengere man met de ebonieten huid, de vriendelijke oogopslag en de dwingende stem op tv zie, dan ervaar ik toch een fijne mix van hoop en verwachting, het gevoel dat er écht een nieuw tijdperk voor de deur staat. Analisten waarschuwen tegen de huidige euforie. Een president heeft maar een beperkte invloed op het wereldgebeuren, binnen no time zal ook Obama gezien worden als de zoveelste president die vastloopt in goede bedoelingen en hardnekkige barrières. En toch blijft de gedachte hangen dat deze man dit historische juk van zich af kan werpen. Ik heb bij hem nooit het idee naar een Amerikaan te kijken. Bush, Clinton, al hun voorgangers, hoe uiteenlopend van politieke kleur ook, waren in de eerste plaats Amerikanen. Obama onttrekt zich aan elke geografische duiding. Ook de rest van de wereld lijkt rekenschap te geven van deze ervaring. Zelfs Iran heeft voor het eerst het idee te maken te hebben met een wereldleider in de letterlijke betekenis van het woord: de leider van de hele wereld, niet in de eerste plaats die van de VS als machtigste natie van die wereld. Al blijft het met Iran natuurlijk altijd oppassen geblazen.
Een bijkomende component van dit supranationale aura dat Obama omstraalt, is zijn dichterschap. In 1981 publiceerde een literair tijdschriftje twee gedichten van de latere president. 'Underground', een klein gedicht, beschrijft in korte, afstandelijke observaties het gedrag van apen in onderwatergrotten. Het tweede gedicht, 'Pop', is een lang autobiografisch gedicht over de grootvader. Het bevat meteen aan het begin een opvallend enjambement:
Sitting in his seat, a seat broad and broken
In, sprinkled with ashes
Het lyrisch ik, laten we zeggen: Obama, omschrijft zichzelf als
[...] a green young man
Who fails to consider the
Flim and flam of the world, since
Things have been easy for me;Het gedicht is een beheerst geschreven expressie van gevoelens van twijfel en liefde die leefden in de jonge Barack, die, zoals bekend, opgevoed werd door zijn opa. De taal is eenvoudig, de woorden zorgvuldig verspreid over de regels.
[...] and from
Under my seat, I pull out the
Mirror I’ve been saving; I’m laughing,
Laughing loud, the blood rushing from his face
To mine, as he grows small,
A spot in my brain, something
That may be squeezed out, like a
Watermelon seed between
Two fingers.
In Oneigenlijk gebruik (2008) wijdt Geert Buelens een hoofdstuk aan dichtende politici. Dit stuk, getiteld 'Imagoprobleem, zei u?' is ook opgenomen in de Gele Zwagerman. 'Elke politicus die dichter is, verdient het extra gewantrouwd te worden' schrijft Buelens. Hij doelt vooral op de historische voorbeelden waarbij gevaarlijke politici hun poëzie misbruikten om 'allerlei (niet zelden totalitaire) ideeën werkelijkheid te laten worden.' Radovan Karadzic is daar met zijn morbide en machtswellustige gedichten het meest recente voorbeeld van. Nu is Obama nauwelijks een dichter te noemen - de vroege gedichten hebben geen vervolg gekregen - en heeft hij zijn werkjes ook niet ingezet voor politieke doeleinden. Wel werden ze tijdens de voorverkiezingen onder het stof vandaan gehaald. Ze zullen toen zeker bijgedragen hebben aan het positieve imago van de kandidaat.
Buelens is somber over het imago van de poëzie: 'De dichter die het alleen bij mooie woorden houdt, staat maatschappelijk buitenspel. En de dichter-politicus die zijn eloquentie ten dienste stelt van een ideaal in de wereld, slaagt daar misschien wel in, maar dreigt net door de vertaling van die Idee naar de Realiteit de poëzie op te offeren.' Misschien wil Obama het tegendeel bewijzen. In 'Pop' schemert al iets door van de latere Democraat. Een innerlijke strijd over engagement met de 'flim and flam of the world'. Aandacht voor het belang van communicatie en familiebanden. De importantie van de opvoeding en het zich spiegelen aan voorouders en voorgangers.
Barack Obama heeft vast nog vele gedichten geschreven, goed weggestoken in een map, in een doos, op zolder. De beste man moet ze hoe dan ook weer gaan schrijven. Zijn idealen en bedoelingen verwoorden in heldere poëzie. Het is misschien zeer oneigentijds, maar wie weet kan Obama een stukje van het afgebrokkelde imago van de dichter als ziener van 'het Goede, het Ware en het Schone' herstellen. 'Oorlogen zal de poëzie niet kunnen tegenhouden,' merkt Buelens terecht op, maar toch...
I have a dream: Obama's dichtkunst als ontmoetingsplek van de idee schoonheid en de politieke realiteit. Yes, he can?
he switches channels, recites
an old poem
He wrote before his mother died,
Stands, shouts, and asks
For a hug, as I shrink, my
Arms barely reaching around
His thick, oily neck, and his broad back;
'cause
I see my face, framed within
Pop's black-framed glasses
And know he's laughing too.
dinsdag 16 december 2008
Lezen, lezen, lezen #5
Han van der Horst - Onze premiers 1901-2002. Hun weg naar de top (2007), 454 blz.In dit uitstekend geschreven maar overvolle boekwerk schetst historicus Han van der Horst de levens van de eenentwintig premiers die Nederland gehad heeft tot Balkenende aan de macht kwam. Van Abraham Kuyper tot Wim Kok. De invalshoek van Van der Horst is verrassend en origineel. Niet de ambtsperiode(s) van de ministers-presidenten zijn onderwerp van bespreking, maar hun levens vóór zij de hoogste baas van Nederland werden, hun 'weg naar de top'. Dit levert eenentwintig bijzonder interessante portretten op van pientere mannen die na een meer of minder turbulente carrière uiteindelijk - vaak bij toeval of door samenloop van omstandigheden - minister-president werden. Van der Horst schrijft betrokken en steekt zijn sympathieën en antipathieën niet onder stoelen of banken. Pieter Cort van der Linden is de beste die we ooit hebben gehad, al komt Piet de Jong dicht in de buurt. Pieter Sjoerds Gerbrandy was zeer competent maar de dragonder Koningin Wilhelmina wist zijn edelmoedigheid niet op waarde te schatten. Willem Drees heeft eigenlijk alleen maar goede dingen gedaan. Weinig subtiel is de typering van Dirk Jan de Geer: "Behalve zijn vrouw en kinderen heeft waarschijnlijk nooit iemand hem echt aardig gevonden." Van der Horst laat zien dat de vreselijke fractiediscipline van vandaag de dag vroeger niet bestond en dat ambitie een slechte eigenschap is voor wie premier wil worden. De meesten wilden het nooit worden maar rolden erin. Hij maakt ook korte metten met enkele hardnekkige mythen: Van Hendrik Colijn wordt tegenwoordig zeer ten onrechte louter kwaadgesproken. Niet Joop den Uyl maar de katholieken Marga Klompé en Gerard Veldkamp zijn verantwoordelijk voor de nu verguisde geldverslindende verzorgingsstaat. Het lidmaatschap van een politieke partij staat juist haaks op een betrokken burgerschap (dit laatste spreekt de oproep die Guusje ter Horst onlangs deed dus tegen). Onze premiers is een rijk, vermakelijk en leerzaam boek dat al die antirevolutionaire, liberale en christelijk-historische premiers die nog maar namen lijken een menselijk gezicht geeft. Ook als daar een - bloemrijke - sneer aan te pas moet komen: "Dan waren er Van Agts archaïsche spraakgebruik en zijn snaaksheden die vooral bij de sociaaldemocratie in zeer dorre aarde vielen."
A.L. Sötemann - Dichters die nog maar namen lijken (2003), 215 blz.
De mooiste passage uit dit boek staat in de korte inleiding van Kees Fens: "In oktober 1989 hield prof. dr. A.L. Sötemann op een kleine conferentie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen een toespraak over de dichter J.C. Bloem. Hij las nogal wat gedichten of fragmenten voor en een enkele keer kon hij daarbij zijn emoties moeilijk beheersen, zijn stem hield de regel niet helemaal op de lijn. Dat was aangrijpend." Deze anekdote laat zien hoe betrokken de in 2002 overleden Guus Sötemann was bij het object van zijn onderzoek en levenslange fascinatie. In Dichters die nog maar namen lijken doet hij een ultieme poging door de tijd ingehaalde dichters aan de vergetelheid te ontrukken. Daar slaagt hij vaak niet in. Maar, dat ligt absoluut niet aan Sötemann zelf. De erudiete auteur heeft bevlogen twaalf heldere essays geschreven. Het werk van de meeste dichters echter blijkt mettertijd zo verouderd en oninteressant geworden dat ook de sympathieke poging van Sötemann hen niet meer kan redden. Albert Verwey en P.C. Boutens? Onleesbaar geworden. Jan van Nijlen en Jan Prins zijn onherstelbaar vergeten en Jan Engelman zal het met 'Vera Janacopoulos' moeten doen. Dieptepunten zijn Richard Minne en Henriëtte Roland Holst. Voor die laatste zijn de door Sötemann geciteerde "gewelddaden" genoeg bewijs: "als ze een rijm nodig heeft op 'bloei', ziet ze er niet tegenop 'groei- / 'd en [...]' te schrijven, op het woord 'zijn' rijmt: 'iets dat schrijn- / d'een oogenblik' - over een strofegrens heen, nota bene." Niettemin heeft Sötemann mij wel weten te overtuigen van de kwaliteiten van de overige dichters. Van de gedichten van Marnix Gijsen en A. Roland Holst is nog een substantieel deel zeer de moeite waard, mineurdichters Victor E. van Vriesland en J.W.F. Werumeus Buning hebben prachtige dwingende verzen geschreven en de speelse poëzie van de "oervitale" Pierre Kemp kan moeiteloos de tand des tijds doorstaan.
Paul Claes - Lyriek van de Lage Landen (2008), 367 blz.
"Dit boek is twee boeken in één: een canon en een commentaar" schrijft Paul Claes in de inleiding. "Als canon is het een exemplarische bloemlezing, als commentaar een kritische lezing van gedichten uit onze traditie." Een canonfunctie vervult het zeker. Claes heeft gekozen voor het summiere aantal van tachtig gedichten en dat betekent dat zijn selectie zeer persoonlijk is en stof tot discussie kan opleveren. Claes heeft evenwel ook voor de veilige weg gekozen. Geen enkele grote naam ontbreekt en van veel dichters is hun vaste canonieke gedicht gekozen: de 'Moerbeitoppen' van Beets, 'De Dapperstraat' van Bloem, 'De waterlelie' van Van Eeden, enz. De enige verrassing is de minor poet Omer Karel de Laey met een gedicht in het West-Vlaams. Het maximale aantal gedichten per auteur in deze bloemlezing is drie. Drie dichters krijgen dat aantal toebedeeld: P.C. Hooft, Joost van den Vondel en Guido Gezelle. De score van twee gedichten is er voor Hadewijch, G.A. Bredero, Herman Gorter, Karel Van de Woestijne, Jacob de Haan en Martinus Nijhoff. De commentaarfunctie van het boek is helaas wat magertjes uitgevallen. Claes licht eerst kort 'leven' en 'werk' van de dichter toe. Van het gedicht bespreekt hij dan vervolgens summier de 'situering', 'techniek', 'thematiek' en 'nawerking'. Die laatste categorie is het interessantst. Omdat Claes alles gelezen heeft, wijst hij feilloos op navolgingen e.d. Claes pakt vooral visueel groots uit, waardoor er beperkte ruimte overblijft voor een "kritische lezing" of een beredeneerde liefdesverklaring, zoals Komrij die bijvoorbeeld virtuoos verricht in zijn canon. "Dit boek is het liefdeskind van een levenslange relatie met lyriek" schrijft Claes aan het eind van de inleiding. "Voor leken biedt het hopelijk een eerste houvast, voor liefhebbers een betrouwbare leidraad, voor kenners een nieuwe kijk op de oude canon." Die laatste doelstelling is te hoog gegrepen. Lyriek van de Lage Landen is vooral een schitterend verlucht boekwerk met vele beroemde gedichten uit onze traditie.
maandag 10 november 2008
Lezen, lezen, lezen #4
Paul Claes (red.) - De onsterfelijken (1999) 95 blz.Ik houd van Paul Claes. De erudiete Vlaming heeft alles gelezen en deelt zijn kennis middels goede vertalingen, nuttige toelichtingen en gedurfde interpretaties. De boeken zelf, de materiële dingen dus, zijn bovendien vaak erg mooi. De tweetalige uitgave van Eliots The Waste Land is prachtig vormgegeven met een fraaie wit-zwart-gouden cover. Ook zijn vorige week verschenen bloemlezing Lyriek van de Lage Landen ziet er piekfijn uit. Daarover later meer. De onsterfelijken is een bloemlezing met werk van Nobelprijswinnaars. De toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur vorige maand aan de in den lande volslagen onbekende Le Clézio toonde weer eens aan dat de Zweden vaak een verrassende keuze maken. Pas na WOII werd een rijtje grote namen gelauwerd met vanaf '46 achtereenvolgens Hesse, Gide, Eliot, Faulkner en Russell. In De onsterfelijken staat alleen poëzie. De Nederlandse vertaling van een gedicht staat groot afgedrukt, het origineel staat er in kleinere lettergrootte naast. De inleiding van Claes is zeer lezenswaardig: 'Naast het classicisme van Sully Prudhomme en Carducci vinden we het symbolisme van Maeterlinck en Yeats, naast het modernisme van Eliot het surrealisme van Jiménez en Neruda, naast het hermetisme van Quasimodo het absurdisme van Beckett, naast de retoriek van Saint-John Perse het spreekvers van Szymborska.' Via karakteristieke gedichten maakt de lezer kennis met relatief onbekende Zweden, Spanjaarden en Italianen. Verrassend fris is de poëzie van de twee winnaars uit het Nieuw-Grieks: Jorgos Seféris en Odysséas Elytis. Mooi vind ik ook de gedichten van T.S. Eliot, Neruda, Paz, Brodsky en Szymborska. Van die laatste hier de openingsregels van het spreekvers 'De eerste foto van Hitler': "Wie is die dreumes in zijn kieltje? / Dat is Adolfje; de zoon van meneer en mevrouw Hitler! / Misschien wordt hij wel doctor in de rechten? / Of tenor in de opera van Wenen?"
Bas Haring - Voor een echt succesvol leven (2007) 173 blz.
Naar aanleiding van een uitzending van VPRO's Boeken besloot ik dit boek te gaan lezen. Schrijver Bas Haring verkondigde in het programma namelijk dat zijn boek een aanklacht tegen de huidige jacht naar succes zou zijn. Ambitie en eerzucht slaan tegenwoordig de klok en de gevolgen zijn stress, slechte gezondheid en geknakte zielen. We zouden met zijn allen wat minder ambitieus moeten worden en ons weer moeten leren verstaan met het kleine geluk en het schone. In Haring vond ik dus een medestander. Zijn boodschap draagt hij in zijn boek overtuigend uit. Het is echter de stijl die soms behoorlijk irritant is. Haring is bereid ver te dalen om een lekenpubliek onderhoudend te onderwijzen. Dat is sympathiek, maar hij schiet daarbij te ver door. De lezersaansprekingen zijn legio. Uitentreuren verkleint Haring woorden: hij heeft het steeds over zijn 'boekje' en vertelt anekdotes over een 'vriendje' van hem. En niet een vriendje uit zijn jeugd, nee een huidig 'vriendje'. Haring is 40! Ook de talloze herhalingen werken op een gegeven moment op de zenuwen. Herhaling is de moeder der didactiek, maar Haring blijft aan de gang. 'Mijn vader vertelt altijd alles twintig keer, en vermoedelijk ga ik daar later ook last van krijgen of heb ik dat al' schrijft hij ergens. Dat heeft hij al. De genoemde feilen zijn erg jammer want de inhoud is erg goed. Door middel van sprekende voorbeelden maakt Haring inzichtelijk dat de zucht naar succes een biologisch gegeven is. Neem de slachtkip. Slachtkippen worden snel vet en mals en worden dan ook jong geslacht. Dat is balen voor elke kip, maar goed voor de soort. Het is een schoolvoorbeeld van een eigenschap die slecht is voor elk individu van een soort, maar goed voor de soort als geheel. Dat geldt ook voor de mens en zijn eigenschap 'ambitie'. Ook is het moeilijk je eraan te onttrekken. Het principe van Google gaat op: de zoekresulaten die bovenaan in Google staan, blijven daar staan omdat iedereen er op klikt. Het systeem houdt zichzelf in stand. Het komt nu volgens Haring aan op een denkomslag: voor een echt succesvol leven moeten we de keuze maken geen succes te hebben.
Floris Cohen - De herschepping van de wereld (2007) 298 blz.
Over dit boek ontspon zich begin dit jaar een discussie in het boekenkatern van NRC/Handelsblad. Wetenschapshistoricus Cohen betoogt in De herschepping van de wereld dat er wel degelijk een Wetenschappelijke Revolutie heeft plaatsgevonden in het Europa van de 16e en 17e eeuw en hij wil verklaren waarom die juist in Europa plaatsvond en niet in China of de Islamitische gebieden. Cohen verzet zich met zijn inzichten tegen vakgenoten die alles doodrelativeren door te beweren dat er helemaal geen revolutie heeft plaatsgevonden. Op een later tijdstip zal Cohen zijn inzichten voor vakgenoten publiceren in een wetenschappelijke studie, dít boek is voor een breder publiek bestemd. Het is ontzettend goed geschreven. Cohen maakt op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk welke ontwikkelingen hebben geleid tot de herschepping van de wereld in Europa. De kernwoorden zijn transplantatie en transformatie. De manier waarop de auteur de klassiek Griekse natuurfilosofie in enkele bladzijden helder samenvat is een pluim waard. De Griekse benadering won het van de Chinese door de culturele transplantatie van de kennis naar o.a. Renaissance-Europa en naar de Islambeschaving. De ontwikkeling binnen de Islambeschaving stokte omdat zij zich onder invloed van vijandige invallen en religieuze opleving naar binnen keerde. In Europa zette de Revolutie wel door omdat de drie vormen van natuurkennis (abstract-wiskundig, natuurfilosofie, opsporend-experimenteel) transformeerden. De gelijktijdige transformatie van de drie lag besloten in de aard van Europa t.o.v. andere beschavingen: 'een naar verhouding grotere openheid, intenser nieuwsgierigheid, sterkere dynamiek, krachtiger individualisme en gerichtheid naar buiten toe, een sterker zoeken van heil in een actief aards bestaan.' De religieuze basis van de Wetenschappelijke Revolutie moet dus niet onderschat worden. Het 'nastreven van een zieleheil al in deze wereld' zette veel praktisch natuuronderzoek in gang. In zo'n samenleving konden genieën als Huygens, Newton en Boyle tot wasdom komen. Een Islamitische Galilei of Kepler had wel kunnen bestaan, maar hun werk had geen navolgers gevonden door de genoemde blikwending naar binnen. Een uitstekend boek, bevattelijk verteld, rijk aan wetenschapshistorische kennis. Zeer uitgesproken zonder de noodzakelijke relativering uit het oog te verliezen.
donderdag 17 april 2008
De tweede dichterlijke bries in 's-Hertogenbosch
Woensdagavond vond in Den Bosch een nieuwe editie van Onbederflijk Vers plaats. Omdat ik andere (sportieve) verplichtingen had, moest ik na vijf successievelijke deelnames deze editie aan me voorbij laten gaan. Om kwart voor zes kreeg ik echter een telefoontje dat de tegenstander zich had afgemeld en toog ik alsnog in allerijl naar de binnenstad om met vier medestrijders drie rondes te doen.
Ronde 1 (Stadsbibliotheek)In de bieb was het net als vorig jaar erg druk. Nadat een scholier in iets te wijde broek een gedicht had mogen voorlezen, opende nestor Rutger Kopland het bal op even sympathieke als indrukwekkende wijze. Ingetogen anekdotische poëzie, voorgedragen met een melancholiek timbre. Kopland las tot mijn grote doch ingehouden vreugde ook het prachtige gedicht 'Abe Lenstra' over de wedstrijd Achilles-Heerenveen voor.
Na Kopland was het de beurt aan Jan Kleefstra. Die droeg een cd-speler in de hand en had zijn elektrische gitaar spelende broer Romke als begeleider bij zich. De sluw in de bibliotheek plaats genomen hebbende lokale daklozen verlieten de zaal. Ik was ook sceptisch uiteraard, maar onterecht, zo bleek. Kleefstra's melodieus voorgedragen gedichten gingen een welhaast perfecte symbiose aan met de pianoklanken die uit zijn speler kwamen. Het gitaarspel van Romke was niet minder dan schitterend. Zwevende, haast etherische muziek met een heerlijk sombere toon. Jan zette op de juiste momenten in met zintuiglijke, ritmische poëzie. Zelfs toen hij in het voor mij onverstaanbare Fries begon voor te dragen deed dat niets af aan de schoonheid van de voordracht. Alle klanken, zowel muzikaal als vocaal, raakten me. Ik was, kortom, onder de indruk.
Na de gebroeders Kleefstra moest de volgende dichter wel teleurstellen. De gedichten zelf verergerden dat effect. De dichteres, Jacoline de Heer, maakte geen indruk op me. Haar inleidende praatje voor elk gedicht, op zich een uitstekend procédé, verklaarden de gedichten in plaats van ze te introduceren. Dat ze ook nog begon over 'als je in de trein zit en de trein naast je begin te rijden en je denkt dat het je eigen trein is' deed mijn oordeel niet ombuigen richting het positieve, integendeel.
Ronde 2 (Artemis)Na de drukte in de bieb was het angstvallig leeg in Artemis. Ik ben erg gevoelig voor sfeer en de ambiance stemde me enigszins triestig. Ik moest steeds maar denken aan die arme dichters, inclusief de grote Robert Anker, die voor anderhalve paardenkop het podium bestegen. Gelukkig deden ze gewoon hun best en maakten er iets moois van. Wouter Steyaert, een jonge Vlaming, mocht openen. Zijn voordracht bestond voornamelijk uit zorgvuldig voorgelezen liefdespoëzie. Soms had ik moeite hem te volgen, soms ontwaarde ik een mooie metafoor.
Robert Anker - rijzige gestalte, donkere stem - is een door mij gewaardeerde dichter en hij stelde me niet teleur. Zijn introducties waren informatief genoeg om het luistergenot te vergroten zonder te veel bij voorbaat te onthullen. Ankers syntactisch gewrongen zinnen (prachtig poëtisch procédé) waren volop aanwezig, net als de verrassende woordcombinaties. De gedichten waren veelal treurig en geladen. Hoogtepunt was een gedicht over het sterven van Ankers vader. Het is dat het al muisstil was, anders was het dat wel geworden.
Baban, Irakese vluchteling, mocht afsluiten. De olijke kerel schroomde niet ons constant te vragen zijn bundel te kopen. Hij las ook een gedicht in het Arabisch voor, maar niet de vertaling ervan. Dan zouden we uit nieuwsgierigheid zijn bundel kopen... Baban vertelde dat hij op zijn vlucht nergens was aangehouden, behalve in Nederland. In Roosendaal stonden agenten met honden de trein op te wachten. Geloof me, Baban, dat is niet typisch Nederlands, het is typisch Roosendaals. Babans Nederlands was gebrekkig, maar dat leek geen invloed te hebben op zijn poëzie. Respect. (Terzijde: Baban sprak exact hetzelfde als het Draadstaaltypetje Saïd, wat de briljantie van de vertolker Van Koningsbrugge nog eens benadrukt).
Ronde 3: Keulse KarNa de kille leegte was er de warme drukte in de kroeg. Aan een tafeltje zat Jules Deelder een stickie te roken, de inleider introduceerde schreeuwend Kapitein Lafbek. Die opende verrassend sterk. Hij keek wellicht enigszins psychopathisch de zaal in - Ellen durfde niet terug te kijken - maar zijn poëzie was speels, vlot, wervelend. Echte voordrachtspoëzie ook. Het publiek waardeerde Lafbek enorm, regelmatig klonk een luid 'bravo!' of klapte men de handen stuk. Inmiddels waren ook de onvermijdelijke freaks gearriveerd, met bij deze editie o.a. een patiënt die minutenlang in een onmogelijke houding op de grond in zijn overvolle tas zat te graaien - zonder resultaat overigens. Ook de stadsgangster (met maffiaans staartje) liep binnen en pretendeerde Deelder te kennen. Die gunde hem niet meer dan een vluchtige knipoog.
Arnoud Rigter ging verder waar de Kapitein was geëindigd. Hij was gekleed, geschoeid, gekapt en gemanicuurd als een kraker en daar hebben we het niet zo op. Op zijn voordracht was echter niets aan te merken. Hij was erg druk, maar de taal bruiste. Ook de stadsgedichten - Rigter is stadsdichter van Eindhoven - deden het goed, deels omdat hij niet schroomde de lichtstad zo nu en dan belachelijk te maken. Trefzeker waren ook de oneliners waarmee Rigter strooide ('Mijn moeders eisprong was mijn privé-oerknal!'; en extreem treurig: 'Mijn tranen hebben tenminste elkaar nog...').
Jules Deelder mocht zorgen voor het slotakkoord. En hoe! Strak in het pak, Spartastropdas om, karakteristieke bril. Hij bladerde zijn vuistdikke verzamelbundel door op zoek naar iets geschikts ('Kutgedicht... kutgedicht... kutgedicht...'). Na wat kortere, humoristische rijmen en een lofzang op de jazz was het tijd voor het hoogtepunt: een opsomming van alles wat Deelder ergerde, wat weg, gedood, verbrand, verbannen of anderszins opgeruimd moet. Ruim tien minuten lang. In een moordend tempo. Rotterdams gekankert in optima forma. Op een gegeven moment schoot Deelder zelf ook even in de lach. Een litanie was het alleen in de opsomming, niet in de eentonigheid. Erg vermakelijk.
Na nog een drankje liepen we al podcastend naar het station. Deze editie vond ik erg goed. Een sterk deelnemersveld (naast Deelder, Kopland en Anker ook nog grote namen Vegter, Harmens, Hagar Peeters, Wigman en Gerlach) en ook het leeuwendeel van de onbekendere goden viel op in positieve zin. Dat is weleens anders geweest. Kortom, een welbestede avond!
Ronde 1 (Stadsbibliotheek)In de bieb was het net als vorig jaar erg druk. Nadat een scholier in iets te wijde broek een gedicht had mogen voorlezen, opende nestor Rutger Kopland het bal op even sympathieke als indrukwekkende wijze. Ingetogen anekdotische poëzie, voorgedragen met een melancholiek timbre. Kopland las tot mijn grote doch ingehouden vreugde ook het prachtige gedicht 'Abe Lenstra' over de wedstrijd Achilles-Heerenveen voor.
Na Kopland was het de beurt aan Jan Kleefstra. Die droeg een cd-speler in de hand en had zijn elektrische gitaar spelende broer Romke als begeleider bij zich. De sluw in de bibliotheek plaats genomen hebbende lokale daklozen verlieten de zaal. Ik was ook sceptisch uiteraard, maar onterecht, zo bleek. Kleefstra's melodieus voorgedragen gedichten gingen een welhaast perfecte symbiose aan met de pianoklanken die uit zijn speler kwamen. Het gitaarspel van Romke was niet minder dan schitterend. Zwevende, haast etherische muziek met een heerlijk sombere toon. Jan zette op de juiste momenten in met zintuiglijke, ritmische poëzie. Zelfs toen hij in het voor mij onverstaanbare Fries begon voor te dragen deed dat niets af aan de schoonheid van de voordracht. Alle klanken, zowel muzikaal als vocaal, raakten me. Ik was, kortom, onder de indruk.
Na de gebroeders Kleefstra moest de volgende dichter wel teleurstellen. De gedichten zelf verergerden dat effect. De dichteres, Jacoline de Heer, maakte geen indruk op me. Haar inleidende praatje voor elk gedicht, op zich een uitstekend procédé, verklaarden de gedichten in plaats van ze te introduceren. Dat ze ook nog begon over 'als je in de trein zit en de trein naast je begin te rijden en je denkt dat het je eigen trein is' deed mijn oordeel niet ombuigen richting het positieve, integendeel.
Ronde 2 (Artemis)Na de drukte in de bieb was het angstvallig leeg in Artemis. Ik ben erg gevoelig voor sfeer en de ambiance stemde me enigszins triestig. Ik moest steeds maar denken aan die arme dichters, inclusief de grote Robert Anker, die voor anderhalve paardenkop het podium bestegen. Gelukkig deden ze gewoon hun best en maakten er iets moois van. Wouter Steyaert, een jonge Vlaming, mocht openen. Zijn voordracht bestond voornamelijk uit zorgvuldig voorgelezen liefdespoëzie. Soms had ik moeite hem te volgen, soms ontwaarde ik een mooie metafoor.
Robert Anker - rijzige gestalte, donkere stem - is een door mij gewaardeerde dichter en hij stelde me niet teleur. Zijn introducties waren informatief genoeg om het luistergenot te vergroten zonder te veel bij voorbaat te onthullen. Ankers syntactisch gewrongen zinnen (prachtig poëtisch procédé) waren volop aanwezig, net als de verrassende woordcombinaties. De gedichten waren veelal treurig en geladen. Hoogtepunt was een gedicht over het sterven van Ankers vader. Het is dat het al muisstil was, anders was het dat wel geworden.
Baban, Irakese vluchteling, mocht afsluiten. De olijke kerel schroomde niet ons constant te vragen zijn bundel te kopen. Hij las ook een gedicht in het Arabisch voor, maar niet de vertaling ervan. Dan zouden we uit nieuwsgierigheid zijn bundel kopen... Baban vertelde dat hij op zijn vlucht nergens was aangehouden, behalve in Nederland. In Roosendaal stonden agenten met honden de trein op te wachten. Geloof me, Baban, dat is niet typisch Nederlands, het is typisch Roosendaals. Babans Nederlands was gebrekkig, maar dat leek geen invloed te hebben op zijn poëzie. Respect. (Terzijde: Baban sprak exact hetzelfde als het Draadstaaltypetje Saïd, wat de briljantie van de vertolker Van Koningsbrugge nog eens benadrukt).
Ronde 3: Keulse KarNa de kille leegte was er de warme drukte in de kroeg. Aan een tafeltje zat Jules Deelder een stickie te roken, de inleider introduceerde schreeuwend Kapitein Lafbek. Die opende verrassend sterk. Hij keek wellicht enigszins psychopathisch de zaal in - Ellen durfde niet terug te kijken - maar zijn poëzie was speels, vlot, wervelend. Echte voordrachtspoëzie ook. Het publiek waardeerde Lafbek enorm, regelmatig klonk een luid 'bravo!' of klapte men de handen stuk. Inmiddels waren ook de onvermijdelijke freaks gearriveerd, met bij deze editie o.a. een patiënt die minutenlang in een onmogelijke houding op de grond in zijn overvolle tas zat te graaien - zonder resultaat overigens. Ook de stadsgangster (met maffiaans staartje) liep binnen en pretendeerde Deelder te kennen. Die gunde hem niet meer dan een vluchtige knipoog.
Arnoud Rigter ging verder waar de Kapitein was geëindigd. Hij was gekleed, geschoeid, gekapt en gemanicuurd als een kraker en daar hebben we het niet zo op. Op zijn voordracht was echter niets aan te merken. Hij was erg druk, maar de taal bruiste. Ook de stadsgedichten - Rigter is stadsdichter van Eindhoven - deden het goed, deels omdat hij niet schroomde de lichtstad zo nu en dan belachelijk te maken. Trefzeker waren ook de oneliners waarmee Rigter strooide ('Mijn moeders eisprong was mijn privé-oerknal!'; en extreem treurig: 'Mijn tranen hebben tenminste elkaar nog...').
Jules Deelder mocht zorgen voor het slotakkoord. En hoe! Strak in het pak, Spartastropdas om, karakteristieke bril. Hij bladerde zijn vuistdikke verzamelbundel door op zoek naar iets geschikts ('Kutgedicht... kutgedicht... kutgedicht...'). Na wat kortere, humoristische rijmen en een lofzang op de jazz was het tijd voor het hoogtepunt: een opsomming van alles wat Deelder ergerde, wat weg, gedood, verbrand, verbannen of anderszins opgeruimd moet. Ruim tien minuten lang. In een moordend tempo. Rotterdams gekankert in optima forma. Op een gegeven moment schoot Deelder zelf ook even in de lach. Een litanie was het alleen in de opsomming, niet in de eentonigheid. Erg vermakelijk.
Na nog een drankje liepen we al podcastend naar het station. Deze editie vond ik erg goed. Een sterk deelnemersveld (naast Deelder, Kopland en Anker ook nog grote namen Vegter, Harmens, Hagar Peeters, Wigman en Gerlach) en ook het leeuwendeel van de onbekendere goden viel op in positieve zin. Dat is weleens anders geweest. Kortom, een welbestede avond!
maandag 24 maart 2008
Vier keer rijm
Ik lees altijd vele boeken en teksten door elkaar. Dat heeft zo zijn nadelen. Soms plaats ik een herinnering aan een mooi fragment of mooie zin in de verkeerde tekst. Heel af en toe, bij verwante thema's, gaan zelfs de verhalen door elkaar lopen. Voordelen zijn er echter ook genoeg. Er is veel afwisseling, je bent niet weken gebonden aan één boek als dat niet al te boeiend blijkt te zijn, je hebt het idee dat je méér leest. En je ziet verbanden. Van dat laatste wil ik hier een voorbeeld geven.
In Paul Claes' 'Glimpen' van 2004 lees ik:
Ondertussen herlees ik ook de Max Havelaar. Ik zie precies waarom ik het boek bij de eerste lezing geweldig vond én waarom er zo weinig van is blijven hangen. Wat dat eerste betreft: de figuur van Batavus Droogstoppel is één van de treffendste personages uit de Nederlandse literatuur. Ook hij ziet niets in rijmende poëzie. De rijmdwang leidt immers tot onwaarheden:
Zo lees ik vier uiteenlopende teksten die toch een zeker raakpunt hebben en daarin iets vertellen, iets aandragen over de werkelijkheid. Dat te constateren maakt door-elkaar-lezen zo boeiend. De Movo Tapes en Voetbal International? Meer dwarsverbanden dan ik voor mogelijk hield.
In Paul Claes' 'Glimpen' van 2004 lees ik:
Bij een lezing in 1792 voorspelde Arend Fokke (1755-1812) dat men in het jaar 3000 geen rijmende gedichten meer zou schrijven. [20-09-2004]Fokke voorzag blijkbaar de ontwikkeling richting het vrije vers, maar legde het jaartal veel te ver weg in de toekomst. Exemplarisch voor de visie op verandering in die tijd, een bewijs voor het exponentiële karakter van de vooruitgang.
Ondertussen herlees ik ook de Max Havelaar. Ik zie precies waarom ik het boek bij de eerste lezing geweldig vond én waarom er zo weinig van is blijven hangen. Wat dat eerste betreft: de figuur van Batavus Droogstoppel is één van de treffendste personages uit de Nederlandse literatuur. Ook hij ziet niets in rijmende poëzie. De rijmdwang leidt immers tot onwaarheden:
Wat een koning. De ontwikkeling is bekend: rijmende poëzie werd geleidelijk aan minder en minder gewaardeerd, het vrije vers, of wat daar dan ook voor mag doorgaan, nam de scepter over. Na de monologen van Droogstoppel lees ik een essay van Hans Sleutelaar in een ouder nummer van Bunker Hill (30, 2005). De titel is... 'De renaissance van het rijm'. Hij schetst eerst de huidige visie op rijm:Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in 't gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. 'De lucht is guur, en 't is vier uur.' Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als 't kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in 't gelid zet, zeggen: 'de lucht is guur, en 't is kwartier voor drieën.' De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan 't knoeien! Of het weêr moet veranderd, óf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen. [47]
Sinds het optreden van de Vijftigers geniet het rijm bij de avant-garde, of wie ervoor doorgaan, een afschrikwekkende reputatie. Rijm is een symbool voor taalbederf. De dood in de pot. Een afgestorven con-ventie. Rijm is reactionair. Studentikoos. Een strohalm voor talentlozen. Rijm is goedkoop. Gezocht. Onecht. Leugenachtig. Rijmen zijn op hun best speelgoed voor taalvirtuozen; garnituur voor laf smakende woord-salades; nepjuwelen voor poseurs. [27]De duistere poëzie heeft tegenwoordig de overhand, 'puilt de schappen uit'. Sleutelaar ziet daarin de aankondiging van de wedergeboorte van gebonden verzen:
Duisterheid in de kunst is doorgaans een teken van verval. Omstreeks 1900 verkeerde de Europese poëzie in een malaise, die een jaar of twintig duurde. Het modernisme werd geboren. Daarmee kwam een eind aan de alleenheerschappij van de romantische school (naturalisme en symbo-lisme zijn loten van dezelfde stam).Alsof Komrij aan het woord is. Hier denk ik dan even over na en vraag me af of de totale onzichtbaarheid van poëzie in de huidige dagbladkritiek iets te maken kan hebben met deze 'poëtische inflatie.' Nietsvermoedend begin ik dan aan Rónán McDonalds The Death of the Critic. Daar lees ik:
Een kleine eeuw later treedt een vergelijkbare poëtische inflatie op. Nu gaat het om de hegemonie van het modernisme. De bloeitijd van het vrije vers is voorbij. De creatieve tsunami waartoe het inspireerde, is in zijn tegendeel verkeerd, een rots van steile orthodoxie. De sonnettencul-tus van Tachtig liep uit op onleesbare retoriek. De cultus van het vrije vers dreigt net zo te eindigen - in betekenisloze woordkunst. [29]
Could it be that the notoriously tiny and shrinking market for poetry is now related to the atrophy in critical connections between the academy and the literate public? Poetry has, along with the criticism which accompanies it, retreated into the universities. [...] While populists and anti-modernists call for a 'return' to accessible verse and conventional rhyme [Sleutelaar!], academic theorists demand that poetry and poetry criticism pays its dues to the university climate of ethnic diversity and postmodern theory. [...]Vooral die laatste opmerking vind ik erg sterk. Het lijkt inderdaad of de poëziestapelrecensies van tegenwoordig wezenlijk een 2 minuten stilte voor de eens glorieuze maar jammerlijk gesneuvelde soldaat Poëzie zijn.
The circle is self-perpetuaing: the more poetry seeks the endorsement of the universities, the more poetry criticism becomes absored by academic language and less a part of a common critical culture that might engage non-experts. Part of the problem, as Marjorie Perloff points out [...], is the proclivity of contemporary literary supplements to commission round-up reviews of numerous, disparate volumes, more in a gesture towards the traditional prestige of poetry than an effort to engage with the contemporary scene. [14-15]
Zo lees ik vier uiteenlopende teksten die toch een zeker raakpunt hebben en daarin iets vertellen, iets aandragen over de werkelijkheid. Dat te constateren maakt door-elkaar-lezen zo boeiend. De Movo Tapes en Voetbal International? Meer dwarsverbanden dan ik voor mogelijk hield.
dinsdag 20 november 2007
Over onbewuste intertekstualiteit
In de afdeling curieus het volgende:
[...]
Hij ziet de polderweg, de berm ernaast, de boezemsloot,
In mei postte ik een gedicht van mijn hand op dit weblog waarin ik enigszins melancholisch mijn opa en oma en hun boerderij eer betoon. Dat was dus in mei. Nu las ik vorige week het bundellange gedicht Goede manieren (1989) van Robert Anker (foto). Daarbij stuitte ik op de volgende regels:
[...]
Hij ziet de polderweg, de berm ernaast, de boezemsloot,
de voren van de akkers eensgezind verdwijnen
naar een punt in de tijd, op de bodem van zijn hoofd.
Hij rijdt een grintpad op, hij loopt een paadje af,
van de rooilijn af, tussen oude foto's door en naar
een huisje met een bank ervoor: de opa en de oma.
[...] Het raam uit,
over de velden van de tijd, woelt en raast het grote leven.
Na de achterdeur een korenveld dat ruist tot aan de lucht,
dat is de rimpelloze stilte der geschiedenis.
(© Robert Anker)
Ik kreeg het wel even benauwd. Zelfde thematiek, veel identieke woorden ('voren', 'akkers', 'tijd', 'grint', 'oude', 'verdwijn(en)', 'raam' en 'lucht') en nog enkele niet-letterlijke overeenkomsten (met als belangrijkste die van 'de opa en de oma'). Een belezen lezer zou geen gek figuur slaan door te stellen dat ik meer dan geïnspireerd zou zijn door het gedicht van Anker. Toch heeft hij het dan mis, want ik las het onlangs pas voor de eerste keer. Het stond weliswaar op de leeslijst in het eerste jaar, maar toen ben ik er niet aan toegekomen.
Ik kreeg het wel even benauwd. Zelfde thematiek, veel identieke woorden ('voren', 'akkers', 'tijd', 'grint', 'oude', 'verdwijn(en)', 'raam' en 'lucht') en nog enkele niet-letterlijke overeenkomsten (met als belangrijkste die van 'de opa en de oma'). Een belezen lezer zou geen gek figuur slaan door te stellen dat ik meer dan geïnspireerd zou zijn door het gedicht van Anker. Toch heeft hij het dan mis, want ik las het onlangs pas voor de eerste keer. Het stond weliswaar op de leeslijst in het eerste jaar, maar toen ben ik er niet aan toegekomen.
Het gedicht van Anker is vele malen beter, de overeenkomsten zijn echter evident. Waar is hier sprake van? Zoiets als onbewuste intertekstualiteit? En dan niet eens onbewust verwijzen naar iets wat je gelezen hebt, maar zelfs verwijzen naar iets wat je niet gelezen hebt. Een bewijs voor het cliché dat 'alles al geschreven is'? Of voor de boutade dat het platteland er overal hetzelfde uitziet? Bizar is het zeker, met als klap op de vuurpijl ook nog het woord 'ankers' in mijn gedicht, dat door de creatieve interpreet scherpzinnig geïnterpreteerd zal worden als een verwijzing naar de dichter van Goede manieren...
vrijdag 29 juni 2007
British Poetry
Genieën hebben vaak gemeen dat ze postume genieën zijn. Bij leven verguisd, na hun sterven gelauwerd. Op de middelbare school had ik een docent Engels die gemengde gevoelens opriep bij de leerlingen. Dhr. Van Schilt had namelijk zijn persoonlijke lesmethode ontwikkeld en geschreven. Dat betekende een doodsaaie grammatica, elke ochtend BBC-nieuws, maar ook een briljante Britse literatuurgeschiedenis, bestaande uit twee delen van resp. 110 en 230 pagina's. Geheel in het Engels uiteraard, met veel informatie en vooral ook veel primaire literatuur. Dit viel niet bij iedereen in goede aarde. Voor een literatuurliefhebber zijn de twee readers echter goudmijnen. Vooral nu blijkt hoe waardevol dit literatuuronderwijs is geweest. Ik blader de readers dan ook nog regelmatig door. Vooral de Engelse poëzie is zeer de moeite waard. Die begon bij het oudengelse Beowulf: "frecne fyrdraca faehda gemyndig"- ik hoor het Van Schilt nog declameren.Hieronder een persoonlijke selectie uit British Literature I & British Literature II VWO.
NB: de beste man leeft nog - voorzover ik weet - en dit is dan ook geen postuum eerbetoon.
1) Ik begin bij Shakespeare. Geen poëzie inderdaad, maar toneel. En toch ook poëzie: het taalgebruik is immers zo bijzonder dat alles een gedicht lijkt. Ik citeer de mooiste regels uit Macbeth:
(Macbeth twijfelt over de geplande moord op Duncan):
If it were done, when 'tis done, then 'twere well
It were done quickly: if th'assassination
Could trammel up the consequence, and catch
With his surcease succes; that but this blow
Might be the be-all and the end all-here,
But here, upon this bank and shoal of time,
We'd jump the life to come.-But in these cases,
We still have judgment here;
(Macbeth overdenkt de dood van zijn vrouw):
To-morrow, and to-morrow, and to-morrow
Creeps in this petty pace from day to day,
To the last syllable of recorded time;
And all our yesterdays have lighted fools
The way to dusty death. Out, out, brief candle!
Life's but a walking shadow; a poor player,
That struts and frets his our upon the stage,
And then is heard no more: it is a tale
Told by an idiot, full of sound and fury,
Signifying nothing.
2) Dan enkele regels uit The Castaway van William Cowper, een gedicht dat schitterend de wanhoop van een drenkeling en van de dichter zelf verwoordt:
Obscurest night involved the sky,
The Atlantic billows roared,
When such a destined wretch as I,
Washed headlong from on board,
Of friends, of hope, of all bereft,
His floating home for ever left.
[...]
At length, his transient respite past,
His comrades, who before
Had heard his voice in every blast,
Could catch the sound no more.
For then, by toil subdued, he drank
The stifling wave, and then he sank
[...]
No voice divine the storm allayed,
No light propitious shone;
When, snatched from all effectual aid,
We perished, each alone:
But I beneath a rougher sea,
And whelmed in deeper gulfs than he.
3) Het derde voorbeeld is het prachtige Ozymandias van Shelley, dat ik ooit nog in een eerstejaarscollege in Nijmegen gedeclameerd heb:
I met a traveller form an antique land
I met a traveller form an antique land
Who said: Two vast and trunkless legs of stone
Stand in the desert. Near them, on the sand,
Half sunk, a shattered visage lies, whose frown,
And wrinkled lip, and sneer of cold command,
Tell that its sculptor well those passions read
Which yet survive, stamped on these lifeless things,
The hand that mocked them, and the heart that fed:
And on the pedestal these words appear:
'My name is Ozymandias, king of kings:
Look on my works, ye Mighty and despair!
Nothing besides remains. Round the decay
Of that colossal wreck, boundless and bare
The lone and level sands stretch far away.
4) Een van de grote dichters van WO I mag ook niet ontbreken: Siegfried Sassoon, met Does it matter?
Does it matter? -- losing your legs?. . . .
For people will always be kind,
And you need not show that you mind
When the others come in after hunting
To gobble their muffins and eggs.
Does it matter? -- losing your sight? ...
There's such splendid work for the blind;
And people will always be kind,
As you sit on the terrace remembering
And turning your face to the light.
Do they matter? -- those dreams from the pit? ....
You can drink and forget and be glad,
And people won't say that you're mad;
For they'll know you've fought for your country
And no one will worry a bit.
5) En tot slot mag de grote T.S. Eliot ook niet ontbreken: Hieronder regels uit The Waste Land (onlangs nog vertaald en verklaard door Paul Claes):
19-24:
What are the roots that clutch, what branches grow
Out of this stony rubbish? Son of man,
You cannot say, or guess, for you know only
A heap of broken images, where the sun beats,
And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief,
And the dry stone no sound of water.
60-68:
Unreal City,
Under the brown fog of winter dawn,
A crowd flowed over London Bridge, so many,
I had not thought death had undone so many.
Sighs, short and infrequent, were exhaled,
And each man fixed his eyes before his feet.
Flowed up the hill and down King William Street,
To where Saint Mary Woolnoth kept the hours
With a dead sound of the final stroke of nine.
Abonneren op:
Posts (Atom)