Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Literatuur. Alle posts tonen

dinsdag 24 juni 2014

Bomans op Rottumerplaat: 'Ik heb vrede met mezelf'

Godfried Bomans was misschien wel de eerste tv-ster van Nederland. In de beginjaren van de televisie werd de auteur ongekend populair. Bomans stierf op 22 december 1971 op 58-jarige leeftijd aan een hartaanval. Vaak wordt een verband gelegd tussen zijn overlijden en zijn verblijf op Rottumerplaat enkele maanden eerder, zoals samengevat in zijn Wikipedia-lemma: 'Het primitieve verblijf lag hem niet; vrijwel zeker heeft het hem een terugslag bezorgd in zijn gezondheid.'

Bomans bracht van 10 tot 17 juli een week in afzondering door op het onbewoonde Waddeneiland. Willem Ruis van de VARA had vanuit een hotel in Warffum dagelijks contact met Bomans voor het programma Alleen op een eiland. Bomans werd afgelost door Jan Wolkers, die er van 17 tot 24 juli de tijd van zijn leven had (en onder meer het leven van een jonge zeehond redde), terwijl Bomans het verblijf een ramp vond. Hij zou er neerslachtig en eenzaam zijn geweest.

Toch zijn er twee kanten aan dat verhaal, zo blijkt als men het verslag van Bomans zelf er eens op naslaat: zijn Dagboek van Rottumerplaat (1988, eerder verschenen in Op reis rond de wereld en op Rottumerplaat, 1972). Eerst de bekende kant van het verhaal. Bomans wordt op zondag, de tweede dag, ziek wakker: 'Vanochtend klam en lusteloos. Vermoedelijk koorts. Niet de geringste eetlust. Wel een voortdurende dorst.' (1988, p. 13) De volgende ochtend is zijn toestand onveranderd: 'Was erg bezweet en dronk drie colaflesjes leeg.' (17)

Hij moet 's avonds ook overgeven, maar verzwijgt het ziek zijn in zijn gesprekken met Ruis. Gedurende zijn verblijf zal Bomans nauwelijks iets eten maar wel veel drinken, voornamelijk cola. Geen eetlust, wel hevige dorst, dat zijn typisch de symptomen van een buikgriep. De neerslachtigheid blijkt ook een gevolg van die griep, omdat zijn plannen nu in duigen vallen: 'Ik voelde me opeens diep neerslachtig. Ik ben nooit ziek en dat moest nou net nu gebeuren.' (17)

's Avonds voelt hij zich iets beter, maar dinsdagmorgen is er een terugslag: 'Ik kan ook nog steeds niets eten en het is nu al de vierde dag dat ik alleen maar drink. Als daar geen wending in komt gaat het mis en daar zou ik m'n hele leven de smoor in hebben.' (25) De koorts is wel gezakt tot lichte verhoging: 'De thermometer wijst 37,6 aan. Dit is geen koorts. Weer een zorg minder.' (26) Op woensdag voelt hij zich 'heel goed' (36), maar op donderdag weer 'zeer moe en lusteloos'. (37)

De zieke maakt niettemin lange wandelingen over het eiland, leest zo nu en dan eens wat en luistert naar muziek. Grootste ergernis is echter het voortdurende lawaai. De krijsende meeuwen, die rond de tent hun broedplaatsen hebben, houden hem uit de slaap, net als de onophoudelijk jagende wind die het tentzeil doet klapperen dat het een aard heeft. Het is er geen moment echt stil. Op zaterdag, de laatste ochtend, concludeert hij: 'Ik vind dat ik er niet veel van terecht heb gebracht' en 'Ik had op nooit vermoede extases gehoopt en kreeg voornamelijk verdriet.' (53)

Het dagboek is echter geen doorlopende ziektegeschiedenis of aaneenschakeling van jammerklachten. Bomans heeft namelijk ook zijn welhaast mystieke momenten van reflectie en overpeinzing, die soms tot een diep zelfinzicht leiden. Zo beseft hij dat hij eerlijkheid en ernst maar saai vindt en de voorkeur geeft aan ironische speelsheid:

'Er is zelden iets wat ik zeg of denk of het tegenovergestelde gaat ook door mijn gedachten. Vroeger schaamde ik mij daar wel voor. Ik probeerde dan wel te doen als de ernstigen, maar kwam dan altijd in een kramptoestand. Toen kwam er een periode van berusting in het onvermijdelijke. Maar het laatste jaar denk ik: ik ben zo en daar maak ik iets van. Ik voel me daarin veel gelukkiger. Er lukt me ook meer.' (19)

Een prachtige passage. Hier is een man aan het woord die met zichzelf in het reine komt. Op woensdag constateert hij dat de verwachte 'diepe gedachten' hem op het eiland niet invallen maar dat het verblijf hem wel veranderd heeft, en wel ten positieve:

'De verandering zit hierin: dat ik vrede heb met mezelf. Ik heb veel aan vroeger gedacht, vooral aan mijn jeugd, en vele gebeurtenissen die ik dacht vergeten te zijn, kwamen langzamerhand boven, zoals hier het gras boven het water, als het eb is. Ik zie nu beter dan eerst en nú eigenlijk pas goed, dat ik ben wie ik ben en dat het zo heeft moeten zijn. Ik heb geen wrevel, geen spijt en geen wrok meer tegen het verleden. Zo is het allemaal gelopen en ik genees van mijn wonden.' (28)

Dit is een zeldzaam ontroerende passage, die mij erg raakt en bovendien mijn beeld van Bomans en zeker van zijn verblijf op Rottumerplaat ingrijpend verandert. De passage gaat nog verder:

'Ik heb meer dan de meeste mensen hebben. Ik merkte dat wel aan hun aandacht voor wat ik zei of deed, maar ik kon het zelf nooit geloven. / Ik dacht altijd: ze vergissen zich en elke enge droom die ik 's nachts had kwam hierop neer dat ze die vergissing plotseling zouden inzien. Nu denk ik: wat valt er eigenlijk in te zien? Weten zij soms iets wat ik niet weet? Alleen al dit: zouden ze me hier op dit eiland gezet hebben als ik niet iemand was? Ik zie nu beter dan vroeger in dat die diepe twijfel aan eigenwaarde in mijn jeugd heeft wortel geschoten, maar dat betekent niet dat ik met alle macht aan die plant ga rukken, want die krijg ik er toch niet uit, maar wel dat hij te leiden is, zó, dat ik er wat aan heb, bijvoorbeeld tot zelfkritiek, dan doe ik er wat mee.' (28-29)

De conclusie aan het eind is dan ook minder negatief dan ik hierboven heb doen uitschijnen, want dat hij er niet veel van terecht heeft gebracht legt Bomans juist positief uit: 'dit te weten is voor mij de waarde van dit avontuur. Niet door wat lukt leer je je begrenzingen kennen.' En dat hij voornamelijk verdriet voelt leidt ook al niet tot verregaande neerslachtigheid: 'Ik voel mij echter niet terneergeslagen, 1. Omdat dadelijk die boot komt, 2.omdat ik het in elk geval heb volgehouden, 3.omdat ik meen iets meer van mezelf te weten dan daarvóór.' (53)

Maar ook de eenzaamheid, het van de wereld afgesloten zijn, lijkt niet het grootste probleem te zijn geweest. Eerder is het zo dat een plotselinge doorbreking van dat isolement hem van zijn stuk brengt. Al op de eerste dag naderen vier wadlopers het eiland. Bomans verhult het in zijn dagboek enigszins, maar een van die mensen heeft enkele jaren geleden verteld dat de schrijver de lopers niet opwachtte maar zich doodsbang in zijn tentje terugtrok, met de rits dicht.

In die tijd ontving Bomans doodsbedreigingen van de Rode Jeugd, een communistische beweging met militante trekjes. Door het onverwachte bezoek van de wadlopers overvalt hem de paniek dat Rottumerplaat misschien niet het toevluchtsoord is waar hij op hoopte maar juist een ideale locatie vormt voor kwaadwillenden om hem iets aan te doen. (38) Toch vindt die verstoring al op de eerste dag plaats en de geciteerde momenten van 'epifanie' juist in de dagen erna.

Is het niet eerder zo dat Bomans niet op Rottumerplaat maar juist in de maanden voor zijn verblijf op het eiland zijn toch al wankele gezondheid verder in gevaar bracht door een overvolle agenda - zoals ook bij Multatuli en Hermans in wezen het geval was? Aan het begin schrijft hij immers: 'Ik voel mij vredig en gelukkig. Zó had ik het mij ongeveer gedacht, in al die weken daarvóór, toen ik in Engeland, België, Tunis, Libië, Malta en Sicilië aan dit eiland dacht.' (10)

Of de mislukte week op het onbewoonde eiland het einde van Godfried Bomans heeft bespoedigd zullen we nooit weten. Wel kunnen we uit zijn dagboek opmaken dat hij er in elk geval had afgerekend met demonen uit het verleden, met een negatief zelfbeeld, en berusting vond in wie hij was en wat hij deed. Juist in de eenzaamheid en somberheid van Rottumerplaat sloot Bomans vrede met zichzelf.

vrijdag 3 januari 2014

Avondologie

In het holst van de Nieuwjaarsnacht las ik De avonden uit, waarna ik mij uitstrekte en in een diepe slaap viel. Ik denk dat het de achtste of negende keer was dat ik deze roman las. De eerste keer was ergens in de laatste maanden van 2004, met de spreekwoordelijke schok der herkenning - en een brok van ontroering. Nu lees ik het werk alweer een flink aantal jaren op de tien laatste avonden van het jaar; het is inmiddels bij die periode gaan horen als de Kerstboom en de oliebollen, als de Top 2000 en het vuurwerk.

Daarmee is het geen herhalingsoefening geworden, integendeel. Elk jaar blijven er weer andere zinnen of fragmenten hangen, word ik geraakt door een passage die me al die andere keren nooit bijzonder was opgevallen, ontdek ik kortom nieuwe schoonheden. Herlezing sterkt mij in de overtuiging dat De avonden een onovertroffen meesterwerk is. Een lijfboek voor de tobbers, de piekeraars, de 'zwaartillenden'.

Je moet altijd voorzichtig zijn met zulke maatstaven, maar ontvankelijkheid voor De avonden lijkt mij zelfs een betrouwbare graadmeter om iemands karakter aan te toetsen. Wie het verschrikkelijk vindt moet wel aan harteloosheid lijden, of onderweg in dit leven enig gevoel voor kwetsbaarheid en sensitiviteit hebben verloren. Ik veracht hen niet, allesbehalve, ik beklaag ze in hun gevoelloosheid.

Identificatie is één, maar empathie is twee. Literatuur lezen bevordert het empathisch vermogen, zo hebben Amerikaanse psychologen afgelopen oktober beweerd. Misschien werkt het ook andersom: aan literatuur kan men zijn empathisch vermogen toetsen. Ziet men alleen een onoprechte snoever die een plaag is voor zijn omgeving? Of kan men zich inleven in de existentiële nood van Frits van Egters?

In een artikel uit 1996 van Onno Blom wordt van Marjo Eijgenraam, die een facsimile-uitgave van het manuscript en het typoscript maakte, gezegd: 'Zij is een Avondologe pur sang.' Het is niet duidelijk of de typering van Blom is of dat Eijgenraam zichzelf zo afficheerde, maar de Avondologie, dat lijkt me nu een prachtige discipline.

De avonden verscheen in 1947 onder auteursnaam Simon van het Reve. Een halfpseudoniem, want de echte naam van de auteur luidde Gerard van het Reve, of volledig Gerard Kornelis van het Reve. Pas in 1973 nam hij zijn tegenwoordig gangbare auteursnaam Gerard Reve aan, de eerste keer op het omslag van Lieve jongens. Werd hij wellicht als scholier al zo genoemd?

Op de tweede avond vindt de reünie plaats van het 'Berendsgymnasium', zoals het Vossius in De avonden heet. Enkele van de mede-oud-leerlingen die Frits er ontmoet spreken hem met 'Egters' aan, zonder het tussenvoegsel dus: '"Ja Egters," zei hij'; '"Het zakenleven is niet zo eenvoudig, meneer Egters"'; '"Egters, wat dwaal jij hier rond als een verdoold schaap?"' Frits spreekt hen bij hun voornamen aan.

Al te vaak is De avonden saai of eentonig genoemd. Rob Schouten in 2002 in Trouw: 'Het is [...] eentonig en dat past niet bij onvergetelijkheid.' Dat is niet vol te houden. In Zelf schrijver worden (1986) stelde Reve, in navolging van Schopenhauer, al dat de mooiste boeken die boeken zijn waarin eigenlijk niets gebeurt. Hij noemt Madame Bovary van Flaubert en Vaders en zonen van Toergenjev. En wat te denken van Oblomov, of Wachten op Godot? Verderop corrigeert Schouten zichzelf: 'Je zou ook kunnen zeggen, met "De avonden" ontdekte Nederland de creatieve kracht van monotonie en meligheid.'

Liefdeloosheid is ook zo'n predicaat dat aan De avonden is gaan kleven. Dat kan ik niet inzien. Frits loopt juist over van genegenheid en liefde voor zijn ouders, dwars door alle benauwenis heen, maar hij kan en wil er geen uiting aan geven. Alle pesterijen, alle ergernissen, alle vluchtpogingen, het zijn geen bewijzen van liefdeloosheid, het zijn juist wanhopige pogingen de genegenheid, de tederheid te onderdrukken, te verbergen onder een oppervlakkige laag harteloosheid.

Aan het eind breekt hij, in die weergaloze slotbladzijden, en richt hij zich tot God met de smeekbede zijn goede ouders onder Zijn hoede te nemen. Vestdijk, de ziener, had het in zijn recensie in 1947 precies in de gaten: 'Van dit zeldzaam navrante slot, dat de gehele roman draagt, is geen denkbeeld te geven, men moet het gelezen hebben. Het behoort tot het aangrijpendste wat ik ooit onder ogen kreeg.'

maandag 30 december 2013

De waarschijnlijk eerste en meteen ook maar definitieve S. Vestdijk-roman Top 52

In 2013 las ik de 52 romans van Simon Vestdijk. Het hele jaar door lag er een op mijn nachtkastje. Ik kan het niemand aanraden. Dat wil zeggen: ik kan iedereen aanraden eens te proberen de 52 romans van Vestdijk te lezen, maar doe er dan bij voorkeur iets langer over. 13 612 bladzijden telt de uitgave in de reeks Verzamelde Romans (1978-1985). Dat aantal op een jaar tijd verwerken is een klassiek gevalletje overkill. Zeker aan het eind had ik het wel gezien, al was daar ook debet aan dat de parels vooral in de eerste helft te vinden zijn.

Ik ga altijd voor maximaal 30 pagina's per avond/nacht, maar daarmee haal je het niet in een jaar. En dat was de opzet, want ik heb meer te doen en vooral te lezen. Daarom heb ik af en toe gesmokkeld door in de trein meters te maken of werken die ik al gelezen had niet meer te herlezen. Dat laatste gold voor vijf romans. Acht had ik er in totaal al gelezen, maar van De kellner en de levenden en Ivoren wachters wilde ik zeker nog een keer genieten en De filosoof en de sluipmoordenaar had ik ooit zo vluchtig en ongeconcentreerd doorgewerkt dat ik er nul komma nul van onthouden had en herlezing dus geboden was - niet tot mijn spijt, zoals zal blijken.

Waarom in godsnaam de 52 romans van Vestdijk lezen!? schreeuwt u nu misschien al twee alinea's lang naar het scherm. Heel kort: omdat ik een oeuvrelezer van Maarten 't Hart ben. Ik geef toe dat dat de zaak er niet bepaald helderder op maakt. Het zit zo: in 1996 publiceerde de montere Maassluizer samen met Hugo Brandt Corstius - curieus genoeg consequent als 'H. Br. Corstius' aangeduid - het boek Het gebergte. De tweeënvijftig romans van S. Vestdijk, waarin de twee alleslezers om de beurt een roman bespreken. Ik bedacht dat het weinig zin heeft om al die beschouwingen te lezen als je de romans waarover ze gaan zelf niet gelezen hebt. Vandaar. Iedereen gaat op zijn eigen manier zijn ondergang tegemoet.

Hoe kan ik, aan het eind van het jaar gekomen, dit project beter besluiten dan met een Top 52? Toevalligerwijs kunnen we de 52 romans van dit gebergte exact gelijkmatig verdelen over vier categorieën - ja, dat is echt puur toeval, menschen - van telkens dertien romans: 13 Meesterwerken Die Iedereen Moet Lezen; 13 Nog Altijd Zeer Lezenswaardige Romans; 13 Matige Dan Wel Teleurstellende Werken Die Men Gerust Zonder Schuldgevoel Ongelezen Kan Laten; 13 Draken Die Bij Nader Inzien Verspilling Van Tijd, (Geld) En Nachtrust Zijn.

De pieken
1) De kellner en de levenden
Geniale explosie van enorme verbeeldingskracht. Deze imposante roman over het Laatste Oordeel is spannend, amusant en aan het eind zelfs diep ontroerend.
2) De held van Temesa
Derde 'Griekse roman', en wat voor een! Met een zwier en nonchalance geschreven alsof S. er 2500 jaar geleden zelf bij was. Grandioos epos met overdonderend slot.
3) Het glinsterend pantser
Eerste roman na een drie jaar durende depressie. De eerste bladzijden behoren tot het mooiste wat Vestdijk geschreven heeft. Melancholiek, berustend, wonderschoon.
4) De filosoof en de sluipmoordenaar
Alleen in de eerste alinea wordt een gebeurtenis beschreven, de rest bestaat praktisch uit gesprekken. En toch bloedstollend! Vakmanschap, meesterschap.
5) Ierse nachten
Beeldend, zintuiglijk, bruisend werk over doodarme Ierse plattelandsbewoners en hun sociale strijd tegen de Engelse landadel. Tintelende roman.
6) Puriteinen en piraten
Tweede piratenroman na Rumeiland; deze is veel levendiger, lichtvoetiger en lezenswaardiger. Een knotsgekke avonturenroman voor volwassenen.
7) Ivoren wachters
Indrukwekkend gecomponeerde roman over wraak, superioriteit en machtsverhoudingen. Must read voor neerlandici en leraren Nederlands.
8) Surrogaten voor Murk Tuinstra
De magistrale 8-delige Anton Wachter-cyclus moet natuurlijk vertegenwoordigd zijn in het bovenste kwart. Deze tweede in de reeks is door de sfeertekening de beste.
9) De rimpels van Esther Ornstein
Eigenlijk bestaat die cyclus uit twee keer vier romans. Binnen het tweede viertal is dit de beste. Als Ornstein haar intrede doet veert alles op: taal, plot, geest.
10) De vuuraanbidders
Knappe historische roman rond de Tachtigjarige Oorlog, alleen door de omvang al gedenkwaardig. Alle romans van 't Hart gaan hier in wezen op terug.
11) De vijf roeiers
Tweede Ierse roman, even beeldrijk en gedenkwaardig als Ierse nachten, alleen wat minder realistisch en met een wat flets einde.
12) Pastorale 1943
Traditioneel gelezen als ridiculisering van het verzet, maar in de eerste plaats een indringende roman over het alledaagse geharrewar in bezet Nederland.
13) De koperen tuin
Intense, invoelende roman over de wording annex loutering van Nol Rieske; wel wat onevenwichtig en ook zeurderig hier en daar, maar toch een hoge piek.

De cols
14) Sint Sebastiaan
De eerste Anton Wachter. Bedwelmend van stijl, bij vlagen ontroerend in de even koele als indringende schildering van een sensitief jongetje.
15) Een moderne Antonius
Een merkwaardig boek. Een hoogst merkwaardig boek. De visioenen zijn grootser en meeslepender dan die in Fré. Bovendien een indrukwekkend, Bordewijkiaans begin.
16) De nadagen van Pilatus
Amusant werk over een schitterend in de verf gezette keizer Caligula en de eerste christenen, onder wie een smaakvolle bijfiguur, de 'worst etende Boter'.
17) De beker van de min
Anton Wachter is in Wachter-5 van tobbende Friese scholier gepromoveerd tot brutale student die in Amsterdam achter de meiden aangaat...
18) De vrije vogel en zijn kooien
...en daar in Wachter-6 onverschrokken mee voortgaat. Het zijn echter vooral de beschrijvingen van het studentenleven die indruk maken.
19) Aktaion onder de sterren
Eerste Griekse roman, minder beklijvend dan Temesa. Eerste gedeelte vrij log en levenloos, maar over de helft krijgt het ineens vaart, suspense en zelfs wat ziel.
20) Terug tot Ina Damman
Dé klassieker in de Wachtercyclus; mist evenwel de hardheid van Murk omdat alle aandacht uitgaat naar een suffe kalverliefde die voor ons niet echt meer invoelbaar is.
21) Else Böhler, Duits dienstmeisje
Al in 1934 portretteerde Vestdijk nazi-Duitsland messcherp. Met een merkwaardig middendeel over voyeurisme, een hoofdmotief in dit oeuvre.
22) Het vijfde zegel
Intellectuele en al te complexe roman over El Greco die vooral een machteloos ontzag afdwingt maar toch ook enkele gedenkwaardige filmische passages bevat.
23) Kind tussen vier vrouwen
Afgewezen eersteling, 800 blz. Wachter, later in stukken gehakt. Spontaner, maar daardoor ook ongerichter en oeverlozer, met idioterieën als notenbalken.
24) Open boek 
Vervolg op Het glinsterend pantser in de Slingeland-trilogie. Ontbeert de wijze trant van eerstgenoemde, maar heeft met butler John Dethmers prachtig personage.
25) De onmogelijke moord
Schrijver logeert in hotel in de hoop een roman te kunnen schrijven over wat hij meemaakt, maar feit en fictie bestoken elkaar; geweldige achtervolgingsscène.
26) Zo de ouden zongen...
Niet onaardig. Het deed me sterk aan De koperen tuin denken, en dat deed het 't Hart ook, zo las ik nadien; ik ben toch niet helemaal gek. Meesterlijke opening.

De heuvels
27) Meneer Visser's hellevaart
Volgens Br. Corstius 'de komischte Vestdijk', maar dan toch eerder in de zin van doldriest dan grappig. Enorme droompassage aan het eind is teveel van het goede.
28) De filmheld en het gidsmeisje
Wordt terecht niet hoog aangeschreven, maar ik kreeg gaandeweg wel enige sympathie voor de vermakelijke hoofdpersoon, de drukke dwaas Fritz Belluno.
29) De andere school
Vierde en laatste deel van het eerste Wachter-kwartet. Overgangswerk, beetje een allegaartje van losse draadjes, onaffe eindjes, onbeduidende geschiedenisjes.
30) De laatste kans
Ook in achtste en laatste deel van de Wachter-cyclus probeert Anton het bij de meisjes; een ervan heet Hetie Mossel. Cyclus als geheel natuurlijk een aanrader.
31) Een huisbewaarder
Typische in het heden spelende Vestdijk over onpeilbaar oppervlakkige burgerlui. Gelukkig is de protagonist hier nog wel de moeite van het aanhoren waard.
32) Een alpenroman
In feite nogal een duffe driestuiverroman over een halfslachtige lesbische relatie, maar toch wist de auteur constant mijn aandacht erbij te houden.
33) De arme Heinrich
Slotdeel in de Slingeland-trilogie. Decor is verplaatst naar de Alpen, wat de roman niet ten goede komt. Setting is toch wel erg belangrijk voor sfeer.
34) De ziener
De wat bleke strapatsen van de voyeur Pieter Le Roy die aan de haal gaat met de onschuldige vriendschap tussen een lerares en een leerling.
35) De leeuw en zijn huid
'Het vorige hoofdstuk is rijkelijk lang geworden.' (p. 277) Zeg maar gerust: het hele werk. Venetiaanse roman, lijkt in zijn soort op Mulisch' Diamant, ook qua niveau.
36) De hôtelier doet niet meer mee
Net als De leeuw hierboven een late historische roman, dit keer rond Napoleon. De late zijn evenzeer vakwerk als de vroege, maar duizend keer bloedelozer.
37) Het schandaal der Blauwbaarden
Nog maar eens roman waarin spookverschijningen een kardinale rol spelen. Heeft het karakter van een speurtocht, maar wel een wat labbekakkerige.
38) Bericht uit het hiernamaals
'Een verwarrend verhaal,' vindt Br. Corstius, die het evenwel de hemel in prijst als 'filosofische vertelling'. Ik vond het vooral een verwarrend verhaal.
39) Rumeiland
Ik zal wel weer tegendraads zijn, maar ik vind Puriteinen toch echt vele malen beter dan deze te volgestopte en daardoor wat steriele Jamaica-roman.

De molshopen
40) Juffrouw Lot
Het eerste deel is verrassend direct en onopgesmukt van stijl en beschrijving, maar daarna zakt het als een plumpudding in elkaar.
41) De zwarte ruiter
Het kortste werk van de 52, maar niet alleen door de omvang een niemendalletje. Vaag verhaal, tamelijk krankzinnige verwikkelingen.
42) De redding van Fré Bolderhey
Traditioneel een klassieker, maar op de oogverblindende openingspagina na zijn de visioenen van de schizofrene Eddie Wesseling van een tergend effectbejag.
43) Bevrijdingsfeest
Tweede verzetsroman maar zonder het indringende van Pastorale. Personages niet van vlees en bloed en daardoor een temerig werkje.
44) Het genadeschot
Buschauffeur blikt terug op oorlogsverleden. Oorlogsverleden blijkt veel minder te pruimen dan buschauffeursheden.
45) Vijf vadem diep
Mooie titel - naar Shakespeare -, maar dan ben ik wel uitgepraat qua positieve predicaten. In veel late romans verliest Vestdijk de controle over de stof.
46) De dokter en het lichte meisje
De seksuele escapades van een arts en een hoer. Zal heus in 1951 schandaal hebben gewekt, maar wij lezen vooral een warrige, onsamenhangende geschiedenis.
47) Het proces van Meester Eckhart
Laatste roman uit de lange reeks. Met krap 100 blz. lekker kort, maar ook onvoldragen, nogal saai en allesbehalve memorabel.
48) De verminkte Apollo
Tweede Griekse roman; veel te moeilijk en daardoor onleesbaar. Lichtpuntje in de duisternis is het orgiastische slot, maar tegen die tijd ben je het al beu.
49) Het verboden bacchanaal
Voorlaatste roman; had ook al niet meer gehoeven. Je leest over een stel mensen, maar ze laten je volkomen koud. Jeukverwekkend hyperactief geblaat.
50) De schandalen
Het slot is weer goed, verder een zouteloze, tempoloze miskleun. Moest me tijdens de lectuur steeds met automishandeling wakker houden.
51) Op afbetaling
Absoluut onmogelijk in deze roman te komen, alsof er oorspronkelijk nog een heel deel aan vooraf ging dat je moet kennen om het te kunnen volgen. Prut.
52) Het spook en de schaduw
Krankzinnig werk vol spoken en geesten, eindeloos gelul tussen irritante personages en een verhaal dat geen moment boeiend wordt.

In algemene zin raak je door het jaar heen toch meer en meer bevangen door een peilloze verbazing over de productie van deze schrijver. Hij begon relatief laat in zijn leven met publiceren, pas na zijn dertigste, en overleed al op 72-jarige leeftijd. Daarbinnen waren er bovendien onproductieve perioden van depressiviteit. Naast deze 52 romans - en bepaald geen inwisselbare, dertien-in-een-dozijn wegwerplectuur! - schreef hij ook nog twee romans samen met iemand anders, drie onvoltooide romans, 57 novellen en verhalen, 33 essaybundels, 24 dichtbundels, briefwisselingen en vele, vele ongebundelde artikelen. Waanzin. Heb je je net weer door een vuistdik, complex, exuberant werk geworsteld, lees je in de datering dat Vestdijk alles in krap twee maanden heeft geschreven.

Je wordt al gauw afgeschrikt door zo'n oeuvre, en veel romans zijn ook niet (meer) te pruimen, maar noem maar eens een andere schrijver die meer dan tien meesterwerken op zijn naam heeft staan. Overigens is een curieus trekje van Vestdijk dat hij - in tegenstelling tot de meeste schrijvers - vaak pas aan het eind van een roman op stoom komt. 't Hart constateert dan ook terecht: 'Bij hem is doorgaans het slot een apotheose, blijken zijn romans juist altijd dank zij het slot als het ware met terugwerkende kracht aangrijpend te zijn.' Zo sluit ik ook graag af: gedurende het jaar was het niet altijd even leuk om te doen, maar met terugwerkende kracht was het een aangrijpend leesproject.

dinsdag 22 oktober 2013

Gijp, engnekken en de miskenning van Michel van Egmond

Er was vorige week nogal wat rumoer in het vaderlandse literaire wereldje nadat de megabestseller Gijp van Michel van Egmond de vermaledijde NS Publieksprijs bleek te hebben gewonnen. De winnaar werd dinsdag live bekendgemaakt bij De Wereld Draait Door.

Maar schandaalbelust als DWDD altijd is, werden er eerst nog beelden getoond van de uitzending van VI van de avond ervoor: Johan Derksen kondigde aan dat hij als verantwoordelijk uitgever van Gijp niet aanwezig zou zijn bij de uitreiking, want hij moest niets hebben van die literaire 'engnekken' uit de grachtengordel.

Tommy Wieringa, ook genomineerd, liet zich behoorlijk kennen: 'populistische prietpraat', brieste Tom, 'gadverdamme, wat een gezwets'. Het is bedroevend dat Wieringa zich zo gemakkelijk laat provoceren. Zijn literaire lezers weten zo ook wel dat wat Derksen zegt als een tang op een varken slaat, terwijl Derksens publiek in zijn overspannen reactie alleen maar een bevestiging ziet van het vooroordeel dat hunnie van de literatuur vooral enge snobs zijn die het aan relativeringsvermogen en de broodnodige zelfspot ontbreekt.

Voetbal International is anderhalf uur vermakelijk geoudehoer waar Johans zegen op rust. Een gideonsbende die zich steeds weer in de positie van de underdog manoeuvreert en waarin iedereen met verve zijn rol speelt, van de balsturige babyboomer tot de corpulente knuffelbeer en van de provocerende presentator tot de zorgeloze zot. Onder aanvoering van hopman Derksen zet men zich af tegen alles wat riekt naar gevestigde orde, culturele elite, bedaagd conformisme - of dat nu de publieke omroep in Hilversum-Noord of het literaire centrum in Amsterdam-Zuid is. En dat scoort.

Donderdag viel Christiaan Weijts zijn collega Wieringa bij. In nrc.next noemde hij de NS Publieksprijs een 'gênante aanfluiting'. De literaire uitgeverijen zouden de prijs voortaan moeten boycotten: 'Door zich openlijk hors concours te verklaren kan de literatuur duidelijk maken dat ze andere koek is dan sport-, showbizz- en dieetgoeroeboeken.'

Het is een merkwaardige reflex: de NS Publieksprijs is een literaire prijs waar de 'serieuze' literatoren liever niet mee geassocieerd willen worden, maar wanneer ze hem dan ook inderdaad niet winnen, dan is het geklaag niet van de lucht.

De NS Publieksprijs ís helemaal geen publieksprijs, betoogde Weijts, want in VI was meermaals opgeroepen om massaal op Gijp te stemmen: 'De auteur van Gijp kocht zijn stemmen kortom met geld van Heineken, McDonalds, BMW, enzovoort.'

Het is een beetje een ongelukkig, om niet te zeggen knullig gekozen rijtje multinationals om te linken aan een programma dat nota bene door Amstel wordt gesponsord, waarin het qua vette hap vooral over niet in het assortiment van de gele M zittende XXL-frikadellen en bamihapjes gaat, en waar de enige auto die ooit de revue passeert de Nissan Duke is - en reclame wordt er daarbij bepaald niet voor gemaakt.

Maar het punt dat Weijts maakt is dus dat de propaganda voor Gijp in VI oneerlijke concurrentie was. De literatuur zou zich niet met de wereld van de commercie moeten associëren, vindt hij: 'Door mee te dingen in diezelfde competitie en op te treden onder de NS-vlag, wekken serieuze schrijvers als Tommy Wieringa, Geert Mak en Jan Brokken ten onrechte de indruk dat ze gelijkwaardige collega's zijn van sportverslaggevers en dieetgoeroes.'

Even afgezien van de vraag wat Geert Mak in dit rijtje doet (en waar blijft literaire thrillerschrijfster Simone van der Vlugt, de zesde genomineerde, in deze tegenstelling? Of de literaire thriller wél literatuur is, is een ander heet hangijzer, waaraan ook al aardig wat krantenpapier verspild is en dat daarom maar zorgvuldig ontweken wordt), is de grootste uitglijder wel om Michel van Egmond weg te zetten als slechts een sportverslaggever.

Soortgelijk dedain zag ik ooit tentoongespreid worden door prof. dr. Frits van Oostrom, die iets over zijn mediaperformance als directeur van de KNAW vertelde en daarbij pruilde dat hij als literatuurprofessor bij DWWD toch tegenover 'de voetbaljournalist' Hugo Borst moest zitten. Dat diezelfde Borst genomineerd was voor de prestigieuze Gouden Uil Literatuurprijs voor De Coolsingel bleef leeg (1996), dat was de professor blijkbaar even ontgaan.

De minachting waarmee over 'sportschrijvers' wordt gesproken is opmerkelijk. Verhindert een 'volks' thema automatisch een literaire benadering? Dat lijkt me niet. Omdat het voetbalwereldje - terecht - als een weinig verheffend en soms zelfs verwerpelijk milieu wordt gezien zouden er geen boeken van literaire kwaliteit over geschreven kunnen worden? De onderwereld is ook een scene waarmee je als fatsoenlijk mens niet graag geassocieerd wilt worden, maar er zijn tal van goede boeken over geschreven - en niet alleen thrillers. En wat te denken van met voetbal vergelijkbare volksculturen als het carnaval (Jan van Mersbergens Aan de overkant van de nacht) of religie (de halve wereldliteratuur)?

De aanwezigheid van René van der Gijp in alle mediaoptredens rond Gijp - ik schreef het al eerder - is uit marketingoogpunt begrijpelijk, maar doet Michel van Egmond danig tekort. Van der Gijp is er misschien wel voor verantwoordelijk dat honderdduizenden het boek hebben gekocht, maar dat het een goed boek is, is geheel en al de bewonderenswaardige prestatie van Van Egmond. Van der Gijp is de zorgeloze zot voor het publiek, de superieur schertsende talking head. In Gijp laat Van Egmond juist zien dat de happy-go-lucky die het publiek iedere vrijdag- en maandagavond aan de borreltafel ziet zitten een rol is, dat er achter dat masker een in essentie tragisch en met het leven worstelend mens schuilgaat.

Schijn en wezen, opkomst en neergang, het strevende subject in een weerspannige wereld - het zijn de eeuwige thema's van de literatuur die Van Egmond via zijn personage Gijp in een sublieme stijl aan de orde stelt, zoals hij dat eerder al magistraal deed in het verhaal 'Altijd op zoek naar de verloren tijd' (zie Het beste uit 15 jaar Hard gras, 2010, p. 77-102). Veeleer dan 'sportverslaggevers' zijn Van Egmond en ook iemand als Marcel van Roosmalen nazaten van Nescio en Elsschot, emfatische melancholici, zwelgend in de fijn schrijnende pijn van de weemoed.

Michel van Egmond is een groot schrijver, daar doet geen NS Publieksprijs iets aan af.

donderdag 27 juni 2013

Het psychosomatische schrijven

Begin deze maand overleed de Schotse schrijver Iain Banks op 59-jarige leeftijd. Postuum verscheen deze week zijn laatste boek, The Quarry. 'Het gaat over de fysieke en emotionele belasting van kanker', zo schreef NOS Teletekst. 'In het boek worden de laatste weken beschreven van het leven van een man in de 40, die lijdt aan kanker. Pas toen hij z'n boek bijna af had, ontdekte Banks dat hij zelf aan kanker leed.' Dat laatste is heel curieus. Toch komt het vaker voor, ook in de Nederlandse literatuur. Ik zou het verschijnsel 'het psychosomatische schrijven' willen noemen.

Willem Frederik Hermans signaleerde in zijn beruchte Mandarijnen op zwavelzuur al een geval. Adriaan Morriën had in 1955 op enkele van Hermans' vroege Mandarijnen-publicaties gereageerd met de brochure De gruwelkamer van W.F. Hermans, of Ik moet altijd gelijk hebben. Hermans vertelde daarop dat de brochure aanvankelijk Stamppot op Maagzuur had moeten heten en dat hij de uitgever een doosje vitaminen had gestuurd 'ter opkikkering' van Morriën. 'Achteraf mag Morriën het betreuren als De Bezige Bij hem mijn heilzame zending niet ter hand heeft gesteld. Een paar weken kreeg de moedige auteur [...] het n.l. aan zijn maag. Psycho-somatische zelfbestraffing, zei de dokter.' (Mandarijnen op zwavelzuur, 1973, vierde druk, p. 194)

Ook Harry Mulisch heeft een soortgelijke geschiedenis meegemaakt. In 1982 werkte hij aan een kort fragment van de roman die hij onder handen had. Het fragment werd echter veel te lang, 'een gezwel, een carcinoom dat mijn roman dreigde te vernietigen.' Hij besloot 'operatief' in te grijpen: 'Ik heb toen een stanleymes gepakt en een aanslag op dat boek gepleegd.' Hij sneed het fragment uit het manuscript om het als aparte novelle uit te werken. Die zou vervolgens uitgroeien tot zijn klassieker De aanslag.

Hij ondervond zelf de gevolgen van die 'aanslag' op het manuscript: 'die bleek zich uiteindelijk op mezelf te richten, want in hetzelfde jaar moest er uit mezelf een stuk gesneden worden.' (Het voorbestemde toeval, 2002, p. 173). Mulisch bleek maagkanker te hebben. Het verschil met Banks en Morriën is natuurlijk dat Mulisch niet over de betreffende maagziekte schreef, niet over een carcinoom, maar achteraf het wegsnijden van het romanfragment en het operatief verwijderen van de tumor met elkaar in verband heeft gebracht, een voorbeeld van het principe van de 'voorspelling achteraf' waarmee Mulisch alles onderbracht in zijn persoonlijke mythologie.

Een derde auteur die het psychosomatische schrijven kent is A.F.Th. van der Heijden. In zijn dagboek Engelenplaque. Notities van alledag 1966-2003 (2003) doet hij verslag van de onfortuinlijke uitwerking van de titelkeuze 'Moeilijke voeten' op zijn directe omgeving: 'Zo vroeg ik een bevriende kunstenaar enige proefontwerpen te maken voor het omslag van Moeilijke voeten, deel 1 van de cyclus [Homo Duplex]. Prompt – nou ja, dezelfde week nog – bleef hij bij het van zijn renfiets stappen met zijn voet in een toeclip haken, en stortte ter aarde. Resultaat: een gescheurde achillespees, waarmee hij op de operatietafel belandde. Hij liep twee maanden met krukken, en heeft nog altijd een moeilijke voet.' (p. 487)

Lijkt het hier nog vooral om een ongelukkige samenloop van omstandigheden te gaan, om concrete pech, het psychische element doet zijn intrede in een tweede anekdote. Een bevriende amateur-drukker werd eveneens slachtoffer van de titelmagie. Aan hem stond Van der Heijden een fragment uit Moeilijke voeten af om er een bibliofiele publicatie van te vervaardigen: 'Na lezing van een paar bladzijden signaleerde hij jeuk en irritatie in een van zijn voeten. Enkele uren later was hij onder zwaailicht op weg naar het ziekenhuis, met een ernstige ontsteking, waarvan we mogen hopen dat zij geheel genezen is.' (p. 487-488)

Maar het voornaamste slachtoffer van het psychosomatische schrijven is natuurlijk de schrijver zelf: 'Spoedig nadat ik voor ’t eerst, als werktitel nog maar, Moeilijke voeten boven mijn manuscript had gezet, kreeg ik last van stekende pijn in mijn grote teen. Het bleek om jicht te gaan, een kwaal waar ik nooit eerder last van had gehad.' Van der Heijden publiceerde eerst een ander, onvoorzien deel van de cyclus, De Movo Tapes (2003). 'Ik weet niet in hoeverre de reeks ongelukken mijn beslissing beïnvloed heeft om eerst met De Movo Tapes te komen. Hoe dan ook, "Movo" is nog altijd de afkorting van "Moeilijke voeten", dus een paar maanden na de invoering van de nieuwe titel, nu een jaar geleden, brak ik mijn linkervoet'.

Moeilijke voeten is tot op heden niet verschenen, en misschien maar goed ook. Slotvraag: als al die schrijvers via een of ander psychosomatisch mechanisme de kwalen en ziektes die ze beschrijven zelf  oplopen, welk risico loopt dan een blogger die over dat psychosomatische schrijven schrijft?

vrijdag 24 mei 2013

'Remove your government, they don't care about you'

De beelden van de gruwelijke moord in Londen zijn vooral zo schokkend door de absurde setting waarin alles zich voltrekt. Klaarlichte dag, omstanders die niet panikeren maar in ijzige rust bij slachtoffer én dader staan, en natuurlijk de moordenaar die niet op de vlucht is geslagen maar met de slagersmessen nog in zijn bebloede handen voor een amateurcamera zijn daad staat uit te leggen. Vooral dat laatste is onwerkelijk. 'Alsof ze op televisie wilden of zo', zei een verbijsterde ooggetuige.

'Terroristen parasiteren ongeremd op de westerse media', schrijft Christiaan Weijts in zijn roman Euforie (2012). 'Ze veranderen de communicatiekanalen van de vijand in wapens en laten de lcd-schermen friendly fire spuwen.' Het gaat hier om de manier waarop terroristen de angst voor aanslagen uitbuiten die leeft onder de westerse bevolking en die wordt gevoed en wellicht ook verergerd door de berichtgeving over terrorisme en terrorismedreiging.

Zulke terroristen zetten de media van de vijand dus in als middel tot het bereiken van hun uiteindelijke doel, het martelaarschap door een succesvol uitgevoerde aanslag. Woensdag leek het beeldscherm echter geen middel tot zo'n hoger doel, maar het doel op zich, en de moordaanslag 'slechts' het middel. Niet de hemel als doel, voor het aangezicht van god, maar het martelaarschap hier op aarde, voor het aangezicht van de ganse televisiekijkende wereld. Geradicaliseerde beeldreligie.

Dat zou ook de kwalificatie 'terrorisme' problematisch maken. Al in de eerste nieuwsberichten werd gesproken van een islamitische terreuraanval. Op de beelden die vervolgens keer op keer voorbij kwamen werden door de moordenaar echter geen islamgerelateerde dingen geroepen: 'We must fight them as they fight us. An eye for an eye, a tooth for a tooth. I apologise that women have had to witness this today, but in our land our women have to see the same. You people will never be safe. Remove your government, they don't care about you.'

Deze man leek mij dan ook een treurig maar typisch voorbeeld van een maatschappelijk gefrustreerde, een dwaas waar er talloze van rondlopen, zeker in de zwarte wijken van Londen. Wij-zij is hier niet wij-moslims tegen zij-westerlingen, maar wij-losers tegen zij-succesvollen. De rellen in Tottenham, de rellen in Stockholm: geen terrorisme maar sociale onrust. Blijft het normaal bij brandstichten, vernielen en plunderen, nu waren er twee een stapje verder gegaan met een walgelijke moord. Maar terrorisme, dat leek een verkeerde term.

In Nigeria worden bovendien christenen aan de lopende band vermoord door de moslimstrijders van Boko Haram, zodat deze man net zo goed op een afschuwelijke manier had willen protesteren tegen het feit dat de Britse regering wel soldaten naar Irak en Afghanistan had gezonden, maar niet met een interventie in Nigeria ingrijpt om daar de even bloedige terreur, 'that women have to see', een halt toe te roepen.

Dat veranderde toen bekend werd dat de twee weldegelijk de omineuze formule 'Allahu Akbar' hadden uitgesproken voor en tijdens hun slachtpartij. En na middernacht, in het late NOS-journaal, zagen we plotseling dat we nog niet het hele verhaal van de moordenaar hadden gehoord, dat er nog iets aan voorafging: 'There are many many ayat throughout the Koran, [that] says we must fight them', zo begon hij. Dus toch een geschifte geloofswaanzinnige, ja, een moslimterrorist. Terzijde: waarom werd dat cruciale zinnetje voordien steeds weggeknipt?

Het zette zijn slotwoorden in een ander licht: 'Remove your government, they don't care about you.' Ik moest meteen denken aan de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau. In het nummer 'No suprises' van Radiohead komen de regels 'Bring down your government, they don't, they don't speak for us' voor. Blondeau citeert ze in zijn roman Donderhart (2010). Die roman is curieus genoeg gesitueerd in Londen wanneer daar de terreuraanslagen in de metro plaatsvinden. De werkelijkheid is weer eens aan de haal gegaan met de fictie.

In Donderhart luisteren de Londenaren in trance naar het lied van Radiohead, maar wanneer de laatste, ijle klanken zijn weggestorven hervatten ze hun leven alsof er niks gebeurd is, alsof er niks aan de hand is. 'Waarom verdragen de Londenaren dit eigenlijk?' vraagt Max, de hoofdpersoon, zich af. 'Waarom eisen ze niet dat de regering aftreedt? Dat de troepen zich terugtrekken?' De context is hier de deelname van Groot-Brittannië aan de oorlog in Irak, die door sommigen als de directe aanleiding voor de aanslagen werd gezien.

In Engeland werd de voorbije dagen opnieuw de oorzaak gezocht in de buitenlandpolitiek van Groot-Brittannië. In The Guardian schreef een commentator dat 'the link to Britain's vicious occupations abroad cannot be ignored'. En de altijd fijnzinnige Amerikaanse activist Michael Moore verwoordde de reactie van afschuw van de gemiddelde Brit als volgt: 'I am outraged that we can't kill people in other count(r)ies without them trying to kill us!'

Het is steeds een terugkerende discussie bij terreur: is het een aanval op 'hoe wij leven', of is het wraak voor onze interventies in Irak en Afghanistan? Een gevaarlijke discussie, want het is natuurlijk een combinatie. Die oorlogen zijn immers begonnen in reactie op de terroristische aanslagen in New York, die per definitie geen reactie op een oorlog waren maar een frontale aanval op 'het' westen en hoe wij leven.

Het eenentwintigste-eeuwse terrorisme is bij uitstek een globaliseringsfenomeen. Landsverdediging is allang geen kwestie meer van het tegenhouden van de vijand die aan de poorten staat, de vijand is al binnen, via talloze paarden van Troje binnen de muren gehaald. In 2004 pleitte de toenmalige regering voor de oprichting van een Europese veiligheidsdienst, de EIVD. 'Volgens VVD-Kamerlid Wilders', schreef de Volkskrant toen (15-3-2004), 'is de bestaande samenwerking tussen de nationale diensten "middeleeuws".'

Nu neemt Wilders net iets te vaak het woord 'middeleeuws' in de mond, maar daar had hij toch gelijk. Tegenwoordig heeft hij zijn eigen partij en loopt hij voor de camera een rondje door de voormalige Schilderswijk, thans Sharia-Driehoek. Zijn vroegere partij zit in de regering. Zij wil 70 miljoen euro bezuinigen op de AIVD, in potentie onze hedendaagse waterlinie. Een misdadige bezuiniging.

Een EIVD is nooit van de grond gekomen. Europa maakt zich liever druk over het kunstmatig in leven houden van een dode munt en krankzinnige regeltjes omtrent bijvulbare olijfolieflessen.

vrijdag 29 maart 2013

Drijfnatte dweilen; of De leer der muzelmannen in ons vaderland

Officieel is het inmiddels lente. En toch wil het maar geen lente worden. Het weer loopt wat dat betreft aardig in de pas met die andere lente: de Arabische. Ook die is in de praktijk eerder een eindeloze gure winter gebleken.

In het Syrië van meneer Assad is de zo gewenste lenterevolutie verworden tot een bloederige burgeroorlog. Ook in Nederland woonachtige moslims blijken naar Syrië af te reizen om zich in de strijd te mengen. Daar is veel over te doen. Allerlei experts, betrokkenen en vertegenwoordigers vangen elkaar vliegen af, niet het minst de woordvoerders van de vele tientallen 'contactorganen' en 'belangenorganisaties' van moslims die ons land rijk is. En intussen heeft niemand vat op de jongeren, de ouders wel in de laatste plaats.

Niets nieuws onder de waterige zon. Wat wel nieuw is, is de plotselinge manifeste aanwezigheid van bekeerlingen. Hollandse jongens die islamiet zijn geworden en hun nieuwe identiteit nu met vuur uitventen. We hadden vorige week al Dennis Honing, die tegenwoordig Abdelkarim heet en bij Pauw & Witteman een warrig betoog mocht komen houden over de toestand in de wereld.

En afgelopen zondag was het weer raak. Marokkaanse organisaties organiseerden een discussiebijeenkomst over het probleem van de Syriëgangers. Een groepje radicale jongeren schopte stennis door openlijk op te roepen tot de jihad, 'onder wie ook Nederlandse jongeren die zich bekeerd hebben tot de islam', aldus het journaal. En voor de microfoon verscheen weer zo'n bleke zemelaar met sik en sjaal die in de wij-vorm namens de moslimwereld meende te moeten spreken, daarbij duchtig verwijzend naar al het moois uit de koran.

Van alle gelovigen zijn bekeerlingen in de regel de gevaarlijkste. Dat geldt eigenlijk in potentie voor iedere persoon die van de ene sociale groep naar de andere overgaat. Ze menen iets in te moeten halen, iets goed te maken, zich te moeten bewijzen. Daardoor gaan ze veel radicaler en overdrevener te werk dan de gemiddelde van-huis-uit-gelovige, die veel organischer deel uitmaakt van de betreffende groep.

In 1919 publiceerde Bordewijk het magistrale verhaal 'Twee proeven genomen op Jos van der Haerden'. Daarin vertelt een Leidse student hoe hij met enkele leden van zijn studentenvereniging op het idee komt 'een bond te stichten op mohammedaans godsdienstige grondslag, een bond, die zich ten doel zou stellen de leer der muzelmannen in ons vaderland te verspreiden.' Ze doen dit uit balorigheid en omdat de vereniging 'er haar eer in [stelde] de algemene aandacht levendig te houden.'

Toen ik dit verhaal deze week las moest ik onwillekeurig aan die bekeerlingen van afgelopen week denken. Het zijn jongens die hebben moeten opgroeien in geïslamiseerde wijken, en daardoor zo in de knoop raakten met hun identiteit dat ze zich tot de islam hebben bekeerd om in de aandacht te blijven, om er in godsnaam maar bij te horen, en die nu - de bekeerling eigen - de heilige opdracht denken te hebben hebben de leer der muzelmannen in ons vaderland te verspreiden. En toch werken ze ergens ook op de lachspieren.

De Leidse studenten van Bordewijk noemen zich 'de ware volgelingen van Mohammed', promoveren een 'buitengewoon grote kei in de Breestraat' tot hun Kaäba, dossen zich uit als pelgrims en beginnen te knielen en te bidden en te prevelen rondom de steen. Maar dan worden ze aangevallen door de autochtone bevolking, die het al te gek vindt worden, en ze vluchten de kroeg in. Daar is het snel afgelopen met de waanzin: 'Daar [...] besloten wij de vereniging op staande voet feestelijk op te heffen, wat ten gevolge had, dat wij tot middernacht zaten te brassen'.

Op iets dergelijks hoop ik ook voor onze Nederlandse muzelmannen. Dat die godsdienstwaanzin aan het eind van de dag ook maar een toneelstukje blijkt te zijn, het dubieuze resultaat van de combinatie van verveling en de behoefte bij een club te horen. En eenmaal weer bij zinnen wordt er feestelijk gebrast. 'Ik herinner me nog dat ik zelf een emmer half vol zwart watersop aan mijn arm had en een drijfnatte dweil in mijn hand', vertelt de Leidse student over zijn moslimescapades.

Dat lijkt me de oplossing voor onze bekeerlingen: geen AK-47's maar drijfnatte dweilen in de hand. Als het dan toch nog lente wordt kunnen ze in één moeite door met de voorjaarsschoonmaak beginnen.

maandag 1 oktober 2012

Lezen, lezen, lezen #30

Jim Dwyer & Kevin Flynn, 102 Minutes. The Untold Story of the Fight to Survive Inside the Twin Towers (2005), 323 blz. (****)
Dwyer en Flynn, journalisten van de New York Times, reconstrueren in dit filmische boek de waanzin in de Twin Towers vanaf het moment waarop het eerste vliegtuig de noordelijke toren in vliegt tot en met het instorten van de laatste van de twee torens, 102 minuten later. De auteurs hebben ervoor gekozen minutieus de handelingen van een aantal betrokkenen te beschrijven, alles op basis van geluidsopnames, ooggetuigenverslagen en gesprekken met overlevenden. De beslissingen die mensen namen op basis van informatie, intuïtie of welke reden dan ook hebben een dramatisch effect omdat je als lezer weet wat er staat te gebeuren. Bijvoorbeeld de terugkeer van de werknemers in de zuidelijke toren naar hun verdieping nadat duidelijk is geworden dat er alleen in de noordelijke toren brand is: je wéét dat er even later ook daar een vliegtuig dood en verderf gaat zaaien. Of het getreuzel, het beschaafd geduldig de trappen afdalen - of juist bestijgen door brandweermannen -, terwijl je wéét dat de torens dan al op instorten staan. Je wilt die mensen wel toeschreeuwen: schiet op! verdwijn! elke seconde telt!
In 102 Minutes wordt onwillekeurig benadrukt hoe groot de rol van het toeval is in zaken van leven en dood. Onduidelijkheid over de ernst van de situatie, mensen die plichts- en gezagstrouw zijn en daarmee levens redden door een extra inspanning te doen, of juist onbedoeld doden veroorzaken door anderen volgens het boekje te sommeren terug te gaan naar hun kantoor. Ook is er aandacht voor de funeste gevolgen van een jarenlange vete tussen politie en brandweer, waardoor beide korpsen niet met dezelfde communicatiesystemen werkten, en staat het boek vol morbide wetenswaardigheden: zo werd één agent gedood door een vallende man. Hoe indrukwekkend elke bladzijde zo ook is, een wat zakelijkere stijl had evenwel niet misstaan. Nu zijn alleen de historische en technische gedeelten puur beschrijvend, de verhalen van de mensen daarentegen zijn opgeschreven als betrof het een roman, inclusief semi-fictionele dialogen en stilistische strapatsen: cliffhangers, filmische scènes, terzijdes over mensen die net hun geliefde ten huwelijk hebben gevraagd - het is allemaal niet vrij van typisch Amerikaans melodrama en effectbejag. De auteurs hebben zich nu soms te veel laten meeslepen door de heroïek van mensen en de dramatiek van de gebeurtenissen. En dat terwijl louter een beschrijving had volstaan om de lezer te emotioneren. Zelf werd ik het meest getroffen door het verhaal van Ed Beyea en Abe Zelmanowitz. De verlamde Beyea kon in zijn rolstoel niet gemakkelijk geëvacueerd worden uit de north tower. Zijn vriend Zelmanowitz weigerde zichzelf in veiligheid te brengen, zelfs na fel aandringen van Beyea, en bleef trouw aan de zijde van zijn vriend. Beiden kwamen om toen de toren instortte. Of het verhaal van Raffaele Cava, een 80-jarige medewerker van een transportbedrijf op de 89ste verdieping van de north tower, die als een van de eersten in het gebouw was komen werken, en nu alle 89 verdiepingen per trap moest afdalen om er weer uit te geraken. Hij redt het, als een van de laatsten. Zo komen er 352 namen voorbij, employees, agenten, brandweerlieden, bezoekers, wier lotgevallen meer of minder uitgebreid worden beschreven; 126 van hen overleefden het niet. In totaal kwamen 2749 mensen om, ongeveer 12 000 wisten bijtijds weg te komen.
102 Minutes is een schitterend boekwerk, waaruit men enerzijds een indruk kan opdoen van de achtergronden die deze ramp zijn catastrofale proporties gaven - en dan niet niet de voorgeschiedenis van Al-Qaeda of zo, maar de 'fysieke' elementen, zoals de op efficiëntie gerichte constructie van de torens, de met de jaren steeds meer aan de laars gelapte veiligheidsprocedures, enzovoort - en waarin anderzijds een aantal voorheen anonieme doden een naam en een verhaal krijgen. Een krankzinnig, al te gruwelijk verhaal, als het allemaal niet zo verschrikkelijk waargebeurd is: 'One plane crash. Sixteen minutes later, another plane crash. Twenty-five minutes later, word of a third plane approaching - untrue, but certainly not outside the freshly staked borders of the plausible. Then, about thirty minutes after that, the first building falls. Twenty-nine minutes later, it was over. It was as if a car going ninety miles per hour were making a ninety-degree turn every few minutes. Each moment brought fresh demands, fresh hell.'

Een zondagmiddag met J.J. Voskuil. 27 meest academische reacties op Het Bureau (1998), 143 blz. & Arjan Peters (red.), Nog even een ommetje. Beschouwingen over Het Bureau van J.J. Voskuil (2000), 248 blz. (***)
Van 1 januari tot en met 13 augustus jongstleden las ik Het Bureau van J.J. Voskuil. Zeven delen, 5100 bladzijden en geen moment saai. Een grootse en subliem geschreven roman over een tobber die dertig jaar lang op een wetenschappelijk instituut doorbrengt, intens tragisch in de beschrijving van de sleur, de zinloze anonieme levens en het verglijden van de tijd, onweerstaanbaar grappig in de tekening van de karakters en de weergave van de onmogelijkheid van sociaal verkeer. In de grootste Nederlandse roman van de 20ste eeuw, De avonden, beschrijft hoofdpersoon Frits van Egters zijn kantoorbaan als volgt: 'Ik neem kaarten uit een bak. Als ik die er uit genomen heb, dan zet ik ze er weer in.' Het Bureau is een ruim vijfduizend pagina's dikke uitwerking van deze zin. Deze great Dutch novel verscheen tussen 1996 en 2000 en schijnt indertijd een ware hype te zijn geweest, niet alleen onder het reguliere leespubliek maar ook onder academici en andere intellectuelen, die niet alleen in sommige personages de werkelijke personen herkenden maar in de typering van het Bureau ook een zedenschets van hun eigen werkkring lazen. Iedere lezer hoopt stiekem dat er op zijn werk ook een collega is die een manuscript in de la heeft liggen waarin het wel en wee van de werkvloer wordt beschreven, zo las ik ergens. Een waar woord.
Boekhandel Roelants in Nijmegen nodigde Voskuil in 1998 uit voor een ontmoeting met lezers en liet 27 academici van de KUN een stukje schrijven over Het Bureau. De bijdragen van Wam de Moor, Harry Bekkering en Anton van Hooff bijvoorbeeld zijn prachtige persoonlijke stukken waarin de auteurs de roman op speelse wijze vanuit hun eigen achtergrond aan een bespiegeling onderwerpen. Overigens staan er niet alleen maar onverdeeld bewonderende teksten in het boekje. Zo haakte Liesbeth Eugelink naar eigen zeggen af uit ergernis over het gebrek aan zelfreflectie van de auteur. Dat ben ik dan niet met haar eens, Voskuil portretteert inderdaad genadeloos zijn oud-collega's, maar het hardst is hij voor zichzelf. De literaire ontmoeting in Nijmegen vond plaats toen er pas drie of vier delen van de zeven verschenen waren, wat sommige contribuanten tot merkwaardige stukjes heeft geïnspireerd. Zo beschrijft Marinel Gerritsen - Engelien Jansen in Het Bureau - alvast haar belangrijkste momenten met Voskuil in de nog te beschrijven jaren, die de lezer dus in de volgende delen van de roman mag verwachten terug te lezen. Een andere academicus beschrijft zelfs vol vuur zijn enige ontmoeting met Voskuil en kan bijna niet wachten tot hij die terug zal lezen in deel 6. De ijdelheid spat er vanaf.
Criticus Arjan Peters redigeerde in 2000 een boek met wat langere beschouwingen over Het Bureau. De elf schrijvers die een bijdrage leverden hebben elk een eigen invalshoek gekozen. Peters' eigen bijdrage is de meest curieuze, om met understatement te spreken, want hij heeft simpelweg de recensies die hij schreef na de verschijning van weer een deel achter elkaar geplaatst, met als resultaat een knip-en-plak tekst met slecht weggewerkte naden. Paul van Tongeren vergelijkt Het Bureau met Prousts Op zoek naar de verloren tijd en heeft daarbij heel veel woorden nodig om het essentiële verschil tussen beide werken te benoemen: waar Proust probeert te tijd te laten stollen door één klein moment extreem gedetailleerd te beschrijven, daar laat Voskuil door zijn uitgepuurde beschrijving van een jarenlang voortmodderend ambtenarenbestaan juist de genadeloze maalstroom van de tijd zien. Een kortere versie stond overigens al in Een zondagmiddag met J.J. Voskuil. Weer een publicatie erbij. Zeer boeiend zijn de teksten van Wim van den Berg en Jan Fontijn, respectievelijk een aandachtige close-reading van de passages waarin het scherpe waarnemingsvermogen van Maarten Koning voor zijn omgeving tot uiting komt en een openhartige open brief aan de auteur. De leukste bijdrage is van Carola Kloos, die op even hilarische als scherpzinnige wijze op inconsequenties en vooral onzinnigheden in de denkwereld van Maarten en Nicolien wijst, met name met betrekking tot het begrip 'solidariteit'. Beide bundels bevatten aldus een aantal lezenswaardige artikelen waarin een poging wordt ondernomen de impact van deze roman te verklaren. Toch las ik de interessantste duiding elders. J.D.F. van Halsema meent dat er van de eindeloze herhaling van taferelen 'troost' uit gaat: 'Het Bureau [is] een typisch boek van na 1989. Het is de documentatie van het heersende gevoel in onze samenleving dat alle grote verhalen zijn stukgelopen, en dat het enige dat overblijft de kleine individuele geschiedenis is. [...] Het is een boek van troost voor het geseculariseerde publiek van nu.'

Sebastian Haffner - Kanttekeningen bij Hitler (2002 [1978]), 236 blz. (*****)
Over Adolf Hitler zijn bibliotheken volgeschreven. De vandaag de dag toonaangevende biografie staat op naam van Ian Kershaw. Diens tweevuistendikke werk vergt echter aardig wat tijd en inspanning van de lezer. Veel korter is de everseller van de Duitse journalist Sebastian Haffner: Anmerkungen zu Hitler, voor het eerst verschenen in 1978. Slechts 200 pagina's heeft Haffner nodig. Het Historisch Nieuwsblad plaatste dit werk in zijn top 20 van boeken over de Tweede Wereldoorlog die iedereen gelezen moet hebben. De kernachtigheid en trefzekerheid die Kanttekeningen bij Hitler kenmerken springen al meteen aan het begin in het oog. Waar de meeste biografieën beginnen met een ellenlange beschrijving van de vader en de moeder en de groot- en andere voorouders van het subject, daar handelt Haffner het allemaal in drie regels af: 'De vader van Adolf Hitler had het ver geschopt. De buitenechtelijke zoon van een dienstmeid wist een belangrijke positie in de ambtenarij te verwerven en was bij zijn dood een gezien en geacht man.' Bam, die staat, de aandacht kan meteen naar Adolf verschoven worden. Wat deze biografie vooral zo aantrekkelijk maakt is de open, eerlijke blik op Hitler. Ons beeld van de man is voor eeuwig gekleurd door de oorlog, door de holocaust, maar Hitler had ook een voorgeschiedenis: die van succesvol politicus. Zoals een andere Hitler-biograaf, Joachim Fest, al stelde: als Hitler in 1938 plotseling gestorven zou zijn, dan zou hij als een van de grootste staatsmannen die ooit geleefd hebben de geschiedenisboeken in zijn gegaan.
Haffner heeft zijn boek opgedeeld in zeven secties: na een korte levensbeschrijving komen achtereenvolgens Hitlers 'prestaties', 'successen', 'vergissingen', 'fouten', 'misdrijven' en 'verraad' aan bod. Door deze opdeling maakt Haffner de 'kennis van nu' onschadelijk en kunnen Hitlers daden bijna autonoom belicht worden, zonder de denkfout 'om alles wat Hitler heeft gedaan in zijn geheel als fout te bestempelen, alleen maar omdat Hitler het heeft gedaan'. Dit helpt om Hitlers populariteit te verklaren. Hij had in 1928 slechts 2,5 procent van de bevolking achter zich. De economische crisis dreef 40 procent in zijn armen, maar de volgende 50 procent die ná 1933 aanhanger van Hitler werd, werd dit puur op basis van zijn prestaties: herroeping van 'Versailles', bezetting van het Rijnland, herstel nationalistische trots, herbewapening en natuurlijk het eerste Wirtschaftswunder. Zijn successen behaalde Hitler tot 1941, daarna leidden talloze vergissingen en fouten zijn ondergang in. Zijn grootste fout was dat zijn virulente antisemitisme feitelijk zijn politieke machtsstreven in de weg stond. Zoals Frits Boterman het in zijn lezenswaardige nawoord samenvat: Hitler had zich 'enerzijds als politicus ten doel gesteld om de Duitse heerschappij over geheel Europa te vestigen, anderzijds wilde hij als Programmatiker de joden uit de samenleving verwijderen, ofwel uitroeien. [...] Zijn grootste fout was echter om deze twee doeleinden tegelijkertijd na te streven.' De grote misdrijven - massamoord op de zieken, de zigeuners, de Poolse intelligentsia, de Russen en de joden - schrijft Haffner geheel en al op het conto van Hitler persoonlijk. Het 'verraad' van Hitler is volgens Haffner de vernietiging van het Duitse volk dat hij voorstond toen hij ondervond dat het niet het superieur zegevierende volk bleek te zijn waar hij op had ingezet.
Kanttekeningen bij Hitler is een helder, intelligent en soms zelfs spannend boek. Praktisch iedere zin bevat nieuwe, boeiende informatie. Haffner schrijft persoonlijk en stoutmoedig en schrikt niet terug voor een boude bewering meer of minder. Bovendien strooit hij met beeldende vergelijkingen, bijvoorbeeld om de desillusie van de Duitsers in de laatste oorlogsweken te schetsen: 'Het was de Duitsers in deze weken vergaan als een vrouw wier minnaar zich plotseling als haar moordenaar ontpopt en die schreeuwend haar buren te hulp roept tegen de man met wie zij zich heeft ingelaten.' Adolf Hitler zal altijd een enigma blijven, maar deze Kanttekeningen vormen een aanbevelenswaardige inleiding in het fenomeen.

donderdag 5 juli 2012

Tussen aanmelding en lidwording. Hella Haasse en de Kultuurkamer

Onlangs publiceerde historicus Ewoud Kieft zijn studie Oorlogsmythen. Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2012). Hermans ontleent een belangrijk deel van zijn reputatie aan zijn kritische en sceptische romans, verhalen en beschouwingen over de rol van Nederland en haar inwoners in en na de Tweede Wereldoorlog. Die thematiek is nog beladener geworden sinds bekend is dat Hermans zich in 1942 aanmeldde bij de Kultuurkamer.

In HP/De Tijd van 5 mei 2012 besprak Max Pam het boek van Kieft, een week later (11 mei) komt hij op de website van het tijdschrift nog eens op het boek terug. Hij refereert daarbij aan de recente ophef rond de door Hermans-biograaf Willem Otterspeer publiek gemaakte ontdekking dat Hermans zich had aangemeld voor de Kultuurkamer (de Volkskrant, 17 september 2011) en voegt daar aan toe: ‘Wat wij nog niet weten is of hij ook daadwerkelijk lid is geweest. (Hier zou je aan toe kunnen voegen dat ook iemand als Hella Haasse zich heeft aangemeld, en bovendien lid is geworden, zonder dat iemand dat haar ooit verweten heeft, maar dit terzijde.)’

Die tussen haken geplaatste zin wekte de interesse van Rob Delvigne. Hij reageerde op het stuk: ‘Laten we het ’ns hebben over Hella Haasse en de Tweede Wereldoorlog. De Volkskrant (Aleid Truijens) schreef bij de dood van Haasse: “Zij weigert zich in te schrijven als lid van de Kultuurkamer”. En zo staat het ook in het plaatjesboek over Haasse (Ik besta in wat ik schrijf, 2008). Haasse speelde echter in de jaren 1943/44 in de aangemelde toneelgezelschappen Centraal Tooneel en De Ghesellen vanden Spele. De acteurs in die gezelschappen waren zodoende ook bij de Kultuurkamer aangemeld, neem ik aan. / Ben benieuwd of Max Pam harde bewijzen heeft, voor wat hij hier in een tussenzin schrijft.’

Delvignes reactie is ietwat verwarrend, omdat hij Pam eerst lijkt bij te vallen – hij pareert de communis opinio dat Haasse zich weigerde in te schrijven met de aanname dat acteurs van aangemelde gezelschappen ook individueel waren aangemeld –, maar aan het slot toch weer harde bewijzen eist van Pam. Wellicht bedoelt hij met ‘tussenzin’ niet de hele tussen haken geplaatste zin, maar alleen het gedeelte ‘en bovendien lid is geworden’.

Hoe zit dat nu met Haasse? In een ander ‘plaatjesboek’, het Schrijversprentenboek Ik maak kenbaar wat bestond. Leven en werk van Hella S. Haasse van Mariëtte Haarsma, Greetje Heemskerk en Murk Salverda (Amsterdam / Den Haag 1993), staat op p. 121-122: ‘In de zomer (première 2 juli [1943]) speelt [Haasse] de titelrol in de openluchtvoorstelling Mariken van Nieumeghen met het gezelschap Die Ghesellen van den Spele onder leiding van Ad. Hooykaas. In september sluit zij een contract bij het Centraal Tooneel van Cees Laseur en speelt mee in Adriaan en Olivier van Leonard Huizinga, Soubrette van J. Deval en Casanova in Amsterdam, een toneelstuk van dr. F.M. Huebner. Zij meldt zich persoonlijk niet aan bij de Kultuurkamer, maar het gezelschap wordt door Cees Laseur wel als collectief aangemeld.’

De ‘deadline’ voor aanmelding bij de Kultuurkamer lag op 19 februari 1942. Hella Haasse deed pas in juni 1943 eindexamen op de Toneelschool, waarna Laseur haar vroeg voor zijn theatergezelschap. In een interview met Johan Diepstraten uit 1984 (Hella S. Haasse. Een interview. Den Haag 1984) heeft Haasse openhartig verteld over deze episode: ‘Ik heb het formulier nog steeds […]. Ik kreeg zo’n formulier over de post en ik heb het weggeborgen. Het was een moeilijke kwestie met die Kultuurkamer. Ik had geen keuze. In 1943 deed ik eindexamen en moest op de een of andere manier in mijn levensonderhoud voorzien.’

Andere studenten waren bovendien vanuit illegale kringen benaderd met het voorstel financiële ondersteuning te ontvangen wanneer zij geen engagement met het gezelschap van Laseur zouden aangaan. Maar Haasse heeft zo’n aanbod naar eigen zeggen nooit gehad: ‘Ik had toen geen andere middelen van bestaan, en Laseurs gezelschap (met o.a. Mary Dresselhuis, Ko van Dijk, Gijsbert Tersteeg, Joan Remmelts) stond bekend als bijzonder “goed”, in alle opzichten.’ Laseur stond inderdaad bekend als anti-Duits; hij wilde doorspelen om de mensen nog enig vertier te kunnen bezorgen. Bovendien oefende Laseur in februari 1942 ‘geen enkele pressie op de leden van zijn gezelschap uit’ om zich individueel aan te melden (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 5: maart ’41 – juli ‘42, Den Haag 1974, p. 771). Niettemin werd hij op 3 augustus 1945 door de Eereraad voor de Tooneelkunst veroordeeld tot 3 maanden schorsing, een vonnis dat evenwel in mei 1947 door de Centrale Ereraad voor de Kunst, die de beroepszaken behandelde, werd vernietigd: ‘De Centrale Ereraad heeft laatst vermeld vonnis vernietigd en bepaald dat voor enigerlei maatregel ten opzichte van Laseur geen aanleiding bestaat,’ schreef het Utrechts Nieuwsblad op 22 mei 1947.

Hella Alofs heeft in Bzzlletin 91 (1981) een hypothese opgesteld om te verklaren waarom Haasse ondanks haar weigering het aanmeldingsformulier in te vullen toch door kon spelen: ‘ten eerste was de periode dat de Kultuurkamer hoge ogen gooide, voorbij. / Op de tweede plaats was de ontwikkeling zó dat de individuele aanmelding onbelangrijk was geworden. Het dóórspelen van een gezelschap hield feitelijk erkenning van de Kultuurkamer en collectieve toetreding in.’ Alofs citeert ook uit een reactie van Haasse op de toekenning van de literatuurprijs 1961 door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945. Het bestuur van de stichting had op haar verzoek ‘inlichtingen ingewonnen (o.a. bij Oorlogsdocumentatie) om na te gaan of ik misschien tóch zonder dit zelf te weten bij de Kultuurkamer ingeschreven ben geweest, b.v. in het “collectief” van het gezelschap Laseur. In dat geval had ik de prijs niet kunnen en willen aanvaarden.’

De procedure van de Kultuurkamer was in de woorden van Willem Huberts, die de Kultuurkamerkwestie voor Simon Vestdijk uitzocht (‘Vestdijk en de Kultuurkamer’, Vestdijkkroniek 57, 1987, p. 43), als volgt: ‘Men schreef een brief, waarin men te kennen gaf zich te willen aanmelden. Als reactie volgde dan de toezending van een aanmeldingsformulier. Wanneer men dit formulier ingevuld had geretourneerd, volgde de toezending van een tweede aanmeldingsformulier, ditmaal bestemd voor het gilde waarin men zou worden geplaatst – er bestonden in totaal zes gilden voor zes verschillende beroepsgroeperingen van kunstenaars. Dit tweede aanmeldingsformulier was vergezeld van een ariërverklaring. Beide formulieren moesten worden ingevuld, ondertekend en geretourneerd. Dit behelsde de formele aanmelding. Deze aanmelding werd door de Nederlandsche Kultuurkamer in behandeling genomen en het besluit werd dan de aanvrager t.z.t. medegedeeld. Door het constante personeelstekort en het verloop van de oorlog, is het bijna nooit voorgekomen dat de gehele procedure werd afgerond. Slechts zeer weinig mensen hebben daadwerkelijk bericht gekregen dat hun aanmelding geaccepteerd werd. Het bleef meestal bij terugzending van de toegezonden twee formulieren.’ Otterspeer zette de procedure ook al in soortgelijke bewoordingen uiteen in zijn Volkskrant-artikel over Hermans’ aanmelding.

Haasse heeft dus waarschijnlijk na toetreding tot Laseurs gezelschap een individueel aanmeldingsformulier toegestuurd gekregen. Dat formulier heeft ze echter nooit ingevuld geretourneerd – maar dat maakte in 1943 weinig meer uit.

Voor Max Pam maakt dat overigens ongetwijfeld geen verschil. Hij vond al dat het ‘rechtvaardig’ zou zijn geweest als Günter Grass, feitelijk nog een kindsoldaat, ‘een kogel door de kop was geschoten’ (de Volkskrant, 13 april 2012). Wat had hij Haasse dan wel niet toegewenst?

Eerder verschenen op Textualscholarship.nl

maandag 4 juni 2012

Lezen, lezen, lezen #29

Ik ben bezweken onder de zware druk: vanaf heden met sterren.

Kees Fens - Het volmaakte kleine stukje. Samenstelling Joost Zwagerman (2009), 286 blz. (***)
Lang heb ik in de veronderstelling verkeerd dat Kees Fens niet uit Amsterdam kwam. Hij woonde dan wel in die Republiek en schreef er bespiegelende stukjes over, maar die waren geschreven met de blik van de typische immigrant uit de provincie, voor altijd een outsider. Fens blijkt echter een geboren en getogen Amsterdammer. Dat ik voor het eerst van Fens hoorde in zijn hoedanigheid van ex-hoogleraar in Nijmegen heeft waarschijnlijk ook bijgedragen aan mijn misvatting.
Het volmaakte kleine stukje is een door Joost Zwagerman gebloemleesde verzameling stukjes die Fens schreef tussen 1977 en 2008. Het mooist vind ik de vroege columns die Fens onder het pseudoniem A.L. Boom in De Tijd schreef. 'Vandaag wordt gisteren' bijvoorbeeld is een prachtig stukje over het wezen van de tijd en 'Mijnheer en mevrouw Aluin' beschrijft intens de herinnering aan een in de Oorlog weggevoerd gezin. Ook erg goed zijn de zeer korte columns die oorspronkelijk als 'Handgroot' in de Volkskrant verschenen. Op de korte baan is Fens in zijn element, elke zin is dan raak en er staat geen woord te weinig in. Ook 'Vandaag wordt gisteren' is overigens zo imponerend door die geconcentreerde zinnen die op een haast bedwelmende manier aaneengeschakeld zijn. De columns van langer dan anderhalve bladzijde worden echter al gauw oeverloos en af en toe zelfs zeurderig. Ik vond dat een vreemde gewaarwording: een stukje begint overtuigend, pakt me meteen, maar ineens is daar het moment dat ik de aandacht verlies en een vermoeide of zelfs geërgerde zucht laat ontsnappen. Fens draait dan eindeloos om een onderwerp heen, belicht het op zeer persoonlijke wijze - inderdaad zoals het een essayist betaamt -, maar soms zakt die idiosyncrasie door de ondergrens van begrijpelijkheid, bijvoorbeeld in zijn beschrijvingen van de maanden of de dagdelen, of van redelijkheid, bijvoorbeeld in sommige stukken over lezen. 'Op de rechterzij' beschrijft de moeilijkheden van lezen in bed; op een gegeven moment blijkt echter dat het Fens gaat om lezen terwijl het boek naast de lezer op de matras ligt. Dat is wel heel erg gezocht, zo kan ik ook wel een stukje schrijven over de moeilijkheden van autorijden terwijl je op de bijrijdersstoel zit. Ook de stukjes over sport vallen licht tegen. De gedachte bekruipt me dat Fens er te weinig van afwist. In 'De verworpenen' over het fenomeen van de grensrechter: 'Toch waren er alleen al in de eredivisie dit weekeinde zesendertig in gebruik.' Hij heeft gedacht: achttien clubs maal twee grensrechters is zesendertig, maar het is natuurlijk negen wedstrijden maal twee is achttien grensrechters.
Veel onvolmaakte kleine stukjes dus, maar het is veeleer een 'fout' van Zwagerman dat ze toch in deze best of terecht zijn gekomen dan een diskwalificatie van Fens. Die moet immers beoordeeld worden op zijn beste stukken en de bundel bevat onmiskenbaar genoeg lezenswaardige en zelfs ontroerende teksten. Over veronachtzaamde straathelften, over de 'leegheid' van Brussel, over zijn moeder en natuurlijk over de bocht in Regent Street die Fens bij de eerste aanblik ervan tot tranen roerde. Inmiddels ben ik twee keer in Londen geweest en beide keren ben ik even naar Regent Street gegaan om die bocht te aanschouwen, van beide kanten, en beide keren werd ik meewarig aangekeken door mijn gezelschap. Dat is denk ik de essentie van deze stukjes van Fens: vaak al te zonderling, maar als je hem begrijpt, als je meegaat, dan vang je ook echt heel even een glimp op van de idee van volmaaktheid.

Gert Jan Pos (red.) - Mooi is dat! (2011), 128 blz. (****)
Gert Jan Pos, 'intendant strips' van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, kwam op het briljante idee een boek samen te stellen met verstrippingen van meesterwerken uit de Nederlandstalige literatuur. We kenden al de stripversies van De avonden en Kaas door Dick Matena, maar Pos koos voor een ander concept: de striptekenaars moesten het literaire werk van hun keuze in één pagina vatten. Dat heeft strips van zeer verschillend karakter opgeleverd. De ene tekenaar koos voor een klassieke aaneenschakeling van vierkante of rechthoekige plaatjes met tekst, de andere ging voor één grote prent of een vrije vorm, de ene vat de roman samen, de ander heeft er een sleutelscène uitgelicht of geeft een sfeerimpressie. Pieter Steinz werd ingeschakeld om een groslijst van 100 titels te maken waaruit 57 tekenaars hun favoriet moesten kiezen. Geen Mulisch, geen Claus, geen A.F.Th., maar verder zijn alle groten wel zo'n beetje vertegenwoordigd, inclusief moderne klassiekers als Joe Speedboot, De helaasheid der dingen, Tirza, Knielen op een bed violen, Godenslaap en Sprakeloos. (Er is wat mij betreft wel een omissie: de titel is ontleend aan Ollie B. Bommel, maar Toonder is niet vertegenwoordigd in de 57, terwijl zijn werk toch onmiskenbaar literaire waarde heeft!) Door de keur aan stijlen en vormen vond ik niet alles even mooi of goed, maar ene Wasco was wel het dieptepunt met zijn 'bewerking' van Belcampo's Het grote gebeuren: de tekst van het verhaal is eenvoudigweg verdeeld over twintig identieke plaatjes... Mijn favorieten zijn Nijhoffs 'Lied der dwaze bijen' door Jan Cleijne, Brusselmans' De man die werk vond door Lectrr, met een Escher-achtige bibliotheek, en Wolkers' Turks Fruit door Gerrit de Jager, die stiekem ook de draak steekt met de roman door de hoofdfiguur op werkelijk elk plaatje met een stijve af te beelden. Mijn nummer 1 is echter Voskuils Bureau door Guido van Driel, ongetwijfeld ook omdat ik momenteel ondergedompeld ben in die grootse cyclus. Van Driel kwam op het briljante idee van lege tekstballonnen, die perfect de zinloze conversatie op de werkvloer uitbeelden. Op het voorlaatste plaatje zien we de ouder geworden Maarten Koning nog aan zijn bureau zitten. Op het laatste plaatjes is het Bureau verlaten. Prachtig.

Michel van Egmond - Gijp (2012), 324 blz. (*****)
Toen eind vorig jaar bekend werd dat René van der Gijp geen griep had maar thuis zat met een burn-out, was dat voor mij een schok maar ergens ook een opluchting. Ik bewonderde Gijp om zijn scherpe observaties en schitterende grappen maar ik voelde ook een lichte jaloezie om zijn manier van leven. Hier was dan eindelijk iemand die werkelijk deed waar hij zin in had, wie alles kwam aanwaaien en niets leek te deren. Het kon dus wel: volledig stressvrij door het leven gaan. Maar ook Van der Gijp was niet de zorgeloze levensgenieter die hij voorwendde te zijn, ook hij bleek een andere kant te hebben. Paniekaanvallen kwamen weleens in de plaats van de befaamde lachaanvallen, achter de façade van zorgeloosheid en flierefluiterij ging een control freak schuil die het liefst alleen is. Die dynamiek, die spanning is door Michel van Egmond indringend beschreven in Gijp. De eerste druk van dit boek was in mum van tijd uitverkocht, zodat razendsnel bijgedrukt moest worden. Helaas is hierdoor een misdruk ontstaan: bladzijde 300 is identiek aan 298, waardoor de 'echte' pagina 300 ontbreekt en p. 299 dus doodloopt. (Curieus genoeg verschilt de hoofdstuktitel wel minimaal: 'En? Is dat ventje er al?' versus 'En? Is die gozert er al?') Een smet op een verder wonderschoon boek. Van Egmond beschrijft acht maanden uit het leven van Van der Gijp, van de Gijp die na VI Oranje op het hoogtepunt van zijn eigen hype leeft, via de 'vliegende inzinking' die hem maanden buitenspel zette tot de succesvolle terugkeer dit voorjaar. Tussendoor schetst Van Egmond aan de hand van oude artikelen een beeld van de jonge Gijp als voetballer. Bovendien bestaat het boek vooral uit citaten, van personen uit de omgeving van Van der Gijp, maar vooral van de maestro zelf. Die afwisseling van komische anekdotes en de schrijnende actualiteit heeft een ware pageturner opgeleverd. Van Egmond heeft in zijn stukken altijd oog voor het bijzondere, voor het afwijkende, voor het anekdotische, dat hij met een mengeling van ironie en compassie weet te evoceren. In die zin was hij de ideale man om een boek over René van der Gijp te schrijven, de man die immers de gierende lach en de verpletterende somberheid in zich verenigt, of in de woorden van Van Egmond: 'de clown die het ene moment nog de gevierde man in de circustent is en die even later, afgeschminkt en alleen, weer anoniem in zijn stille kleedkamer zit.' (89)

donderdag 8 maart 2012

Literaire ontmoetingen

Wanneer ’s avonds de somberheid zich langzaam maar ferm in de kamer nestelt, dan is er geen betere remedie denkbaar dan de dvd Literaire ontmoetingen op te zetten. De somberheid verdwijnt er niet door. Dat is ook niet de bedoeling natuurlijk. De intrigerende beelden uit een onnoemelijk ver verleden appelleren echter perfect aan het niet onaangename besef van de vergankelijkheid en vergeefsheid van alles, dat toch wezenlijk is voor de waarachtige somberheid.

Op de dvd zijn de tien afleveringen van Literaire ontmoetingen verzameld die regisseur Hans Keller en presentator H.A. Gomperts in 1962-1964 maakten voor het eerste – en toen nog enige – Nederlandse net. De term ‘ontmoetingen’ is juist gekozen, want ‘interviews’ zou een te krappe typering zijn. De schrijvers – achtereenvolgens J.C. Bloem, S. Carmiggelt, Harry Mulisch, Hugo Claus, Willem Elsschot, Gerrit Achterberg, Gerard Kornelis van het Reve, Adriaan Morriën, S. Vestdijk en Adriaan van der Veen (een fragment uit een geschrapte aflevering met Remco Campert is als bonus toegevoegd) – zijn weliswaar te gast in de studio, maar van de gemiddeld drie kwartier durende afleveringen wordt een groot deel besteed aan filmbeelden bij de schrijver thuis, het voorlezen van gedichten, monologen van de auteur zelf, et cetera.

De hedendaagse mens, gewend aan de powertelevisie van De Wereld Draait Door, waar schrijvers tien minuten hebben om te proberen tenminste een of twee volzinnen uit te spreken voor de presentator erdoorheen komt denderen, moeten de kalme zwart-wit-beelden een oase van rust schijnen. Toch zou ik niet durven beweren dat de serie nu zo ouderwets aandoet qua manier van televisie maken. Het tempo ligt lager en alles is wat eenvoudiger, maar regie en camerawerk zijn heel modern. Het is eerder de behandeling van het onderwerp literatuur dat exemplarisch is voor een voorbije periode.

Die gedachte trof me toen ik Ed. Hoornik onder in beeld aangeduid zag als ‘letterkundige’. Dat woord is hier zoveel meer dan alleen een beschrijving van ’s mans ‘beroep’. Er is impliciet een heel complex van waarden aan verbonden: gezag in de eerste plaats. Aanzien, eerbied, status. Het is een typering waaruit respect en bewondering spreekt, gevoelens die ongetwijfeld ook bij de kijkers werden opgeroepen. Hoornik is letterkundige en zijn woorden zijn derhalve welhaast apodictisch. Wie noemt zich tegenwoordig nog ‘letterkundige’? Met het gezag van de letterheren is ook de term verdwenen.

De eerste ontmoeting, met de 75-jarige Bloem, is even aandoenlijk als gênant. De grote dichter - die de staart van de negentiende eeuw nog bewust heeft meegemaakt - in bewegend beeld te zien is bijna een historische sensatie. De manier waarop is echter vrij pijnlijk. We zien de oude door zijn boerderijwoning scharrelen met de stuntelige pasjes van de klassieke komieken van de zwart-witfilm. En in het studiogesprek lijkt Bloem soms een demente sukkelaar. Hij verwart Greshoff met Marsman en het vorm-of-vent-debat met het retoriekdebat. In het bijbehorende boekje wordt die indruk overigens bevestigd. Keller schrijft daarin dat Bloem geacht werd na een korte inleiding van Gomperts in te haken, maar hij blijft de presentator maar verbaasd aanstaren, waardoor Gomperts geen andere uitweg ziet dan al improviserend door te praten en zo 'het eerste gesproken televisie-essay over een onderwerp dat er zelf instemmend bij zat' uitspreekt.

Mulisch, die non-verbaal de overzelfverzekerde houding heeft die velen ook toen al tegen de borst stuitte, vertoont een schitterende, door zijn vader in de jaren dertig geschoten, film van Harry als baby en peuter. Materiaal van onschatbare waarde. Ook het commentaar van Mulisch ontroert plots hevig wanneer hij beelden van zijn moeder die hem in de kinderwagen verzorgt begeleidt met de onhandige tekst ‘Hier helpt een moedertjelief aan mij’. Van het Reve vertelt met schrille ironie over zijn ongelukkige jeugd. De trage beelden van een inderdaad troosteloos suburbaan Amsterdam en de droevige muziek van Delerue die onder het item is gemonteerd creëren gezamenlijk een sfeer van grenzeloze triestheid.

Ook Carmiggelt wil ik nog kort noemen. Keller schrijft dat men de aflevering met hem al om 20.15 uur in plaats van op het gebruikelijke tijdstip van 22.00 uitzond omdat er spektakel werd verwacht. Carmiggelt was een ervaren 'performer' en Gomperts een literatuurpaus. De aflevering is echter allesbehalve verhit. Carmiggelt zit beminnelijk met zijn handen over elkaar en beaamt ruimhartig en volmondig werkelijk elke suggestie die Gomperts met betrekking tot aard en betekenis van zijn werk doet. Ook de manier waarop hij een verhaal voorleest is magistraal.

Wat misschien wel het meest ontroert zijn de beelden eromheen. Het zicht op de tuin van Bloem door een raam. Het waait hard, een klein boompje buigt ver door. Het zonlicht dat een straat in Haarlem beschijnt. Kurt Mulisch rent uitgelaten over de stoep. De straat in Doorn waar Vestdijk huist. De vrijstaande huizen liggen doodstil in de mist. Geen ziel is op straat te bekennen.

donderdag 24 november 2011

Schoonheid plus mededogen

Onlangs voltooide ik een klein project: elke avond voor het slapen gaan las ik een verhaal uit Joost Zwagermans bloemlezing De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 verhalen. Hieronder twaalf ontdekkingen uit deze mammoet. Het zijn niet de twaalf beste verhalen of zo, want dat zou een lijst opleveren waarin zeker 'Vrouwen winnen' van Hotz, 'Brommer op zee' van Biesheuvel, 'De sprong der paarden en de zoete zee' van Mulisch, 'De laatste jaren van mijn grootvader' van Reve, 'Gevederde vrienden' van Wolkers en 'De aktetas' Bordewijk zouden staan. Dat zijn echter erkende klassiekers; dit hieronder zijn twaalf verhalen van auteurs die ik nog niet of nauwelijks kende, van wie ik alleen ander werk kende, van wie ik dacht dat hun talent op andere vlakken lag, etc.

1.Frans Coenen, 'Van een klein leven'
Over een oude horlogemaker die gekweld wordt door financiële zorgen en een verstikkend huwelijk. Het somberste verhaal dat ik ken. Rake beelden, een doordringende mismoedige sfeer en een emotionerend slot. Schoonheid plus mededogen en dus Kunst.
2.Bertus Aafjes, 'De filosoof'
De dichter Aafjes sneuvelde onder het geweld van Vijftig, maar zijn poëzie is nog steeds de moeite waard. Ook zijn proza blijkt lezenswaardig. Dit verhaal over de dolle denker Porjef Porjof munt uit door verbeeldingskracht en een amusant-ironische vertelstem: 'Hij meende te moeten vallen'.
3.Maria Stahlie, 'De obsessie van Wallie van Alten'
Sympathieke vertelling over een dromerig buitenbeentje dat idolaat is van Woody Allen. Lichtvoetig verteld en barstend van vertelplezier. 'Wally glimlachte een ruige glimlach vol echt gevoel naar zijn spiegelbeeld.'
4.Carry van Bruggen, 'Het onbegrepene'
Over een joodje dat op school gepest wordt met 'jood' en 'smaus' en hypergevoelig is voor 'de huiver voor 't vreemde, dat hij dee... 't vreemde, dat hij was...'. Het 'arme, gemartelde ventje' begrijpt het niet. Een schokkend vooroorlogs verhaal over ingebakken antisemitisme.
5.Maurice D'Haese, 'Het paard'
Prachtig zintuiglijk verhaal over de jongen Thomas die in een intens droombeeld een teer, naakt meisje tracht te redden van een monstrueus paard dat briesend en razend het huis binnendringt. Zinderend van erotiek en primitieve angstgevoelens.
6.Josien Laurier, 'De verhalenbundel'
Vernuftig spel met werkelijkheid en fictie, waarin de tekst van het verhaal op Calvino-achtige wijze vermengd raakt met de tekst van de verhalenbundel die het personage leest, maar zonder dat het allemaal onleesbaar of gekunsteld wordt.
7.Theun de Vries, 'Traan op het ijs'
Deze 97 jaar oud geworden communist kennen we toch vooral nog als een door W.F. Hermans op zwavelzuur gezette mandarijn ('De huursoldaat van de vrede'), maar in dit verhaal wordt de bedrijvigheid rondom de walvisjacht bij Spitsbergen zeer zintuiglijk geëvoceerd.
8.Salvador Hertog, 'De poort Waarachtig'
Surrealistisch, onbegrijpelijk verhaal dat toch indruk maakt door het fantastische taalgebruik: 'De paters zeiden nee tegen de anderen die ja zeiden. Toen werden ze gehangen. Het hangen van neezeggers is een oeroude bezigheid, met zoveel plezier bedreven [...] dat men bij het ontbreken van neezeggers ook afzeggers ophangt.'
9.Johan de Meester, 'De klompjes'
Net als Coenens verhaal een gitzwart stuk proza met een kil registrerende verteller. Met zware symboliek geladen natuurevocaties - 'gore, uitgezakte lucht' en 'dofzwaar gieren van het water' - en mooi klankspel: 'Klepkre, klepkre, over de Keiendijk klepten en knerpten drie paren kleine klompjes.'
10.Josepha Mendels, 'Bram slaat een roffel'
Verhaal dat leest als een muziekstuk, traag en loom beginnend, allengs opzwepender, een verstillend middenstuk en dan ineens een uitschieter vlak voor het eind: 'Ja, Bram slaat een roffel!' Een schreeuw om aandacht voor het leed van een Joods gezin.
11.Jan Brokken, 'Het laatste oordeel'
Ontroerend verhaal over een vader en een zoon. De oude, een intellectueel, moet naar een verzorgingshuis en mag maar een klein deel van zijn bibliotheek meenemen. '"Zestien delen Goethe." "Allemaal mee of niet één."' Een gevecht tegen de sterfelijkheid met de literatuur als wapen én offer.
12.Oek de Jong, 'Dekker, Koolen en Buis'
Op Nescio geïnspireerd verhaal over de ondergang van drie hemelbestormers met een ijsfabriekje. Buis gaat dood, Dekker snijdt zich uit droefheid de strot af en Koolen besluit vervolgens uit woede tweehonderd te worden. Hij haalt het. En dan die onvergetelijke slotzin: 'Maar toen ging hij ook.'

woensdag 26 oktober 2011

Mauro de jongen

In het kader van 'Nederland leest' staat Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert de komende weken centraal. In deze roman is ook een rol weggelegd voor Kees Bakels, die hier een oude man is, maar die we beter kennen als Kees de jongen uit de gelijknamige evergreen van Theo Thijssen. Campert las Kees de jongen intensief toen zijn vader Jan, die in het verzet actief was, gearresteerd en weggevoerd werd.

Carmiggelt omschreef Kees ooit onverbeterlijk als 'een gezonde, bona fide jongen'. De empathie met en sympathie voor het personage die de lezer ervaart, worden niet alleen opgewekt door diens daden, maar ook door de manier waarop hij aan ons verschijnt, al beginnend in de titel. Dat 'de jongen' maakt hem tot één van ons, tot een bovenmenselijk individu, exemplarisch voor het type dat hij vertegenwoordigt. Ook het jongetje in Cormac McCarthy's De weg, met zijn vader door de puinhopen zwervend als waren zij de laatste twee mensen op aarde, wordt consequent als 'de jongen' aangeduid.

Iets dergelijks gebeurt nu ook met Mauro Manuel, de Angolees die na acht jaar Nederland moet verlaten. Minister Leers ziet geen mogelijkheden voor hem een uitzondering te maken. Manuel had zelf de publiciteit gezocht met een open brief aan Leers. Hij wordt nu niet, zoals normaal het geval is, met zijn achternaam aangeduid, maar zeer frequent, bijna consequent, als 'Mauro', of zelfs als 'de jongen Mauro'. Door hem bij zijn voornaam te noemen, wordt hij tot een goede kennis gemaakt, een vriend, een familielid, want alleen naasten spreken we bij hun voornaam aan. En familie zetten we niet het land uit.

Wederzijdse gezichtsloosheid van overheid en burger zou je een basisvoorwaarde voor een werkbare verhouding tussen beide partijen kunnen noemen. Voor de burger is 'de' overheid in de dagelijkse omgang een abstractum, alleen bestaand op papier, in brieven, rekeningen, documenten, of hoogstens als semi-individueel tussenpersoon achter een balie. En ook voor de overheid zijn burgers geen individuen, maar veeleer groepen, categorieën of nummers, burgerservicenummers. Als de verhouding te individueel wordt, ontstaat een onwerkbare situatie, een stroperige brij, of is er al gauw iets niet in de haak. Belangenverstrengeling. Vriendjespolitiek. Corruptie.

Het verstoren van de politieke machinerie door van een specifiek afgebakende groep burgers individuele gevallen te maken, is een beproefde tactiek. Enige jaren geleden protesteerde een groep tegenstanders tegen het asielbeleid van minister Verdonk met de actie '26 000 gezichten', om zo het beeld te creëren dat Verdonk persoonlijke politiek bedreef tegen individuen in plaats van beleid op basis van persoonsonafhankelijke criteria.

Ook Gerd Leers wordt nu geconfronteerd met het persoonlijk maken van politiek. De aimabele sociaaldemocraat Spekman spreekt ongetwijfeld recht uit het hart wanneer hij kritiek uit op het besluit van Leers, maar in politiek opzicht huilt hij krokodillentranen, want de arme Leers is wat betreft de zaak-Manuel met handen en voeten gebonden aan de vreemdelingenwet uit 2001, de wet-Cohen. Sinds 1 juli van dit jaar is een nieuwe vreemdelingenwet van kracht, speciaal ontworpen om asielzoekers sneller uitsluitsel te geven en langslepende gevallen als dat van Manuel te voorkomen.

Ik ben van mening dat Manuel een verblijfsvergunning moet krijgen. Omdat hij behoort tot een groep asielzoekers die als kind in Nederland belandde en inmiddels al langer dan een x-aantal jaren hier is. Maar niet omdat hij 'de jongen Mauro' is, die met zijn pleegvader Hans en pleegmoeder Anita en broertje Tjeerd gelukkig is, en een MBO-opleiding volgt, en een grillige rechtsbuiten in de A1 van Nieuw-Woensel is ('sinds kort').

dinsdag 13 september 2011

Schrijvers in China: de lessen van Zuid-Afrika

In de heisa die is ontstaan rondom het bezoek van Nederlandse schrijvers en wetenschappers aan China wordt regelmatig gerefereerd aan de ‘kwestie-Zuid-Afrika’. In de jaren tachtig stelde Nederland een culturele boycot in tegen Zuid-Afrika, waar het apartheidsregime aan de macht was. Deze boycot kwam bovenop de door de Verenigde Naties ingestelde economische sancties.

In De Wereld Draait Door van maandag 5 september noemde Herman Pleij de herinnering aan die boycot als een reden om nu naar China te zijn gegaan. Hij is van de generatie die toentertijd een uitnodiging van de regering om te komen praten afsloeg, de Zuid-Afrikaanse bibliotheek in de Herengracht gooide en zich nu ‘kapotschaamt’ over de boycot. De andere Chinaganger die bij Matthijs aanschoof, de acteur Ramsey Nasr, is van na 'Zuid-Afrika', maar ook hij sprak vol vuur over de missie in China: 'Er was niemand die zei: was maar weggebleven.' Een nieuwe boycot zou dus een vergissing zijn geweest, misplaatst en bovendien contraproductief.

Een schrijver die de culturele Zuid-Afrika-boycot trotseerde was Willem Frederik Hermans. Op uitnodiging van zijn Zuid-Afrikaanse uitgever Koos Human reisde Hermans in het voorjaar van 1983 een maand door Zuid-Afrika. Hij gaf er gastcolleges en lezingen en trad er in contact met schrijvers als André Brink en Etienne Leroux. Het bezoek leidde weliswaar tot enige discussie in de media, maar omdat Zuid-Afrikaanse schrijvers, onder wie Brink, Hermans expliciet bijvielen, luwden de protesten snel. In 1986 stak de storm weer op toen Hermans naar verluidt door de VN op een ‘zwarte lijst’ was geplaatst, samen met Gerard Reve en Heintje, die eveneens in Zuid-Afrika hadden opgetreden.

Een en ander leidde ertoe dat de gemeente Amsterdam Hermans tot persona non grata verklaarde. Ook deze ‘boycot’ werd evenwel door de schrijver getrotseerd, en begin januari 1987 gaf Hermans een lezing in Amsterdam, die overigens nog verstoord werd door een valse bommelding. Aan de organisatie schreef Hermans achteraf dat hij hoopte ‘voor u en alle Amsterdammers dat het Gemeentebestuur zijn dwaze houding zal corrigeren en inzien dat geen enkele bewoner van het 9000 km verderop gelegen Zuid-Afrika wordt geholpen door Nederlandse schrijvers in Amsterdam te laten bedreigen.’ (Volledige Werken 14, p. 799)

De huidige China-kwestie roept inderdaad reminiscenties op aan 'Zuid-Afrika'. Er is nu weliswaar geen sprake van een officieel ingestelde boycot, maar er is wederom beroering over een schrijversbezoek aan een land waar een dubieus regime aan de macht is. Ook nu zijn er schrijvers uit het bewuste land die het bezoek steunen. En net zoals er nu ook tegengeluiden opklinken waren er toen schrijvers die juist fel tegen het bezoek waren, met als bekendste voorbeeld Breyten Breytenbach, die indertijd betoogde dat Hermans' opinie over de apartheid regelrecht 'uit de koker van het regeringspropaganda-apparaat' kwam.

Hermans bleek bovendien een beperkt beeld van de situatie in Zuid-Afrika te zijn voorgeschoteld. Zo kwam hij vrijwel alleen met blanke schrijvers in contact en verklaarde hij bij thuiskomst dat hij bij een bezoek aan Robbeneiland had gezien hoe Nelson Mandela daar in de tuin van die comfortabele gevangenis in alle rust mocht studeren. Mandela bleek echter al een ruim een jaar eerder te zijn overgeplaatst naar de Pollsmoor Prison in Kaapstad.

Ook nu ligt het zeer voor de hand dat de groep Chinese schrijvers die de Nederlandse delegatie heeft gesproken niet representatief mag heten voor de hele populatie. Het argument van Nasr dat er niemand was die had gewild dat de Nederlanders niet waren gekomen, is van een verbazingwekkende naïviteit. Schrijvers die een ander geluid hadden kunnen laten horen, waren immers zorgvuldig geweerd van de boekenbeurs. Hoogstwaarschijnlijk hebben dus ook de goedbedoelende Nederlanders anno 2011 een gekleurde versie van de realiteit voorgeschoteld gekregen.

De Nederlanders in China hebben er goed aan gedaan contact te zoeken met Chinese schrijvers, maar ze moeten zich er toch ook rekenschap van geven dat ze in een zorgvuldig geregisseerd programma terecht zijn gekomen waarbij dissidente schrijvers bewust buiten hun bereik zijn gehouden. De Chinagangers hadden hun jubelverhalen over dialoog, contact maken en het bevorderen van het vrije woord derhalve met iets meer nuance mogen inkleden.