Posts tonen met het label Hermans. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hermans. Alle posts tonen

dinsdag 17 september 2013

Alleen de alleenstaanden

Iedereen gaat deze crisis in de portemonnee voelen, is al een jaar lang de mantra van Rutte-II. De plannen die vandaag op Prinsjesdag werden gepresenteerd voegen de daad bij het woord, want alle groepen gaan erop achteruit. Correctie: bijna alle groepen, want 'uit de doorrekeningen van het CPB', zo schreef HP/De Tijd vanochtend, 'blijkt dat alleen een deel van de alleenstaanden erop vooruitgaat.'

Dat kan geen toeval zijn. Met Mark Rutte en Diederik Samsom hebben de twee coalitiepartijen VVD en PvdA immers allebei een vrijgezel als politiek leider. De tweede wat onvrijwilliger dan de eerste, maar toch. Het werd ook hoog tijd. Al sinds de Tweede Wereldoorlog wordt de vrijgezel gediscrimineerd.

De Duitse bezetter voerde toen een vrijgezellenbelasting in. Om de bevolkingsaanwas te stimuleren natuurlijk. Hoe meer Ariërs, hoe meer vreugd. Willem Frederik Hermans maakte in 1951 stampij omdat de naoorlogse politiek had verzuimd die maatregel terug te draaien. In 1966 was er nog niks veranderd. Hermans brak de staf over 'de manier waarop vrijgezellen in Nederland worden behandeld. Dat wordt langzamerhand een gediscrimineerde bevolkingsgroep. Die mensen betalen meer belasting. Die mensen kunnen geen eigen woning hebben. Ze moeten tegen verschrikkelijke woekerhuren een kamertje huren. Het zijn mensen zonder toekomst.'

'Ze hebben niet de gelegenheid hun positie te verbeteren of iets op te sparen. Dat zijn toch groepen van enige honderdduizenden mensen, die alleen maar in die positie gedrukt worden, omdat ze toevallig niet getrouwd zijn. Als die mensen toevallig allemaal bruin waren, zou iedereen roepen: wat is dat voor een schandalige rassendiscriminatie!'

Zo was het en zo is het. De maatschappij is nog steeds ingesteld op huishoudens van minimaal twee personen. Als je toevallig geen partner kunt krijgen of gewoon liever alleen blijft, dan word je financieel onevenredig gepakt. Een lening of een hypotheek afsluiten is veel lastiger, zorg- en woonkosten zijn hoger en ook fiscaal word je benadeeld, zo bleek uit berekeningen in 2011: 'Bij een salaris van 40.000 euro betaalt een alleenstaande 5.000 euro meer belasting dan twee partners die gezamenlijk hetzelfde bedrag verdienen.' En dus had Hermans nog altijd gelijk: 'Vrijgezellen worden gediscrimineerd.'

D66 vroeg met steun van CDA en SGP aan Rutte om daar een einde aan te maken, maar die had het te druk met Wilders in toom te houden. De steun van de confessionele partijen was overigens een mijlpaal, als de traditionele gezinspartijen die ze nog altijd zijn. Hermans gaf in 1966 vooral de schuld aan de PvdA, de enige niet-bijbelse partij van betekenis: 'Ik constateer al sedert jaren een groot gebrek aan moed bij die PvdA.'

Is het nu dan eindelijk zo ver, met single Samsom? Helaas, de wens lijkt weer eens vader van de gedachte. Het Nibud laat zien dat alleen de alleenstaande werkenden met een laag loon erop vooruitgaan: 1,5 procent. Alleenstaande werkenden met modaal of hoger inkomen leveren net zo hard in als de gezinnen.

Vanavond bij het televisiedebat viel op dat Samsom leek te slissen. Komt dat doordat logopedie niet meer voor honderd procent vergoed wordt via het basispakket? Of spreekt Samsom met een gespleten tong? 'Ik constateer al sedert jaren een groot gebrek aan moed bij die PvdA.' Het is dat niemand het woord 'sedert' nog gebruikt, maar in het tweede geval zou de constatering van Hermans ook nu, een halve eeuw later, nog steeds opgeld doen.

donderdag 27 juni 2013

Het psychosomatische schrijven

Begin deze maand overleed de Schotse schrijver Iain Banks op 59-jarige leeftijd. Postuum verscheen deze week zijn laatste boek, The Quarry. 'Het gaat over de fysieke en emotionele belasting van kanker', zo schreef NOS Teletekst. 'In het boek worden de laatste weken beschreven van het leven van een man in de 40, die lijdt aan kanker. Pas toen hij z'n boek bijna af had, ontdekte Banks dat hij zelf aan kanker leed.' Dat laatste is heel curieus. Toch komt het vaker voor, ook in de Nederlandse literatuur. Ik zou het verschijnsel 'het psychosomatische schrijven' willen noemen.

Willem Frederik Hermans signaleerde in zijn beruchte Mandarijnen op zwavelzuur al een geval. Adriaan Morriën had in 1955 op enkele van Hermans' vroege Mandarijnen-publicaties gereageerd met de brochure De gruwelkamer van W.F. Hermans, of Ik moet altijd gelijk hebben. Hermans vertelde daarop dat de brochure aanvankelijk Stamppot op Maagzuur had moeten heten en dat hij de uitgever een doosje vitaminen had gestuurd 'ter opkikkering' van Morriën. 'Achteraf mag Morriën het betreuren als De Bezige Bij hem mijn heilzame zending niet ter hand heeft gesteld. Een paar weken kreeg de moedige auteur [...] het n.l. aan zijn maag. Psycho-somatische zelfbestraffing, zei de dokter.' (Mandarijnen op zwavelzuur, 1973, vierde druk, p. 194)

Ook Harry Mulisch heeft een soortgelijke geschiedenis meegemaakt. In 1982 werkte hij aan een kort fragment van de roman die hij onder handen had. Het fragment werd echter veel te lang, 'een gezwel, een carcinoom dat mijn roman dreigde te vernietigen.' Hij besloot 'operatief' in te grijpen: 'Ik heb toen een stanleymes gepakt en een aanslag op dat boek gepleegd.' Hij sneed het fragment uit het manuscript om het als aparte novelle uit te werken. Die zou vervolgens uitgroeien tot zijn klassieker De aanslag.

Hij ondervond zelf de gevolgen van die 'aanslag' op het manuscript: 'die bleek zich uiteindelijk op mezelf te richten, want in hetzelfde jaar moest er uit mezelf een stuk gesneden worden.' (Het voorbestemde toeval, 2002, p. 173). Mulisch bleek maagkanker te hebben. Het verschil met Banks en Morriën is natuurlijk dat Mulisch niet over de betreffende maagziekte schreef, niet over een carcinoom, maar achteraf het wegsnijden van het romanfragment en het operatief verwijderen van de tumor met elkaar in verband heeft gebracht, een voorbeeld van het principe van de 'voorspelling achteraf' waarmee Mulisch alles onderbracht in zijn persoonlijke mythologie.

Een derde auteur die het psychosomatische schrijven kent is A.F.Th. van der Heijden. In zijn dagboek Engelenplaque. Notities van alledag 1966-2003 (2003) doet hij verslag van de onfortuinlijke uitwerking van de titelkeuze 'Moeilijke voeten' op zijn directe omgeving: 'Zo vroeg ik een bevriende kunstenaar enige proefontwerpen te maken voor het omslag van Moeilijke voeten, deel 1 van de cyclus [Homo Duplex]. Prompt – nou ja, dezelfde week nog – bleef hij bij het van zijn renfiets stappen met zijn voet in een toeclip haken, en stortte ter aarde. Resultaat: een gescheurde achillespees, waarmee hij op de operatietafel belandde. Hij liep twee maanden met krukken, en heeft nog altijd een moeilijke voet.' (p. 487)

Lijkt het hier nog vooral om een ongelukkige samenloop van omstandigheden te gaan, om concrete pech, het psychische element doet zijn intrede in een tweede anekdote. Een bevriende amateur-drukker werd eveneens slachtoffer van de titelmagie. Aan hem stond Van der Heijden een fragment uit Moeilijke voeten af om er een bibliofiele publicatie van te vervaardigen: 'Na lezing van een paar bladzijden signaleerde hij jeuk en irritatie in een van zijn voeten. Enkele uren later was hij onder zwaailicht op weg naar het ziekenhuis, met een ernstige ontsteking, waarvan we mogen hopen dat zij geheel genezen is.' (p. 487-488)

Maar het voornaamste slachtoffer van het psychosomatische schrijven is natuurlijk de schrijver zelf: 'Spoedig nadat ik voor ’t eerst, als werktitel nog maar, Moeilijke voeten boven mijn manuscript had gezet, kreeg ik last van stekende pijn in mijn grote teen. Het bleek om jicht te gaan, een kwaal waar ik nooit eerder last van had gehad.' Van der Heijden publiceerde eerst een ander, onvoorzien deel van de cyclus, De Movo Tapes (2003). 'Ik weet niet in hoeverre de reeks ongelukken mijn beslissing beïnvloed heeft om eerst met De Movo Tapes te komen. Hoe dan ook, "Movo" is nog altijd de afkorting van "Moeilijke voeten", dus een paar maanden na de invoering van de nieuwe titel, nu een jaar geleden, brak ik mijn linkervoet'.

Moeilijke voeten is tot op heden niet verschenen, en misschien maar goed ook. Slotvraag: als al die schrijvers via een of ander psychosomatisch mechanisme de kwalen en ziektes die ze beschrijven zelf  oplopen, welk risico loopt dan een blogger die over dat psychosomatische schrijven schrijft?

donderdag 5 juli 2012

Tussen aanmelding en lidwording. Hella Haasse en de Kultuurkamer

Onlangs publiceerde historicus Ewoud Kieft zijn studie Oorlogsmythen. Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2012). Hermans ontleent een belangrijk deel van zijn reputatie aan zijn kritische en sceptische romans, verhalen en beschouwingen over de rol van Nederland en haar inwoners in en na de Tweede Wereldoorlog. Die thematiek is nog beladener geworden sinds bekend is dat Hermans zich in 1942 aanmeldde bij de Kultuurkamer.

In HP/De Tijd van 5 mei 2012 besprak Max Pam het boek van Kieft, een week later (11 mei) komt hij op de website van het tijdschrift nog eens op het boek terug. Hij refereert daarbij aan de recente ophef rond de door Hermans-biograaf Willem Otterspeer publiek gemaakte ontdekking dat Hermans zich had aangemeld voor de Kultuurkamer (de Volkskrant, 17 september 2011) en voegt daar aan toe: ‘Wat wij nog niet weten is of hij ook daadwerkelijk lid is geweest. (Hier zou je aan toe kunnen voegen dat ook iemand als Hella Haasse zich heeft aangemeld, en bovendien lid is geworden, zonder dat iemand dat haar ooit verweten heeft, maar dit terzijde.)’

Die tussen haken geplaatste zin wekte de interesse van Rob Delvigne. Hij reageerde op het stuk: ‘Laten we het ’ns hebben over Hella Haasse en de Tweede Wereldoorlog. De Volkskrant (Aleid Truijens) schreef bij de dood van Haasse: “Zij weigert zich in te schrijven als lid van de Kultuurkamer”. En zo staat het ook in het plaatjesboek over Haasse (Ik besta in wat ik schrijf, 2008). Haasse speelde echter in de jaren 1943/44 in de aangemelde toneelgezelschappen Centraal Tooneel en De Ghesellen vanden Spele. De acteurs in die gezelschappen waren zodoende ook bij de Kultuurkamer aangemeld, neem ik aan. / Ben benieuwd of Max Pam harde bewijzen heeft, voor wat hij hier in een tussenzin schrijft.’

Delvignes reactie is ietwat verwarrend, omdat hij Pam eerst lijkt bij te vallen – hij pareert de communis opinio dat Haasse zich weigerde in te schrijven met de aanname dat acteurs van aangemelde gezelschappen ook individueel waren aangemeld –, maar aan het slot toch weer harde bewijzen eist van Pam. Wellicht bedoelt hij met ‘tussenzin’ niet de hele tussen haken geplaatste zin, maar alleen het gedeelte ‘en bovendien lid is geworden’.

Hoe zit dat nu met Haasse? In een ander ‘plaatjesboek’, het Schrijversprentenboek Ik maak kenbaar wat bestond. Leven en werk van Hella S. Haasse van Mariëtte Haarsma, Greetje Heemskerk en Murk Salverda (Amsterdam / Den Haag 1993), staat op p. 121-122: ‘In de zomer (première 2 juli [1943]) speelt [Haasse] de titelrol in de openluchtvoorstelling Mariken van Nieumeghen met het gezelschap Die Ghesellen van den Spele onder leiding van Ad. Hooykaas. In september sluit zij een contract bij het Centraal Tooneel van Cees Laseur en speelt mee in Adriaan en Olivier van Leonard Huizinga, Soubrette van J. Deval en Casanova in Amsterdam, een toneelstuk van dr. F.M. Huebner. Zij meldt zich persoonlijk niet aan bij de Kultuurkamer, maar het gezelschap wordt door Cees Laseur wel als collectief aangemeld.’

De ‘deadline’ voor aanmelding bij de Kultuurkamer lag op 19 februari 1942. Hella Haasse deed pas in juni 1943 eindexamen op de Toneelschool, waarna Laseur haar vroeg voor zijn theatergezelschap. In een interview met Johan Diepstraten uit 1984 (Hella S. Haasse. Een interview. Den Haag 1984) heeft Haasse openhartig verteld over deze episode: ‘Ik heb het formulier nog steeds […]. Ik kreeg zo’n formulier over de post en ik heb het weggeborgen. Het was een moeilijke kwestie met die Kultuurkamer. Ik had geen keuze. In 1943 deed ik eindexamen en moest op de een of andere manier in mijn levensonderhoud voorzien.’

Andere studenten waren bovendien vanuit illegale kringen benaderd met het voorstel financiële ondersteuning te ontvangen wanneer zij geen engagement met het gezelschap van Laseur zouden aangaan. Maar Haasse heeft zo’n aanbod naar eigen zeggen nooit gehad: ‘Ik had toen geen andere middelen van bestaan, en Laseurs gezelschap (met o.a. Mary Dresselhuis, Ko van Dijk, Gijsbert Tersteeg, Joan Remmelts) stond bekend als bijzonder “goed”, in alle opzichten.’ Laseur stond inderdaad bekend als anti-Duits; hij wilde doorspelen om de mensen nog enig vertier te kunnen bezorgen. Bovendien oefende Laseur in februari 1942 ‘geen enkele pressie op de leden van zijn gezelschap uit’ om zich individueel aan te melden (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 5: maart ’41 – juli ‘42, Den Haag 1974, p. 771). Niettemin werd hij op 3 augustus 1945 door de Eereraad voor de Tooneelkunst veroordeeld tot 3 maanden schorsing, een vonnis dat evenwel in mei 1947 door de Centrale Ereraad voor de Kunst, die de beroepszaken behandelde, werd vernietigd: ‘De Centrale Ereraad heeft laatst vermeld vonnis vernietigd en bepaald dat voor enigerlei maatregel ten opzichte van Laseur geen aanleiding bestaat,’ schreef het Utrechts Nieuwsblad op 22 mei 1947.

Hella Alofs heeft in Bzzlletin 91 (1981) een hypothese opgesteld om te verklaren waarom Haasse ondanks haar weigering het aanmeldingsformulier in te vullen toch door kon spelen: ‘ten eerste was de periode dat de Kultuurkamer hoge ogen gooide, voorbij. / Op de tweede plaats was de ontwikkeling zó dat de individuele aanmelding onbelangrijk was geworden. Het dóórspelen van een gezelschap hield feitelijk erkenning van de Kultuurkamer en collectieve toetreding in.’ Alofs citeert ook uit een reactie van Haasse op de toekenning van de literatuurprijs 1961 door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945. Het bestuur van de stichting had op haar verzoek ‘inlichtingen ingewonnen (o.a. bij Oorlogsdocumentatie) om na te gaan of ik misschien tóch zonder dit zelf te weten bij de Kultuurkamer ingeschreven ben geweest, b.v. in het “collectief” van het gezelschap Laseur. In dat geval had ik de prijs niet kunnen en willen aanvaarden.’

De procedure van de Kultuurkamer was in de woorden van Willem Huberts, die de Kultuurkamerkwestie voor Simon Vestdijk uitzocht (‘Vestdijk en de Kultuurkamer’, Vestdijkkroniek 57, 1987, p. 43), als volgt: ‘Men schreef een brief, waarin men te kennen gaf zich te willen aanmelden. Als reactie volgde dan de toezending van een aanmeldingsformulier. Wanneer men dit formulier ingevuld had geretourneerd, volgde de toezending van een tweede aanmeldingsformulier, ditmaal bestemd voor het gilde waarin men zou worden geplaatst – er bestonden in totaal zes gilden voor zes verschillende beroepsgroeperingen van kunstenaars. Dit tweede aanmeldingsformulier was vergezeld van een ariërverklaring. Beide formulieren moesten worden ingevuld, ondertekend en geretourneerd. Dit behelsde de formele aanmelding. Deze aanmelding werd door de Nederlandsche Kultuurkamer in behandeling genomen en het besluit werd dan de aanvrager t.z.t. medegedeeld. Door het constante personeelstekort en het verloop van de oorlog, is het bijna nooit voorgekomen dat de gehele procedure werd afgerond. Slechts zeer weinig mensen hebben daadwerkelijk bericht gekregen dat hun aanmelding geaccepteerd werd. Het bleef meestal bij terugzending van de toegezonden twee formulieren.’ Otterspeer zette de procedure ook al in soortgelijke bewoordingen uiteen in zijn Volkskrant-artikel over Hermans’ aanmelding.

Haasse heeft dus waarschijnlijk na toetreding tot Laseurs gezelschap een individueel aanmeldingsformulier toegestuurd gekregen. Dat formulier heeft ze echter nooit ingevuld geretourneerd – maar dat maakte in 1943 weinig meer uit.

Voor Max Pam maakt dat overigens ongetwijfeld geen verschil. Hij vond al dat het ‘rechtvaardig’ zou zijn geweest als Günter Grass, feitelijk nog een kindsoldaat, ‘een kogel door de kop was geschoten’ (de Volkskrant, 13 april 2012). Wat had hij Haasse dan wel niet toegewenst?

Eerder verschenen op Textualscholarship.nl

dinsdag 13 september 2011

Schrijvers in China: de lessen van Zuid-Afrika

In de heisa die is ontstaan rondom het bezoek van Nederlandse schrijvers en wetenschappers aan China wordt regelmatig gerefereerd aan de ‘kwestie-Zuid-Afrika’. In de jaren tachtig stelde Nederland een culturele boycot in tegen Zuid-Afrika, waar het apartheidsregime aan de macht was. Deze boycot kwam bovenop de door de Verenigde Naties ingestelde economische sancties.

In De Wereld Draait Door van maandag 5 september noemde Herman Pleij de herinnering aan die boycot als een reden om nu naar China te zijn gegaan. Hij is van de generatie die toentertijd een uitnodiging van de regering om te komen praten afsloeg, de Zuid-Afrikaanse bibliotheek in de Herengracht gooide en zich nu ‘kapotschaamt’ over de boycot. De andere Chinaganger die bij Matthijs aanschoof, de acteur Ramsey Nasr, is van na 'Zuid-Afrika', maar ook hij sprak vol vuur over de missie in China: 'Er was niemand die zei: was maar weggebleven.' Een nieuwe boycot zou dus een vergissing zijn geweest, misplaatst en bovendien contraproductief.

Een schrijver die de culturele Zuid-Afrika-boycot trotseerde was Willem Frederik Hermans. Op uitnodiging van zijn Zuid-Afrikaanse uitgever Koos Human reisde Hermans in het voorjaar van 1983 een maand door Zuid-Afrika. Hij gaf er gastcolleges en lezingen en trad er in contact met schrijvers als André Brink en Etienne Leroux. Het bezoek leidde weliswaar tot enige discussie in de media, maar omdat Zuid-Afrikaanse schrijvers, onder wie Brink, Hermans expliciet bijvielen, luwden de protesten snel. In 1986 stak de storm weer op toen Hermans naar verluidt door de VN op een ‘zwarte lijst’ was geplaatst, samen met Gerard Reve en Heintje, die eveneens in Zuid-Afrika hadden opgetreden.

Een en ander leidde ertoe dat de gemeente Amsterdam Hermans tot persona non grata verklaarde. Ook deze ‘boycot’ werd evenwel door de schrijver getrotseerd, en begin januari 1987 gaf Hermans een lezing in Amsterdam, die overigens nog verstoord werd door een valse bommelding. Aan de organisatie schreef Hermans achteraf dat hij hoopte ‘voor u en alle Amsterdammers dat het Gemeentebestuur zijn dwaze houding zal corrigeren en inzien dat geen enkele bewoner van het 9000 km verderop gelegen Zuid-Afrika wordt geholpen door Nederlandse schrijvers in Amsterdam te laten bedreigen.’ (Volledige Werken 14, p. 799)

De huidige China-kwestie roept inderdaad reminiscenties op aan 'Zuid-Afrika'. Er is nu weliswaar geen sprake van een officieel ingestelde boycot, maar er is wederom beroering over een schrijversbezoek aan een land waar een dubieus regime aan de macht is. Ook nu zijn er schrijvers uit het bewuste land die het bezoek steunen. En net zoals er nu ook tegengeluiden opklinken waren er toen schrijvers die juist fel tegen het bezoek waren, met als bekendste voorbeeld Breyten Breytenbach, die indertijd betoogde dat Hermans' opinie over de apartheid regelrecht 'uit de koker van het regeringspropaganda-apparaat' kwam.

Hermans bleek bovendien een beperkt beeld van de situatie in Zuid-Afrika te zijn voorgeschoteld. Zo kwam hij vrijwel alleen met blanke schrijvers in contact en verklaarde hij bij thuiskomst dat hij bij een bezoek aan Robbeneiland had gezien hoe Nelson Mandela daar in de tuin van die comfortabele gevangenis in alle rust mocht studeren. Mandela bleek echter al een ruim een jaar eerder te zijn overgeplaatst naar de Pollsmoor Prison in Kaapstad.

Ook nu ligt het zeer voor de hand dat de groep Chinese schrijvers die de Nederlandse delegatie heeft gesproken niet representatief mag heten voor de hele populatie. Het argument van Nasr dat er niemand was die had gewild dat de Nederlanders niet waren gekomen, is van een verbazingwekkende naïviteit. Schrijvers die een ander geluid hadden kunnen laten horen, waren immers zorgvuldig geweerd van de boekenbeurs. Hoogstwaarschijnlijk hebben dus ook de goedbedoelende Nederlanders anno 2011 een gekleurde versie van de realiteit voorgeschoteld gekregen.

De Nederlanders in China hebben er goed aan gedaan contact te zoeken met Chinese schrijvers, maar ze moeten zich er toch ook rekenschap van geven dat ze in een zorgvuldig geregisseerd programma terecht zijn gekomen waarbij dissidente schrijvers bewust buiten hun bereik zijn gehouden. De Chinagangers hadden hun jubelverhalen over dialoog, contact maken en het bevorderen van het vrije woord derhalve met iets meer nuance mogen inkleden.

dinsdag 15 juni 2010

De aardigste buurman ter wereld

Op 24 april 1995 werd Willem Frederik Hermans per ambulance vanuit Brussel naar het Universitair Medisch Centrum in Utrecht vervoerd. Bij de schrijver was kort daarvoor longkanker in een vergevorderd stadium geconstateerd. Drie dagen later overleed hij. De drie laatste dagen van zijn leven bracht Hermans dus nog in zijn geboorteland door. Zijn laatste jaren waren echter Brusselse jaren geweest. Sinds 1991 woonde hij met zijn vrouw Emmy in de Brusselse deelgemeente Etterbeek, in de Atrebatenstraat op nummer 61.

Het huis is gebouwd in 1922 en neemt een opvallende plek in het straatbeeld in. Het steekt ietwat naar voren, in het bijzonder de eerste verdieping, en heeft een witte gevel en grote, opvallende ramen. Op de gevel is op 27 april 2005, de tiende sterfdag van Hermans, een plaquette onthuld met daarop de tekst: ‘In dit huis woonde van 1991 tot 1995 de Nederlandse schrijver Willem Frederik Hermans. Zevenentwintig april tweeduizendenvijf’.

Toen ik onlangs het huis en de plaquette stond te fotograferen, werd ik aangeklampt door een vrouw die me verzekerde dat ‘Monsieur Hermans’ een groot schrijver was geweest. Ze bleek in het huis ernaast te wonen en ook de buurvrouw van Willem Frederik en Emmy Hermans te zijn geweest in de vroege jaren negentig. Hermans was niet alleen een groot schrijver, hij was ook ‘très sympa’. Ze had zelfs nog aardige brieven van hem bewaard. Of ik die wilde zien.

De buurvrouw, mevrouw De Broqueville, toverde uit een exemplaar van Homme’s hoest een viertal documenten tevoorschijn. Een kaart van Emmy zonder datum, maar gezien de inhoud waarschijnlijk daterend van enige jaren na Hermans’ overlijden, en drie korte, getypte briefjes van Hermans zelf.

De eerste brief is getypt op briefpapier van het ‘Garden Hotel/ Mangerie de Kersentuin’, gelegen aan het Dijsselhofplantsoen te Amsterdam. De brief is niet gedateerd en ook aanhef en ondertekening ontbreken, dus waarschijnlijk is hij niet daadwerkelijk verstuurd vanuit Amsterdam. Het betreft een soort van probatio pennae, maar dan in een typemachinevariant.

‘Une machine de très bonne qualité!,’ opent Hermans met zichtbaar genoegen. En dan in rode inkt: ‘Elle écrit aussi en rouge. Commode, quand la bourse est vide et le compte en banque négatif….’. Een zwak aspect van de machine is het inktlint, dat ‘un peu fatigué’ is. De scherpzinnige Hermans neemt ook maar meteen de gelegenheid ten baat te vragen of ‘mangerie’ wel correct Frans is: ‘C’est à dire pas dans le sens de grande bouffe, mais de “restaurant chic”?’

In de eerste brief schreef Hermans dat het lint eenvoudig te vervangen is. In een volgend briefje, een ‘Mode d’Emploi’, zet hij kort uiteen aan zijn buurvrouw hoe dat dient te gebeuren. De gebruiksaanwijzing opent met een tekening van het inktlint – zwart en rood – en twee spoelen. Dan volgen de technische aanwijzingen: ‘Insérer le ruban de sorte que l’œillet soit entre la bobine et la forchette. / (Les rubans sans œillet sont utilisables: on met un nœud à la plce de l’œillet qui manque.)’ De buurman is altijd beschikbaar voor nadere ondersteuning: ‘S’il ya des problèmes, n’hesitez pas d’aller me voir.’

Het derde briefje is het enige dat gedateerd is. Op 16 november 1994 vroeg Hermans of zijn buurvrouw wellicht tijd had met hem een supermarkt te bezoeken: ‘Est-ce qu’une petite expédition à quelque supermarché vous dirait quelque chose?’ De Hermansen hebben namelijk dorst en hun kat Cooky heeft behoefte aan grind om haar gevoeg te doen: ‘Nous n’avons presque plus rien à boire et la Cooky n’a plus rien pour faire pipi dessus.’ Hermans werd in de laatste jaren van zijn leven door zijn buurvrouw overal naartoe gereden, zo lichtte mevrouw De Broqueville desgevraagd toe, bijvoorbeeld naar de supermarkt dus. Zij deed dit altijd met plezier voor zo’n bijzonder aardige buurman.

De brieven zou je ook ‘memo’s’ kunnen noemen. Het zijn praktische gelegenheidsschrijfsels. Ze laten niettemin zien dat Hermans zijn fascinatie voor de typemachine tot aan het eind van zijn leven cultiveerde en geven een inkijkje in het milde karakter van een man van wie toch vooral het imago van een polemische scherpslijper lijkt te gaan overleven. Mevrouw De Broqueville voelde meer voor mijn variatie op een boektitel van Freddy de Vree: ‘De aardigste buurman ter wereld’.


Deze tekst werd eerder gepubliceerd op het Platform Teksteditie, maart 2010, in de rubriek 'Manuscript van de maand': 'De aardigste buurman ter wereld'.

dinsdag 14 oktober 2008

Lezen, lezen, lezen #2

William Marx - Het afscheid van de literatuur. De geschiedenis van een ontwaarding 1700-2000 (2008) 280 blz.
Het is een bekend gegeven dat literatuur tegenwoordig van marginaal belang is. Weinig boeken dragen nog bij aan maatschappelijke duiding, laat staan verandering. Dat is ooit anders geweest. De Franse professor William Marx heeft getracht deze neergang in kaart te brengen. Hij gaat uit van drie fasen die de periode 1700-2000 hebben gedomineerd: achtereenvolgens expansie, verzelfstandiging, ontwaarding. De expansie viel samen met de religieuze status die literatuur in de achttiende eeuw kreeg toebedeeld: literatuur verving langzaamaan de godsdienst. De verzelfstandiging waarop dit uitliep, resulteerde in een overwaardering van literatuur: l'art pour l'art. Ze 'sloot zich op' in zichzelf en deze overwaardering luidde fase drie in: de ontwaarding. Het contact met de werkelijkheid ging definitief verloren en de literatuur verschanste zich in het huis van de vorm. Marx onderbouwt deze visie met een coherent en diepgravend betoog. Sterk is de lijn die hij trekt van de Grote Aardbeving van 1755 in Lissabon naar Auschwitz 1940-1945. Na de beving woekerde de reflectie in poëzievorm ('Poëzie van de rampspoed'), na de gaskamers 'verbood' Adorno poëtische reflectie ('Rampspoed van de poëzie'). Deze ontwikkeling lag in zichzelf besloten; op elke opgang volgt altijd een neergang: 'Drie eeuwen aan een stuk heeft de literatuur zonder ook maar een duimbreed van haar traject af te wijken één lange neerwaartse helling gevolgd. [...] Er was geen keuze mogelijk tussen de vernietiging en de bloei: zij waren de twee keerzijden van één enkele werkelijkheid.' Marx' boek is uitstekend van toepassing op de Franse situatie, maar dat is tegelijkertijd zijn manco: een paneuropese visie ontbreekt. Tekenend voor het Franse isolement?

Taco H. de Beer - Shakespeare... een pseudoniem. Bacon is de auteur [...] (1921), 132 blz.
Naar aanleiding van de lectuur van Shakespeare van Bill Bryson hoopte ik iets meer te weten te komen over de kwestie Shakespeare-Bacon. Was Shakespeare wel de auteur van het imposante oeuvre? Of was het toch de mysterieuze Francis Bacon? Ik vond in een catalogus een Nederlandstalig boekje over de kwestie. Auteur is Taco H. de Beer, 'Buitenlandsch eerelid der Koninklijke Vlaamsche Academie van België'. Zoals de titel verraadt is De Beer een 'Baconiaan'. Hij geeft fel af op de 'Stratfordians', die volgens hem blind zijn voor het overweldigende bewijs. De Beer gispt in het eerste gedeelte van zijn boek critici die Baconiaanse publicaties neersabelen. Ook reproduceert hij ellenlange brieven van en aan buitenlandse medestanders. Het tweede gedeelte is een samenvatting van de monumentale studie van Ignatius Donnelly over het onderwerp, The Great Cryptogram (800 pagina's). Deze Donnelly heeft in een levenomspannend onderzoek vele soorten 'bewijs' verzameld: biografisch, stilistisch, taalkundig, contextueel. Opvallendst is echter de zogenaamde 'getallenmystiek': in de werken zouden talrijke verborgen verwijzingen naar de naam Bacon verborgen zitten. Dat De Beer vooral deze 'bewijzen' onder de aandacht brengt, zegt genoeg. Hij laat zich kennen als een geleerd man die zijn talen spreekt - en ergens het woord 'homo-sexualist' opschrijft -, maar zich het hoofd op hol heeft laten brengen door een - weliswaar intrigerend - schemergebied in de historische letterkunde.

Willem Frederik Hermans & Gerard Reve - Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling (2008) 316 blz.
Een editie van de brieven die twee van de grote drie elkaar schreven tussen 1947 en 1987: dat moet wel iets bijzonders opleveren. En bijzonder is dit boek ook: literair-historisch van grote waarde, een prachtboek voor de literatuurliefhebber. De toelichtingen van de biografen Willem Otterspeer en Nop Maas zijn precies goed: zuinig maar helder. Hermans is in zijn brieven dikwijls nors en afstandelijk, hij lijkt vaak een antwoordschrijven op te stellen louter uit aardigheid. Reve is - dat moet gezegd - niet zelden opdringerig (en in een enkel geval zelfs aanmatigend, nl. wanneer hij zonder schroom een verklaring opstelt voor de redenen die Hermans' zuster Corrie moet hebben gehad om zelfmoord te plegen). Vervelend is Reve ook in zijn periode waarin hij alleen nog in het Engels schrijft. Ontroerend zijn de brieven waarin de als onaantastbare polemist bekend staande Hermans plots blijk geeft van melancholie en diepe twijfel aan eigen kunnen. In de allereerste brief geeft Hermans een kernachtige omschrijving van Reve's De avonden: 'Het boek is buitengewoon eentonig, maar ik heb mij geen ogenblik verveeld.' In 1959 forceert Hermans plotsklaps een breuk. Reve vraagt om een bijdrage van Hermans voor Tirade. Reve voegt daaraan toe: 'Ik verbaas mij dat ik je nooit meer zie. Moet ik aannemen dat ik in ongenade ben?' Hermans antwoordt ijskoud: 'Hoe onbegrensd mijn medelijden ook moge wezen, mijn tijd is niet onbegrensd. Daarom is in ongenade vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dit overkomt jou dus bij dezen.' Reve zoekt nadien nog meermaals toenadering, maar tevergeefs.