Posts tonen met het label Persoonlijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Persoonlijk. Alle posts tonen

woensdag 14 september 2016

15 jaar na 9/11

Afgelopen zondag, vijftien jaar na de omineuze nine eleven, stelde GeenStijl zijn lezers de volgende vraag: 'Hoe veranderde uw wereld(beeld) door de aanslagen van 9/11 en de gebeurtenissen in de jaren die er op volgden?'
  In mijn geval veranderde het wereldbeeld niet, het werd die dag en in de jaren daarna pas gevormd. W.F. Hermans zei ooit dat hij de oorlog op het meest ongunstigste moment had meegemaakt: toen hij eindexamen deed en het leven open zou moeten gaan kwam de oorlog roet in het eten gooien. Zijn cynische wereld- en mensbeeld werd erdoor in marmer gebeiteld.
  Tot aan die uitzonderlijk warme septemberdinsdag in het zestiende jaar van mijn leven had ik nooit echt na hoeven denken over mijn wereldbeeld en de invloed van de grote gebeurtenissen op wat ik deed en wie ik was. Ik kreeg wel alles mee van wat er zich op het wereldtoneel afspeelde, deels uit oprechte nieuwsgierigheid, deels ook plichtmatig omdat het moest, maar alles gebeurde hoe dan ook buiten mijn leven om. Met 11 september 2001 was dat veranderd. Het ging nu ook over mij.
  Kort erna kwam Pim Fortuyn en de beerput ging open. Fortuyn werd vermoord. Theo van Gogh. Vermoord. Hirsi Ali. De Hofstadgroep. Het ging over de islam, over de multiculturele samenleving, over terrorisme en veiligheid, identiteit en eigenheid. Sociale spanningen, de opkomst van extreem-rechts, de teloorgang van links met haar sleetse idealen en de onwil of het onvermogen om dat in te zien.
  Martin Amis gaf zijn collectie essays over 9/11 de trefzekere titel The Second Plane. Dat tweede vliegtuig in New York was inderdaad het kantelpunt. In het titelstuk schrijft Amis over de impact van United Airlines 175: 'Het was de komst van het tweede vliegtuig, dat als een haai over het Vrijheidsbeeld scheerde; dat was het beslissende moment. Tot dan toe meenden de Amerikanen dat ze niets ergers beleefden dan de ernstigste vliegramp uit de geschiedenis; nu drong tot hen door welk gigantisch geweld er tegen hen in stelling was gebracht.' De boodschap van de terroristen was: 'Amerika, het is tijd dat je merkt hoe hartgrondig je gehaat wordt.' En met Amerika het ganse Vrije Westen. Om met Amis te spreken: de glinstering van dat tweede vliegtuig bracht 'in een flits een wereldwijde toekomstblik'.
  9/11 en ik ben 15 jaar. Wat een tijd om jong te zijn.

Ik herinner me nog dat het aanvankelijk de Palestijnen waren die het gedaan zouden hebben, die claimden het gedaan te hebben, en dat er volop gejuicht werd door Arabieren wereldwijd. (We weten inmiddels dat Abou Jahjah die middag ook de victorie kraaide.) Ik herinner me ook de historische verwarring onder de deskundigen, het vaste begrippenapparaat dat schromelijk tekortschoot om dit te duiden.
  Maarten van Rossem presteerde het nog dezelfde avond op nationale televisie te verklaren alle opwinding maar overdreven gedoe te vinden.
  In de jaren erna bleek 9/11 toch wel degelijk die cesuur te zijn die een nieuw tijdperk had ingeluid. De era van het moslimterrorisme. Aanslagen in Londen en Madrid. Uitzichtloze oorlogen in Afghanistan en Irak, met als langetermijneffect uiteindelijk het herstel van het Kalifaat. De aanslagen in Brussel, Parijs, Istanbul en nogmaals Brussel, de immigrantenstroom.
  'Vandaag', schreef Bart Nijman zondag, 'vijftien jaar na de oorlogsverklaring aan de vrije wereld, zijn alle internationale verhoudingen, maar ook nationale en maatschappelijke verstandhoudingen binnen de westerse wereld, opgeschud en van koers verlegd.'
  De schrijver Jamal Ouariachi noemde 9/11 in de bundel WTF?! Volwassen worden na 11 september (2011) niettemin 'een overschat fenomeen'. Het curieuze is dat zijn argumentatie vervolgens juist een weerlegging van zijn standpunt vormt: 'Natuurlijk is het gruwelijk dat er die dag zo'n drieduizend slachtoffers vielen. Maar rechtvaardigt dat feit werkelijk twee oorlogen, in Afghanistan en Irak, die tien jaar na dato nog altijd niet uitgewoed zijn en inmiddels een veelvoud van het aantal slachtoffers van 9/11 hebben geëist?'
  Die oorlogen en die slachtoffers vormen toch juist het bewijs dat de invloed van 9/11 enorm is geweest - en nog altijd is? Of je die reacties nu rechtvaardig vindt of niet staat daar toch los van.
  De psychologische effecten, de maatschappelijke impact, de politieke gevolgen, je kunt ze niet los zien van de gebeurtenis zelf.
  Je ziet dat nu ook gebeuren met de angst voor terreur die de maatschappij ingrijpend verandert. Of die angst en de maatregelen nu overdreven zijn of niet - als dat überhaupt al vast te stellen is -, feit is dat ze er zijn; de invloed is er, het gebeurt en het verandert ons en onze levens.

Het is verleidelijk om te filosoferen hoe toekomstige historici deze periode zullen gaan labelen. Blijken de jaren tussen de val van de Muur en de val van de Twin Towers uiteindelijk niet meer dan een interbellum te zijn geweest? 1989-2001 als een soort tweede Twaalfjarig Bestand, een oase van voorspoed tussen de kilte van de Koude Oorlog en de hitte van de 'Derde Wereldoorlog', die in 2001 begon en die zich, om met Paus Franciscus te spreken, in hoofdstukjes zal afspelen, zich nog over vele decennia zal uitstrekken en van een heel andere orde is dan de vorige twee?
  Van Rossem bagatelliseerde de aanslagen met het volgende argument: 'Als het oorlog was geweest, waren Arabische pantserdivisies enkele uren later de Amerikaanse grens overgereden of zoiets.'
  Ja, of zoiets. Dat bedoel ik dus met dat verouderde begrippenapparaat. Toen de Eerste Wereldoorlog begon stond men bij wijze van spreken ook nog het negentiende-eeuwse beeld voor ogen van met trommels en vaandels naar het slagveld marcherende soldaten die aldaar om de beurt een schot mochten lossen. Gifgas, mitrailleurs en loopgraven maakten snel genoeg duidelijk dat het gezicht van de oorlog veranderd was.
  Het grootste probleem in het huidige hoofdstuk van de eenentwintigste-eeuwse oorlog is dat het Westen de controle volledig kwijt is. In een voortreffelijk artikel in Trouw toont Ghassan Dahhan overtuigend aan dat Europa de grote verliezer dreigt te worden: 'De Syrische oorlog komt naar Europa.' De vijanden van het Westen zijn in het Midden-Oosten allemaal met elkaar in oorlog, maar op termijn werkt dit averechts: 'Deze oorlog verzwakt de vijanden van het Westen niet, maar maakt ze juist sterker. Hun aantal groeit met de dag, net als hun ervaring en hun ambitie.'
  Dahhan verwijst naar een fabel van Aesopus: 'In een moeras kijken twee kikkers hoe twee stieren strijden om de heerschappij over de kudde. Eén kikker waarschuwt bezorgd: "De stier die verliest zal zich in ons moeras terugtrekken, en elke stap levert een platte kikker op. Hun machtsstrijd kost ons de kop." In Syrië vechten niet twee, maar honderden stieren om de hegemonie. En Europa dreigt straks vertrapt te worden - door de verliezers, maar ook door de vluchtende kudde.'
  In Amerika hanteren ze ook een treffende dierenmetafoor. Een Amerikaanse militair waarschuwde onlangs: 'Tussen de VS en IS zitten een paar continenten en zeeën, maar dat geldt niet voor Europa. In Amerika zeggen we: je hoeft niet sneller dan een beer te kunnen rennen om aan hem te ontkomen; je moet alleen sneller zijn dan de persoon naast je. Jullie zijn in geografisch opzicht kwetsbaarder dan wij, en bovendien militair zwakker.'
  Er zijn helemaal geen invasieve pantserdivisies meer voor nodig om ten onder te gaan. Imploderende natiestaten, een wrede vijand met een doodscultus en poreuze grenzen zijn voldoende: 'De meeste Europese jihadisten hebben er inmiddels meer vechturen opzitten dan de meeste militairen uit hun geboorteland. Bovendien: zij vechten niet om in leven te blijven of om levens te redden, zij vechten om te sterven en om zoveel mogelijk levens te nemen.'
  15 jaar na 9/11 en ik ben 30 jaar. Wat een tijd om volwassen te zijn.

donderdag 13 maart 2014

Niet voor je lol

Begin deze maand verloor Feyenoord thuis in De Kuip met 1-2 van Ajax. Het was het zoveelste teleurstellende resultaat tegen de aartsvijand. Van de laatste 21 klassiekers wonnen de Rotterdammers er maar één.

In de aanloop naar de wedstrijd las ik het boek Feyenoord-Ajax. Gezworen vijanden (2013) van Mik Schots. Hierin passeren alle ontmoetingen tussen '010 en het opgeblazen 020', zoals het op de achterflap provocatief heet, de revue.

Het boek verscheen ook als Ajax-Feyenoord. Gezworen vijanden, met een andere foto op de voorzijde. Dat is dan de '020-editie'. Dit lijkt me puur een marketingtruc, inhoudelijk zijn er voor zover ik het kan overzien namelijk geen verschillen. Er is ook geen sprake van een eenzijdige of bevooroordeelde teneur, de auteur citeert vooral uit overwegend neutrale krantenverslagen door de jaren heen.

Met de meeste interesse las ik de hoofdstukken 'Venijn in de staart (1991-1996)', met name om die staart, en 'Alle perken te buiten (1996-2005)', omdat ze de periode bestrijken die me het meest helder voor de geest staat: 1994-2002, van mijn achtste tot mijn zestiende. Eigenlijk zijn het twee periodes van telkens vier jaar.

Ik heb hier al vaker geschreven over de impact van de gloriedagen van Ajax midden jaren negentig op een jonge Feyenoorder, en het was aardig te constateren dat die jaren inderdaad precies samenvielen met de laatste vier jaren op de basisschool: de vier seizoenen tussen 1994 en 1998 kunnen met recht als de duistere jaren worden bestempeld.

Ajax was oppermachtig. Van de 11 ontmoetingen gingen er niet minder dan 9 verloren. De enige overwinning was de legendarische bekerwinst in Amsterdam met de winnende in de verlenging van Obiku - niet ten onrechte door Schots gekarakteriseerd als 'het gelukzaligste moment voor Feyenoord in de jaren negentig'. Matty Verkamman schreef in Trouw: 'Ajax won vanaf 1990 in chronologische volgorde [...] met 1-0, 4-0, 2-0, 3-1, 3-0, 5-2, 4-1, 5-0, 4-2, 2-0, 3-0, 4-0, 2-1 en 6-0. De doelcijfers over de jaren negentig: Ajax 54 goals, Feyenoord 16. Het is een score om als Feyenoord-aanhanger mismoedig van te worden.'

De haat nestelde zich diep op 26 oktober 1997 in de ArenA (4-0), toen Richard Witschge het nodig vond de bal een paar keer hoog te houden rond de middenlijn, in het voetbal de ultieme vernedering van de tegenstander. (Danny Blind: 'Het was Amsterdamse humor.') Witschges actie was extra dom omdat net een paar maanden eerder de opgelaaide supportersonlusten een dieptepunt hadden bereikt met de Slag bij Beverwijk, waarbij één dode viel.

De volgende vier seizoenen, tussen 1998 en 2002, beklijven als een periode van voorspoed, beginnend met Feyenoords landstitel in 1999 - de voorlopig laatste - en eindigend met de bizarre winst van de UEFA Cup in 2002. Ze vallen samen met de eerste vier jaar op de middelbare school. Ik herinner me een klassenfoto van zomer 1999 waarop twee leerlingen in voetbalshirt staan: ikzelf draag het rood-wit van Feyenoord, een klasgenoot het geel-zwart van Borussia Dortmund, toevallig de club die drie jaar later de tegenstander zou zijn in de UEFA Cup-finale.

Met Ajax ging het intussen bergafwaarts. De club moest zo nodig naar de beurs en werd een bedrijf, de broertjes De Boer voegden de daad bij het woord door via werkweigering een vertrek naar Barcelona te forceren, de arme Jantje Wouters werd in zijn twee seizoenen als trainer 5de en 6de.

Maar na 2002 brak er een nieuwe periode van ellende aan, al beleef je het dan niet meer met de intensiteit van je kinder- en jongensjaren en kun je het allemaal wat beter plaatsen (wat iets anders is dan relativeren). Niet langer vloeiden de tranen of werd ik ziek van een nederlaag. Op het veld was het vaak behelpen, maar ook ernaast ging het van kwaad tot erger, met als nieuw dieptepunt de fysieke aanval op Robin van Persie op het veld bij Jong Ajax-Jong Feyenoord op 16 april 2004.

Het is ergens een vorm van foute nostalgie, maar de oudere harde kernen waren nog van het 'ongewapende, "eerlijke" geweld'. Latere generaties werden gewelddadiger, maar zij spraken tenminste nog af ergens op een verlaten veldje om elkaar te lijf te gaan. Die avond in 2004 werden voor het eerst ook spelers belaagd, dat was nog niet eerder gebeurd.

Terecht noemt Schots hierbij de opkomst van de malloten van '410', die zich hadden afgescheiden van de F-Side, als een van de oorzaken. Van Persie werd toen overigens ontzet door de Chileense mannetjesputter Jorge Acuña, die alleen nog om dat incident voortleeft, wat ergens ook wel treurig is.

Het laatste hoofdstuk is treffend getiteld 'Andere tijden en meer van hetzelfde (2005-2013)'. De aandacht nam wat af. Ongetwijfeld speelt mee dat je vóór pakweg je twaalfde alles veel heviger beleeft, de indrukken veel dieper zijn en de herinneringen dientengevolge pakkender. Na je twaalfde krijg je steeds meer aan je hoofd. School werd studie en studie werd werk. De seizoenen na 2005 verdichten zich in mijn herinnering dan ook tot één wazige periode zonder veel concrete herinneringen. Ook trok ik meer naar TOP Oss, dat tussen 2005 en 2009 een kleine, bescheiden glorietijd doormaakte.

PSV was nu oppermachtig, AZ en Twente werden een keer kampioen, maar Feyenoord dolf nog even vaak het onderspit tegen Ajax. Heel typisch is dat in 2005-2006, het enige seizoen dat er zowel thuis als uit gewonnen werd van de rivaal, het jaar van 'K2' - Dirk Kuijt en Salomon Kalou -, de competitie was overgenomen door het Talpa van poenschepper John de Mol. Dat kwam op het lumineuze idee om het ticket voor de tweede Champions League-plaats niet op basis van de eindrangschikking te vergeven, maar na play-offs tussen de nrs. 2 t/m 5.

Feyenoord, derde geworden met 71 punten, trof in de halve finale Ajax, vierde geworden met slechts 60 punten. Uiteraard won Ajax, dat vervolgens in de finale ook Groningen versloeg en zo alsnog de CL bereikte. De supporters lieten elkaar meer met rust en legden hun bommen nu onder de eigen club. Diep mismoedig werd ik van 'zwarte donderdag' in Nancy in 2006 en de bestorming van het Maasgebouw in 2011.

Sportief was er de beschamende 10-0 bij PSV in oktober 2010. Die viel in een periode van persoonlijke turbulentie, en dat was misschien een geluk bij een ongeluk. Er moeten talloze jongetjes zijn die dit hebben moeten meemaken in hún intensiteitspiek. Getekend voor het leven zijn ze. Een paar maanden eerder was ook de archetypische Richard Witschge-Ajacied weer opgedoken, nu in de gedaante van Jan Vertonghen, die na de bekerwinst 'het zijn maar kut kakkerlakken' de microfoon in blèrde.

Dat deed pijn, en het is misschien geen toeval dat niet veel later mijn vierde periode aanbrak, een van hernieuwd engagement. Vanaf het seizoen 2011-2012 viel er ook weer wat te juichen - paradoxaal genoeg midden in een nieuwe Amsterdamse hegemonie. 2011-2012 en 2012-2013, we kunnen ze reeds bijzetten als de jaren van John Guidetti en Graziano Pellè, twee loten uit de loterij in de nasleep van financiële armoede. De 4-2 tegen Ajax in 2012 met drie goals van Guidetti bracht de tranen terug, maar nu eindelijk eens zoete tranen.

Door velen werd lacherig gedaan over Guidetti en het huldebetoon aan de Zweed een jaar later, maar wat zij niet zagen of wilden zien was impact van die 4-2, en bij uitbreiding van dat gehele seizoen dat eindigde met de tweede plek. Het was het jaar van het eerherstel, het was alsof de dichtgeschroefde kelen van duizenden weer opengingen. Een van de mooiste spandoekteksten vind ik altijd het 'Hier adem ik vrij' bij Willem II, en dat was vrij precies wat er toen in De Kuip aan de hand was.

Dit seizoen was er even hoop op een titel, maar uiteindelijk bleek de pijp leeg. Drie keer werd er met 2-1 van Ajax verloren. De legendarische uitspraak van Gerard Cox blijft onverminderd van kracht: 'Feyenoord-supporter ben je niet voor je lol.'

vrijdag 6 december 2013

Mijn herinneringen aan EK- en WK-lotingen

Al van jongs af aan ben ik fan van lotingen. Ik knutselde als jongen zelf met papier en schaar lootjes in elkaar om lotingen te verrichten voor zelfbedachte landen- én clubtoernooien. Grote voordeel was dat ik nadien ook zelf de uitslagen naar eigen inzicht kon invullen.

Lotingen creëren iets uit niets. Eerst is er niks, dat wil zeggen: alleen losse materie, namen zonder structuur, zonder verband. Met een paar simpele handelingen wordt er iets geschapen, ontstaan verbindingen, ontstaat realiteit. Wij leven in een onophoudelijk nu, maar een loting maakt de toekomst opeens zichtbaar, tastbaar. Het is een magische handeling.

Het mooiste moment van een loting is kort voor het daadwerkelijk begint, als de ballen de bakken in gaan. Alles is nog mogelijk, maagdelijk, en hoop en vrees zijn de twee polen waartussen de hoogspanning vonkt. Als het eerste papiertje uit het eerste balletje is gekomen, is er iets onomkeerbaars in gang gezet.

Gek genoeg heb ik nauwelijks herinneringen aan EK- en WK-lotingen uit het verleden. Heb ik er wel op tv gezien; werden ze wel live uitgezonden? De loting voor het WK van 2006 moet op een vrijdag in 2005 hebben plaatsgevonden, want ik weet nog dat ik moest zaalvoetballen en er bij het inschieten iemand de zaal binnenkwam die opgewonden riep dat we met Argentinië, Servië & Montenegro en Ivoorkust loodzwaar hadden geloot.

Ik lees nu dat de lotingen praktisch altijd op een vrijdagavond in december zijn verricht. Dat verklaart een boel. Vrijdagavond, dat was altijd óf zelf voetballen, óf naar het stadion. En meteen herinner ik me weer iets: de loting voor Euro 2012, december 2011. In de bus naar Tilburg, Willem II-uit. Op diverse 'smartphones' werd de loting gevolgd. Denemarken! Dat is te doen... Portugal! De moeilijkste uit pot 3... Als Duitsland er nu maar niet bij komt... Duitsland, ja hoor!

Deze week zond het Sportjournaal een schitterende compilatie uit van eerdere lotingen, toen het gesjoemel niet van de lucht was. Een nog jonge Joseph Blatter die bij de loting voor het WK '82 met de microfoons open schaamteloos sommeert een balletje terug te stoppen omdat de gelote openingswedstrijd de FIFA niet bevalt. Sophia Loren die bij de loting voor het WK '90 met twee handen in de ballenbak roert met het tempo van een jarige job die vol weerzin en walging haar cadeau uit een ludiek bedoelde pot drab moet vissen.

Dit jaar ging ik het dan eindelijk meemaken. Lege agenda, geen plannen 's avonds. De uitzending begon dan wel al om half vijf, maar de daadwerkelijke loting zou pas tegen zessen aanvangen, zodat ik niet eens eerder weg hoefde van het werk. Bovendien had VI.nl deze week een programmaatje waarmee je zelf alvast de loting kon verrichten. We werden weer kind. Ik lootte Nederland bij België. Dat beloofde weinig goeds, men verricht zulke magische handelingen nooit ongestraft.

Maar toen besloot een levensmoe persoon het loten niet langer af te wachten en voor de trein te springen, ergens tussen Gouda en Utrecht. Terwijl in Brazilië de landen over de groepen werden verdeeld, stond ik weg te waaien op een kil station. Eenmaal thuis - de show was net afgesloten - vond ik op YouTube de registratie al terug: een uitzending van de Russische Sport 1 (Cпорт 1). Onderin verscheen ogenschijnlijk dubieuze reclame, maar volgens Google Translate viel het mee: 'een ruime keuze aan banden en velgen.'

Nederland kwam bij Spanje in de groep. De Russische commentatoren leken zich te verkneukelen. Rusland zelf kwam als 32ste en laatste land uit het balletje. Het belandde zo bij België in de poule. Conclusie: als ik wel gewoon via de NOS had kunnen kijken, was nu niet Rusland maar Nederland bij België ingedeeld geweest.

dinsdag 26 maart 2013

De ziekte die Feyenoord heet

De liefde die Feyenoord heet is de mooie titel van een boek uit 1999 van Peter Blokdijk, Ronald Giphart en Rob van Scheers. Het beschrijft het seizoen 1997/1998, een ellendig seizoen voor Feyenoord, zoals in die jaren zovele. Niet alleen Ajax en PSV eindigen ver boven de Rotterdammers, zoals in die tijd zo vaak, ook Vitesse verdwijnt ver uit het zicht. Willem II wordt ternauwernood voorgebleven.

Ik las het boek toen ik twaalf was, met de spreekwoordelijke schok der herkenning. Eén scène is me altijd bijgebleven. De wedstrijd Feyenoord-Ajax in De Kuip, op 5 april, de 29ste speelronde. Arie Haan is voor de Kerst al ontslagen, maar onder Leo Beenhakker is het niet veel beter gegaan; Ajax is in theorie alweer kampioen. In de 74ste minuut scoort Ronald de Boer de enige goal van de wedstrijd: 0-1. De supporters treuren maar verbijten de pijn.

Dat verandert wanneer plotseling boven hun hoofden de kreet 'Ajax! Ajax!' klinkt, kakkineus en met een zweem van dronkemansgebral. De leus wordt voortgebracht door een moddervette klootzak in pak en stropdas, die vanaf het ereterras over de railing leunt, zijn vetrollen over de rand gulpend, om de Feyenoordfans vanuit de hoogte tot op het bot te vernederen, tot in hun ziel te krenken met zijn leedvermaak. Een collectieve woede van ongekende proporties breekt los, de fans schelden hun kelen schor, zouden dat varken het liefst villen. Maar hij is onbereikbaar.

Zo althans herinner ik mij die passage. Wie weet staat het er in werkelijkheid ietwat anders, maar het gaat om het archetypische van de situatie. Het boek beschrijft namelijk trefzeker de diepe vernedering die de Feyenoordsupporter in die tijd standaard heeft te ondergaan. We schrijven midden jaren negentig. Het zijn gloriejaren voor Ajax en tropenjaren voor Feyenoord, de toename van de hoofdstedelijke arrogantie en de toename van het minderwaardigheidsgevoel zestig kilometer zuidelijker houden gelijke tred.

Mijn allervroegste voetbalgerelateerde herinneringen gaan terug tot 1993/1994. Ik was toen 7 jaar. U moet bedenken dat de laatste landstitel van Feyenoord dateerde van 1992/1993, de volgende - en tot op heden laatste - titel zou pas in 1999 worden binnengesleept, toen ik inmiddels naar de middelbare school was getransfereerd. Mijn gehele bewust meegemaakte lagereschooltijd valt dus samen met de dominantie van Ajax en de magere jaren van Feyenoord. Pas nu, met terugwerkende kracht, kan ik die periode beter plaatsen.

Van huis uit ben ik grootgebracht met Feyenoord. Wij waren Feyenoorders, we gingen naar de Open Dag, bezochten als het kon een thuiswedstrijd in die indrukwekkende Kuip. Maar het waren de donkere jaren negentig, alles draaide om Ajax, om Amsterdam, dat werd er keer op keer ingewreven, ook door de media. Louis van Gaal brulde dat ze ook de besten van Rotterdam waren. Op school had ik een paar vriendjes - neutraal opgevoed - die ook voor Feyenoord werden, maar een voor een raakte ik ze kwijt aan de vijand.

Supporter zijn van Feyenoord is voor mij dan ook bijna synoniem met vernedering en lijden. De ziekte die Feyenoord heet was misschien een betere titel voor het boek geweest, heeft Giphart jaren later een keer scherp opgemerkt. Die ziekte, die blijkt ook bij mij nog steeds heel diep in het systeem te zitten. Ik merk dat aan bepaalde fysieke reacties. Word je opeens, zomaar, emotioneel als Feyenoord moet spelen. Als je die magische Kuip ziet, en de camera de supporters in beeld neemt. Rationeel denk je dan: wat is dit nou weer. Maar je houdt het niet tegen.

Toen Feyenoord op zondag 24 oktober 2010 met 10-0 verloor van PSV schreef Giphart drie dagen later op zijn blog dat hij bij 2-0 de tv had uitgezet. Voorgevoel van vernedering. Hij citeert Nick Hornby's Fever Pitch, dat magistrale boek over loyaliteit aan een immer ploeterende club (Arsenal): 'Loyaliteit, in voetbaltermen tenminste, was geen morele keuze zoals dapperheid of vriendelijkheid; ze was veeleer iets als een wrat of een bochel, iets waar je mee moest leren leven.' Giphart plaatst alles in de juiste proporties: 'Als Hornby's loyaliteit voor Arsenal te vergelijken is met een bochel, dan is onze liefde voor Feyenoord een bochel, een hazenlip, een open rug, een boksersneus, bloemkooloren en een horrelvoet.'

Hij geeft ook een wenk: 'Feit is dat het er nu "na zondag" op aankomt. Bij voorspoed is het gemakkelijk om supporter te zijn, maar echte clubziekte is: achter je ploeg blijven staan'. Feyenoord krabbelde sindsdien langzaam op, vorig jaar werd de rug gerecht, en dit seizoen lijkt er een speciale sfeer om de stadionclub te hangen, is de ziekte pardoes een kampioenskoorts geworden. Het gaat de club financieel weer voor de wind, op het veld klopt alles, het halve elftal staat in Oranje. Iedereen lijkt het Feyenoord ook te gunnen. In de laatste VI staat een enquête onder representanten van de 14 niet-titelkandidaten. Van hen hebben er 9 de verwachting dat Ajax kampioen wordt, tegen maar 2 Feyenoord. Slechts 3 hebben echter de voorkeur voor Ajax, tegen maar liefst 6 Feyenoord. We worden opeens vriendelijk over onze bochel geaaid.

Het zal er ook dit jaar wel weer niet van komen. Ajax zal het wel worden. Zoals 'altijd'. En altijd zal die vetzak van toen weer opdoemen, in een of andere gedaante, zoals twee jaar geleden nog in de persoon van Jan Vertonghen, die in de microfoon tetterde dat we 'maar kut kakkerlakken' zijn. We vloeken dan hardop, en vervloeken in stilte. Maar we koesteren onze ziekte, die gelukkig ongeneeslijk is, de mooiste ziekte ter wereld.

dinsdag 11 september 2012

9/11 op 12-9

Vandaag is het 11 jaar na 11 september en nog steeds vind ik het uitermate schokkend om de beelden te zien van de vliegtuigen die de WTC-torens in vliegen. Dat zal nooit wennen.
Nine eleven is toch meer en meer het dramatische kantelpunt naar de wereld van vandaag gebleken. Ik zat in mijn zestiende levensjaar, de politiek was een bezadigd en kleurloos bastion, de nabije toekomst zou niet significant verschillen van het heden.
En ineens was alles anders.
De voorspoedige en zorgeloze jaren negentig die op het ontdooien van de koude oorlog waren gevolgd werden toen in één klap - of in twee klappen dus - ingeruild voor een nieuw tijdperk van angst, stress en crisis.
Veiligheid werd het bepalende thema in de internationale en nationale politiek. Nog in 2010 werd dit onderwerp door de kiezer aangewezen als belangrijkste thema, vóór traditionele items als zorg, onderwijs en werk.
Toch lijkt die obsessie met veiligheid en criminaliteit, waar natuurlijk het terrorismespook als een constante dreiging omheen waarde, anno 2012 ineens naar de achtergrond gedrongen. De financiële crisis heeft de aandacht verlegd naar economie en de EU. De PVV van Wilders is daar het sprekende voorbeeld van. Immigratie en islam en werden in rap tempo ingeruild voor Europa en de euro. Is Fortuyn dan toch dood?
Hoe dan ook, de Goddelijke Kale zou wel eens heel rap gereanimeerd kunnen worden als Xander Pechtold zijn zin krijgt en Paars III er binnenkort uitrolt. Want al worden in het collectieve geheugen de puinhopen van Paars vooral geassocieerd met de ontspoorde multiculturele samenleving - die in later jaren altijd weer de spil van het thema veiligheid bleek -, de ware puinhopen waren de vermarkting en privatisering van de collectieve sector, het onderwijs en de zorg. De enige partijen die daar vandaag de dag nog tegen strijden zijn de SP en de PVV, en in mindere mate de christelijke partijen.
De SP is in twee weken echter door de VARA vakkundig ontmanteld, omgekeerd evenredig aan het tempo waarmee Samsom naar de macht is gepiloteerd. En de PVV, die heeft zichzelf ontmanteld, door bewezen incompetentie.
Wat 11 jaar geleden in ieder geval nog wel beter was, was dat die nare blaag van een Sywert van Lienden (of 'Van der Linden', aldus Pechtold) nog geen talking head was. Te pas maar vooral te onpas duikt Seabert op met proefballonnen waarbij die van Hilbrand Nawijn nog visionaire ideeën waren.
De 'stembreker' is zijn laatste schot hagel, dat hij bij DWDD uitentreuren mag komen promoten. Verdeel met een aantal personen in overleg jullie stemmen over meerdere partijen om zo de coalitievorming te beïnvloeden, dat is zo'n beetje de achterliggende gedachte.
Mathematisch is dat echter een krankzinnig concept, zo werd reeds dezelfde dag nog aangetoond door zo'n pienter 'wiskundemeisje'. Die zijn echter veel te bescheiden en timide om uitgenodigd te worden, en dus mocht onze schoolverlater de volgende dag weer aanschuiven om met moeilijke bril heel bestudeerd vanaf zijn laptop hoge rechter te spelen in het tribunaal genaamd 'Meet DWDD'.
Eerder wilde hij al als een soort geweldloze putschist infiltreren in de grote partijen om die te verjongen. Zijn 'G500' heeft een tienpuntenplan om die revolutie in te vullen. Daarin komt het woord 'veiligheid' niet voor.
Morgen is er de dankbare taak van de gang naar de stembus. Voor het eerst in deze eeuw stemmen we dan dus in meerderheid met het thema veiligheid niet meer als belangwekkendste onderwerp.
Sywert is daarmee de verpersoonlijking van het zojuist begonnen post-9/11-tijdperk.
Ik hoor daar niet meer bij. Ik was te jong in de jaren negentig om een kind van die periode te zijn. En ik ben nu te oud om een kind van dit nieuwe tijdperk te zijn.
Ik ben een kind van 9/11. En dat zal ik altijd blijven.

woensdag 4 april 2012

Herinneringen van 15 gram

Vroeger als je op vakantie ging maakte je altijd een keuze uit je cd's. Je kon ze niet allemaal meenemen. In de rugzak was er naast de tijdschriften en het boek, de discman, de gameboy color en de nog overvolle snoepzak maar plaats voor zeg een tiental cd's. Batterijen gingen in het voorvakje, telefoonopladers bestonden nog niet want niemand had een mobieltje.

De uitverkoren cd's hadden hun toegang tot de rugzak verdiend. Op basis van zorgvuldige overwegingen hadden ze de schifting overleefd. De verwachtingsvolle spanning op de heenreis, het afwisselend opwindende en trage ritme op de plaats van bestemming, de voorziene contacten aldaar en de daaruit voortvloeiende emoties, de gelaten stemming op de terugreis: cd's werden op geschiktheid geselecteerd. Niet zelden bleken de juiste cd's thuis te zijn achtergebleven.

De iPod heeft de muziekcollectie onpersoonlijker gemaakt. Er hoeft niet meer gekozen te worden, alle cd's kunnen mee, altijd en overal. Dat is alleen in theorie een verbetering van de situatie van de voorheen thuisgelaten cd. Die werd weliswaar aan de kant geschoven, maar niet onbarmhartig. Pas na door de handen te zijn gegaan, te zijn bekeken, gewikt en gewogen. Die cd's gaan nu wél mee op de iPod, maar niet meer als cd - hoogstens als afglans ervan. Bovendien leiden ze er vaak een kwijnend bestaan. Zelfs stof verzamelen zit er niet in, want stof heeft geen vat op immateriële zaken.

Wanneer ik nog eens zo'n cd van vroeger beluister - ze hebben een eigen label op de iPod - dan merk ik dat er niet alleen herinneringen verbonden zijn aan de liedjes, aan de muziek zelf, maar ook aan het fysieke object, dat 15 gram lichte doosje. Hoe moet dat met cd's die nu uitkomen en direct hun iPod-bestaan beginnen? Die onmiddellijk hun fysieke aanwezigheid inruilen voor een digitaal bestaan?

Van veel cd's weet ik wonderbaarlijk genoeg nog precies waar ik ze de eerste keer beluisterde. Results May Vary bij een vriend op zijn kamer. Enema of the State vlak voordat ik moest gaan voetballen. Hopes and Fears aan de tuintafel. Ik was net gezakt voor mijn rijexamen, maar de instructeur ging op vakantie; er lag een hele zomermaand voor me. Box Car Racer kwam aan op zaterdagochtend, onverwacht vroeg. Ik lag nog in bed. Beneden klepperde de brievenbus, er landde iets op de mat. Ik stormde naar beneden en woog het bordeauxrode object in mijn handen. Domweg gelukkig in pyjama.

woensdag 2 maart 2011

Zoggel uit de roulatie (en weer terug erin)

Al ruim anderhalve week geen activiteit meer op zoggel.blogspot.com, what happened?

Zoggel was ziek, hij had het even flink te pakken. En omdat hij qua bloggen een ZZP'er is, lag het blog noodgedwongen stil.

Vorige week maandag begon het. Overdag hoesten, 's avonds uitzonderlijk moe, 's nachts een koortsaanval. Dinsdagochtend ging het wel weer en ben ik gaan werken, en dat had ik dus niet moeten doen. De griep nam de overhand en daar kwam nog even een reeds sluimerende bacteriële infectie in de longen overheen.

Het menu: Ibuprofen, paracetamol, brufen. Xylometasoline, noscapine, en - eindelijk - azitromycine. De hele farmaceutische mikmak.

Het was alweer een tijdje geleden dat ik echt ziek was. Elk jaar ben ik wel een keer of twee neusverkouden met verstopte holtes en zo nu en dan ben ik een paar dagen zwak en misselijk (vorig jaar net voor Kerst nog een paar dagen), maar een week lang plat, dat was weer even wennen.

Je eetlust is de beste graadmeter. Of beter: het totale gebrek daaraan. Wispelturig ben ik wel, maar één ding doe ik in de regel toch wel consequent: goed, veel en graag eten. Nu liet ik menige etenstijd passeren. En dan die lusteloosheid. Nergens energie voor, nog niet om drie regeltjes te bloggen.

Iedereen zit altijd opgesloten in het heden - altijd is het 'nu' -, maar als je ziek bent zijn verleden en toekomst nog verder weg dan normaal. Je snapt niet hoe je je ooit elke dag weer druk hebt kunnen maken over eten, dag in dag uit een inspanning hebt gedaan om een maaltijd te bereiden en/of op te eten. En je gelooft niet dat je er ooit weer zin in zult krijgen.

Gistermiddag dacht ik: ik lust straks wel een kotelet. Dat was het teken: het gaat wel weer.

Dus: vanaf heden weer blogberichten.

dinsdag 15 februari 2011

Verhaal

Versie A

Tien minuten om te doden.
Het is druk op het perron, avondspits in het openbaar vervoer.
Ik wandel de kiosk binnen en blader lusteloos de Vrij Nederland en de HP/De Tijd door. De twee dienstdoende dames converseren over halfwarme saucijzenbroodjes.
'Meneer!' klinkt het plots iets te hard en iets teveel in mijn richting. 'Het is niet de bedoeling dat u die boeken hier gaat lezen!'
Ik negeer de flankaanval, maar het aanslaan van mijn innerlijke cv-ketel verraadt me.
'Hallo!?'
'Ik lees niks,' stamel ik. 'Ik.. ik blader ze door.'
'Voorin staat een register, kunt u precies zien wat erin staat.'
Ik blader stug door.
De vrouw zucht. 'Ik ga buiten wel tot tien tellen, voor ik een hartverzakking krijg.' De haaibaai rolt briesend een kar lege dozen naar buiten.
Na een halve minuut leg ik de tijdschriften terug en verlaat schielijk de kiosk.

Versie B

Tien minuten om te doden.
Het is druk op het perron, avondspits in het openbaar vervoer.
Ik wandel de kiosk binnen en blader lusteloos de Vrij Nederland en de HP/De Tijd door. De twee dienstdoende dames converseren over halfwarme saucijzenbroodjes.
'Meneer!' klinkt het plots iets te hard en iets teveel in mijn richting. 'Het is niet de bedoeling dat u die boeken hier gaat lezen!'
Ik kijk op. 'Ik lées ze niet,' antwoord ik rustig. 'Ik blader ze slechts door.'
'Voorin staat een register, kunt u precies zien wat erin staat.'
'Het is alleszins redelijk dat ik het volledige product taxeer, alvorens ik besluit al dan niet tot aanschaf over te gaan. Hiermee verlaag ik mitsgaders de kans een kat in de zak te kopen door toedoen van een gewiekste eindredacteur met talent voor misleidende koppen.'
De vrouw staart me wezenloos aan. '... Ik ga buiten wel tot tien tellen, voor ik een hartverzakking krijg...'
'Mag ik u dan adviseren een bedrijfsarts te raadplegen? Een burn-out wordt idealiter in een vroegtijdig stadium gediagnosticeerd, opdat de patiënt bijtijds de adequate medicatie en therapie kan worden voorgeschreven.'
Ik leg de tijdschriften zorgvuldig terug in het rek.
'Een goedenavond.'
Kalm verlaat ik de kiosk.

Versie C

Tien minuten om te doden.
Het is druk op het perron, avondspits in het openbaar vervoer.
Ik wandel de kiosk binnen en blader lusteloos de Vrij Nederland en de HP/De Tijd door. De twee dienstdoende dames converseren over halfwarme saucijzenbroodjes.
'Meneer!' klinkt het plots iets te hard en iets teveel in mijn richting. 'Het is niet de bedoeling dat u die boeken hier gaat lezen!'
Verbaasd kijk ik op. 'Boeken?' repliceer ik minzaam. 'Dit zijn tijdschriften, mevrouw. Bladen. Magazines. Periodieken.'
'Voorin staat een register, kunt u precies zien wat erin staat.'
Ik zet nu grote ogen op. 'Een register? Voorin het tijdschrift? Dan heb ik wel een heel bijzonder exemplaar in handen!'
De vrouw kijkt me niet-begrijpend aan. 'Ik ga buiten wel tot tien tellen, voor ik een hartverzakking krijg.'
'Tot tien maar liefst? Neemt u niet te veel hooi op uw vork?' Ik laat mijn hand over het tijdschriftenrek zweven. 'Misschien kunt u één van deze bóeken hier gebruiken? Wie weet staat er ergens een rekenhulp in. Kijkt u anders even in de registers.'
Ik leg de tijdschriften terug in het rek.
Terwijl ik de kiosk verlaat kijk ik de andere dame aan: 'Defibrileer ze.'

donderdag 27 januari 2011

Getuigen

Minister Opstelten wil af van de verjaringstermijn voor zware misdrijven. Nu kunnen daders nog vrijuit spreken over hun misdaad wanneer die termijn is verstreken, of zelfs erover pochen, zoals laatst het geval was met de RaRa-terrorist Roemersma. Opstelten heeft een wetsvoorstel ingediend om hier een einde aan te maken.

Tegenstanders voeren als belangrijkste bezwaar aan dat getuigenverklaringen decennia na dato niet meer betrouwbaar zijn. Dit is geen sterk argument. Getuigenverklaringen zijn namelijk per definitie onbetrouwbaar. In hun onvolprezen, als wetenschapsquiz vermomde cabaretprogramma Onder de tram voerden Joep van Deudekom en Rob Urgert ooit een fameus experiment uit op dit gebied.



Schrik, chaos en onverwachte gebeurtenissen zorgen altijd voor een vertekende waarneming. Urgert merkt terecht op dat bij elke moordzaak de vraag naar de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen zich aandient. Daar zou ik nog aan toe willen voegen dat de werkelijkheid vaak zo ongeloofwaardig of bizar is dat niemand je zal geloven als je vertelt wat je hebt gezien of meegemaakt.

Een voorbeeld uit eigen ondervinding. Ooit, lang geleden, fietste ik in het holst van de nacht naar huis. Ik was in gezelschap van mijn broer en enkele vrienden. Het was carnaval en we waren ergens op stap geweest. We kwamen uit de richting van Rosmalen en om Maliskamp, ons aller woonplaats, te bereiken moest je toen nog het kruispunt over de A59 oversteken. Tegenwoordig ligt er een rotonde en gaat de snelweg er netjes onderdoor, maar toen regelden stoplichten nog alle verkeer.

We hadden groen licht en staken de goeddeels lege snelweg over. Plots kwam er echter een auto op ons af. Die had in volle vaart door het rode licht willen rijden, in de veronderstelling dat er op dit late uur toch geen kruisend verkeer zou zijn. Maar daar waren wij ineens. De auto moest vol in de remmen. Niet eens geschrokken, eerder verbaasd, keken we naar binnen. Vier jonge Aziaten - type India, Sri Lanka - keken ons aan, niet verbaasd, eerder geschrokken. Toen we voorbij waren trok de auto langzaam op, schuldbewust, nu wel nadat het licht op groen was gegaan.

Een dag later, nog steeds carnaval. Zelfde route, zelfde kruispunt, zelfde stoplichten. Groen, we staken traag de snelweg over. Net toen ik aan het voorval van de nacht ervoor dacht, kwam er een auto op topsnelheid op ons af. Ook deze auto moest vol in de remmen. We keken naar binnen, verbaasd, en ontwaarden daar vier jongemannen. Het waren dezelfde Indiërs. We keken elkaar aan en begonnen langzaam te lachen. In de auto gebeurde hetzelfde. Dit was te dol voor woorden.

Twee nachten achtereen om tien voor half vier op een haar na van je fiets gereden worden door vier Indiërs op een verlaten kruising. Het is echt gebeurd, maar als ik erover zou lezen zou ik er geen snars van geloven. Het is je reinste Groundhog Day.

woensdag 15 december 2010

Ben ik eigenlijk wel links en rechts genoeg? (2)

Wat vooraf ging: Deel 1

Ben ik eigenlijk wel links en rechts genoeg? Met je linkerbeen uit bed stappen en 's avonds met je rechter er weer in. Makkelijk gezegd, maar hoe ernaar te handelen?

V

Het is geen geheim dat politiek nogal conjunctuurgevoelig is. Na een regeerperiode van links wint rechts veelal de eerstvolgende verkiezingen en vice versa. Het gaat dus niet alleen om synchroon links en rechts zijn, ook in diachrone zin - door de tijd heen - is het belangrijk. Links kiezen als het allemaal wat te rechts wordt. Rechts tegenwicht bieden als links de verstenende zijde is.

Ik geloof dat we ons nu weer zo'n beetje op een kantelpunt bevinden. Rechts heeft pakweg een decennium vrij kunnen schieten - grotendeels terecht - op de verstarring, de zelfgenoegzaamheid en de incompetentie van links. Nu mag rechts het dan een tijdje laten zien. Vol goede moed en overtuigd van zijn 'oplossingen', maar gedoemd om te hoop te lopen tegen financiële beperkingen, de Senaat, een dwarse gedoogpartner, Brussel en te hoge verwachtingen. Daar zal vooral de VVD op middellange termijn de rekening voor gaan betalen. De PVV is ideologisch zo flexibel (of: gefragmenteerd) dat de partij vrij eenvoudig haar zwaartepunt kan verleggen van rechtse veiligheidsthema's naar linkse sociaal-economische intenties. Ik geloof dan ook niet dat de PVV, zoals tot nu toe alle populistische bewegingen is overkomen, na een hevige opleving weer even snel verdwijnt als ze aan het firmament verschenen is.

VI

Links en rechts, liefst tegelijk. Maar je kunt niet op twee partijen stemmen. Er moet dus gekozen worden. Waar sta ik anno nu? Of beter: waar zweef ik? De marginale onzinpartijen Trots op Nederland, SGP en Partij voor de Dieren laat ik buiten beschouwing. Zoals ik er nu over denk, zou ik nooit op een liberale partij kunnen stemmen. Geen VVD dus, geen GroenLinks, en helaas ook niet het D66 van nu. Ik koester een permanente vage angst voor het economische liberalisme. Het is uiteindelijke het individualisme tot de uiterste consequentie doorgevoerd, het recht van de sterkste, de wetten van de jungle.

Privatisering, ik word steevast misselijk van dat woord. Ik geloof dat er een fundamentele denkfout zit in de gedachte dat privatisering uiteindelijk gunstig is voor de burger omdat hij door de marktconcurrentie meer keuzevrijheid heeft, wat de prijs van diensten omlaag drijft. Ik denk dat dit slechts tot een bepaalde hoogte het geval is. Al snel weegt het financiële voordeel niet meer op tegen de administratieve chaos en het verdwijnen van service en dienstverlening. Er komt een moment waarop de consument ervoor kiest liever iets meer te betalen in ruil voor minder gezeik en meer gemoedsrust, daar ben ik van overtuigd.

Bovendien worden vaak de verkeerde sectoren geprivatiseerd. De spoorwegen zijn een treffend voorbeeld. Het idee van concurrentie gaat uit van verschillende aanbieders die naar de gunst van de consument dingen. Maar die vlieger gaat niet op voor de spoorwegen. Kun je als consument qua telefonie, energie, internet, etc. nog kiezen voor een andere leverancier, bij de spoorwegen kun je niet zeggen: ik ben ontevreden over het product, ik kies een ander spoorwegnetwerk. Je bent afhankelijk van die ene maatschappij die op jouw traject rijdt. Alleen in de aanbesteding is er daadwerkelijk sprake van concurrentie, maar daar merk je als klant weinig van, wellicht zelfs alleen in negatieve zin: de 'winnende' aanbieder wentelt de hoge aanbestedingskosten af op de klant.

VII

Blijven over: SP, PvdA, CDA, ChristenUnie en PVV. De PVV is een nuttige partij om in het bestel te hebben, een partij die zaken agendeert, die roert waar het stinkt, die de gevestigde orde wakker en bij vlagen uit haar slaap houdt. Ik heb echter absoluut geen fiducie in de bindende, laat staan pragmatische competenties van Wilders c.s. Het is allemaat te veel van dik hout zaagt men planken, te veel revolutie en te weinig democratie. Te veel persoon en gebeurtenis en te weinig idee. Eerder schreef ik dat de andere partijen de PVV moeten gebruiken als Wittgensteins ladder en dat vind ik nog steeds wel een aardige metafoor. De PVV en haar achterban serieus nemen om tot een inzicht in de werkelijke problematiek te geraken, maar vervolgens daar zelf een beter alternatief voor formuleren.

Houden we de sociaaldemocratie en de christendemocratie over. De SP is een sympathieke partij. De laatste die nog ouderwets strijdt voor de werkman, de ambachtslui, de loonslaven. Het klein geluk boven het grote geld. Maar zoals de PVV een boel Nutteloze Idioten aanzuigt, zo sleept de SP met haar nivelleringsideaal een hele troep uitvreters en profiteurs achter zich aan. De PvdA is sociaal ingehaald door de SP en hopeloos hypocriet en pijnlijk ongeloofwaardig geworden. De sociale idealen zijn onder Paars vakkundig verkwanseld door figuren als Melkert, Netelenbos (o gruwel), Vermeend en Herfkens. De PvdA van nu is Bos, Marcouch en Eberhard van der Laan, maar ook Cohen, Samsom, Elatik en een gros lokale schuinsmarcheerders. De PvdA is een schizofrene partij met een imagoprobleem.

Stemwijzers leiden mij niet zelden naar de ChristenUnie. Inderdaad een partij die mij met haar pleidooi voor gezin, fatsoen en samenleving wel aanspreekt. Maar hoe correct ze sociaal en economisch ook zijn, ethisch blijven het enge gereformeerden. Het grote pluspunt van liberalen is dan ook dat ze niet zo middeleeuws tegenover homoseksualiteit en euthanasie staan als de Unie. Ook het CDA wordt op dat gebied nog niet genoeg verlicht door moderniserende tendenzen. Ontzettend zonde is het dan ook dat jeugdige hemelbestormers voortijdig hebben afgehaakt. Eurlings heeft de politiek verlaten, zoals eerder al Joop Wijn deed. Alleen Jan Kees de Jager is over, en die ligt dan ook goed bij links en rechts. Jammer, want de partij heeft het in principe in zich het beste van links en rechts te verenigen.

Ik merk dat dit exposé onontkoombaar naar een bekentenis leidt: ik heb de laatste keren steeds CDA gestemd.

VIII

Misschien moet ik de waarheid onder ogen zien: ik ben katholieker dan ik meende te zijn. En dan niet zozeer in religieuze zin als wel qua mentaliteit en denkwereld. Ik ben gedoopt en heb mijn eerste communie gedaan, maar ik kan niet zeggen dat ik katholiek opgevoed ben. Een mis woon ik zelden bij, de paus vind ik een enge man en ik geloof niet in God. En toch heb ik, zo meen ik meer en meer, een katholieke kop. Ik vergelijk het met Maarten 't Harts geval. 't Hart is een afvallige gereformeerde, iemand die volledig afstand heeft genomen van het geloof waarin hij is grootgebracht en die bij verschillende gelegenheden meedogenloos is uitgevaren tegen dat geloof. Maar toch is hij mentaal nog op en top gereformeerd. De zuinigheid, de koppigheid, de rechtlijnigheid, de afkeer van elke vorm van vertier en opsmuk (op oudjaarsavond om 21 uur onder de wol): door en door calvinistisch. Het geloof mag weg zijn, de habitus is hardnekkig.

De neiging, de innerlijke drang om links én rechts te zijn noem ik katholiek. Ik citeer Wim van de Donk, de huidige commissaris van de koningin voor Noord-Brabant: 'In het katholieke denken wordt de mens gezien als individu én als lid van de gemeenschap. Dat vraagt om een benadering die niet alleen het accent legt op vrijheid of gelijkheid, maar die beide waarden verbindt in een perspectief van broederschap.'* Beter kan ik het niet verwoorden. Vrijheid én gelijkheid, liberaal én sociaal, maar alles vanuit het streven naar een communiteit. Het is zoeken naar een nieuwe gemeenschap, een soort van post-christelijke samenleving op katholieke leest, met behoud van waarden en normen en los van institutionele en oneigentijdse ballast. Zo, en alleen zo, noem ik mij katholiek.

IX

Auteurs die over een modern katholicisme hebben geschreven, Kellendonk, Otten, Joosten, ik bespeur bij mezelf dat ik hun teksten over dit onderwerp met een gretigheid lees die boekdelen spreekt. Blijkbaar is het niet tegen te houden. En daarom ben ik tot op heden steeds weer uitgekomen bij het CDA. Daarom stond ik vierkant achter Balkenende IV (CDA, PvdA, ChristenUnie). Daarom was ik zo boos toen Bos het kabinet opblies. Daarom stoort mij de nog altijd overheersende religieuze inslag van het CDA. Daarom volg ik Syp Wynia in zijn vermoeden dat het verlies van het CDA in Brabant en Limburg deels te wijten is aan de in toenemende mate gereformeerde signatuur van de partij. Daarom steun ik de Eindhovense CDA'er Bert Ramakers, die ervoor pleit dat de partij middels een grondslagwijziging ook niet-gelovigen aan zich weet te binden. Daarom stoort mij de economisch steeds liberalere koers van de partij.

Daarom twijfel ik of ik lid moet worden. Daarom moet ik misschien juist nu lid worden. Ben ik eigenlijk wel CDA genoeg?

* Broer, Van Weezel, De geroepene (2007), p. 158

woensdag 8 december 2010

Ben ik eigenlijk wel links en rechts genoeg?

De dit jaar overleden columnist Jan Blokker gaf ooit een verzameling columns de titel Ben ik eigenlijk wel links genoeg? Blokker was dan ook een typische representant van de tijd dat nog heel duidelijk was wat links was en wat rechts en aan welke kant je moest staan. Zelf hoor ik nergens bij, en daarin ben ook ik een kind van mijn tijd.

I

Mensen die vandaag de dag met blinde overtuiging een politieke richting kiezen of een specifieke partij aanhangen zijn steeds zeldzamer. Het aantal zwevende kiezers is enorm en politieke partijen zien hun ledenaantal in de regel teruglopen. Dat is niet per se een verkeerde ontwikkeling. Naar mensen die overtuigd links of rechts zijn kijk ik weliswaar met enige jaloezie - ze worden niet verteerd door twijfel en ontheemdheid -, maar toch vooral met grote meewarigheid. Ze gedragen zich vaak als gelovigen, dogmatici die heilig overtuigd zijn van de morele juistheid van hun visie en al helemaal van de verderfelijkheid van de andere kant. Zo'n tunnelvisie, zulk gebrek aan twijfel moet erg prettig zijn, maar op den duur ook erg benauwend.

Al die benepen, enge NRC-abonnees die hun abonnement opzeggen omdat Martin Bosma eens in de drie weken een column in hun krant schrijft. Ik durf er heel wat om te verwedden dat ze zijn boek niet eens gelezen hebben. En dan nog zie ik alleen maar voordelen: je hoeft je niet eens op vijandelijk gebied te begeven om van de mening en tactiek van de tegenstander op de hoogte te blijven; die wordt je in je eigen avondblad op een presenteerblaadje aangeboden.

Ook op rechts zie je die krampachtige bekrompenheid. De ingezondenbrievenrubriek van HP/De Tijd staat al wekenlang vol met boze brieven van lezers die protesteren tegen de aanwezigheid van Thomas von der Dunk als columnist in hun opinieblad. Von der Dunk mag een geradicaliseerde totaalmalloot zijn, maar zijn schrijfsels zouden de HP-lezer dan toch juist moeten overtuigen van hun eigen gelijk. Maar voor berichten van de andere kant wordt het blikveld secuur afgeschermd. Ik vind het maar treurig: je krant of opinieblad beschouwen als je clubblaadje.

II

Ook al geloof ik nergens in, één overtuiging hang ik toch met een zekere regelmaat aan: politiek is door en door pragmatisch. Al dat ge-emmer over idealisme en visie, moedeloos word ik ervan. Balkenende heeft het acht jaar lang te horen gekregen: hij zou een brede visie ontberen. Gelukkig maar. Visie vind ik meer iets voor kunstenaars of charlatans. In de kunst gelden geen wetten: de kunstenaar mag en kan zich een onwerkelijke, voor mijn part idealistische wereld scheppen, de werkelijkheid zoals zij niet was of is, of zoals zij zou moeten zijn of niet had moeten zijn. Politiek is de waarheid, zoals het is en niet anders, en daar dan op moeten anticiperen. Mulisch heeft het mooi gezegd: 'De waarheid impliceert steeds ook de onvrijheid: het is zoals het is. Maar de literatuur is nu juist de wereld van de vrijheid: het is ook, zoals het niet is.'

Willem Frederik Hermans werd vaak 'rechts' genoemd, ook door Mulisch. Maar Hermans was niet rechts. Hij was simpelweg niet links, en daarmee in zijn tijd voor de anderen automatisch rechts. In 1963 zette hij zijn positie in een gesprek met interviewer Hans Sleutelaar als volgt uiteen: 'In bepaalde opzichten ben ik zeer links, zoals iedereen moet zijn die rationalistisch is ingesteld. Aan de andere kant weet ik dat de linkse mensen toch ongelijk hebben, omdat de volledige volvoering van hun ideeën in strijd is met de menselijke natuur, althans met de natuur van de meerderheid. Kenmerkend voor het denken van rechts vind ik het denkbeeld, dat je speciaal onder Katholieken aantreft: de massa bestaat uit onmondige schaapjes, die liever niet moeten worden voorgelicht, voor wie allerlei zaken beter geheim kunnen blijven. Maar wie zal uitmaken wie mondig is en wie niet? Enerzijds zie ik dus dat de ideeën van links afstuiten op de inertie van de massa, anderzijds kan ik de rechtse ideeën niet onderschrijven, omdat ze niet rationalistisch zijn. Dat is de situatie.'

Natuurlijk: idealiter leven alle mensen in harmonie samen, in vrede en welvaart en zonder onenigheid en misdaad. Maar om daar een politiek programma op te baseren is onnozel, en zelfs gevaarlijk. De overtuiging dat hij of zij oplossingen heeft voor gerezen problemen, hoe sneller de politicus van dat idee af gebracht kan worden, hoe beter. Ik ben er ook ingetrapt: Obama had mijn blinde vertrouwen. Maar de WikiLeaks-affaire heeft de deur definitief dicht gedaan. De VS schenden de persvrijheid en de vrijheid van informatie en steken China en India moeiteloos voorbij qua censuur en politieke manipulatie. Iedereen heeft het nu over het verwerpelijke gedrag van 'de Amerikanen', maar Amerika is ook nu nog in de eerste plaats Obama. Die visie en dat idealisme komen hem nu opeens heel slecht uit. En natuurlijk is die arme man ook slachtoffer van zijn eigen naïviteit. Ben ik eigenlijk wel pragmatisch genoeg?, die vraag had Obama zich moeten stellen.

III

Blokker en Mulisch waren beiden van 1927, en ook Mulisch was ooit, net als Blokker, honderd procent links. In zijn rede 'Meningen in marstempo' (1970) was de wereld glashelder. Met een dreunende opsomming van opposities werden goed en kwaad keurig links- respectievelijk rechtsaf gestuurd: 'Links heeft meningen, rechts heeft belangen. Links moet meningen hebben hebben omdat het geen belangen heeft. Rechts kan het stellen zonder meningen omdat het belangen heeft. Links heeft zijn mening als belang. Rechts heeft zijn belang als mening. Links is daarom te goeder trouw. Rechts is daarom te kwader trouw', et cetera. Het was de tijd van Vietnam, de Koude Oorlog woedde volop en de Warme Tweede smeulde nog na.

Maar al snel stortten de opposities in en werd alles grijs en ongrijpbaar. Geen grote systemen meer, geen levensbeschouwingen, geen zuilen. Alleen nog maar individuaties, tegenspraken en halve waarheden (die samen nooit een hele werden). De linkse idealisten werden het nieuwe establishment en zo ging het over de hele linie: was links voorheen socialistisch en egalitair, en rechts liberaal en elitair, tegenwoordig is links elitair en rechts egalitair. Daarom kun je, meen ik, vandaag de dag niet meer met goed fatsoen overtuigd links zijn. Maar, en daar komen de halve waarheden al binnen denderen, socialisme en liberalisme zijn niet mee overgestoken. Links en sociaal, en rechts en liberaal zijn losgekoppeld. En zo zitten we nu opgescheept met sociale linksen en liberale linksen en met liberale rechtsen en sociale rechtsen.

GroenLinks doet er nog een schepje bovenop. De partij omschrijft zichzelf paradoxaal genoeg als 'sociaal en liberaal'. Maar dat is niet het enige verwarrende, de sociaal-liberalen zouden in Nederland verspreid zijn over vele partijen: GroenLinks, D66, de VVD en de PvDA, zelfs het CDA en de ChristenUnie. En oh ja, de Dierenpartij is ook sociaal-liberaal. Een ware diaspora van sociaal-liberalen dus. En daarom moet GroenLinks maar samengaan met D66. Huh? Progressief en conservatief, nog zoiets. Kun je nog met een stalen gezicht progressief zijn in een land dat inmiddels wel zo'n beetje 'af' is? En als je je verzet tegen de afbraak van culturele verworvenheden door de schadelijke invloeden van andere culturen, ben je dan conservatief of juist nu progressief?

IV

Mijn worsteling met links en rechts is niet een kwestie van een geloof in een waarheid die in het midden ligt, het sparen van de kool en de geit of een weigering om partij te kiezen. Dat leidt maar tot halfzachtheid, vluchtgedrag, stilstand die doet stinken. Je moet geen amorele theoreticus worden. Peter Sloterdijk is mijn leidsman in deze materie: linkse waarden hebben rechtse grenzen nodig, schrijft hij in Het kristalpaleis. Linkse idealen en rechtse wetten. Twee halve waarheden die samen nog enigszins een hele vormen. Een broze, wankele waarheid, die misschien dan uiteindelijk ergens in het midden ligt. Maar als het enigszins kan uit volle overtuiging voor de relevantie van links én rechts. Ben ik eigenlijk wel links en rechts genoeg?

vrijdag 3 december 2010

150 schrijvers

Met het uitlezen van Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk van A.L. Snijders heb ik een persoonlijk mijlpaaltje bereikt. Ik houd allerhande lijstjes bij, vooral op leesgebied, waaronder een lijst met Nederlands(talig)e auteurs van wie ik minstens één boek heb gelezen. De lijst beperkt zich om redenen van overzicht en gebruiksgemak tot scheppend proza (of 'fictie') en tot de laatste drie eeuwen (19de, 20ste, 21ste). Snijders is nummer 150.

Honderdvijftig auteurs, een puik aantal. Toch heb ik vermoedelijk van pakweg de helft van de schrijvers niet méér dan één boek gelezen. Er staan er zelfs op van wie ik het enige boek dat ik ooit van ze heb gelezen, niet helemaal heb uitgelezen (Blaman, Walschap, K. Schippers). Van de 150 zijn er 127 man en 23 vrouw (kom maar, kom maar, kom maar). Tweemaal komen voor: Brouwers (Jeroen en Marja), 't Hart (Kees en Maarten), De Jong (Oek en Pia) en Peeters (Elvis en Koen).

Honderdvijftig, en toch is het niks. Zo'n lijst steekt schril af tegen de niet-bestaande lijst met schrijvers die nog een gesloten boek zijn. Daar staan dan uiteraard mindere goden en recente debutanten op, alsmede vele negentiende-eeuwers en vergetenen. Maar ook een nog fors aantal grote en middelgrote namen. Komt-ie: Nicolaas Matsier, Doeschka Meijsing, Geerten Meijsing, F. Springer, Jacques Hamelink, Anton Koolhaas. J. van Oudshoorn en E. Du Perron. Lodewijk van Deyssel en P.A. Daum. Zelfs Theo Thijssen. Daar schaam ik me elke dag meer voor, en het wordt dus hoog tijd dat ik Kees de jongen eens ga lezen.

Verder ook een aantal nog actieve prominente auteurs: Kees van Beijnum, Allard Schröder, Ronald Giphart, Kester Freriks, Oscar van den Boogaard. Vrouwen: Tessa de Loo, Jessica Durlacher, Manon Uphoff, Anna Enquist. Een sloot ouwe experimentelen: Sybren Polet, J.F. Vogelaar, Lidy van Marissing, Ivo Michiels. Allemaal nog nooit iets van gelezen. Herman Franke. Hugo Raes. Henk Romijn Meijer. Johan Daisne. Jan de Hartog. Bob den Uyl. Van sommige van de genoemde namen voel ik overigens geen enkele behoefte iets te gaan lezen, maar toch. Het is om moedeloos van te worden.

Omringd door boeken word ik altijd weer overvallen door een sombermakend besef van machteloosheid: in de boekhandel, op de boekenmarkt, in de bibliotheek; er is zo veel geschreven, er wordt te veel geschreven, je wordt als lezer aan alle kanten ingehaald. Zeker als je, zoals ik, je niet wilt beperken tot de prozaliteratuur maar ook nog politiek, poëzie, filosofie, essays, sport, journalistiek, geschiedenis, de tijdschriften en de kranten, enzovoort enzovoort een beetje wilt bijhouden/inhalen. Laat staan als je van het leeuwendeel van de 150 graag ook nog de rest van het oeuvre zou willen lezen, liefst op korte termijn en alle werken achter elkaar. En dan is er nog zoiets als herlezen. Want lezen is één, er iets van onthouden is twee.

Het is weer die vermaledijde tijd, waarvan er altijd te weinig is. Nu heb ik weer een uur verdaan met niet-lezen. Ik kan deze tekst nu wel wissen, maar daarmee krijg ik de eraan bestede tijd niet terug. Leest u dit dus maar niet, besteedt uw tijd wel en lees liever Theo Thijssen.

woensdag 24 november 2010

Een winterverhaal voor de donkere dagen

Het beroemdste boek uit de naoorlogse Nederlandse literatuur heeft als titel 'De avonden' en als ondertitel 'Een winterverhaal'. Zelden waren titel en ondertitel zo treffend. De roman waarmee Gerard Reve - toen nog Simon van het Reve geheten - in 1947 zijn naam vestigde leest men bij voorkeur in de winter, idealiter op de donkere laatste tien avonden van het jaar.

Op 1 januari verdwijnt De avonden in mijn kast. Dat verdwijnen is bijna letterlijk, want acht maanden lang bestaat het boek niet. De dagen lengen, de temperatuur stijgt, december raakt verder en verder achterop en niets doet nog aan De avonden denken. De roman houdt een welverdiende zomerslaap, overzomert in een koel en donker hoekje van de boekenkast.

In september keert hij terug. Opeens is daar dat moment. Onverhoeds, onbedoeld, een achteloze blik op de bovenste plank, en daar staat De avonden, in vol ornaat. De zomer is voorbij, het jaar gekanteld, het aftellen begonnen. Oktober komt en gaat, de temperatuur daalt gedurig, de koorts stijgt gestaag. Mijn gekoesterde exemplaar neemt doortastend zijn donkerblauwe en violette kleuren aan, zoals de bomen binnen enkele dagen hun herfstpallet aanspreken. Steels kijk ik ernaar, maar raak het boek nog niet aan. Nog even.

Eind oktober, de klok wordt een uur teruggezet. De dagen bestaan nu voor het merendeel uit avond. Lang, donker, guur, alles echoot nu De avonden. In november begint het serieus te kriebelen. Woorden, zinnen, passages dringen zich op. Ik begin te prevelen en denk bij mijzelf. Het is alles triest. Hij heeft hard en zacht op zijn schoot. Zo zijn de dagen die ons gegeven zijn. Ik schrijf 'pissen', denk aan De avonden en verander het snel in 'wateren'.

Dan is daar plotsklaps december. Wintermaand. Kerstmaand, donkeremaand. Avondenmaand. Alles stroomt nu. Op weg naar het einde, nader tot hem, de jongeheer Frits van Egters. Alle kerstvakanties komen voorbij, vermengen zich, worden één winterverhaal, waarin ik De avonden las. In bed. Met griep. Aan het bureau. Met koffie en een chocolade kerstkrans. De radio speelde.

Het komt dichterbij. 8 december, de goedheiligman vertrokken, nog twee weken. 15 december, de kerstboom schittert, nog maar één week. De roman wordt voorzichtig uit de rij naar voren gehaald, wordt gewogen, gewiegd. Alles popelt en tintelt nu. Dan, 22 december. De held van deze korte geschiedenis ontwaakt uit zijn droom. Hij opent Het Boek en leest. Tien avonden lang mag hij niet gestoord worden. Hij kan ook niet gestoord worden, want hij is er niet. Hij is er niet, want hij is erbij, daar in het verhaal. Tien winteravonden lang.

woensdag 8 september 2010

Londen-Lincoln

De voorbije dagen was ik in Engeland. Mijn broer kreeg maandag in Lincoln zijn diploma Bachelor of Arts in Creative Advertising. De plechtigheid vond plaats in de prachtige kathedraal van het stadje.

Zondagavond vlogen we - pa, ma, ondergetekende en een goede vriend - vanaf Eindhoven naar London Stansted. Dat vliegveld ligt in feite buiten Londen, want met de taxi was het nog ruim een half uur naar Tottenham, waar broer nu woont. Na een overnachting aldaar was het de volgende ochtend vroeg dag. Via een klein stukje overground en enkele haltes underground kwamen we aan op King's Cross, het Den Haag CS-achtige station. We hadden een halfuurtje om even buiten rond te wandelen. Het opvallendst waren de talloze taxi's, klassieke auto's met steeds een zakenman achterin.

Via Peterborough bereikten we na een reis van zo'n 3 uur Lincoln. Vorig jaar met Pasen was ik er al eens geweest, en ook nu was het weer een indrukwekkend gezicht de kathedraal boven het stadje te zien uittorenen. Van een kopje koffie - zeg maar gerust een soepkom koffie - en een stevige lunch - heerlijke stokbroodjes steak onion, friet en salade - werden we goed wakker, waarna we met de taxi naar het hotel togen om in te checken en ons van de bagage te ontdoen. Niet veel later gingen we alweer in de omgekeerde richting naar de kathedraal.

Daar was het een drukte van jewelste. Op het plein voor het gotische bouwwerk stonden vele tientallen graduates, allen getooid in gowns and hats. Binnen was het al afgeladen vol, waardoor we wat achteraan kwamen te zitten. Gelukkig konden we alles via schermen goed volgen. Na de processie met veel pracht en praal opende de Pro Chancellor van de University of Lincoln de plechtigheid. Hij merkte op dat nergens anders de studenten hun bul op zo'n bijzondere locatie uitgereikt krijgen, zelfs niet in Cambridge en Oxford. Vervolgens klapten we onze handen stuk voor de studenten, zoveel waren het er. Allen dienden kort hun hat te toucheren en de Vice Chancellor de hand te schudden, erg indrukwekkend allemaal.

Buiten werden de groepsfoto's geschoten, waarna de studenten dan eindelijk hun hat de lucht in mochten werpen. Na een glas wijn op de receptie in de kasteeltuin werden de feestelijkheden voortgezet in een café. 's Avonds gingen we eten met de familie van de vriendin van broer. Het was erg gezellig en het eten smaakte goed. Inmiddels was het stevig gaan regenen en over de glibberige cobblestones in de verlaten straatjes bereikten we de laatste locatie, een bar/dancing. Tot in de vroege uurtjes werd de feestelijke dag al dansend en proostend afgesloten.

De volgende dag was het alweer tijd om terug te keren naar Londen. Een laatste wandeling door het aangename Lincoln eindigde op het station, waar door een foutje in de planning de geboekte trein naar Londen King's Cross al weg bleek te zijn. Nu moesten we met vijf verschillende treinen en vier overstaps de hoofdstad zien te bereiken. De overstaps in Peterborough en Ely verliepen nog vlekkeloos, maar in Cambridge ging het mis. De trein naar Liverpool Street had panne. Gelukkig konden we probleemloos een rechtstreekse trein nemen naar Stansted, wat ons nog beter uitkwam ook, niet alleen omdat we vroeg waren, maar ook omdat er stakingen waren in de underground.

Bij de douane moesten de schoenen uit, ging de scanner over het scheerapparaat en meer van dat soort absurd overdreven gedoe. Toen even later de priority-pipo's door de gate waren, mocht ook het gewone volk het Ryanair-toestel in. Net gezeten werd ik door de stewardess gesommeerd ergens anders te gaan zitten omdat een hinkend fossiel per se bij het raam wilde zitten. Tja, dan kun je bij de douane wel weer geconfronteerd zijn met de wereld na 9/11, tegen de terreur van 65+'ers moeten zelfs moslimterroristen het afleggen.

Afijn, we zijn weer thuis. Heelhuids, een ervaring rijker en zeer trots.

dinsdag 15 juni 2010

De aardigste buurman ter wereld

Op 24 april 1995 werd Willem Frederik Hermans per ambulance vanuit Brussel naar het Universitair Medisch Centrum in Utrecht vervoerd. Bij de schrijver was kort daarvoor longkanker in een vergevorderd stadium geconstateerd. Drie dagen later overleed hij. De drie laatste dagen van zijn leven bracht Hermans dus nog in zijn geboorteland door. Zijn laatste jaren waren echter Brusselse jaren geweest. Sinds 1991 woonde hij met zijn vrouw Emmy in de Brusselse deelgemeente Etterbeek, in de Atrebatenstraat op nummer 61.

Het huis is gebouwd in 1922 en neemt een opvallende plek in het straatbeeld in. Het steekt ietwat naar voren, in het bijzonder de eerste verdieping, en heeft een witte gevel en grote, opvallende ramen. Op de gevel is op 27 april 2005, de tiende sterfdag van Hermans, een plaquette onthuld met daarop de tekst: ‘In dit huis woonde van 1991 tot 1995 de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans. Zevenentwintig april tweeduizendenvijf’.

Toen ik onlangs het huis en de plaquette stond te fotograferen, werd ik aangeklampt door een vrouw die me verzekerde dat ‘Monsieur Hermans’ een groot schrijver was geweest. Ze bleek in het huis ernaast te wonen en ook de buurvrouw van Willem Frederik en Emmy Hermans te zijn geweest in de vroege jaren negentig. Hermans was niet alleen een groot schrijver, hij was ook ‘très sympa’. Ze had zelfs nog aardige brieven van hem bewaard. Of ik die wilde zien.

De buurvrouw, mevrouw De Broqueville, toverde uit een exemplaar van Homme’s hoest een viertal documenten tevoorschijn. Een kaart van Emmy zonder datum, maar gezien de inhoud waarschijnlijk daterend van enige jaren na Hermans’ overlijden, en drie korte, getypte briefjes van Hermans zelf.

De eerste brief is getypt op briefpapier van het ‘Garden Hotel/ Mangerie de Kersentuin’, gelegen aan het Dijsselhofplantsoen te Amsterdam. De brief is niet gedateerd en ook aanhef en ondertekening ontbreken, dus waarschijnlijk is hij niet daadwerkelijk verstuurd vanuit Amsterdam. Het betreft een soort van probatio pennae, maar dan in een typemachinevariant.

‘Une machine de très bonne qualité!,’ opent Hermans met zichtbaar genoegen. En dan in rode inkt: ‘Elle écrit aussi en rouge. Commode, quand la bourse est vide et le compte en banque négatif….’. Een zwak aspect van de machine is het inktlint, dat ‘un peu fatigué’ is. De scherpzinnige Hermans neemt ook maar meteen de gelegenheid ten baat te vragen of ‘mangerie’ wel correct Frans is: ‘C’est à dire pas dans le sens de grande bouffe, mais de “restaurant chic”?’

In de eerste brief schreef Hermans dat het lint eenvoudig te vervangen is. In een volgend briefje, een ‘Mode d’Emploi’, zet hij kort uiteen aan zijn buurvrouw hoe dat dient te gebeuren. De gebruiksaanwijzing opent met een tekening van het inktlint – zwart en rood – en twee spoelen. Dan volgen de technische aanwijzingen: ‘Insérer le ruban de sorte que l’œillet soit entre la bobine et la forchette. / (Les rubans sans œillet sont utilisables: on met un nœud à la plce de l’œillet qui manque.)’ De buurman is altijd beschikbaar voor nadere ondersteuning: ‘S’il ya des problèmes, n’hesitez pas d’aller me voir.’

Het derde briefje is het enige dat gedateerd is. Op 16 november 1994 vroeg Hermans of zijn buurvrouw wellicht tijd had met hem een supermarkt te bezoeken: ‘Est-ce qu’une petite expédition à quelque supermarché vous dirait quelque chose?’ De Hermansen hebben namelijk dorst en hun kat Cooky heeft behoefte aan grind om haar gevoeg te doen: ‘Nous n’avons presque plus rien à boire et la Cooky n’a plus rien pour faire pipi dessus.’ Hermans werd in de laatste jaren van zijn leven door zijn buurvrouw overal naartoe gereden, zo lichtte mevrouw De Broqueville desgevraagd toe, bijvoorbeeld naar de supermarkt dus. Zij deed dit altijd met plezier voor zo’n bijzonder aardige buurman.

De brieven zou je ook ‘memo’s’ kunnen noemen. Het zijn praktische gelegenheidsschrijfsels. Ze laten niettemin zien dat Hermans zijn fascinatie voor de typemachine tot aan het eind van zijn leven cultiveerde en geven een inkijkje in het milde karakter van een man van wie toch vooral het imago van een polemische scherpslijper lijkt te gaan overleven. Mevrouw De Broqueville voelde meer voor mijn variatie op een boektitel van Freddy de Vree: ‘De aardigste buurman ter wereld’.


Deze tekst werd eerder gepubliceerd op het Platform Teksteditie, maart 2010, in de rubriek 'Manuscript van de maand': 'De aardigste buurman ter wereld'.

donderdag 7 januari 2010

Een nieuw decennium, een verloren generatie?

Zo. Tweeduizendtien. Over vier jaar komt Volkert van der Graaf alweer vrij.

Het nieuwe decennium kon niet beter beginnen dan met de voorstelling Zonder pardon van Theo Maassen op tv. Als geen ander weet Maassen de staat van het land en de toestand in de wereld met humor en scherpzinnigheid te duiden en te problematiseren. In zijn overigens licht teleurstellende show verklaarde Maassen dat Nederland gegijzeld wordt door de 'voorvochtmensen', de domme klagers die een waas van negativiteit over alles zouden leggen. Ze leggen de schuld van de problemen altijd bij anderen zonder naar zichzelf te kijken. Geert Wilders werd daarbij flink onder vuur genomen. 'Waar is Volkert als je hem nodig hebt?' provoceerde Maassen.

Hoe moeten wij leven in de jaren tweeduizendtien en verder? Een nieuwe generatie wordt twintig, dertig en drukt zijn stempel op de maatschappelijke ontwikkelingen. Welk perspectief kenmerkt die generatie, míjn, ónze generatie? En waar horen wij thuis, wat is onze mentaliteit? Wat betreft dat laatste aspect worden wij wel de 'grenzeloze generatie' genoemd, een generatie die niet meer hechten aan de besloten gemeenschappen van de ouders en grootouders maar juist met het grootste gemak grenzen verlegt, zowel topografische als persoonlijke.

De term 'grenzeloze generatie' bestaat al langer en vindt nu ruim ingang door het gelijknamige boek van Frits Spangenberg en Martijn Lampert uit 2009. Zij beschrijven de jongeren geboren vanaf 1986 als egoïstische burgers die geen grenzen kennen en die het aan sociale en politieke betrokkenheid ontbreekt. Onze generatie zou zich uitleven in kicks, korte sensaties, uiterlijk vertoon en status. De auteurs verwachten dat het met de helft van de jongeren van deze generatie goed zal aflopen, de rest zal de strijd verliezen en zo verworden tot een 'verloren generatie'.

Die verwachting hangt natuurlijk samen met de pessimistische economische en ecologische vooruitzichten. De onze zal de eerste generatie zijn waarvan de vertegenwoordigers het uiteindelijk niet meer beter hebben dan hun ouders. Gedurende de gehele recente geschiedenis overtroffen kinderen hun ouders in welvaart. Het was ook de enige ambitie van de ouders: als mijn kinderen het maar beter hebben dan wij het zelf hebben gehad.

De echte ellende begint naar verluidt in 2012 wanneer de olie en kolen op zijn. De opwarming van de aarde is een onomkeerbaar proces dat hoogstens wat af te remmen is. Tweehonderd jaar industriële vervuiling laat zich niet in enkele jaren ongedaan maken. Theo Maassen maakte bezwaar tegen de demagogen volgens wie de Aarde gered moet worden. De Aarde redt zich wel, het zijn de mensen erop die ten onder dreigen te gaan. Maassen kwam met een interessante metafoor: de Aarde zweet ons uit. Zoals koorts in je lichaam een manier is om de schadelijke invloeden naar buiten de drijven, zo zou de opwarming van de aarde een reactie zijn van de planeet om de mens te lozen. Zonder gekheid is de stijging van de zeespiegel naar alle waarschijnlijkheid het resultaat van een eeuwenlang proces van menselijke invloed, en geen milieumaatregel, hoe streng ook, zal dat proces binnen afzienbare tijd een halt kunnen toeroepen.

Spangenberg en Lampert leggen de schuld deels bij de ouders van nu. Het zijn tandeloze ouders die verzuimen duidelijke grenzen te trekken om maar vooral conflicten te omzeilen. Het huidige veiligheidsprobleem hangt mijns inziens samen met deze ontwikkeling. De sociale controle in het algemeen vermindert. Niet alleen in de straat of wijk - wat al langer het geval is - maar ook steeds meer binnen gezinnen. De grote afwezigen in gevallen van straatterreur zijn altijd de ouders. Jongeren die in een andere, liberalere cultuur terechtkomen hebben juist meer dan wie ook behoefte aan duidelijk omschreven grenzen.

Het maatschappelijke draagvlak voor een tegenbeweging gebaseerd op repressie en uitsluiting, zoals die van Wilders, is dan ook niet primair een xenofobe reactie. Ze vloeit eerder voort uit een algemeen gevoel van onveiligheid en onvrede. Een belangrijke graadmeter is de weerbaarheid van middenstanders. Wanneer winkeliers hun bedrijf moeten sluiten of moeten verhuizen wegens aanhoudende intimidatie, vernieling, roof e.d., dan geeft dat niet alleen aan dat de ordediensten geen vat meer hebben op probleemjongeren, maar ook dat het ouderlijk gezag faalt. Ook nu bij de rellen tussen Molukkers en Marokkanen in Culemborg wordt de vraag waar de ouders zijn niet of nauwelijks gesteld. Hulpverleners, straatcoaches, de ME, de politie, de burgemeester en politiek Den Haag worden opgeroepen in te grijpen, terwijl men bij de primaire opvoeders zou moeten beginnen.

De levensverwachting blijft toenemen, terwijl ook de door stress en jachtigheid gevoede hart- en vaatziekten hun opmars blijven voortzetten. Deze paradox is nog onverklaard, maar dat een zware wissel wordt gelegd op de gezondheidszorg is zeker. De ontwikkelingen vragen om een bewustzijnsaanpassing. Een nieuw type mens. We zullen op de een of andere manier moeten accepteren dat alles minder zal worden.

Er zijn ook voordelen aan het ongebreidelde zelfbewustzijn. Onze generatie is opgegroeid met een nieuwe manier van nieuwsgaring. De journaallezer is slechts een van vele stemmen die een kant van de werkelijkheid belichten. De jongere van vandaag leest, ziet en hoort vluchtig nieuwsberichten, filmpjes, reacties, stemmen en tegenstemmen. Hij stelt zijn oordeel samen op basis van een veelzijdig scala aan bronnen en laat zich niet meer zo makkelijk iets wijs maken.

Tegelijkertijd is het geen probleem meer om zaken te benoemen. Jonge Marokkanen zorgen voor veel overlast, dat staat buiten kijf. En omdat wij op school, in sportclubs, in sociale kringen ook de meerderheid van welwillende allochtonen kennen, is het geen probleem dit expliciet te onderkennen. Juist omdat we weten dat de goeden lijden onder de kwaden, zoals dat altijd het geval is.

Wij zijn per definitie geen revolutionairen. Dat heeft te maken met generaties en tussengeneraties. De babyboomers liftten aanvankelijk mee op de naoorlogse welvaartstoename en rebelleerde vervolgens als de generatie-68, vol van idealen van vrijheid en democratie, tegen ingesleten maatschappijstructuren. Na de tussengeneratie in de jaren zeventig was er in de jaren tachtig een tegencultuur in de vorm van punk en het zich afzetten tegen de spilziek consumerende ouders, maar daarna werd het weer stil. Na de tussengeneratie van de jaren negentig bepaalt de historische conjectuur dat wij, de twintigers van de jaren tweeduizendtien, een nieuwe opstand ontketenen.

Maar neen, wij hebben niets meer om tegenaan te schoppen. Er is geen enkele aanleiding om het ouderlijke gezag te bevechten, een symbolische vadermoord te plegen. Wij zijn welwillend grootgebracht, maximaal profiterend van de ouderlijke bijstand, de ouders die hun welvaart ruimhartig aanwendden om aan de materiële en geestelijke behoeften van hun kinderen te voldoen. Genieten zonder grenzen.

En toch, die grenzeloze generatie, is het geen juk waar we onderuit willen? Juist de jongeren die geen grenzen kennen, manifesteren zich naar de buitenwereld toe. Maar zijn zij representatief voor onze generatie? Een Belgisch onderzoeksteam ondervroeg jongeren naar hun grootste zorg en wat bleek: de meesten maken zich druk om de betaalbaarheid van de pensioenen...

Aan de andere kant: Jongeren noemen zich over het algemeen 'gelukkig' tot 'zeer gelukkig', wat toch van een vreemd, oneigenlijk zelfbeeld moet getuigen. De definitie van 'geluk', van 'gelukkig zijn', wordt nauwelijks ter discussie gesteld. Deze zal overeenkomen met de mate waarin de jongeren hun hunkering naar kortstondig genot weten na te jagen, bestempeld als 'gewoon je ding doen', alleen of hoogstens in een kleine groep. Het is een vorm van geluk die bij uitstek verbonden is aan de levensfase van onbezorgdheid en uitgestelde verantwoordelijkheid. Geluk is echter ook gemoedsrust, een afwezigheid van zorgen. Die zorgen zullen in de toekomst alleen maar toenemen.

Een reclame van kort geleden vergeleek het bankieren toen en nu. Vroeger ging je naar de plaatselijke bank en vroeg je of je wat geld mocht lenen. Nu kijk je eerst eens rond, vergelijk je tarieven en maak je je keuze. Deze ontwikkeling werd als positief voorgesteld, maar de vraag is of dat zo is. Meer dan ooit is er behoefte aan veiligheid, aan zekerheid. De toename van keuzes zorgt voor marktwerking en dat is ten laatste altijd nadelig voor de klant, zo hebben we de laatste jaren geleerd. De financiële voordelen zijn aanvankelijk een gunstig effect, maar dit wordt tenietgedaan door de onbetrouwbaarheid en grote risico's. Je spaargeld is niet meer per definitie veilig op een bank. Het vertrouwen in de instanties wordt ondermijnd en daarmee de fundamenten van een open samenleving.

Je hoeft geen socioloog te zijn om in te zien dat dit op den duur onherroepelijk tot ontworteling en collectieve eenzaamheid leidt. Zeker met het oog op de toekomst: de welvaart zal afnemen en de behoefte aan geborgenheid en zekerheden zal daarmee toenemen. Maar zijn wij niet geconditioneerd om op zijn minst een behoud van ervaren welvaart te eisen? Stilstand leidt tot onvrede, achteruitgang tot oproer. Sluimerende ontevredenheid kan in een verindividualiseerde samenleving niet meer zo eenvoudig opgevangen worden in sociale verbanden, die immers meer en meer verbrokkelen.

De sociale cohesie die zo node gemist wordt, gedijt niet in een samenleving met grenzelozen. Niet voor niets blijft het CDA mensen aanspreken met hun pleidooi voor gezinsleven en gemeenschapszin als belangrijke peilers. Dit appelleert aan de groeiende behoefte aan duidelijkheid en zekerheid in een alsmaar individualiserende wereld. De grenzelozen schreeuwen om grensbepalingen. Groots en meeslepend leven, het is voor de egoïsten.

vrijdag 4 december 2009

Sporen

Bij de ingang van het FC Oss-stadion staan sinds jaar en dag twee oudere mannen loten te verkopen, ten bate van 'jeugd en amateurs'. De mannen roepen steevast de wervingstekst 'drie voor één euro, zes voor twee'.

Dat laatste is bij nader inzien een loze toevoeging. Als je voor een piek drie lotjes kunt kopen, dan krijg je er logischerwijs zes voor het dubbele bedrag. Alleen als er een korting aan verbonden zou zijn, is het van belang te vermelden wat de prijs van meer dan drie loten is. De mannen staan er in weer en wind, doen het waarschijnlijk voor niets en missen het eerste kwartier van elke wedstrijd door de laatkomers. Hun simplistische economische inzicht mag je ze dan ook niet al te euvel duiden.

De Nederlandse Spoorwegen, toch een gigantisch bedrijf, werkt evenwel al jaren met dezelfde methode. Sinds het zalige reizen op een OV-jaarkaart een gesloten boek is, maak ik veel gebruik van losse tickets. Ik bedacht dat het wel handig zou zijn een 5-retour-kaart te kopen. Lekker makkelijk en scheelt weer in de kosten, zo was mijn al te optimistische gedachte. Van enige korting is echter geen sprake. De prijs van een 5-retour-kaart bedraagt gewoon vijf keer de prijs van een retourtje...

In Brussel koop je een ticket voor vijf ritten met wat korting en een ticket voor tien ritten met nog meer korting. Ik heb gemerkt dat in veel opzichten de Belgen hun zaakjes verre van op orde hebben en dat alles er tien keer trager gaat dan in Nederland, maar qua spoorwegen heb ik tot op heden weinig te klagen. Oké, er is veel (kleine) vertraging, maar die wordt wel op de minuut nauwkeurig aangegeven en continu geüpdatet. Dus niet op z'n Hollands een omroepbericht dat de trein vijf minuten vertraging heeft en dan ruim een kwartier moeten wachten, of - misschien nog erger - bij zo'n melding nog snel even een broodje gaan kopen en dan bij terugkomst merken dat de trein toch op tijd was en net wegrijdt.

Bovendien kun je in België nog bijna overal een kaartje kopen aan het loket - nog nooit een onvriendelijke of chagrijnige beambte tegenover me gehad - en word je niet getreiterd door onwillige automaten. Ook van die verderfelijke OV-chipkaart is bij de zuiderburen (nog) geen sprake. Ik kijk al met angst en beven uit naar het moment waarop die kaart verplichte kost wordt. Niemand heeft erom gevraagd, de onduidelijkheid is groot en er schijnt ook nog iets te zijn met gegevens en privacy en zo...

Groot minpunt is de aansluiting van België op Nederland. Er is een rechtstreekse intercity tussen Brussel en Amsterdam, maar die rijdt maar één keer in het uur. Bovendien moet je als je vanuit de richting Den Bosch komt vijfentwintig minuten wachten op het winderige, onplezierige station van Roosendaal. Ook schijnen er weleens treinen definitief te stoppen in het grensplaatsje Essen, zonder nadere mededelingen aan de gestrande reizigers.

Wat een gedoe allemaal. Zoiets hoop ik nooit mee te maken, zeker niet op vrijdagavond. Dan móet ik uiterlijk om 20.00 uur in Oss zijn om begroet te worden door de nutteloze maar in haar eenvoud o zo sympathieke 'aanbieding' van de lotenverkopers.

donderdag 26 november 2009

Eindelijk Master

Officieel was ik al meer dan drie maanden afgestudeerd, maar gisteren vond dan de uitreiking van het diploma plaats. De Senaatszaal in de Aula van de RU Nijmegen zat goed vol met familie, vrienden, docenten en belangstellenden. Samen met Erik, Paul, Chris en Esther werd ik getrakteerd op een mooie plechtigheid met onderhoudende praatjes van zowel de studenten als hun begeleiders.

De toegenomen internationalisering van de universitaire wereld heeft ervoor gezorgd dat ik nu in feite geen doctorandus ben maar 'Master of Arts', en 'MA' achter mijn naam mag zetten. Of zelfs 'Master of Philology', 'Mphil'. Dan krijg je dus 'Marc van Zoggel, Mphil' in plaats van 'drs. Marc van Zoggel'. Ontzettend lelijk en jeuk veroorzakend natuurlijk. Het schijnt echter (nog) niet verboden te zijn 'doctorandus' te blijven gebruiken. Gelukkig maar.

Helaas kon mijn broer er gisteren niet bij zijn. Hopelijk kan ik volgend jaar wel het in de lucht werpen van kekke hoedjes in Lincoln van dichtbij meemaken.

maandag 16 november 2009

Woensdag 11 november, 10.05 uur.

Er staan agenten aan het eind van de straat. Ze staan duidelijk op wacht, zijn niet met iets of iemand bezig. Ze staan met hun rug naar mij toe. Ik stap op een losse stoeptegel. Het geluid klinkt op tegen de gevels van de huizen, de agenten kijken om. Ik ben slechts op weg naar het centraal station om een kaartje voor morgen te kopen, verklaar ik in gedachte.

Als ik de hoek om ga, zie ik dat er mensen op straat staan. Ze dragen gilde-achtige kleding en sommigen hebben vaandels in de hand. Even verderop staan hekken langs de weg. Wat nu weer, denk ik. Ik loop stug door richting station, maar al gauw belemmeren meer hekken de doorgang. Ik steek over en probeer het aan de overzijde maar ook daar is alles afgezet. Enkele mensen staan voor het hek.

Mijn oog valt op een geïmproviseerde tribune aan de overkant, enkele meters van waar ik zojuist overstak. De stellage ziet er wankel uit, het zeildoek is diepgroen. Op klapstoeltjes zitten legerofficieren, een bont gezelschap. Geen uniform is gelijk, men schudt driftig handen. Er zitten ook twee donkere Afrikanen, dik, hooghartig, het uniform strak om de grote borstkas gespannen. Voor mij strekt zich een plein uit. Daarop staan soldaten met muziekinstrumenten. Op een teken van een oude man beginnen ze te spelen. Slepende, treurige muziek.

In het verlengde van de militaire tribune staat nog een tweede tijdelijke tent. Op de grond ligt een rood tapijt, de klapstoelen zijn vervangen door tuinstoelen. Grote, geblindeerde auto's rijden af en aan. Mannen in pak en vrouwen in rok stappen uit. Plotseling herken ik de premier. Hij zit wat weggedoken in zijn stoel, de pluk haar wordt gemarteld door de felle wind. Ik herken meer personen, ze praten formeel, stijf, niet uit vrije wil. Uit een verlate auto stapt een enorme man met een driekleurig lint om zijn regenjas. Zijn dieprode gezicht verraadt hoge bloeddruk.

Het aantal mensen dat zich opstelt langs de hekken neemt mondjesmaat toe. Achter mij staat een oude man met baret. Hij begroet een leeftijdsgenoot. Ik versta weinig van hun gesprek maar begrijp dat ze aan de ander vragen in welke eenheid, welk bataljon hij gediend heeft. Een stem klinkt op uit onzichtbare luidsprekers. Hij heet de aanwezigen welkom bij deze plechtigheid en kondigt het volkslied aan.

De premier en zijn gevolg komen in beweging. Ze lopen over de tramrails en passeren mij. Ik herken nu ook de look-a-like van Maarten Ducrot. Wat was zijn naam ook alweer? Ik kom er niet op. Tien meter ter linkerzijde van waar ik sta, stellen de mannen en vrouwen zich op. Vanuit de verte komt een auto aangereden, begeleid door politiemotoren. De auto stopt voor de premier en zijn ministers, een oude man in uniform stapt moeizaam uit. Hij richt zich op en zwaait aarzelend naar de mensen. Het is de koning.

De vorst geeft de leden van het kabinet een hand en maakt kort een praatje met ze. Daarna loopt hij verder en zwaait naar een kind. De weinige mensen kijken zwijgend toe. Na een paar stappen wordt de koning opgewacht door een klein mannetje in een lelijk, bont uniform. Hij is blijkbaar de hoogste officier hier. Ik besluit hem daarom - Stratego indachtig - de 'maarschalk' te noemen. De maarschalk heet de koning welkom en vraagt hem te volgen. Ze lopen uit mijn gezichtsveld.

De stem kondigt een parade aan. De volgende vijf minuten passeren groepjes strijders, oud-strijders en toekomstige strijders. Een hoogbejaard mannetje met stok kan het tempo niet bijbenen en wordt ingehaald door een volgend groepje. De gezichten zijn strak, de machinegeweren indrukwekkend. De militaire tribune salueert eensgezind. De maarschalk voert ook een groepje aan. Hij schreeuwt orders en komt daarbij moeiteloos boven de muziek uit. Als laatste komen kleuters voorbij. Ze zijn in korte broek en vergaan zichtbaar van de kou.

Na de parade begint de kranslegging. Wel twintig kransen worden bij het monument gelegd. Ik zie steeds twee andere mensen met een krans de straat oversteken, het monument is net niet zichtbaar. Dan klinken saluutschoten. De tijd tussen twee schoten is steeds langer. Er komt geen einde aan, lijkt het wel. De gure wind trekt aan. Dan is het plotseling afgelopen. De hoogwaardigheidsbekleders stappen in ijl tempo achterin de auto's die vervolgens met piepende banden wegrijden. In vijf minuten is alles opgeruimd en worden de hekken weggehaald.

Ik vervolg mijn weg naar het station.

donderdag 5 november 2009

Eerste indrukken

- Brussel is een merkwaardige stad. Ik ben gewaarschuwd voor de 'cultuurschok', maar de stad lijkt in niets op een hoofdstad als Amsterdam, voor zover ik Amsterdam ken dan. Amsterdam heeft een historische kern en is in de loop der tijd steeds verder uitgedijd naar buiten toe. In Brussel daarentegen is het oude steeds meer naar de randen verdreven. Hoe dit precies zit, weet ik niet, maar zo is het me uitgelegd.

- In Amsterdam doen voetgangers net of stoplichten niet voor hen gelden. Ze steken gewoon over bij rood licht. In Brussel wordt vaker gewacht bij rood, maar het merkwaardige is dat bij groen licht voor voetgangers vaak ook kruisend autoverkeer begint te rijden. Daardoor moet je als voetganger ook op je tellen passen als je over mag steken.

- 'Gewone mensen' zie je alleen in de drukke winkelstraten. Daarbuiten zijn het bankiers en bedelaars die de straten bevolken. Om de vijf meter een bedelaar - elke dag dezelfden - en dan haastige zakenmensen die zich daar langs spoeden. Constant die telefoon tegen het oor houdend uiteraard.

- Mijn kamertje bevindt zich langs het financiële hart van de stad. De enorme gebouwen van giganten als Dexia en ING roepen vooral weerzin op. De glazen kolossen maken op geen enkele manier een warme of uitnodigende indruk. Het zijn ondoordringbare torens die in deze tijden van crisis en omvallende banken soms even doen denken aan monumenten uit vervlogen tijden, de piramides van de twintigste eeuw. Als ik ze tegemoet loop, de reuzen afgetekend tegen de donkere lucht, denk ik steeds aan die prachtige regels van Lucebert: 'bankgebouwen, ruisend van inflatiegerucht'.

- Naar verluidt is 80% van de inwoners van Brussel Franstalig. Officieel moeten alle diensten tweetalig zijn, maar in de praktijk werkt dat natuurlijk niet zo. Veel horecagelegenheden en kleine winkels zijn louter Franstalig. Opvallend was de toestand in de Blokker. Daar waren alle bordjes, productbeschrijvingen e.d. voor de verandering eens uitsluitend in het Nederlands. De cassière sprak echter alleen Frans... In warenhuizen als de HEMA word je dan weer standaard begroet met een keurig 'bonjour, goedemorgen'. Ook bij de loketten van de spoorwegen kun je uitstekend terecht met je Nederlands. Voordeel van de tweetaligheid is dat je in een oogopslag kunt zien wat een Franse term betekent, bijvoorbeeld op de straatnaambordjes.