Posts tonen met het label Boekbesprekingen: fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boekbesprekingen: fictie. Alle posts tonen

donderdag 29 december 2016

Poubelle en de Brusselse nomenklatoera

Toen in augustus de longlist voor de ECI Literatuurprijs bekend werd gemaakt, reageerde menigeen verbaasd dat Poubelle van Pieter Waterdrinker er niet op stond. Eindelijk was er weer eens een Grote Roman verschenen, die bovendien zeer gunstige kritieken had gekregen, en nu stond het boek niet eens op de groslijst. Het argument dat zoiets een altijd subjectieve keuze van een jury betreft ging niet op, want dat is pas het geval bij de shortlist - een longlist is veeleer een overzicht van wat er het voorbije jaar aan belangwekkends is verschenen.
   Jeroen Vullings (VN) schreef zelfs dat de jury zich hiermee diskwalificeerde. Als boekbespreker voor de Nieuwsshow heeft hij de roman nu in elk geval wel kunnen voordragen voor de verkiezing van het beste boek van 2016, en hij doet dat met een vibrerende formulering: 'Af en toe gebeurt het: iemand waagt zich aan de grote roman over onze tijd. In de handen van de meer-meer-meer-schrijver Pieter Waterdrinker, met zijn sanguinisch Russisch gemoed, zijn hermansiaans wereldbeeld en zijn breugheliaanse pen leidt dat tot een onweerstaanbaar pandemonium, waarin bevallige inslechte vrouwen en principeloze profiteurs hun hitsige reidans volvoeren in het Wilde Oosten.'
   In Poubelle wordt met romaneske middelen het falen van de EU-politiek en bij uitbreiding het failliet van de huidige elite genadeloos blootgelegd. Hoofdpersoon van dit vuistdikke epos (544 blz.) is Wessel Stols, Europarlementariër namens de sociaaldemocraten en daarnaast gevierd columnist van een gerespecteerd dagblad. Hij reist af naar Oekraïne wanneer daar de opstand uitbreekt, speecht op het Maidan-plein en raakt zo betrokken bij de oorlog in het oosten van het land.
   De decadentie van het Europees Parlement wordt haarfijn beschreven. Als Wessel in Brussel aankomt wordt hij daar 'door één van de auto's met chauffeur, waarvan de Europese instellingen er een hele vloot op nahielden om de afgevaardigden als vorsten te behandelen, opgewacht'. De gang van zaken in de Brusselse paleizen wordt in een serie sprekende voorbeelden getoond. 'Meteen was Wessel Stols weer volledig opgenomen in de Europese bijenkorf, waarvan de honingraten ononderbroken dropen van de honing die op bijna Bijbelse wijze, als bij de wonderbaarlijke vermenigvuldiging, voortdurend opnieuw werd aangevuld. Hij tekende de presentielijst voor zijn dagvergoeding van driehonderd euro, nam de lift, marcheerde door de gangen. In een zaaltje met naargeestig tl-licht woonde hij een matig bezochte commissievergadering Financiën bij die al na tien minuten door de Duitse voorzitter werd afgebroken en verplaatst naar volgende week.'
   Wessel wéét dat hij acteur is in een beschamende vertoning, dat hij deel uitmaakt 'van een moloch die er vooral was om zichzelf in stand te houden'. Hij schetst het financiële walhalla, met de talloze vergoedingen, declaraties en allerhande potjes waaruit onbekommerd gesnoept wordt. 'Van alleen al wat hij aan kilometervergoeding kreeg moesten doorsnee gezinnen in Alkmaar, Bologna of Boedapest een maand zien rond te komen.' Hij noemt de EU dan ook 'dit geldverslindende circus, waar je als parlementariër bij plenaire zittingen hooguit twee minuten mocht spreken je vooral moest stemmen - stemmen in naam van het volk dat je amper vertegenwoordigde, wat het democratisch gehalte tot een farce maakte en waarvoor je nog eens vorstelijk werd betaald ook'. De parlementariërs menen echter dat ze er recht op hebben. 'Recht op het geld, de luxereizen, de diners, de verkwisting, de privileges.'
   Waterdrinker gebruikt vaak religieus getinte beeldspraak om te laten zien dat dat Europese project tot een van de werkelijkheid losgezongen ideologie is verworden, voortgestuwd door geloofsfanaten: 'Het bijna religieuze doel van een groot en verenigd Europa, waarvan zij de hogepriesters waren, heiligde de middelen.' 'Niemand had hem gemist; nooit werd je hier gemist. De helft van de fractie was sowieso voortdurend op pad. Als discipelen de geloofsbelijdenis voor verdere harmonisering van de glastuinbouw, een lager suikergehalte in chocolade, veiligere paperclips en voor überhaupt meer politieke invloed van Brussel, tot in de verste uithoeken van de unie uitdragend.'
   Maar het is niet alleen blinde geloofsovertuiging, het is ook een decadente omgeving waar zelfverrijking en zedenbederf de klok slaan: 'Of ze verbleven in hun buitenhuis, met hun gezin, alleen, dan wel met een minnaar of maîtresse. Bij voorkeur ergens in het diepe zuiden van Europa [...]. Alleen al daarom wilde het gros van de parlementsleden de zuidelijke landen met alle geweld bij de Europese Muntunie houden: vanwege hun buitenhuizen in een streek waar met euro's kon worden betaald.' De decadentie wordt ook in ogenschijnlijk onbeduidende details uitgeserveerd: 'Vanuit een ooghoek zag Wessel Stols hoe een mede-Europarlementariër, een Tsjech met een buik als een biervat, zich met een witblond fotomodel zedig nestelde in een hoek van de zaak.'
   Behalve als een religie wordt het Europese project ook vergeleken met het communisme, die vorige postreligieuze religie. 'Wat was de Europese Commissie anders dan een kapitalistische verschijningsvorm van het aloude Politburo, waarin een kleine technocratische elite de dienst uitmaakte? Zoals de nomenklatoera destijds amper nog in het communisme geloofde, maar tot op het laatst met hun families bleef profiteren van de privileges, zo werd de ritedans rondom het gouden kalf van de euro in Brussel en in Straatsburg iedere dag opnieuw uitgevoerd. Wie dwars lag, wie de geloofsbelijdenis in twijfel trok, wie het spel wilde verstoren, belandde op de zwarte lijst en werd behandeld als dissident.'
   Wanneer Oekraïne zich terugtrekt uit het Oostelijk Partnerschap en er protesten uitbreken, wordt Wessel namens de partij naar Kiev gestuurd. Op het Maidan-plein spreekt hij de betogers toe, zoals in werkelijkheid figuren als Verhofstadt, Van Baalen en Jacques Monasch dat deden. De verschrikkelijke gevolgen van die onverkwikkelijke daad kennen we maar al te goed: de annexatie van de Krim, een bloedige burgeroorlog en de ramp met de MH17.
   Na die laatste gebeurtenis is Wessel ten einde raad, wordt hij verteerd door schuldgevoel. 'Stel dat hij zich nooit voor het karretje van zijn fractie in Brussel had laten spannen, stel dat hij nooit op dat afschuwelijke koude plein in Kiev had gestaan, om de massa op te zwepen, op te zadelen met louter valse beloftes, door uitsluitend de rechten van de ene partij te verdedigen, die van de andere daarmee automatisch schofferend, was dan die opstand überhaupt wel ontaard in een bloedbad?'
   Hij denkt terug aan meneer Braunkoffer, zijn leraar Duits op het gymnasium in Haarlem. Deze Auschwitz-overlevende had zijn leerlingen ingewreven dat iedereen die in de oorlog niets had gedaan of zich alleen maar aan de kleine collaboratie - als machinist of als wisselbediener of zelfs als restauratiejuffrouw op de stations waar de treinen passeerden - hadden overgegeven, medeschuldig was aan de massamoord. 'Een ketting bestaat uit schakels, en altijd is iedere schakel van belang, iedere schakel' - die woorden van Braunkoffer achtervolgen hem nu.
   'Iedere schakel was belangrijk. Zonder schakels was er geen ketting. Was hij door zijn optreden, door zijn handelen dat louter ingegeven was door egoïstische motieven, waarbij hij geen moment had gedacht aan het lot van de arme Oekraïense boer, maar zuiver aan zijn eigen lot, aan zijn eigen positie binnen Brussel [...] niet mede schuldig aan het ontketenen van de oorlog in het oosten van Oekraïne? En daarmee uiteindelijk ook aan die gruwelijke vliegramp? Al was het maar voor een fractie, een stofkorrel, een nanostofkorrel van deze absurde werkelijkheid?'
   Het neerhalen van de MH17 was ongetwijfeld geen opzet geweest, maar 'het was een ongeluk geweest in een keten van gebeurtenissen, begonnen op het plein in Kiev, de stad waar hij zich had laten fêteren'. In de krant leest hij hoe zijn opvolger als columnist de premier prijst, die had beloofd dat de onderste steen boven zou komen, ook wat betreft de vraag waarom de ambassademedewerkers in Kiev niet hadden gewaarschuwd dat het veel te gevaarlijk was voor dat vliegtuig om daar te vliegen.
   Maar Wessel weet het antwoord: 'omdat ze louter bezig waren met hun carrière, met hun volgende post waar ze hopelijk wel een zwembad hadden. Omdat ze zelfs nu, nu Nederlanders, hun landgenoten, leden van het volk dat hen op goudgerande vliegende tapijten had uitgezonden, in stukken vlees, botten bloed uiteengereten tussen het koren en de zonnebloemen lagen, niet meteen naar het rampgebied afreisden, omdat het procedureel niet mocht, omdat het te gevaarlijk was.'
   Hij ziet de premier, de 'weglachpremier', op tv 'in diepe rouw namens de BV Nederland'. 'Was hij, Wessel Stols, dan de enige in dit land die zich mede schuldig voelde? Die besefte dat hij als paladijn van Europa misschien onvoorzichtig was geweest, roekeloos, de onvoorzichtige roekeloze arrogantie die Brussel zich decennialang vanuit de bladgouden torens had gemeend te kunnen permitteren?' Wessel bezwijkt onder zijn schuldgevoel - er zijn overigens meer spoken uit zijn verleden die hem belagen - en hij maakt een eind aan zijn leven.
   In een interview noemde de auteur de 'schakel'-redenering een gedachte-experiment, en dat is precies wat fictie vermag. In werkelijkheid gaan de betrokkenen immers allesbehalve gebukt onder schuldgevoel. De weglachpremier marchandeert op schandelijke wijze met de uitslag van het Oekraïne-referendum en de oorlogshitsers van de Maidan zitten nog op hun post, het Brusselse evangelie nog fanatieker predikend. Met Poubelle schreef Pieter Waterdrinker zonder twijfel de imposantste roman van 2016. 

vrijdag 15 mei 2015

Hij las

Christophe van Gerrewey - Trein met vertraging (2013)
Hier en daar wat bloedeloze maar over het algemeen aangenaam trage roman over een aantal individuen in een trein van Oostende naar Antwerpen. Elk van hen bevindt zich op zijn of haar eigen mentale eiland, dubbend over existentiële angsten en praktische bekommernissen. Terwijl de trein onderweg steeds meer vertraging oploopt vliegen de gedachten van de personages alle kanten uit, soms pagina's lang. In de overwegingen van zijn karakters heeft de auteur boeiend commentaar weten te verpakken op de excessen van het huidige tijdsgewricht, van hersenloze cultuurconsumptie tot liefdesrelatiegezever en van debiel smartfoongebruik tot de verrotte wetenschappelijke publicatiecultuur. Trein met vertraging is vele malen verdraaglijker dan Van Gerreweys ergerniswekkende debuutroman Op de hoogte. [***]

Barry Smit - Om het nu (2013)
Episodische roman over een bestaan aan de zelfkant in naargeestige oorden als Castricum en Heiloo. De hoofdpersoon houdt zich onledig met zo'n beetje alle moderne 'hippe' vormen van criminaliteit: hij snuift en slikt pillen, kweekt wiet en jat de planten uit andermans kwekerijen, drogeert jonge meisjes op feesten en zoekt een kick in het hooliganisme (bij AZ, haha). Smit is erin geslaagd de rauwheid en opgefokte gejaagdheid van dit leven te vertalen naar de compacte vorm en stuwende stijl van zijn proza. De ijskoude gewetenloosheid van de protagonist is even indringend als beangstigend. Bevat bovendien leerzame gedetailleerde beschrijvingen van hoe zulke lui hun handeltjes drijven en hoe witwassen in zijn werk gaat. Verplicht op de leeslijst van de politieacademie, zou ik zeggen. [****]

Maarten 't Hart - Magdalena (2015)
't Hart had zijn moeder beloofd pas na haar dood over haar te schrijven. Ze overleed in 2012, Magdalena is het resultaat. Het is officieel geen roman, en toch verschilt het boek nauwelijks van het bekende fictiewerk van 't Hart, wat iets zegt over het beperkt fictionele gehalte van zijn werk. De passage waarin de auteur zijn fascinatie beschrijft wanneer hij zijn moeder haar haren ziet kammen kennen we bijvoorbeeld al uit Een vlucht regenwulpen. Magdalena was een pathologisch geval: ze was ervan overtuigd dat haar man vreemdging, terwijl daar geen enkele aanwijzing voor was. 't Hart beschrijft zijn moeder evenwel met compassie en inlevingsvermogen, zijn woede richt hij vooral op de godsdienstige indoctrinatie. Magdalena eindigt zelfs een beetje als De Schrift betwist 3. [***]

Jeroen Brouwers - Het hout (2014)
Je kon erop wachten: een roman over het misbruikschandaal in de katholieke kerk. Het hout speelt zich af op een seminarie in Zuid-Limburg in de jaren vijftig waar de broeders zich en masse aan de jongetjes vergrijpen. De ingenieuze compositie en superieure poëtische stijl van Brouwers zijn bewonderenswaardig, maar de uitwerking van het thema is dat bepaald niet. Alle clichés worden van stal gehaald, de broeders zijn stuk voor stuk karikaturen, en de verteller - broeder Bonaventura - is weliswaar geen schennispleger maar evenzeer een geperverteerde. Brouwers heeft geen enkele moeite gedaan een geloofwaardig tijdsbeeld te schetsen, verblind door haat heeft hij alle nuance laten varen. Walter van Daniël Rovers is op dit gebied een vele malen intelligenter boek. [**]

Kees 't Hart - Teatro Olimpico (2014)
Twee theatermakers mogen hun voorstelling over Rousseau opvoeren op een festival in het befaamde Teatro Olimpico in Vicenza, maar door een organisatorische chaos draait het uit op een financieel debacle. Geschreven in de vorm van een verslag achteraf voor de subsidieverstrekker. Ogenschijnlijk een komische satire op de corruptie, onbetrouwbaarheid en luiheid van de Italianen, maar in wezen een genadeloos treffend portret van de zelfgenoegzame Hollandse theatersnob die zich drukker maakt over de inhoud van zijn stuk dan over praktische, juridische en financiële zaken. Vooral het constant terugkerend gezever over bête noire Beckett en 'evidentietheater' zorgt er van lieverlede voor dat je hoopt dat alles misgaat. [****]

Rinus Spruit - Een dag om aan de balk te spijkeren (2013)
Schitterende roman over de tobber Maarten Rietgans die vanuit een kleine boerengemeenschap naar de grote stad trekt maar nergens en bij niemand kan aarden en steeds weer terugkeert naar zijn Zeeuwse geboortegrond, naar zijn vader die hij heimelijk - en terecht - verafgoodt. De beschrijvingen van het boerenleven zijn indrukwekkend, de idylle en de ontbering van dat bestaan worden beide subliem weergegeven. De grote tijdssprongen en de afwisseling tussen tegenwoordige en verleden tijdsvorm lijken wat ondoordacht, maar het effect is juist dat de gevolgen van Maartens onvermogen en zijn gecombineerde levens- en doodsangst op een bijzondere manier invoelbaar worden gemaakt. De slotscène is al even ontroerend. [*****]

Thomas Heerma van Voss - De derde persoon (2014)
Bundeling korte verhalen van de jongste HvV. De hoofdpersoon lijkt steeds dezelfde man te zijn, maar in andere gedaanten, in verschillende leeftijdsfasen en omgevingen. Steeds betreft het een ietwat wereldvreemde, lethargische man die de gebeurtenissen, variërend van ingrijpend tot banaal, aan zich ziet voltrekken zonder de indruk te wekken helemaal bij de les te zijn en de betekenis en vaak ook de impact te bevatten. Het boek als geheel is wat onevenwichtig van kwaliteit, de langere verhalen zijn duidelijk het zwakst. 'Bedankt voor uw medewerking' lijkt me een voorstudie van Stern (2013), de laatste roman van de auteur. Dit verhaal bevat ook een behartigenswaardige afrekening met tribunaaltelevisie als De wereld draait door. [***]

maandag 2 februari 2015

Christiaan Weijts - De linkshandigen

Christiaan Weijts, De linkshandigen. Roman. De Arbeiderspers, 2014, 194 blz.

Christiaan Weijts heeft zich in zijn nog compacte oeuvre een auteur getoond die zijn romans graag gebruikt als commentaren op de werkelijkheid. In met name Via Cappello 23 (2008) en Euforie (2012) worden nationale en globale ontwikkelingen zowel via de plotverwikkelingen als in meer essayistische terzijdes kritisch tegen het licht gehouden. De linkshandigen, zijn vijfde roman, gaat over een cartoonist die tegen de grenzen van zijn vrijheid van meningsuiting aanloopt. Het getuigt enerzijds van een vooruitziende blik maar anderzijds ook van de ironie van de geschiedenis dat de roman luttele maanden vóór de aanslag op de cartoonisten in Parijs plaatsvond verscheen.

Simon Sinkelberg voelt zich als cartoonist Zink van ochtendkrant De Spiegel vrijer dan zijn schrijvende collega's, de columnisten: 'Waar de columnisten zich nog in grote lijnen aan de feiten moeten houden, en nijdige brieven van voorlichters krijgen als ze daar te fantasievol mee omspringen, hebben cartoontekenaars een absolute vrijbrief.' Het wrange, in het licht van de actualiteit, is dat Weijts zijn cartoonist niet laat sneuvelen op een prent die achterlijke fundamentalisten naar de wapens doet grijpen maar op een onwelgevallige tekening over een immorele maar machtige multinational. 'Je kunt een religie beledigen,' zegt zijn hoofdredacteur Ronald, 'je kunt de koning beschimpen hoe je maar wilt. [...] Maar je kunt niet zomaar in het wilde weg multinationals gaan aanvallen.' O, onschuldige wereld...

De grens ligt niet bij beledigen, kwetsen of discrimineren, maar ordinair bij geld. Bedrijven als de Britse telecomgigant S&M, dat door Simon in zijn cartoon op grove wijze op de korrel wordt genomen, hebben topjuristen in dienst waartegen een toch al noodlijdend blad als De Spiegel het gegarandeerd aflegt. Ook Ralph, de hoofdredacteur van het concurrerende De Ochtend waarnaar Simon probeert over te lopen, durft er zijn vingers niet aan te branden. Het is toch schandalig, probeert Simon nog, dat een bedrijf dat privégegevens van klanten heeft verkocht zomaar de grootste telecomaanbieder van het land kan worden? 'Daar mag ik toch iets van vínden? En dat mag ik toch brengen als satire, als karikatuur, als hyperbool?' Maar neen: 'Ik gun striptekenaars en columnisten best hun dichterlijke vrijheid. Maar ook die heeft grenzen.'

Dat de roman op een bepaalde manier ingehaald is door de actualiteit, betekent niet dat het verhaal over het individu en zijn privacyschending er minder relevant op is geworden. De linkshandigen is te lezen als een intelligente aanklacht tegen de naïeve wijze waarop wij allemaal gestaag meewerken aan onze eigen toekomstige overbodigheid. Wat de grote technologiebedrijven willen is 'een wereld waarin alles zich voordoet zoals het is, alle informatie met een minimum aan wrijving van het ene naar het andere individu springt. Feitelijk streven ze daarmee, waarschijnlijk zonder zicht dat zelf bewust te zijn, naar de opheffing van het individu.' Wij geven zonder uitzondering onze individualiteit uit handen: 'Bij totale transparantie verdwijnt de binnenwereld. Facebook en Google kennen jouw verlangens al nog vóór je ze kenbaar maakt, nog vóór je je er zelf van bewust bent krijg je er de advertenties al voor.'

En dan volgt een alinea die tevens de centrale stelling is van het oeuvre van Harry Mulisch, wiens opvolger Weijts, en niet alleen hierom, met recht genoemd mag worden: 'De techniek verving eerst onze spierkracht, onze zintuigen, onze snelheid. Met techniek bouwden we een uitwendige versie van ons lichaam, sterker, sneller, opmerkzamer. Nu vervangt technologie onze geest. We hebben een extern geheugen, rekenen zelden nog uit ons hoofd, lezen geen kaarten meer, en ons brein is ingeplugd in een netwerk dat ons denken bestuurt. Een voor een besteden we onze verworvenheden uit aan externe machines, tot die uitgegroeid zijn tot een gigantisch parasitair wezen dat het voortaan zonder ons kan stellen.'

Naast deze filosofische of cultuurkritische laag heeft Weijts van De linkshandigen ook een thriller willen maken. Daarin is hij minder geslaagd. Waar zijn vorige romans nog uitblonken op beide fronten, als essay-in-romanvorm én als briljant literair spektakel, daar implodeert het verhaal van De linkshandigen enigszins. Simon pikt langs de snelweg een liftster met een cellokoffer op. Deze mysterieuze Katharina blijkt een weggelopen psychiatrisch patiënte. Ze rijden eerst naar België en later Frankrijk, terwijl Simon achternagezeten wordt door medewerkers van S&M - waarmee hij, zo wordt gaandeweg duidelijk, ook persoonlijk via een familiedrama en een onopgehelderde moord een duister verleden heeft.

Dat haalt de reikwijdte van de kritiek op de tijdgeest enigszins onderuit, want de multinational is daarmee niet langer een pars pro toto voor de kapitalistische moloch die oneigenlijke controle uitoefent over de media en daarmee de uitingsvrijheid van de cartoonist Zink, maar in de eerste plaats een bedrijf dat het om persoonlijke redenen op de persoon Simon Sinkelberg voorzien heeft.

*****

vrijdag 16 mei 2014

A.F.Th. van der Heijden - De helleveeg

'Oude vrouwen malen tandeloos de tijd' - Maurits Mok, Avond aan avond 

In andere tijden, eindeloos lang geleden, was ik een Brabantse jongen die in Nijmegen studeerde. In die verzonken wereld verslond ik de dikke delen van A.F.Th. van der Heijdens magistrale romancyclus De tandeloze tijd. Avond aan avond las ik over Albert Egberts, de Brabantse jongeman die in Nijmegen was gaan studeren.

Albert had het 'leven in de breedte' tot levensprogram verheven: de voortdenderende tijd zou vertraagd of zelfs tot stilstand kunnen worden gebracht door het momentane 'nu' te verbreden, het eindeloos uit te rekken, het tot in de finesses te doorleven.

Maar waar Albert natuurlijk gaandeweg achterkomt is dat dit een vergeefse exercitie is. De tijd valt niet tandeloos te maken, zijn kaken malen onophoudelijk. Even genadeloos gingen ook de dikke delen Tandeloze tijd erdoorheen. Ik verloor alle notie van tijd tijdens het lezen, maar de tijd kon het ook wel zonder mijn aandacht rooien.

Vele jaren later, in andere tijden, heeft Van der Heijden met De helleveeg een niet meer verwacht vijfde deel toegevoegd aan zijn romancyclus. Een deel waarin oude vrouwen elkaar genadeloos vermalen en oud zeer het best bestand blijkt tegen de tand des tijds.

Tante Tiny, alias Tientje Poets, is de centrale figuur in dit deel. Deze tante van Albert wordt voortgedreven door een razende rancune die ze als bijtend gif een leven lang op haar naasten afvuurt. De roman bestrijkt een periode van vele tientallen jaren en gaandeweg wordt duidelijk waarom Tiny zo'n 'door en door verziekt rotkarakter' heeft.

Tientje Poets is in zekere zin het personage uit de cyclus dat nog het dichtst bij het leven in de breedte in de buurt komt, maar wel tegen de hoogst mogelijke prijs. Een jeugdtrauma heeft voor haar de tijd stilgezet, ze keert het uitentreuren binnenstebuiten, steeds weer tot brandstof voor haar verzengende woede dienend.

De helleveeg heeft vaart en suspense. Daarmee is het echte Tandeloze tijd. Maar ergens toch ook weer niet. Die jongen die toen, lang geleden, de eerdere delen las, is daar namelijk achtergebleven. Albert en de anderen, ze zijn deels vreemden geworden voor de oudere jongen die nu leest.

Nog altijd in Brabant, maar inmiddels door het genadeloze leven in de lengte onbarmhartig en onomkeerbaar op drift geraakt.

A.F.Th. van der Heijden - De helleveeg. De Bezige Bij, 2013, 243 blz.

vrijdag 10 januari 2014

Oek de Jong - Pier en oceaan

Oek de Jong, Pier en oceaan. Atlas/Contact, 2012, 832 blz.

Een veelschrijver is Oek de Jong niet. Pier en oceaan is pas zijn vierde roman in ruim 35 jaar schrijverschap. Hokwerda's kind, zijn vorige, dateerde alweer van 2002. Pier en oceaan is gelukkig het lange wachten waard geweest. Zowel kwantitatief - dik 800 bladzijden - als kwalitatief - elke zin is een kunstwerkje op zich - is deze roman imposant te noemen.

Pier en oceaan begint in 1952 en eindigt in 1971. Friesland en Zeeland vormen het groots in de verf gezette hoofddecor, terwijl ook in Amsterdam en Zandvoort hoofdstukken gesitueerd zijn. In de eerste 100 pagina's is Dina Houttuyn de protagonist, de overige 700 staan in het teken van de vormende jaren van haar zoon Abel Roorda. Dit gevoelige jongetje wordt beschermend opgevoed in de kalme jaren '50 en beleeft zijn puberteitsjaren in de woelige sixties die ook het platteland niet onberoerd laten. De roman is dus een coming of age tegen het decor van moderniserend Nederland. Maar modernisering is niet per se vooruitgang, elke modernisering brengt verlies van vertrouwdheid en geborgenheid met zich mee.

Er is al op gewezen dat Pier en oceaan veel elementen gemeen heeft met Opwaaiende zomerjurken (1979). De autobiografische achtergrond van beide werken is daar debet aan. Laatstgenoemde werk kon mij maar matig bekoren toen ik het las in 2007. Is Pier en oceaan zoveel anders, zoveel beter? Of ben ik een andere lezer geworden? Abel Roorda is in elk geval een duizend keer betere naam dan Edo Mesch.

Een bijzonder aspect van Pier en oceaan is het gebrek aan opmerkelijke gebeurtenissen. Er zit geen groot, plotseling drama in dat alles op zijn kop zet, geen catastrofaal voorval dat de spil vormt waar de hele plot om draait. Soms is er een dreiging van gevaar, lijkt er een dramatische gebeurtenis te worden voorbereid, maar haast onmerkbaar komt dan alles weer in het vertrouwde ritme terecht. Wat dat betreft moest ik soms denken aan de film The World's Fastest Indian, waar je als kijker ook steeds denkt: nu zal het wel misgaan, maar telkens wordt je verwachtingspatroon gelogenstraft.

Twee voorbeelden. De jonge Abel zwemt in zee en wordt onverhoeds meegesleurd door een sterke onderstroom. Zijn moeder, die vanaf het strand toekijkt, raakt ongerust, zelf voelt hij ook een lichte paniek opkomen, maar dan heeft hij opeens de controle terug en loopt alles met een sisser af. De jongvolwassen Abel overnacht op een boot die 's nachts op een drooggevallen zandbank ligt. Hij laat zich op het wad zakken, wandelt de nacht in maar weet dan plotseling niet meer welke richting hij uit moet om terug bij de boot te komen. In het pikkedonker tast hij blind voor zich uit en raakt hij lichtelijk in paniek, maar opeens voelt hij de wand van de romp tegen zijn handen en is het gevaar alweer geweken voor het er goed en wel is geweest.

In deze roman gebeurt dus niet zo veel opzienbarends, maar wel - en dat is het knappe - blijkt er steeds heel veel gebeurd. De roman toont met andere woorden hoe verandering werkt: dat er iets veranderd is kun je per definitie alleen terugblikkend constateren. Dat zit haast onmerkbaar in het verglijden van de tijd, in de terugblik, maar De Jong thematiseert het ook in het meer sprongsgewijze optreden van Abels grootouders. De meditatieve passages van de grootvader die door zijn voorheen florerende maar nu stilgevallen scheepswerf wandelt behoren tot het mooiste dat Pier en oceaan te bieden heeft. Dat De Jong er zo goed in is geslaagd dat ongrijpbare idee van verandering voelbaar te maken, bewijst zijn meesterschap.

Gaandeweg de roman worden we steeds meer in het hoofd van Abel verplaatst. Dina verdwijnt op een gegeven moment naar de achtergrond als focaliserend personage, we zien haar getob vaker door de ogen van Abel. De twee hierboven beschreven passages staan symbool voor deze spiegeling: in de eerste verdwijnt Abel uit Dina's blikveld, haar angst en de machtige natuur in de vorm van de dreigende zee zijn allesoverheersend; in de tweede is de natuur juist geheel verdwenen in het zwarte gat van het stikdonker en zijn we alleen met Abel en zijn gedachten. Aan het eind wordt hij, in een passage die wat aan Portrait of the Artist as a Young Man van James Joyce doet denken, een roeping tot het schrijverschap gewaar.

De roman leent zich voor een trage en zorgvuldige lectuur. De zinnen zijn zwierig en meanderend, de toon reflectief en gevoelig, de beschrijvingen extreem zintuiglijk. De lezer kan zich laven aan de prachtigste natuurbeschrijvingen. Ik meen dat de nadruk ligt op de zomer en de winter en dat de andere seizoenen wat onderbelicht blijven. De Jong weet de snijdende kou en de kalme schittering van een winterlandschap even indrukwekkend op te roepen als de drukkende hitte en de gejaagde drukte van een zomerseizoen. En steeds is het water leidend, of het nu een bevroren sloot en een kabbelend meer in Friesland is of een klotsend openluchtzwembad en de bruisende zee in Zeeland.

In een mallotige recensie drijft Peters van de Volkskrant daar de spot mee. Hij zegt niet te snappen wat De Jong nu eigenlijk wil: 'Het zou kunnen dat De Jong als een naturalist wil aantonen dat je als eenzaam protestantje in de jaren vijftig en zestig écht opgesloten zat in de provincie, met als enige lichtpunt het overvloedig aanwezige en nog niet druk bevaren water, lekker om meditatief over uit te kijken, in te zwemmen of op te zeilen.' Het dedain van de criticus is stuitend. Hier spreekt de navelstarende grachtengordel.

Ik heb zeer genoten van Pier en oceaan. Tijdens de lectuur raakte ik menigmaal in een aangename flow, in een lichte roes, meedeinend op het ritme van de magistrale taal, zwelgend in de rijkdom van de intense beelden, wegzinkend in een voorgoed voorbij verleden. Een meesterwerk.

maandag 30 december 2013

De waarschijnlijk eerste en meteen ook maar definitieve S. Vestdijk-roman Top 52

In 2013 las ik de 52 romans van Simon Vestdijk. Het hele jaar door lag er een op mijn nachtkastje. Ik kan het niemand aanraden. Dat wil zeggen: ik kan iedereen aanraden eens te proberen de 52 romans van Vestdijk te lezen, maar doe er dan bij voorkeur iets langer over. 13 612 bladzijden telt de uitgave in de reeks Verzamelde Romans (1978-1985). Dat aantal op een jaar tijd verwerken is een klassiek gevalletje overkill. Zeker aan het eind had ik het wel gezien, al was daar ook debet aan dat de parels vooral in de eerste helft te vinden zijn.

Ik ga altijd voor maximaal 30 pagina's per avond/nacht, maar daarmee haal je het niet in een jaar. En dat was de opzet, want ik heb meer te doen en vooral te lezen. Daarom heb ik af en toe gesmokkeld door in de trein meters te maken of werken die ik al gelezen had niet meer te herlezen. Dat laatste gold voor vijf romans. Acht had ik er in totaal al gelezen, maar van De kellner en de levenden en Ivoren wachters wilde ik zeker nog een keer genieten en De filosoof en de sluipmoordenaar had ik ooit zo vluchtig en ongeconcentreerd doorgewerkt dat ik er nul komma nul van onthouden had en herlezing dus geboden was - niet tot mijn spijt, zoals zal blijken.

Waarom in godsnaam de 52 romans van Vestdijk lezen!? schreeuwt u nu misschien al twee alinea's lang naar het scherm. Heel kort: omdat ik een oeuvrelezer van Maarten 't Hart ben. Ik geef toe dat dat de zaak er niet bepaald helderder op maakt. Het zit zo: in 1996 publiceerde de montere Maassluizer samen met Hugo Brandt Corstius - curieus genoeg consequent als 'H. Br. Corstius' aangeduid - het boek Het gebergte. De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk, waarin de twee alleslezers om de beurt een roman bespreken. Ik bedacht dat het weinig zin heeft om al die beschouwingen te lezen als je de romans waarover ze gaan zelf niet gelezen hebt. Vandaar. Iedereen gaat op zijn eigen manier zijn ondergang tegemoet.

Hoe kan ik, aan het eind van het jaar gekomen, dit project beter besluiten dan met een Top 52? Toevalligerwijs kunnen we de 52 romans van dit gebergte exact gelijkmatig verdelen over vier categorieën - ja, dat is echt puur toeval, menschen - van telkens dertien romans: 13 Meesterwerken Die Iedereen Moet Lezen; 13 Nog Altijd Zeer Lezenswaardige Romans; 13 Matige Dan Wel Teleurstellende Werken Die Men Gerust Zonder Schuldgevoel Ongelezen Kan Laten; 13 Draken Die Bij Nader Inzien Verspilling Van Tijd, (Geld) En Nachtrust Zijn.

De pieken
1) De kellner en de levenden
Geniale explosie van enorme verbeeldingskracht. Deze imposante roman over het Laatste Oordeel is spannend, amusant en aan het eind zelfs diep ontroerend.
2) De held van Temesa
Derde 'Griekse roman', en wat voor een! Met een zwier en nonchalance geschreven alsof S. er 2500 jaar geleden zelf bij was. Grandioos epos met overdonderend slot.
3) Het glinsterend pantser
Eerste roman na een drie jaar durende depressie. De eerste bladzijden behoren tot het mooiste wat Vestdijk geschreven heeft. Melancholiek, berustend, wonderschoon.
4) De filosoof en de sluipmoordenaar
Alleen in de eerste alinea wordt een gebeurtenis beschreven, de rest bestaat praktisch uit gesprekken. En toch bloedstollend! Vakmanschap, meesterschap.
5) Ierse nachten
Beeldend, zintuiglijk, bruisend werk over doodarme Ierse plattelandsbewoners en hun sociale strijd tegen de Engelse landadel. Tintelende roman.
6) Puriteinen en piraten
Tweede piratenroman na Rumeiland; deze is veel levendiger, lichtvoetiger en lezenswaardiger. Een knotsgekke avonturenroman voor volwassenen.
7) Ivoren wachters
Indrukwekkend gecomponeerde roman over wraak, superioriteit en machtsverhoudingen. Must read voor neerlandici en leraren Nederlands.
8) Surrogaten voor Murk Tuinstra
De magistrale 8-delige Anton Wachter-cyclus moet natuurlijk vertegenwoordigd zijn in het bovenste kwart. Deze tweede in de reeks is door de sfeertekening de beste.
9) De rimpels van Esther Ornstein
Eigenlijk bestaat die cyclus uit twee keer vier romans. Binnen het tweede viertal is dit de beste. Als Ornstein haar intrede doet veert alles op: taal, plot, geest.
10) De vuuraanbidders
Knappe historische roman rond de Tachtigjarige Oorlog, alleen door de omvang al gedenkwaardig. Alle romans van 't Hart gaan hier in wezen op terug.
11) De vijf roeiers
Tweede Ierse roman, even beeldrijk en gedenkwaardig als Ierse nachten, alleen wat minder realistisch en met een wat flets einde.
12) Pastorale 1943
Traditioneel gelezen als ridiculisering van het verzet, maar in de eerste plaats een indringende roman over het alledaagse geharrewar in bezet Nederland.
13) De koperen tuin
Intense, invoelende roman over de wording annex loutering van Nol Rieske; wel wat onevenwichtig en ook zeurderig hier en daar, maar toch een hoge piek.

De cols
14) Sint Sebastiaan
De eerste Anton Wachter. Bedwelmend van stijl, bij vlagen ontroerend in de even koele als indringende schildering van een sensitief jongetje.
15) Een moderne Antonius
Een merkwaardig boek. Een hoogst merkwaardig boek. De visioenen zijn grootser en meeslepender dan die in Fré. Bovendien een indrukwekkend, Bordewijkiaans begin.
16) De nadagen van Pilatus
Amusant werk over een schitterend in de verf gezette keizer Caligula en de eerste christenen, onder wie een smaakvolle bijfiguur, de 'worst etende Boter'.
17) De beker van de min
Anton Wachter is in Wachter-5 van tobbende Friese scholier gepromoveerd tot brutale student die in Amsterdam achter de meiden aangaat...
18) De vrije vogel en zijn kooien
...en daar in Wachter-6 onverschrokken mee voortgaat. Het zijn echter vooral de beschrijvingen van het studentenleven die indruk maken.
19) Aktaion onder de sterren
Eerste Griekse roman, minder beklijvend dan Temesa. Eerste gedeelte vrij log en levenloos, maar over de helft krijgt het ineens vaart, suspense en zelfs wat ziel.
20) Terug tot Ina Damman
Dé klassieker in de Wachtercyclus; mist evenwel de hardheid van Murk omdat alle aandacht uitgaat naar een suffe kalverliefde die voor ons niet echt meer invoelbaar is.
21) Else Böhler, Duits dienstmeisje
Al in 1934 portretteerde Vestdijk nazi-Duitsland messcherp. Met een merkwaardig middendeel over voyeurisme, een hoofdmotief in dit oeuvre.
22) Het vijfde zegel
Intellectuele en al te complexe roman over El Greco die vooral een machteloos ontzag afdwingt maar toch ook enkele gedenkwaardige filmische passages bevat.
23) Kind tussen vier vrouwen
Afgewezen eersteling, 800 blz. Wachter, later in stukken gehakt. Spontaner, maar daardoor ook ongerichter en oeverlozer, met idioterieën als notenbalken.
24) Open boek 
Vervolg op Het glinsterend pantser in de Slingeland-trilogie. Ontbeert de wijze trant van eerstgenoemde, maar heeft met butler John Dethmers prachtig personage.
25) De onmogelijke moord
Schrijver logeert in hotel in de hoop een roman te kunnen schrijven over wat hij meemaakt, maar feit en fictie bestoken elkaar; geweldige achtervolgingsscène.
26) Zo de ouden zongen...
Niet onaardig. Het deed me sterk aan De koperen tuin denken, en dat deed het 't Hart ook, zo las ik nadien; ik ben toch niet helemaal gek. Meesterlijke opening.

De heuvels
27) Meneer Visser's hellevaart
Volgens Br. Corstius 'de komischte Vestdijk', maar dan toch eerder in de zin van doldriest dan grappig. Enorme droompassage aan het eind is teveel van het goede.
28) De filmheld en het gidsmeisje
Wordt terecht niet hoog aangeschreven, maar ik kreeg gaandeweg wel enige sympathie voor de vermakelijke hoofdpersoon, de drukke dwaas Fritz Belluno.
29) De andere school
Vierde en laatste deel van het eerste Wachter-kwartet. Overgangswerk, beetje een allegaartje van losse draadjes, onaffe eindjes, onbeduidende geschiedenisjes.
30) De laatste kans
Ook in achtste en laatste deel van de Wachter-cyclus probeert Anton het bij de meisjes; een ervan heet Hetie Mossel. Cyclus als geheel natuurlijk een aanrader.
31) Een huisbewaarder
Typische in het heden spelende Vestdijk over onpeilbaar oppervlakkige burgerlui. Gelukkig is de protagonist hier nog wel de moeite van het aanhoren waard.
32) Een alpenroman
In feite nogal een duffe driestuiverroman over een halfslachtige lesbische relatie, maar toch wist de auteur constant mijn aandacht erbij te houden.
33) De arme Heinrich
Slotdeel in de Slingeland-trilogie. Decor is verplaatst naar de Alpen, wat de roman niet ten goede komt. Setting is toch wel erg belangrijk voor sfeer.
34) De ziener
De wat bleke strapatsen van de voyeur Pieter Le Roy die aan de haal gaat met de onschuldige vriendschap tussen een lerares en een leerling.
35) De leeuw en zijn huid
'Het vorige hoofdstuk is rijkelijk lang geworden.' (p. 277) Zeg maar gerust: het hele werk. Venetiaanse roman, lijkt in zijn soort op Mulisch' Diamant, ook qua niveau.
36) De hôtelier doet niet meer mee
Net als De leeuw hierboven een late historische roman, dit keer rond Napoleon. De late zijn evenzeer vakwerk als de vroege, maar duizend keer bloedelozer.
37) Het schandaal der Blauwbaarden
Nog maar eens roman waarin spookverschijningen een kardinale rol spelen. Heeft het karakter van een speurtocht, maar wel een wat labbekakkerige.
38) Bericht uit het hiernamaals
'Een verwarrend verhaal,' vindt Br. Corstius, die het evenwel de hemel in prijst als 'filosofische vertelling'. Ik vond het vooral een verwarrend verhaal.
39) Rumeiland
Ik zal wel weer tegendraads zijn, maar ik vind Puriteinen toch echt vele malen beter dan deze te volgestopte en daardoor wat steriele Jamaica-roman.

De molshopen
40) Juffrouw Lot
Het eerste deel is verrassend direct en onopgesmukt van stijl en beschrijving, maar daarna zakt het als een plumpudding in elkaar.
41) De zwarte ruiter
Het kortste werk van de 52, maar niet alleen door de omvang een niemendalletje. Vaag verhaal, tamelijk krankzinnige verwikkelingen.
42) De redding van Fré Bolderhey
Traditioneel een klassieker, maar op de oogverblindende openingspagina na zijn de visioenen van de schizofrene Eddie Wesseling van een tergend effectbejag.
43) Bevrijdingsfeest
Tweede verzetsroman maar zonder het indringende van Pastorale. Personages niet van vlees en bloed en daardoor een temerig werkje.
44) Het genadeschot
Buschauffeur blikt terug op oorlogsverleden. Oorlogsverleden blijkt veel minder te pruimen dan buschauffeursheden.
45) Vijf vadem diep
Mooie titel - naar Shakespeare -, maar dan ben ik wel uitgepraat qua positieve predicaten. In veel late romans verliest Vestdijk de controle over de stof.
46) De dokter en het lichte meisje
De seksuele escapades van een arts en een hoer. Zal heus in 1951 schandaal hebben gewekt, maar wij lezen vooral een warrige, onsamenhangende geschiedenis.
47) Het proces van Meester Eckhart
Laatste roman uit de lange reeks. Met krap 100 blz. lekker kort, maar ook onvoldragen, nogal saai en allesbehalve memorabel.
48) De verminkte Apollo
Tweede Griekse roman; veel te moeilijk en daardoor onleesbaar. Lichtpuntje in de duisternis is het orgiastische slot, maar tegen die tijd ben je het al beu.
49) Het verboden bacchanaal
Voorlaatste roman; had ook al niet meer gehoeven. Je leest over een stel mensen, maar ze laten je volkomen koud. Jeukverwekkend hyperactief geblaat.
50) De schandalen
Het slot is weer goed, verder een zouteloze, tempoloze miskleun. Moest me tijdens de lectuur steeds met automishandeling wakker houden.
51) Op afbetaling
Absoluut onmogelijk in deze roman te komen, alsof er oorspronkelijk nog een heel deel aan vooraf ging dat je moet kennen om het te kunnen volgen. Prut.
52) Het spook en de schaduw
Krankzinnig werk vol spoken en geesten, eindeloos gelul tussen irritante personages en een verhaal dat geen moment boeiend wordt.

In algemene zin raak je door het jaar heen toch meer en meer bevangen door een peilloze verbazing over de productie van deze schrijver. Hij begon relatief laat in zijn leven met publiceren, pas na zijn dertigste, en overleed al op 72-jarige leeftijd. Daarbinnen waren er bovendien onproductieve perioden van depressiviteit. Naast deze 52 romans - en bepaald geen inwisselbare, dertien-in-een-dozijn wegwerplectuur! - schreef hij ook nog twee romans samen met iemand anders, drie onvoltooide romans, 57 novellen en verhalen, 33 essaybundels, 24 dichtbundels, briefwisselingen en vele, vele ongebundelde artikelen. Waanzin. Heb je je net weer door een vuistdik, complex, exuberant werk geworsteld, lees je in de datering dat Vestdijk alles in krap twee maanden heeft geschreven.

Je wordt al gauw afgeschrikt door zo'n oeuvre, en veel romans zijn ook niet (meer) te pruimen, maar noem maar eens een andere schrijver die meer dan tien meesterwerken op zijn naam heeft staan. Overigens is een curieus trekje van Vestdijk dat hij - in tegenstelling tot de meeste schrijvers - vaak pas aan het eind van een roman op stoom komt. 't Hart constateert dan ook terecht: 'Bij hem is doorgaans het slot een apotheose, blijken zijn romans juist altijd dank zij het slot als het ware met terugwerkende kracht aangrijpend te zijn.' Zo sluit ik ook graag af: gedurende het jaar was het niet altijd even leuk om te doen, maar met terugwerkende kracht was het een aangrijpend leesproject.

donderdag 12 december 2013

Niels 't Hooft - De verdwijners

Niels 't Hooft - De verdwijners. Atlas Contact (2013), 222 blz.

Niels 't Hooft schreef met Toiletten (2003) en Sneeuwdorp (2005) twee lezenswaardige romans waarin de fascinatie van de auteur voor videogames op melancholische, sympathieke wijze verwerkt was. Acht jaar heeft het vervolgens geduurd voor 't Hooft met zijn derde roman kwam. Die is dan ook heel anders dan de eerste twee. In De verdwijners wordt de aandacht verlegd naar de geniepige gigant van het digitale tijdperk, Google. De roman, die zeer goed in elkaar zit, is veel grimmiger van toon.

De wereld in De verdwijners is een 'dystopie', een in de nabije toekomst gesitueerde samenleving die op haar ondergang afstevent. Google is de brenger van de onheilstijding: 'Vijf jaar geleden had Google een precieze berekening onthuld van het moment waarop de mensheid met te veel zou zijn, de natuurlijk hulpbronnen uitgeput raakten en er een allesverwoestende oorlog uitbarstte.' Deze 'eindsom' heeft het dagelijkse leven in zijn greep.

Interessant aspect is dat op een heldere manier diepgang wordt gezocht door de bedoelingen die Google zou kunnen hebben met deze 'eindsom' in essayistische passages te overdenken: 'Waarom had 's werelds machtigste informatiebedrijf zo'n deprimerende boodschap naar buiten gebracht?' Is het de ultieme consequentie van het oorspronkelijke ideaal alle informatie voor iedereen beschikbaar te maken of zijn er toch commerciële belangen mee gemoeid? De opinie van de meeste mensen neigt naar het eerste: 'De algehele consensus was dat Google de wereld een gunst had gedaan met de eindsom: als de wereld verging, dan moesten we dat weten.'

Mensen zijn zelfs bereid zich gratis in te zetten voor het bedrijf. Dat geldt niet voor Randy, Lua en Erhardt. Zij werken ook als enquêteurs voor Google maar doen dit werk, vanuit uiteenlopende drijfveren, louter als dekmantel voor duistere praktijken. Ze spelen dubbelspel met Google, 'de enquêteurs werkten er tegelijk voor en tegen'. Ze verdienen veel geld met het laten verdwijnen van mensen die daar zelf om vragen. Het aantal suïcidalen is sinds de bekendmaking van de eindsom immers fors toegenomen. De vierde protagonist is het meisje Marthe, wier zus Isobel vermist is. Marthe vermoedt dat de geheime handel en wandel van de enquêteurs daar iets mee te maken heeft. Als zij zich bij hen voegt, wordt stukje bij beetje onthuld wat er werkelijk aan de hand is.

Het verhaal wordt afwisselend vanuit het perspectief van de vier personages beschreven. Allen kampen zij zo met hun eigen problemen. Marthe is depressief, Randy, de idealist, raakt zijn optimisme kwijt, Lua, de seksverslaafde, vindt seks niet langer bevredigend en Erhardt, de denker, wordt paranoïde.

Steeds is er de uiteindelijke vraag naar de zin van het leven. Zin in een wereld beheerst door de eindsom en zin überhaupt. Lua bedenkt dat haar emotieloze seksverslaving een symptoom is van het einde: 'Er was geen endgame: het grote evolutiespel vlakte af, emmerde voort en bloedde dood.' Seks was ooit bedoeld voor reproductie en evolutionaire groei, maar nu restte alleen nog verveling. 'De eindsom zorgde hoogstens voor een nuanceverschil. Het voelde iets anders, maar eigenlijk was er al decennialang geen wezenlijke zin des levens meer geweest.'

De interessantste hoofdstukken zijn die over Randy en Erhardt. Randy doet aan 'urban farming', het terugveroveren van de publieke ruimte door op grote hoogte, buiten het zicht van de alom aanwezige camera's, de natuur weer te laten bloeien. Hij kan alleen radicaal te werk gaan, want de expertise is verdwenen. Wetenschappers zijn wegbezuinigd, 'geridiculiseerde genieën in een anti-intellectueel tijdperk.' Dat de woekerende vegetatie het beton doet splijten en zo voor vele doden kan zorgen, brengt Marthe ertoe hem een 'ecoterrorist' te noemen, maar Randy ziet het anders: 'Of je terrorist of vrijheidsstrijder bent is afhankelijk van wie de oorlog wint.'

Zoals Randy's vegetatie gebouwen doet instorten, zo weten destructieve hackers Erhardts digitale omgeving te ondermijnen: 'ondanks al zijn beveiligingsinspanningen was iemand erin geslaagd toegang te krijgen tot zijn bestanden. Het ene moment zaten er haarscheurtjes in het beton, het volgende moment lag het gebouw in puin.' Deze, misschien wat al te expliciete parallel met Randy's weerwerk wijst op een dubbele dynamiek: het humane, het menselijke en het commerciële, het onethische zijn in een constante guerrillastrijd verwikkeld.

Erhardt denkt veelvuldig na over ethiek en moraal van de vergooglede samenleving, hij gelooft dat de eindsom alleen onafwendbaar is omdat dat Google zo uitkomt. 'Net als andere multinationals was Google een zakelijke entiteit geworden die alleen nog wilde groeien. En dat was gevaarlijk, want groei was onverschillig, zonder ethisch besef, corrumperend zelfs.' Vooral Googles invloed op overheden baart hem zorgen. Google is in staat via 'emotiemapping', 'tekstmining' etc. snel informatie 'te verzamelen, categoriseren, filteren en verwerken': 'Google ging zo hard op hun datastreams dat je het beter folteren dan filteren kon noemen, maar het werkte: dat werden info, info werd kennis, kennis werd een verhaal.' Overheden daarentegen hebben volledige toegang tot privacygevoelige informatie maar weten die vrijheid niet effectief te benutten. Toch zullen 'op termijn [...] Googles slimme filters en de harde data van de overheid samenkomen'.

Er wordt dus veel nagedacht over humaniteit in een gedigitaliseerde wereld. 'Overal waren mensen de terneergeslagen tijdgeest en hun erbarmelijke levens beu, en besloten ze eruit te stappen, op weg naar de spiegelwereld. Maar het verlies van een individueel leven is tragiek, de dood van duizenden is statistiek.' Erg aardig is dat 't Hooft soms gebruikt maakt van de metaforiek van de videogame om ideeën te verwoorden: de mensen die eruit stappen nemen 'een escape'; een stoot hormonen wordt een 'neurotransmitter free-for-all' genoemd.

De verdwijners treedt enigszins in de voetsporen van Houellebecq: 'Een harpoengeweer [...] is een aanzienlijke bondgenoot' luidt een knipoog naar een veelgeciteerde zin uit De wereld als markt en strijd. De achterflap situeert het verhaal in 2018. Dit strookt met de verwijzing naar 'De grote aanslag, bijna twintig jaar geleden', die dan op 9/11 zou slaan; 'bijna twintig jaar' is concreet zeventien jaar.

Toch had ik even een Battus-momentje: kan De verdwijners als een moderne Nineteen Eighty-Four begrepen worden? De frase zou dan moeten verwijzen naar de grote aanslag die we in werkelijkheid, goddank, nog niet gehad hebben maar die in de romanwereld inmiddels wel heeft plaatsgevonden, 'bijna twintig jaar geleden'. Stel, de roman speelt in 2031, 'bijna twintig jaar' geleden slaat dan, als we weer uitgaan van concreet zeventien jaar geleden, op 2014. Waarom 2031? Orwell bedacht 1984 als omkering van 1948, jaar waarin hij de roman (grotendeels) schreef. 2031 is de omkering van 2013. Bovendien is 84 min 48 = 36, terwijl 31 min 13 = 18, precies de helft van 36, wat weer prima aansluit bij het adagium dat het leven vandaag de dag tweemaal zo snel gaat als vroeger.

Afijn, tot zover mijn Battus-momentje. Overeind blijft dat De verdwijners een hoogst actuele, tot nadenken stemmende en daarmee relevante roman is. Enige dagen nadat ik het boek had uitgelezen, kreeg ik een nieuwsbericht onder ogen waarin Google-kopstuk Scott Huffman aankondigt de mogelijkheid te onderzoeken een microchip in het hoofd van mensen te planten om de zoekfunctionaliteit te vergroten. Ik bedoel maar.

De verdwijners is echter meer dan een ideeënroman. De passage waarin Erhardt ziet dat zijn telefoon gehackt wordt en hij wanhopig probeert dit te onderbreken, is bloedstollend. Het slot is indrukwekkend, de laatste zinnen meesterlijk. Randy zegt ergens: 'Wij zijn de laatste generatie, de zoektocht naar betekenis zit erop. Het is tijd om conclusies te trekken. Misschien moet ik er een boek over schrijven. Alhoewel, wie leest zoiets nog?' 't Hooft verdient in elk geval een groot publiek.

woensdag 30 oktober 2013

Nelleke Noordervliet - Vrij man

Nelleke Noordervliet - Vrij man. Het leven van Menno Molenaar. Augustus 2012, 465 blz.

Vrij man is een dikke historische roman over de fictieve Gouden Eeuwer Menno Molenaar. Op de eerste bladzijden ontmoet de vrouwelijke ik-verteller, die zich nadrukkelijk als Noordervliet-de-schrijfster manifesteert, hem in hedendaags Amerika, verontruste verstekeling in de tijd. Hij vertelt haar zijn levensverhaal, zij vertelt het door aan de lezer.

Menno was voorbestemd om predikant te worden, maar hij raakte als jongen gefascineerd door de reikwijdte van de menselijke rede en de wonderlijke anatomie van het fysieke lichaam waarin de ziel zou huizen. Als student in Leiden belandt hij in de kringen van de radicale Verlichting, later in Den Haag raakt hij als klerk van Johan de Witt in de woelingen in het politieke hart van de Republiek verzeild. Maar hij blijft ook iemand die zich onweerstaanbaar tot de zelfkant van het leven aangetrokken blijft voelen.

Het aardige is dat Noordervliet niet simpelweg gekozen heeft voor een raamvertelling, maar op verschillende momenten terugkeert naar het meta-niveau om de status van het verhaal dat zij over Menno vertelt te problematiseren. Ze vertelt 'slechts' door wat ze van Menno hoort, maar ze voelt zich nogal beperkt door dit perspectief, ook door de bokkige onwil die hij tentoonspreidt en die ze weer op zichzelf betrekt: 'Mij vertrouwt hij niet. Het is zijn goed recht een onbetrouwbare verteller te zijn: ik op mijn beurt ben een onbetrouwbare luisteraar. Zijn onvolledigheid is mijn onvermogen tot hem door te dringen.'

De gebeurtenissen kunnen echter aan geloofwaardigheid winnen wanneer ze door de ogen van meerdere figuren worden beschreven: 'Ik heb meer materiaal nodig. Ik moet hulp halen. Getuigen horen, stemmen en tegenstemmen.' Daarom treden na verloop van tijd ook andere personages als verteller op. Hierdoor komen er tegenstrijdigheden in het relaas van Molenaar aan de oppervlakte. Zo word je ook als lezer bij de les gehouden: de indruk dat er in het levensverhaal van Menno Molenaar - de verhalende plotlijn van de roman - een alwetende, betrouwbare verteller aan het woord is, is vals.

De schrijfster gaat soms ver in haar experimenteerdrift. Ze is bijvoorbeeld in staat een persoon in Menno's leven te 'worden' om hem zo 'levensecht' mee te maken. Zo heeft ze zelfs seks met haar personage. Ultieme doel is om zélf Menno te worden: 'Ik zou hem moeten worden; dat is wat schrijvers doen.' En is dat strikt genomen niet al het geval? 'Alle personages zijn altijd de schrijver. Dat zegt niets.'

Paradoxaal genoeg hebben deze verregaande pogingen tot identificatie, tot vereenzelviging, tot eenwording, als effect dat juist de onoverbrugbare afstand van schrijfster tot personage, van werkelijkheid tot fictie, van heden tot verleden, zich des te scherper manifesteert, dat 'de catch 22 in het historische verhaal' aan de oppervlakte komt: 'Zoals we het verleden nu beschrijven was het niet, en zoals het was zullen we het niet kunnen beschrijven.' Een beschrijving van de Gouden Eeuw wie es eigentlich gewesen is alleen bij benadering mogelijk: 'Laag over laag fixeert het vernis de voorstelling. Ik wil de lagen eraf krabben, ik wil terug naar de scherpe contouren en heldere kleuren. Dat zou al heel wat zijn. Vloeibaar en voorlopig wordt het toch nooit meer.'

Deze vernuftige en toch ook wel verrassende wisselwerking tussen vertelniveau en verhaalniveau maakt van Vrij man een origineel en fris specimen in het verstofte genre van de historische roman.

Noordervliet etaleert haar brede kennis van de Gouden Eeuw en haar eigengereide visie op de erfenis van de Verlichting. Ze laat historische figuren als Johan de Witt, Adriaan Koerbagh en Lieuwe van Aitzema aan het woord en biedt daarmee als het ware een romaneske adaptatie van Jonathan Israels doorwrochte studies over de vaderlandse Verlichtingsdenkers. Soms gebeurt dat wat al te clichématig. Bento van Doorn, die later Spinoza blijkt te zijn, spreekt bijvoorbeeld als een honderd procent hedendaagse Spinoza - de opgehemelde held van de rede. Aan de andere kant is die niet te omzeilen hedendaagse blik precies wat Noordervliet tracht te thematiseren.

De roman staat bol van de filosofische passages over onder veel meer: geloof en rede, kenbaarheid en onkenbaarheid, de plaats van elite en volk in een democratie, repressie en tolerantie, en bovenal vrijheid en gebondenheid. Wat is vrijheid? Wanneer is iemand een vrij man? Zonder uitzondering maken deze passages een scherpzinnige indruk en getuigen ze van een grote dosis gezond verstand. Soms hebben ze ook poëtische kracht: 'Het maakt niet uit in welke tijd je woont. Wie zich losdenkt, hangt.'

Menno's levensverhaal is dan al ondergeschikt geraakt aan de hierboven beschreven metafictionele en historische en maatschappijkritische componenten. Het slotdeel, dat zich in Amerika afspeelt, is veel saaier en taaier dan de Hollandse hoofdstukken. Het verhaal verdwijnt steeds meer naar de achtergrond, mij is althans weinig bijgebleven van het slot. Al zegt dat natuurlijk meer over mij als lezer dan over de auteur, en nog minder over het boek. Vrij man is alleen al een prachtige casus politieke, sociale en cultuurgeschiedenis van de Gouden Eeuw en een intellectueel prikkelende ideeënroman. Dat het ook een onderhoudende en bij vlagen spannende historische roman is, is de kers op de taart - ook al valt de laatste hap niet helemaal lekker.

donderdag 18 juli 2013

Joost de Vries - De republiek

Joost de Vries - De republiek. Prometheus (2013), 264 blz.

Clausewitz, het debuut van Joost de Vries (1983) uit 2010, vond ik een boeiende roman. Origineler, geestiger, verrassender dan het dat jaar alom bejubelde debuut Bonita Avenue van Peter Buwalda. Onlangs won De Vries het Charlotte Köhler Stipendium 2013, een aanmoedigingsprijs voor veelbelovend literair talent. De jury schreef onder meer dat het werk van De Vries 'pedant en studentikoos' is. Dat is raak opgemerkt. Specifieker: zijn personages zijn onuitstaanbaar pedant en zijn stijl, zijn verteltrant is studentikoos.

Dit geldt ook voor De Vries' tweede, De republiek. Het is een roman die erg dicht bij Clausewitz staat. Beide werken spelen zich af in een academisch milieu, hebben als hoofdpersoon een bluffer die zijn hand overspeelt, zitten vol met mentions van en verwijzingen naar hoge en lage cultuur en hebben een onopgehelderd mysterie als verhaalelement dat de plot aanstuurt. In Clausewitz ging het om een zoektocht naar de verdwenen schrijver Ferdynand LeFebvre, in De republiek is Josip Brik, populaire filosoof en hotemetoot in het curieuze academische segment van de 'Hitlerstudies', onder verdachte omstandigheden omgekomen. De roman draait echter niet om het uitvogelen van die omstandigheden, maar om de opvolging van Brik, zijn 'intellectuele nalatenschap'.

Zijn protegé Friso de Vos is de meest voor de hand liggende troonpretendent. Hij ziet zich echter bedreigd in zijn positie wanneer een concurrent, de op De Vos gelijkende Philip de Vries, zich in een uitzending van De Wereld Draait Door opwerpt als de erfgenaam van Brik. Uit jaloezie besluit De Vos zich uit te geven voor De Vries, om zo diens naam zwart te kunnen maken. Op een groot congres van de Hitlerstudies komt hij hiermee ernstig in de problemen wanneer een clubje criminelen hem begint te chanteren.

Meer nog dan al in Clausewitz het geval was heeft De Vries zijn uiterste best gedaan zijn roman zo 'bijdetijds' te maken als maar mogelijk is. Er zijn verwijzingen naar Game of Thrones en Harry Potter, er is de beschrijving van een potje competitive gaming, de tekst wordt afgewisseld met plaatjes van 'cats that look like Hitler', er is een motto van Kanye West, enzovoort. Maar ook in zijn taalgebruik is De Vries erg 2013. Hij strooit met Engelse en Nederengelse woorden en zinnetjes, ook waar gewoon een Nederlandse variant voorhanden is. Veel gebral en gepoch ook, intimiderend zelfverzekerd, studentikoos inderdaad.

Dat zorgt er ook voor dat je bepaalde eigenaardigheden die je bij minder begenadigde schrijvers als een mankement zou aanmerken, nu leest als bedoeld-superieure ingrepen in de taal. Zo staat er op p. 33: 'Ik weet nog dat er iemand van de Nederlandse ambassade polshoogte kwam nemen'. Zou je normaal denken: weer zo een die niet meer weet dat het 'poolshoogte' moet zijn, nu veronderstel je onmiddellijk dat De Vries een vorm die binnen de aanvaarde standaardnorm als foutief wordt gezien maar die te keur en te kust wordt gebruikt, vanuit zijn positie van literaire schrijver als het ware fiatteert.

De Vos is geen sympathiek personage. Hij is een bijzonder naar mannetje, een kale opschepper die je als lezer graag naar de barbiesjes wenst. Van de weeromstuit krijg je sympathie voor zijn rivaal De Vries. Van die laatste komt ook de scherpste opmerking in deze roman: 'Dat heeft toch altijd iets zieligs, een republiek. Die komt altijd na iets; na een koninkrijk, na een keizerrijk. Ze bestaat nooit uit zichzelf, alsof het nooit de natuurlijke toestand is.' De Vries zegt dit in een gesprek met De Vos op het congres, waar de twee elkaar eindelijk in levenden lijve treffen en over de opvolging van Brik komen te spreken. Het is alsof de koning dood is, zegt Philip, wat is er nog over? 'Een republiek', luidt het antwoord van Friso.

Er is dus geen troonopvolger, met Brik is het koninkrijk ten onder gegaan, en wat ervoor in de plaats is gekomen is een republiek, een kunstmatige vorm. Zo is ook Friso de Vos het verleerd 'natuurlijk' te leven. Hij bestaat alleen bij de gratie van de bric-à-brac die zijn verbeeldingswereld is, een collage van citaten uit hoge en lage cultuur. It's the only way I have learned to express myself, through other people's descriptions of life. Nu doe ik het zelf ook.

*****

donderdag 4 april 2013

Mensje van Keulen - Liefde heeft geen hersens

Mensje van Keulen - Liefde heeft geen hersens. Atlas (2012), 190 blz.

Het vorige boek van Mensje van Keulen, de verhalenbundel Een goed verhaal (2009), bereikte de shortlist van de Libris Literatuurprijs 2010. Ik vond dat een uitstekende bundel, met zes spannende, beklemmende en goed geschreven verhalen, maar de prijs ging uiteindelijk naar een ander werk. Van Keulens jongste titel, de roman Liefde heeft geen hersens, is nu genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 2012. Van dit werk ben ik veel minder onder de indruk. Het zal de prijs dus wel winnen.

Hoofdpersoon van Liefde heeft geen hersens is Romy, een weduwe die als gastvrouwe op een begraafplaats werkt, een moeizame relatie met haar zoon en dochter onderhoudt, en op een ochtend haar buurvrouw Irma dood in haar stoel aantreft. Ze verdenkt haar zoon Cristian van een roofoverval. De huismeester, Harro, verdenkt op zijn beurt Romy, maar omdat hij een oogje op haar heeft houdt hij zijn vermoeden voor zichzelf. De gebeurtenissen worden afwisselend door de ogen van Romy en Harro beschreven.

Alles speelt zich af in milieus aan de rafelranden van de maatschappij, een rauwe werkelijkheid waar Van Keulen doorgaans wel raad mee weet. Wat me gaandeweg de roman echter ging tegenstaan was de extreem clichématige typering van de nevenpersonages. Romy's zoon is een jonge kunstenaar; zij betrapt hem dan ook met een andere jongen in bed. Irma's enige goede kennis was een oude balletdanser; hij praat dan ook als een fladdernicht en begint haast elke zin met 'Kind'. Romy's bovenbuurman is getatoeëerd; hij gedraagt zich dan ook onbeschoft en onbeschaafd. Enzovoort. Deze personages zijn types, stereotypen, geen karakters.

Vreemd is ook de manier waarop de moeder van Harro wordt neergezet: enerzijds als een klagend kreng, xenofoob, onredelijk en hooghartig, anderzijds als een literatuur lezende dame die soms zinnige maatschappijkritiek levert, bijvoorbeeld over moslima's met hoofddoekjes. Recent, bijvoorbeeld rond de kwesties van Hema en Albert Heijn die geen personeel met hoofddoek wensten, hoor je regelmatig een wijsneus opmerken dat Nederlandse vrouwen toch vroeger ook een hoofddoekje droegen. Dat is dan het nieuwste 'argument' van de vaderlandse dhimmi's die denken daarmee Wilders' krankzinnige voorstel voor een 'kopvoddentaks' te hebben weerlegd en zichzelf als deugend mens te hebben bewezen. Waarmee de discussie, wederom, is doodgeslagen. Alsof de enige twee opties in dit debat bekrompen vuilspuiterij en radicaal cultuurrelativisme zijn. En dat terwijl het argument welbeschouwd ook grote onzin is, zoals Harro's moeder laat zien:
'Ik weet wel dat vrouwen hier er een droegen, tegen de kou en als je naar de kerk ging of van de kapper kwam, maar die sjaaltjes zaten nooit zo raar strak, helemaal over je voorhoofd, en in de zomer, geloof me, was er niet één vrouw die er zelfs maar over dacht om zo'n ding om te knopen.' (65-66)
Geen speld tussen te krijgen. Ik kan dit niet anders lezen dan als de opvatting van de schrijfster zelf. Die zal echter zijn teruggeschrokken voor de consequenties, voor het hokje waar je meteen in geduwd wordt als je zoiets probeert in te brengen, en ze heeft de redenering dan maar geparkeerd in het grillige betoog van een verder dubieus personage. Jammer.

Ook de opbouw van de roman is wankel. De monoloog van de balletdanser is veel te lang, en het middengedeelte bevat een weergave van de gesprekken die nabestaanden tijdens een koffietafel voeren, oeverloos geroddel waar geen eind aan lijkt te komen en bovendien niet of nauwelijks functioneel voor de plot. Wel sterk is het wisselende perspectief, dat de onbepaaldheid en onbestemdheid van menselijke vermoedens en verlangens mooi in de verf zet, en het whodunnit-aspect, dat ervoor zorgt dat de roman tot het einde toe enige spanning behoudt, maar de leeservaring is al met al toch wat onbevredigend.

*****

woensdag 27 maart 2013

Tommy Wieringa - Dit zijn de namen

Tommy Wieringa - Dit zijn de namen. De Bezige Bij (2012), 303 blz.

Voor Dit zijn de namen, na Caesarion (2009) zijn tweede roman sinds het verpletterend succesvolle Joe Speedboot (2005), is Tommy Wieringa het ver gaan zoeken. Over het land, de regio, de plaats waar het verhaal zich afspeelt komen we eigenlijk niet méér te weten dan dat er een grote steppe is met aan de grens ervan een stad waarin nepotisme en misdaad welig tieren. Op basis van namen van enkele personages en plaatsen - Vitaly, Oksana, Michailopol - wordt een oost-Europese of Slavische context gesuggereerd.

'De man van Asjchabad' wordt ook iemand genoemd. Ik vermoed dat maar weinig lezers - ik in ieder geval niet - paraat hebben dat dat de hoofdstad is van Turkmenistan. Ook is een keer sprake van 'Samarkand', wat dan weer een provincie in Oezbekistan blijkt te zijn. Ook als we dit weten schieten we er weinig mee op: zijn er mysterieuzer landen dan die -stanlanden daar in West-Azië? Zo blijven personen en plaatsen grotendeels naar zichzelf verwijzende elementen die de lectuur nauwelijks in een herkenbare topografische, historische of actuele context vastpinnen.

De naam van de hoofdpersoon is ook al zo'n ongedefinieerd element dat de oriëntatie bemoeilijkt: Pontus Beg. Een voornaam die eerder Scandinavische associaties oproept en een achternaam die vrijwel inhoudsloos is. Beg is een oude politiecommissaris die de alcohol en de zwaarmoedigheid maar ternauwernood de baas weet te blijven. In de even genummerde hoofdstukken vernemen we van zijn moeizame bestaan in een door en door corrupte en verloederde omgeving.

In de oneven hoofdstukken wordt de schier eindeloze tocht over een kale steppe beschreven van een groepje vluchtelingen - een kind, een vrouw en vijf mannen, onder wie ook een neger die met de nek wordt aangekeken. Ze ploeteren uitgehongerd voort in de hoop de bewoonde wereld te bereiken. Heel lang is die hoop ijdel, wat overslaat op de lectuur: deze hoofdstukken zijn nogal saai en stuurloos. Ook de belevenissen van Beg zijn die naam overigens nauwelijks waard. Ik moest soms denken aan Publiek geheim van Bernlef, ook zo'n klinische, bloedeloze roman. Dat verandert gelukkig wanneer Beg kennismaakt met rabbijn Zalman Eder, de laatste jood van de stad, en hij ontdekt dat hij mogelijk joodse roots heeft. De gesprekken tussen Beg en Eder zijn boeiend en de beschrijvingen van de oude synagoge beeldrijk.

Dit zijn de namen is sowieso zorgvuldig geschreven. Dat wil zeggen: ik heb het zorgvuldig moeten lezen om de plot te kunnen volgen. Slechts zelden veroorlooft Wieringa zich een passage die doet denken aan de zorgeloze zwier van Joe Speedboot: 'De kleine boerderij met het rieten dak en de witte lemen muren keerde soms in zijn dromen terug. De vriendelijke blauwe deuren en luiken, het verdorde veldje zonnebloemen, ritselend in de wind als het herfst geworden was, en de zomer alweer achter je lag zonder dat je daar verdacht op was geweest.' (82)

Pas op bladzijde 183 komen de verhaallijnen samen en krijgt de roman enige vaart en suspense. De vluchtelingen hebben de stad van Beg bereikt en zorgen er voor onrust. Ze blijken het afgehakte hoofd van de neger bij zich te dragen. Uit ondervragingen blijkt dat zij hem, nadat ze hem eerst uit angst vermoord hadden, van lieverlede als een soort god zijn gaan zien die ze met onzichtbare hand de juiste kant op heeft gedirigeerd.

De zich inmiddels in de joodse geschriften verdiepende Beg ziet een parallel met de tocht van de uitverkoren joden door de woestijn, die de botten van Jozef bij zich droegen. Het boek Exodus begint met de zin: 'Dit zijn de namen van de zonen van Israël'. Beg herkent de gelijkenis met het verhaal van de vluchtelingen, maar hij beseft ook dat banale omstandigheden bepalen of een gebeurtenis kan uitgroeien tot mythe en uiteindelijk een geloof: 'Ik denk aan omstandigheden, andere dan nu, in een andere tijd, waarin zoiets... een groter belang had kunnen krijgen, als het de kans had gehad menigten te infecteren.' (277)

Belangrijk is ook dat nergens duidelijk wordt of Beg inderdaad joods is; hij kiest er min of meer voor dat het zo is, en zonder ook maar in zoiets als een almachtige God te geloven. Religie is in Dit zijn de namen dus bij uitstek een aards gegeven, een vlucht uit de hopeloze dagelijkse werkelijkheid.

*****

dinsdag 5 maart 2013

P.F. Thomése - Het bamischandaal

P.F. Thomése - Het bamischandaal. Atlas Contact (2012), 268 blz.

P.F. Thomése is bij mijn weten de enige persoon die ooit live op nationale televisie tegen Ramsey Nasr heeft gezegd dat hij zijn grote mond eens moet houden. Alleen daarom al verdient hij een standbeeld. P.F. Thomése is daarnaast ook een groot schrijver. De prachtige, ontroerende verhalen in Zuidland. De superieure achteloosheid van Heldenjaren. De scherpe zedenschets Vladiwostok! De weldadige nuchterheid van Grillroom Jeruzalem. Stuk voor stuk meesterlijk. En dat raar-hilarische boek J.Kessels: The Novel, een schelmenroman annex whodunnit, plat en grof van taal, maar zichzelf ook ondermijnend en daardoor nog steeds door en door literair.

Het vulgaire maakt net zozeer deel uit van het leven als het verhevene, zei Thomése ergens rond de verschijning van Het bamischandaal in een interview, of woorden van gelijke strekking, en verdient dus evenzeer een plaats in de literatuur als het verhevene. Het moet echter wel op een literaire manier worden gebracht. In J.Kessels bediende Thomése zich al van metafictioneel commentaar om het verhaal, en in het bijzonder het autobiografische karakter ervan, continu te ironiseren en te ondergraven. In Het bamischandaal is die metafictie nog overheersender.

Het boek opent met een proloog. J. Kessels ligt te rukken op een hotelkamer in Shanghai. Nagenoeg meteen treedt de auteur-verteller het verhaal binnen om zijn personage toe te spreken: 'Wacht eens even, vriend. Al sta je met je doorleefde kanis wederom op het omslag, het is nog altijd mijn roman. En dan ga je niet uitgebreid liggen onaneren alsof je thuis bent. Op de eerste pagina nog wel, gatverdamme. Dat doe je niet. Zo werkt literatuur niet. Daar zijn we het met zijn allen zo langzamerhand wel over eens.' Wat literatuur is of zou moeten zijn, dat is waar het eigenlijk steeds om gaat in Het bamischandaal.

De auteur-verteller laat geen mogelijkheid onbenut zijn onmacht te benadrukken. Het is immers allemaal waargebeurd, dus hij kan er allemaal weinig aan doen als het niet voldoet aan de normen van de literatuur met een grote L. Sinds hij 'voor de grap' een bestseller over Kessels heeft geschreven 'is het uit de hand gelopen. [...] Geen peil meer op te trekken, geen klok meer op gelijk te zetten. Op deze manier winnen we de Nobelprijs natuurlijk nooit.' Kessels hoort in Tilburg-Noord op zijn flatje te zitten, wat doet hij dan nu in China? 'Shanghai? Cockroach Hotel? Rare stijlbreuk. Die ik als auteur zeker mag zien te lijmen.' Maar ik-de-auteur heeft ook niet het benodigde overzicht om die taak naar wens te volbrengen: 'Ieder leven is voorbestemd om in een verhaal te eindigen, en J. Kessels heeft de pech of het geluk dat ik dat verhaal vertel. Voor zover ik het kan volgen althans.'

Kessels blijkt in Shanghai te zitten omdat hij verliefd is geworden op het nichtje van de afhaalchinees waar hij altijd zijn bak bami goreng compleet haalt. 'Thomése' wist hier niets van. J.Kessels: The Novel was waargebeurd, er was 'aan dat bezopen boek geen komma gelogen', maar hij had het wel geschreven zonder medeweten van Kessels zelf. Daarom is het wellicht niet vreemd dat hij zijn verliefdheid nu verborgen heeft gehouden en met stille trom is vertrokken, hij zal immers geen zin gehad hebben 'het hele verhaal straks zeker als paperback voor 16,95 euro in de schappen van de grote winkelketens' terug te vinden. Hier prijst de roman zichzelf als pulp aan - en dus ook weer niet.

Thomése vliegt naar China met een andere beste vriend van Kessels, Peer Sonnemans. Ook die bestaat echt, vergeet de auteur-verteller vooral niet te benadrukken. Peer is nogal een slome: 'Het is misschien onsympathiek om als schrijver een personage zo af te vallen, en zeker als dat personage echt bestaat en gewoon in Tilburg blijkt te wonen. [...] Hij bestaat, ja, en hij heeft mij opgebeld. Ik niet hem, voor alle duidelijkheid. Hij is er zelf mee begonnen, die kleine zeikerd, hij heeft zich aan mij opgedrongen, met dat geouwehoer van hem. Ik niet aan hem. Alsof ik er blij mee ben dat hij in mijn boek terecht is gekomen, zo'n waardeloze lulhannes die nergens iets van snapt.'

Hij is dan wel de schrijver, dat wil niet zeggen dat hij alles zomaar kan verzinnen. De gebeurtenissen en de figuren zijn nu eenmaal allemaal naar het leven getekend, en dus is 'Thomése' met handen en voeten geketend aan de werkelijkheid: 'Een beetje wegretoucheren, een beetje opwaarderen, jaja, ik snap het, wat wegmoffelen hier, wat erbij smokkelen daar. Het bekende gesjoemel. Nee, Tilboknakker, zo werkt dat niet bij ons in de literatuur. Ik maak het niet mooier dan het is. Ik schrijf gewoon op wat er gebeurt, hier op het papier [...] Een kutboek wordt het sowieso, die mag je alvast bijschrijven.'

In Shanghai roepen ze de hulp in van de daar woonachtige Bredanaar de Schel, een al even grote zeverzak als Peerke, tot ongenoegen van de auteur-verteller: 'Naarmate deze twee aan elkaar gewaagde Brabo's aanweziger werden, werd ik steeds stiller. Een schrijver hoort zijn eigen personages niet af te vallen, dat is waar. Maar, zeg ik ter verdediging, ik heb hier niet om gevraagd, om deze uit de hand gelopen bijfiguren. J. Kessels is mijn hoofdpersoon, en bovendien mijn beste vriend. Om hem draait het allemaal. Deze slappe gasten hoeven van mij eerlijk gezegd niet. Wat een stijlloze zeikerds, o god o god, die zich er alleen maar in hebben weten te praten omdat ze toevallig echt bestaan. Even niet opgelet en je krijgt ze niet meer weggedacht. Nou, als dat je enige verdienste is: je schreeuwend aan de werkelijkheid opdringen en op die manier in een boek terechtkomen.'

Kortom: al die platheid en al dat gescheld zijn niet de schuld van de schrijver, die verrekte kutpersonages, die zijn nu eenmaal zo (b)anaal: 'Kijk, als J. Kessels Breda afzeikt, dan heeft dat nog enig niveau. J. Kesselsniveau om precies te zijn. Maar dit is niet geestig, dit is gewoon plat, grof en anaal. Te flauw voor woorden dus. De Schel en Peer Sonnemans zijn, zoals ik het zie, twee waardeloze personages die hard bezig zijn deze roman tot een shitboek te maken dat je niet voor je plezier gaat lezen, laat staan dat je er iets van opsteekt.' (Saillant detail is dat Thomése die waardeloze Peer laat zaniken over de mensenrechtensituatie in China, een heerlijke steek onder water aan het adres van Ramsey Nasr, die zich door het schrijvers de mond snoerende Chinese regime liet uitnodigen voor een boekenbeurs en dacht daar wel even de mensenrechtensituatie te kunnen aankaarten.)

De toespelingen op de vermeende normen van de Literatuur zijn talloos: 'Ik ga in een roman niet zitten zaniken over geld. Dat is niet literair, het drukt namelijk geen universele waarde uit, zelfs niet wanneer ik die lullige yuans braaf zou terugrekenen naar de euro - die waarschijnlijk allang afgeschaft blijkt te zijn, die hele kuteuro, op het moment dat de diepere en waarachtige betekenis van Het bamischandaal eindelijk tot de hongerige lezersscharen zal zijn doorgedrongen.' En: 'Waar gáát dit over, dacht ik bij mezelf. Toch schrijf ik het voor de zekerheid maar op. Je weet nooit waar je het later voor kunt gebruiken.'

Ook de vermenging van hoog en laag is een constante, bijvoorbeeld in een verwijzing binnen één zin naar het hoogste van het hoogste en het laagste van het laagste. Om Kessels te vinden in die megadrukke stinkstad is een wonder nodig: '"Magic," hamert Nabokov in zijn Lectures on Literature. Schrijven is magic, magic, magic. Maar je kunt het ook overdrijven, vind ik. Ik ben Harry Potter niet, dat kutventje, godsakke. Het moet niet gekker worden. Het bamischandaal is zo al ongeloofwaardig genoeg, ik ga hier echt niet ook nog eens de magician spelen.'

In tegenstelling tot The Novel, waar 'Thomése' er vanaf zag een Hamburgs hoertje aan te duwen, gaat hij in Het bamischandaal wel uitgebreid van bil. Ook dát is niet echt literair, geeft hij toe: 'Sorry mensen, het is altijd een beetje gênant als een auteur uitgebreid gaat liggen neuken in zijn eigen boek, maar het moet even, niks aan te doen, ik kan het gewoon niet tegenhouden. Sommige dingen gebeuren, en in mijn vak heb je dan de pech dat je lezers ongevraagd kunnen meegenieten van jouw particuliere pompbewegingen die onder meer vanwege je bedenkelijke uiterlijk ook nog eens niet de schoonheidsprijs verdienen.' Thomése ligt non-stop te krikken met een lelijk wijf uit Aarle-Rixtel ('Anus-Rectum'), en Peerke en de Schel fietsen elke dag dezelfde route door de stad met een groep Duitse homo's. Kessels blijft zo onvindbaar, het verhaal dreigt vast te lopen.

Maar de auteur claimt uiteindelijk toch zijn almacht: waarom zou hij Kessels niet gewoon tegenkomen op de stoep voor het hotel? De hypothese stellen is hem bewijzen, daar ben je immers schrijver voor: 'Als mijn theorie klopte - en waarom zou ze niet kloppen (ik was immers de schrijver van dit boek, en al probeerden bepaalde personen of personages er de hele tijd op hun domst doorheen te schreeuwen, ik hield de regie stevig in handen) - moest mijn vriend mij vanzelf een keer tegen het lijf lopen. In de literatuur bestaan  nu eenmaal wetten. Daar is over nagedacht. Een schrijver ging in zijn eigen roman heus niet voor niets voor zijn Shanghaise lowbudgethotel op de stoep zitten. Zoiets had een reden. En je hoefde echt geen Nederlandse taal- en letterkunde bij zo'n moeilijk formulerende tekst-en-uitleg-professor te hebben gestudeerd om die reden te kunnen snappen.' En inderdaad, daar komt J. Kessels al naar buiten gewandeld.

Met Het bamischandaal is Thomése nog verder gegaan dan met J.Kessels; hij heeft nog meer gedurfd plot, spanningsboog, karaktertekening, etc. tot een minimum te beperken. De ironie ligt er nog dikker bovenop, de zelfspot is nog overheersender, het literaire spel daardoor nog gewaagder. Daar kleeft wel een inherent manco aan: je kunt de nietszeggendheid van je roman wel door en door ironiseren door steeds zelf alvast te melden dat het inderdaad een kutverhaal is, maar het wordt daardoor nog niet het tegenovergestelde, integendeel: blijft een kutverhaal. Met andere woorden: Het bamischandaal is gewoon niet zoveel aan. Het schrijfplezier spat er wel weer vanaf en Thomése bewijst zich opnieuw als taalvirtuoos, maar herlezen is bijvoorbeeld minder aantrekkelijk dan bij Kessels het geval was - die boeiende metafictionele laag ten spijt.

In het dankwoord wordt ook 'P.F. Thomése' bedankt voor zijn 'bereidwilligheid om zich hiervoor te lenen'. En de disclaimer luidt: 'Dit is een roman. Personen die hier onder hun eigen naam optreden, doen dit op eigen risico.' Ironischer, speelser, literairder kan het bijna niet.

*****

dinsdag 19 februari 2013

A.H.J. Dautzenberg - Extra tijd

A.H.J. Dautzenberg - Extra tijd. Roman. Atlas Contact (2012), 233 blz.

Op 4 mei 2009 overleed mijn opa, op 9 mei werd hij begraven. Een dag later was het Moederdag, die we bij mijn oma doorbrachten. Het was warm en iedereen zat buiten. Binnen stond de tv op teletekst. De eredivisie was aan de laatste speelronde toe, met onder meer Feyenoord-Roda JC. De Kerkradenaren stonden onderaan en zouden vrijwel zeker gaan degraderen.

Die middag werd het in De Kuip echter 2-3 en Roda kreeg nog een ontsnappingsmogelijkheid via de play-offs. Daarin wist het zich met enige moeite van Dordrecht te ontdoen om vervolgens op miraculeuze wijze ook Cambuur opzij te zetten. Zo handhaafde Roda zich, tot mijn grote frustratie, want ik vond dat Cambuur het meer verdiende dan Roda.

Die narrow escape van de Zuid-Limburgers vormt de rode draad in Extra tijd, het derde boek van A.H.J. Dautzenberg. Vogels met zwarte poten kun je niet vreten (2010) en Samaritaan (2011) had ik nog niet gelezen, omdat ik vond dat die Dautzenberg net iets te vaak in de media verscheen om de verkeerde redenen. Een geneurotiseerde relletjesvoyeur. Het Roda-thema deed me nu toch besluiten mijn bezwaren opzij te zetten. En gelukkig maar, want ik ben danig onder de indruk geraakt.

De protagonist van Extra tijd is Marcel Meulenberg, een prettig gestoorde tobber die antidepressiva slikt, zijn hart soms stil probeert te zetten en spuuglelijke gedichten schrijft. Bovenal is Marcel de zoon van een vader die ongeneeslijk ziek is en binnen afzienbare tijd zal komen te overlijden. Gustaaf hoopt magere Hein buiten de deur te kunnen houden zolang Roda zijn steun nodig heeft om in de eredivisie te blijven. Marcel, die in Tilburg woont, reist terug naar Limburg om zijn vader in zijn laatste weken bij te staan.

Hij wordt intussen geplaagd door visioenen van de dood, die regelmatig opduikt in de gedaante van een cowboy. Marcel, die graag westerns kijkt met zijn vader, is evenwel de enige die hem dan ziet. Die cowboyfiguur is een even absurde als innemende manier om de uitwerking van de naderende dood van de vader op de psyche van de hoofdpersoon weer te geven.

Soms slaat Dautzenberg wel wat door. Het idee om een deel van het verhaal in de vorm van regieaanwijzingen voor een film te vertellen is zowel thematisch als formeel in de geest van de roman, maar wanneer dat bijna veertig bladzijden lang wordt volgehouden verliest het op den duur een beetje zijn effect. Ook de manier waarop hij verschillende culturele discoursen dooreenmengt is soms op het potsierlijke af:
'Hoeveel mannen projecteren niet hun ziel en zaligheid op een elftal? Alleen in Nederland al een paar miljoen. Ze werpen hun identiteit af en worden één met de club. Marcel vindt dat een te eenvoudige manier om een identiteit te verwerven. Maar hij beseft terdege dat hij makkelijk praten heeft. Wat is eigenlijk zijn identiteit? Heeft hij die wel? / Jacques Derrida, Marcels favoriete filosoof, heeft ook zijn jeugd vergooid met voetbal. Hij zakte daardoor voor zijn eindexamen en werd pas bij zijn derde poging tot de beroemde Parijse École Normale Supérieure toegelaten.'
Vervolgens zorgt een doorgedreven overdrijving er echter voor dat alles onmiddellijk geïroniseerd wordt, zodat die achteloze potpourri eerder grappig dan storend blijkt: 'Derrida haalde zijn achterstand ruimschoots in met zijn deconstructivistische geschriften. Marcel is dat niet gelukt; hij worstelt zich nog altijd door het leven.'

De cursief gezette verslagen van de wedstrijden van Roda lijken rechtstreekse transcripties te zijn van de oorspronkelijke commentaren van NOS en RTL. Daarbij zijn wel veel foutjes gemaakt qua spelling van namen. Om er enkele te noemen: 'Adri Koster' (= Adrie), 'Sander van der Heide' (= Sandor), 'De Visser' (= De Visscher) en ook 'Top Oss' (= natuurlijk TOP Oss, het is ook niet Psv, of Vvv). Maar nu ben ik een beetje de bioloog die in een roman een bloem in de verkeerde maand ziet bloeien. Bovendien sluit ik niet uit dat Dautzenberg ook hier weer ondermijnend - vooruit: deconstruerend - bezig is, want de lange ij in 'Willij Brokamp' is een signaal voor moedwillige slordigheid.

Het stervensproces van Gustaaf Meulenberg wordt door dit alles heen zeer ingetogen en indringend beschreven. Hiertoe dragen ook de slim geplaatste herinneringen van Marcel bij. Die wijzen op een enigszins moeizame verstandhouding met de vader en zetten een arbeidersfamilie neer waarbinnen emoties en genegenheid maar moeilijk een weg naar buiten vinden. Marcel heeft de behoefte meer over zijn vader en diens jeugd te weten te komen, maar doet dit via de omweg van gesprekken met familieleden. Zo stuit hij wel op een duister familiegeheim.

Dautzenberg is in Extra tijd zijn materiaal volledig meester. De roman schurkt soms vervaarlijk dicht aan tegen kitschlectuur of goedkoop leedproza. Die genre-elementen zijn alleen te verdragen als de auteur de kitsch en de emo-elementen weet te doseren en ze functioneel inzet dan wel op de juiste momenten ironiseert. Dat alles doet Dautzenberg met verve, door een uitgebalanceerde timing, een uitgekiende compositie en gestileerde overdrijving. Een vermakelijke, ontroerende en niet te vergeten geëngageerde roman. Met terugwerkende kracht ben ik blij dat Roda JC in 2009 niet degradeerde.

*****

vrijdag 8 februari 2013

Erik Jan Harmens - De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde

Erik Jan Harmens - De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde. Lebowski, 2012, 160 blz.

Ron van Dijk is geen man met bijzondere talenten, maar op een nacht krijgt hij de eervolle opdracht de Olympische Spelen te organiseren. Daar komt niets van terecht. Zijn assistente Angelique doet wel haar best, maar ze is vooral goed in nadenken over het bestellen van de broodjes. Stadions worden maar niet gebouwd, er is geen Olympisch dorp, de financiële problemen stapelen zich op, kortom: het wordt één groot fiasco.

De organisatie van een evenement als de Spelen is natuurlijk een gigantische operatie. Qua 'dingen waar je aan moet denken' is het vaste getal in deze zegswijze 'duizend-en-één' dan nog maar een fractie. Harmens kan zijn creativiteit de vrije loop laten door alles op de schouders van één man te laten neerkomen en dan te kijken wat er gebeurt.

Soms laat hij mooi zien wat er allemaal op Van Dijk afkomt door een bepaald element tot in het extreme te doordenken. Zo stelt Van Dijk zich op een gegeven moment de vraag of het water in de waterbak van de steeple chase gedurende het toernooi eigenlijk ververst moet worden, en zo ja: met welke frequentie. Op die manier raakt hij verstrikt in allerlei detailkwesties.

Treffend is ook het moment waarop hij zich realiseert dat hij zich door zijn toezegging de Olympische Spelen te organiseren automatisch ook gecommitteerd heeft tot het organiseren van de Paralympics. Dat besef lijkt me ook altijd zo'n domper-op-de-feestvreugde-moment voor een organisatiecomité.

Toch maakt De man die in zijn eentje de Olympische Spelen organiseerde zijn potentieel niet waar. De blurb geeft drie kenmerken van de roman die alle drie in meer of mindere mate onzin zijn: 'een roman over de schoonheid van mismanagement en de lachwekkendheid van deadlines, en een genadeloze afrekening met het aloude adagium "meedoen is belangrijker dan winnen"'.

De Spelen komen er uiteindelijk dus niet, zodat er noch sprake is van meedoen noch van winnen. De 'schoonheid van mismanagement' is een kwalificatie die ik met de beste wil van de wereld niet op het geklooi van Van Dijk kan plakken. En de 'lachwekkendheid van deadlines' zou een urgent actueel thema kunnen zijn, maar dan zou het personage een antiheld moeten zijn met wie je je als lezer engageert en voor wie je, door zijn verzet tegen het systeem, empathie gaat voelen.

Harmens heeft van Van Dijk echter geen menselijke held gemaakt, geen geloofwaardig personage. Zo krijgt hij zijn opdracht midden in de nacht van een rokende Aziaat die zomaar in zijn achtertuin opduikt. Dit absurdistische element dat door het verhaal heen geweven is en het schijtlollige toontje waarmee alles gesausd is doen de roman geen goed. De stap naar een interpretatie van de roman als een kritiek op de deadlinecultuur is nu veel te groot.

*****