In het holst van de Nieuwjaarsnacht las ik De avonden uit, waarna ik mij uitstrekte en in een diepe slaap viel. Ik denk dat het de achtste of negende keer was dat ik deze roman las. De eerste keer was ergens in de laatste maanden van 2004, met de spreekwoordelijke schok der herkenning - en een brok van ontroering. Nu lees ik het werk alweer een flink aantal jaren op de tien laatste avonden van het jaar; het is inmiddels bij die periode gaan horen als de Kerstboom en de oliebollen, als de Top 2000 en het vuurwerk.
Daarmee is het geen herhalingsoefening geworden, integendeel. Elk jaar blijven er weer andere zinnen of fragmenten hangen, word ik geraakt door een passage die me al die andere keren nooit bijzonder was opgevallen, ontdek ik kortom nieuwe schoonheden. Herlezing sterkt mij in de overtuiging dat De avonden een onovertroffen meesterwerk is. Een lijfboek voor de tobbers, de piekeraars, de 'zwaartillenden'.
Je moet altijd voorzichtig zijn met zulke maatstaven, maar ontvankelijkheid voor De avonden lijkt mij zelfs een betrouwbare graadmeter om iemands karakter aan te toetsen. Wie het verschrikkelijk vindt moet wel aan harteloosheid lijden, of onderweg in dit leven enig gevoel voor kwetsbaarheid en sensitiviteit hebben verloren. Ik veracht hen niet, allesbehalve, ik beklaag ze in hun gevoelloosheid.
Identificatie is één, maar empathie is twee. Literatuur lezen bevordert het empathisch vermogen, zo hebben Amerikaanse psychologen afgelopen oktober beweerd. Misschien werkt het ook andersom: aan literatuur kan men zijn empathisch vermogen toetsen. Ziet men alleen een onoprechte snoever die een plaag is voor zijn omgeving? Of kan men zich inleven in de existentiële nood van Frits van Egters?
In een artikel uit 1996 van Onno Blom wordt van Marjo Eijgenraam, die een facsimile-uitgave van het manuscript en het typoscript maakte, gezegd: 'Zij is een Avondologe pur sang.' Het is niet duidelijk of de typering van Blom is of dat Eijgenraam zichzelf zo afficheerde, maar de Avondologie, dat lijkt me nu een prachtige discipline.
De avonden verscheen in 1947 onder auteursnaam Simon van het Reve. Een halfpseudoniem, want de echte naam van de auteur luidde Gerard van het Reve, of volledig Gerard Kornelis van het Reve. Pas in 1973 nam hij zijn tegenwoordig gangbare auteursnaam Gerard Reve aan, de eerste keer op het omslag van Lieve jongens. Werd hij wellicht als scholier al zo genoemd?
Op de tweede avond vindt de reünie plaats van het 'Berendsgymnasium', zoals het Vossius in De avonden heet. Enkele van de mede-oud-leerlingen die Frits er ontmoet spreken hem met 'Egters' aan, zonder het tussenvoegsel dus: '"Ja Egters," zei hij'; '"Het zakenleven is niet zo eenvoudig, meneer Egters"'; '"Egters, wat dwaal jij hier rond als een verdoold schaap?"' Frits spreekt hen bij hun voornamen aan.
Al te vaak is De avonden saai of eentonig genoemd. Rob Schouten in 2002 in Trouw: 'Het is [...] eentonig en dat past niet bij onvergetelijkheid.' Dat is niet vol te houden. In Zelf schrijver worden (1986) stelde Reve, in navolging van Schopenhauer, al dat de mooiste boeken die boeken zijn waarin eigenlijk niets gebeurt. Hij noemt Madame Bovary van Flaubert en Vaders en zonen van Toergenjev. En wat te denken van Oblomov, of Wachten op Godot? Verderop corrigeert Schouten zichzelf: 'Je zou ook kunnen zeggen, met "De avonden" ontdekte Nederland de creatieve kracht van monotonie en meligheid.'
Liefdeloosheid is ook zo'n predicaat dat aan De avonden is gaan kleven. Dat kan ik niet inzien. Frits loopt juist over van genegenheid en liefde voor zijn ouders, dwars door alle benauwenis heen, maar hij kan en wil er geen uiting aan geven. Alle pesterijen, alle ergernissen, alle vluchtpogingen, het zijn geen bewijzen van liefdeloosheid, het zijn juist wanhopige pogingen de genegenheid, de tederheid te onderdrukken, te verbergen onder een oppervlakkige laag harteloosheid.
Aan het eind breekt hij, in die weergaloze slotbladzijden, en richt hij zich tot God met de smeekbede zijn goede ouders onder Zijn hoede te nemen. Vestdijk, de ziener, had het in zijn recensie in 1947 precies in de gaten: 'Van dit zeldzaam navrante slot, dat de gehele roman draagt, is geen denkbeeld te geven, men moet het gelezen hebben. Het behoort tot het aangrijpendste wat ik ooit onder ogen kreeg.'
Posts tonen met het label Reve. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Reve. Alle posts tonen
vrijdag 3 januari 2014
donderdag 31 januari 2013
Lezen, lezen, lezen #32
Auke Kok, De verrader. Leven en dood van Anton van der Waals (2005) [1995], 364 blz. (*****)
Nederlands grootste landverrader in de Tweede Wereldoorlog was Anton van der Waals. Tientallen verzetsstrijders werden door deze meedogenloze Rotterdammer in de armen van de bezetter gedreven. Auke Kok heeft het levensverhaal van Van der Waals als een spannende roman op papier gezet. Dat is niet eens zozeer het resultaat van zijn insteek, een chronologische vertelling van de levensfeiten leidt automatisch tot zo'n verhaal. Want wat een man en wat een leven! Met kosmische bluf, de nodige slinksheid en een stevige portie geluk wist Van der Waals zich in de bezettingstijd op te werken tot de belangrijkste 'V-Mann' van de Duitsers. Hij werd een belangrijke pion in het 'Englandspiel', de controle van de Duitse contraspionage over geallieerde geheime zenders, waardoor vele geheim agenten meteen na landing gevangen konden worden genomen. Als 'Ringeltaube' van SD-commandant Schreieder wist Van der Waals in vele verzetsgroepen te infiltreren, onder diverse schuilnamen, het vertrouwen van de verzetsstrijders te winnen, om ze vervolgens een voor een over te dragen aan zijn baas.
Tussen al die jongensboekachtige verhalen door vergeet Kok weleens op de rem te trappen en te zoeken naar een verklaring, naar een overzicht, naar een analyse. Hij doet dat eigenlijk maar één keer: 'Hadden al die [...] verzetsmensen beter kunnen weten? Waarop was het vertrouwen, casu quo wantrouwen in Van der Waals eigenlijk gebaseerd?' Ook Kok heeft geen echt antwoord en gooit het op de totale chaos die de oorlog was: 'Zekerheden bestonden in oorlogstijd niet; beweringen lieten zich in zeer beperkte mate natrekken. Er was geen vrijheid van informatie - Nederland lag in een permanente mist waarin iedereen zich op de tast een weg moest banen. Men viel daardoor terug op algemene inzichten. De scheidslijn tussen goedkeuren en afkeuren liet zich nauwelijks rationaliseren.' Van der Waals' pose van 'de zwijgende agent op de achtergrond' kon op twee manieren worden uitgelegd: 'dat hij iets verborg' of 'dat hij zich als een echte, want verstandige spion opstelde'. In 'het schimmenrijk van de oorlog' gold dan: 'Het was maar wat men geloven wilde.' Na zijn arrestatie beriep Van der Waals zich op een Britse spion, ene Verhagen, van wie hij alle instructies zou hebben ontvangen. Het verhaal van Van der Waals inspireerde W.F. Hermans voor zijn roman De donkere kamer van Damokles. Kok verwijst daar impliciet naar in deze alinea: 'Het aanhoudende onvermogen om het bestaan van de Britse geheim agent aan te tonen, hing als een zwaard van Damocles boven Van der Waals' hoofd. Talloze keren had hij inmiddels beweerd dat Verhagen een legitimatie-foto had overlegd, maar in de donkere kamer van het onderzoek bleef diens beeltenis onzichtbaar.' Kort voor zijn executie gaf Van der Waals toe dat Verhagen een verzinsel was.
Van diezelfde W.F. Hermans staat op de achterflap een aanprijzing: 'Ik begon aan De verrader op een middag om halfvier. Zonder in staat te zijn geweest een tussentijds slaapje te doen, had ik het de volgende morgen om halfzes uit.' Ik was niet in de gelegenheid een nacht door te halen, maar ik las het op twee zondagmiddagen, ademloos en met bonzend hart. Het is vooral die mist van onwetendheid waarin alles zich voltrok die, vanuit het perspectief van vandaag, met al onze moderne communicatiemiddelen, zo oubollig en primitief, ja: zo puur en onbedorven aandoet. Toch stemt dat ook tot nadenken: dit is dus wat er uiteindelijk van die oorlog overblijft, een razend spannend verhaal over helden en boeven, spionnen en infiltranten.
Nop Maas - Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven, 3: De late jaren (1975-2006) (2012), 783 blz. (***)
Na de eerste twee delen van Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven (2009, 2010) moesten we wat langer wachten op deel drie omdat Reves laatste partner Joop 'matroos Vos' Schafthuizen publicatie enige tijd tegen wist te houden. Deel één vond ik geweldig, deel twee al een stuk minder boeiend. In het derde en laatste deel beschrijft Maas de 'late jaren' van Reve: 1975-2006. Net als in het tweede deel heeft Maas zich hoofdzakelijk toegelegd op het aan elkaar schrijven van de vele lange briefcitaten van Reve. Toch treedt hij in dit deel ook af en toe met enig tromgeroffel naar de voorgrond, bijvoorbeeld in de interjectie 'terecht' in deze zin: 'Hanny Michaelis beschouwde Bezorgde ouders - terecht - als een meesterwerk.' Ook Mulisch is daarbij weer schietschijf. Vergat Maas in deel 1 al heel freudiaans Mulisch in het register op te nemen en verloor hij in deel 2 zijn beheersing bij de bespreking van de Reve-Mulisch-polemiek, in deel 3 laakt hij eerst Mulisch' ironische reactie op Reves overlijden - hij was nu De Grote Eén - om vervolgens diens wél piëteitsvolle reactie dat Schafthuizen Reve in zijn nadagen goed had verzorgd smalend af te doen als de opmerking van een 'deskundige'. Kortom: het is ook nooit goed.
Aan het begin van hoofdstuk 14 vindt er een merkwaardige breuk in de vertelling plaats als Maas ineens in de ik-vorm begint te schrijven: 'Samen met mijn partner Joep Jaspers bracht ik een aantal weekends door in Machelen, bij welke gelegenheden Joop Schafthuizen zijn gastvrijheid en royaliteit telkenmale demonstreerde.' Diezelfde Schafthuizen heeft dit deel niettemin behoorlijk versjteert: als schrijversweduwnaar mocht hij schrappen wat hem niet aanstond; drie sterretjes markeren de tekstplaatsen waar deze censuur heeft plaatsgevonden. De matroos heeft daarbij rare keuzes gemaakt. Veelal gaat het om geldbedragen die geschrapt zijn, terwijl schokkende mededelingen over bijvoorbeeld zijn pedofiele neigingen zijn blijven staan. (Zie hierover mijn uitgebreide bespreking op textualscholarship.nl) Ik heb getracht qua primaire literatuur van Reve 'mee te lezen' met de biografie, maar dat viel voor de laatste twee delen niet erg mee, zo vervelend waren bijvoorbeeld boeken als Lieve jongens en Moeder en zoon. Meer en meer vrees ik dat Reve na Nader tot U (1966) weinig beklijvends meer heeft geschreven. De interessantste stukken gaan in dit deel dan ook niet over de boeken van Reve maar over zijn publieke manifestatie en zijn katholicisme, waarover Reve nog wel af en toe wat zinnigs te melden had. Verder is het weer een aaneenschakeling van drank, ruzie en onvermogen. Hoewel Maas misschien beter de laatste 45 jaar in één deel had kunnen beschrijven, was er toch iets weemoedigs bij het omslaan van de laatste bladzijde: door die minutieuze levensbeschrijving word je als lezer enorm met je neus op het feit van de vluchtigheid van het leven gedrukt.
Arnon Grunberg - Voetnoot. Eerste verzameling (2012), 144 blz. (**)
Sinds 29 maart 2010 schrijft Arnon Grunberg elke dag een kleine column op de voorpagina van de Volkskrant, onder de koepeltitel 'Voetnoot'. Deze 'eerste verzameling' is feitelijk een bloemlezing uit de voetnoten die tussen maart 2010 en november 2011 in de krant zijn verschenen. De selectie is gemaakt door Bob Polak, die bijna wekelijks is te vinden op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Polaks keuze is niet altijd even gelukkig. Nu is het natuurlijk op zich al een hele prestatie om elke dag een column in te leveren. Om dan elke dag iets zinnigs of scherpzinnigs te zeggen over een actueel onderwerp is bijkans onmogelijk. Op zulke dagen schrijft Grunberg iets over zijn moeder. Het voordeel van bloemlezen is dat zulke marginalia weggelaten kunnen worden. Polak heeft echter toch een flink aantal van die wezenloze stukjes in deze verzameling opgenomen. Uit zijn verantwoording wordt niet echt duidelijk waarom. De criteria van Polak: 'Tijdloos is het sleutelwoord, kwaliteit het kenmerk, schaamte de constante.' Die constante blijkt te schuilen in een merkwaardige historische parallel. De ouders van Grunberg kwamen in de jaren dertig naar Nederland maar kregen pas in de jaren vijftig de Nederlandse nationaliteit. 'In de tussentijd', schrijft Polak, werden zij 'aan hun lot overgelaten en dat lot lag in de onderduik en in deportatie naar Westerbork en Auschwitz. Zo gaan wij hier met asielzoekers om. Toen en nu. Niets veranderd.' Helaas licht Polak niet toe wie 'wij' dan tegenwoordig allemaal naar Westerbork en Auschwitz deporteren.
Polak heeft Grunberg ook een vragenlijst voorgelegd met een aantal meerkeuzevragen, onder meer over zijn werkwijze, onderwerpen, voorbeelden, et cetera. Op de vraag over welk onderwerp hij de meeste lezersreacties heeft ontvangen antwoordt Grunberg: 'Anders, namelijk: Marc-Marie Huijbregts'. In de betreffende voetnoot reageerde Grunberg op de Zomergasten-aflevering waarin een huilende Huijbregts vertelde hoe zijn vader hem aan het sterfbed van zijn moeder twee dagen lang straal negeerde. Grunberg verbindt dit echter moedwillig met een andere opmerking van Huijbregts in dat programma: dat zijn vader hem niet grappig vindt, en schrijft dan: 'Mijn sympathie voor de vader van de heer Huijbregts nam met de minuut toe.' Het is feitelijk de enige column die ophefmakend genoemd kan worden. Verder zijn het vooral typische Grunberg-teksten: vol onlogische overgangen, inwisselbare aforismen en quasi-diepzinnigheid.
Nederlands grootste landverrader in de Tweede Wereldoorlog was Anton van der Waals. Tientallen verzetsstrijders werden door deze meedogenloze Rotterdammer in de armen van de bezetter gedreven. Auke Kok heeft het levensverhaal van Van der Waals als een spannende roman op papier gezet. Dat is niet eens zozeer het resultaat van zijn insteek, een chronologische vertelling van de levensfeiten leidt automatisch tot zo'n verhaal. Want wat een man en wat een leven! Met kosmische bluf, de nodige slinksheid en een stevige portie geluk wist Van der Waals zich in de bezettingstijd op te werken tot de belangrijkste 'V-Mann' van de Duitsers. Hij werd een belangrijke pion in het 'Englandspiel', de controle van de Duitse contraspionage over geallieerde geheime zenders, waardoor vele geheim agenten meteen na landing gevangen konden worden genomen. Als 'Ringeltaube' van SD-commandant Schreieder wist Van der Waals in vele verzetsgroepen te infiltreren, onder diverse schuilnamen, het vertrouwen van de verzetsstrijders te winnen, om ze vervolgens een voor een over te dragen aan zijn baas.
Tussen al die jongensboekachtige verhalen door vergeet Kok weleens op de rem te trappen en te zoeken naar een verklaring, naar een overzicht, naar een analyse. Hij doet dat eigenlijk maar één keer: 'Hadden al die [...] verzetsmensen beter kunnen weten? Waarop was het vertrouwen, casu quo wantrouwen in Van der Waals eigenlijk gebaseerd?' Ook Kok heeft geen echt antwoord en gooit het op de totale chaos die de oorlog was: 'Zekerheden bestonden in oorlogstijd niet; beweringen lieten zich in zeer beperkte mate natrekken. Er was geen vrijheid van informatie - Nederland lag in een permanente mist waarin iedereen zich op de tast een weg moest banen. Men viel daardoor terug op algemene inzichten. De scheidslijn tussen goedkeuren en afkeuren liet zich nauwelijks rationaliseren.' Van der Waals' pose van 'de zwijgende agent op de achtergrond' kon op twee manieren worden uitgelegd: 'dat hij iets verborg' of 'dat hij zich als een echte, want verstandige spion opstelde'. In 'het schimmenrijk van de oorlog' gold dan: 'Het was maar wat men geloven wilde.' Na zijn arrestatie beriep Van der Waals zich op een Britse spion, ene Verhagen, van wie hij alle instructies zou hebben ontvangen. Het verhaal van Van der Waals inspireerde W.F. Hermans voor zijn roman De donkere kamer van Damokles. Kok verwijst daar impliciet naar in deze alinea: 'Het aanhoudende onvermogen om het bestaan van de Britse geheim agent aan te tonen, hing als een zwaard van Damocles boven Van der Waals' hoofd. Talloze keren had hij inmiddels beweerd dat Verhagen een legitimatie-foto had overlegd, maar in de donkere kamer van het onderzoek bleef diens beeltenis onzichtbaar.' Kort voor zijn executie gaf Van der Waals toe dat Verhagen een verzinsel was.
Van diezelfde W.F. Hermans staat op de achterflap een aanprijzing: 'Ik begon aan De verrader op een middag om halfvier. Zonder in staat te zijn geweest een tussentijds slaapje te doen, had ik het de volgende morgen om halfzes uit.' Ik was niet in de gelegenheid een nacht door te halen, maar ik las het op twee zondagmiddagen, ademloos en met bonzend hart. Het is vooral die mist van onwetendheid waarin alles zich voltrok die, vanuit het perspectief van vandaag, met al onze moderne communicatiemiddelen, zo oubollig en primitief, ja: zo puur en onbedorven aandoet. Toch stemt dat ook tot nadenken: dit is dus wat er uiteindelijk van die oorlog overblijft, een razend spannend verhaal over helden en boeven, spionnen en infiltranten.
Nop Maas - Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven, 3: De late jaren (1975-2006) (2012), 783 blz. (***)
Na de eerste twee delen van Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven (2009, 2010) moesten we wat langer wachten op deel drie omdat Reves laatste partner Joop 'matroos Vos' Schafthuizen publicatie enige tijd tegen wist te houden. Deel één vond ik geweldig, deel twee al een stuk minder boeiend. In het derde en laatste deel beschrijft Maas de 'late jaren' van Reve: 1975-2006. Net als in het tweede deel heeft Maas zich hoofdzakelijk toegelegd op het aan elkaar schrijven van de vele lange briefcitaten van Reve. Toch treedt hij in dit deel ook af en toe met enig tromgeroffel naar de voorgrond, bijvoorbeeld in de interjectie 'terecht' in deze zin: 'Hanny Michaelis beschouwde Bezorgde ouders - terecht - als een meesterwerk.' Ook Mulisch is daarbij weer schietschijf. Vergat Maas in deel 1 al heel freudiaans Mulisch in het register op te nemen en verloor hij in deel 2 zijn beheersing bij de bespreking van de Reve-Mulisch-polemiek, in deel 3 laakt hij eerst Mulisch' ironische reactie op Reves overlijden - hij was nu De Grote Eén - om vervolgens diens wél piëteitsvolle reactie dat Schafthuizen Reve in zijn nadagen goed had verzorgd smalend af te doen als de opmerking van een 'deskundige'. Kortom: het is ook nooit goed.
Aan het begin van hoofdstuk 14 vindt er een merkwaardige breuk in de vertelling plaats als Maas ineens in de ik-vorm begint te schrijven: 'Samen met mijn partner Joep Jaspers bracht ik een aantal weekends door in Machelen, bij welke gelegenheden Joop Schafthuizen zijn gastvrijheid en royaliteit telkenmale demonstreerde.' Diezelfde Schafthuizen heeft dit deel niettemin behoorlijk versjteert: als schrijversweduwnaar mocht hij schrappen wat hem niet aanstond; drie sterretjes markeren de tekstplaatsen waar deze censuur heeft plaatsgevonden. De matroos heeft daarbij rare keuzes gemaakt. Veelal gaat het om geldbedragen die geschrapt zijn, terwijl schokkende mededelingen over bijvoorbeeld zijn pedofiele neigingen zijn blijven staan. (Zie hierover mijn uitgebreide bespreking op textualscholarship.nl) Ik heb getracht qua primaire literatuur van Reve 'mee te lezen' met de biografie, maar dat viel voor de laatste twee delen niet erg mee, zo vervelend waren bijvoorbeeld boeken als Lieve jongens en Moeder en zoon. Meer en meer vrees ik dat Reve na Nader tot U (1966) weinig beklijvends meer heeft geschreven. De interessantste stukken gaan in dit deel dan ook niet over de boeken van Reve maar over zijn publieke manifestatie en zijn katholicisme, waarover Reve nog wel af en toe wat zinnigs te melden had. Verder is het weer een aaneenschakeling van drank, ruzie en onvermogen. Hoewel Maas misschien beter de laatste 45 jaar in één deel had kunnen beschrijven, was er toch iets weemoedigs bij het omslaan van de laatste bladzijde: door die minutieuze levensbeschrijving word je als lezer enorm met je neus op het feit van de vluchtigheid van het leven gedrukt.
Arnon Grunberg - Voetnoot. Eerste verzameling (2012), 144 blz. (**)
Sinds 29 maart 2010 schrijft Arnon Grunberg elke dag een kleine column op de voorpagina van de Volkskrant, onder de koepeltitel 'Voetnoot'. Deze 'eerste verzameling' is feitelijk een bloemlezing uit de voetnoten die tussen maart 2010 en november 2011 in de krant zijn verschenen. De selectie is gemaakt door Bob Polak, die bijna wekelijks is te vinden op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Polaks keuze is niet altijd even gelukkig. Nu is het natuurlijk op zich al een hele prestatie om elke dag een column in te leveren. Om dan elke dag iets zinnigs of scherpzinnigs te zeggen over een actueel onderwerp is bijkans onmogelijk. Op zulke dagen schrijft Grunberg iets over zijn moeder. Het voordeel van bloemlezen is dat zulke marginalia weggelaten kunnen worden. Polak heeft echter toch een flink aantal van die wezenloze stukjes in deze verzameling opgenomen. Uit zijn verantwoording wordt niet echt duidelijk waarom. De criteria van Polak: 'Tijdloos is het sleutelwoord, kwaliteit het kenmerk, schaamte de constante.' Die constante blijkt te schuilen in een merkwaardige historische parallel. De ouders van Grunberg kwamen in de jaren dertig naar Nederland maar kregen pas in de jaren vijftig de Nederlandse nationaliteit. 'In de tussentijd', schrijft Polak, werden zij 'aan hun lot overgelaten en dat lot lag in de onderduik en in deportatie naar Westerbork en Auschwitz. Zo gaan wij hier met asielzoekers om. Toen en nu. Niets veranderd.' Helaas licht Polak niet toe wie 'wij' dan tegenwoordig allemaal naar Westerbork en Auschwitz deporteren.
Polak heeft Grunberg ook een vragenlijst voorgelegd met een aantal meerkeuzevragen, onder meer over zijn werkwijze, onderwerpen, voorbeelden, et cetera. Op de vraag over welk onderwerp hij de meeste lezersreacties heeft ontvangen antwoordt Grunberg: 'Anders, namelijk: Marc-Marie Huijbregts'. In de betreffende voetnoot reageerde Grunberg op de Zomergasten-aflevering waarin een huilende Huijbregts vertelde hoe zijn vader hem aan het sterfbed van zijn moeder twee dagen lang straal negeerde. Grunberg verbindt dit echter moedwillig met een andere opmerking van Huijbregts in dat programma: dat zijn vader hem niet grappig vindt, en schrijft dan: 'Mijn sympathie voor de vader van de heer Huijbregts nam met de minuut toe.' Het is feitelijk de enige column die ophefmakend genoemd kan worden. Verder zijn het vooral typische Grunberg-teksten: vol onlogische overgangen, inwisselbare aforismen en quasi-diepzinnigheid.
woensdag 24 november 2010
Een winterverhaal voor de donkere dagen
Het beroemdste boek uit de naoorlogse Nederlandse literatuur heeft als titel 'De avonden' en als ondertitel 'Een winterverhaal'. Zelden waren titel en ondertitel zo treffend. De roman waarmee Gerard Reve - toen nog Simon van het Reve geheten - in 1947 zijn naam vestigde leest men bij voorkeur in de winter, idealiter op de donkere laatste tien avonden van het jaar.
Op 1 januari verdwijnt De avonden in mijn kast. Dat verdwijnen is bijna letterlijk, want acht maanden lang bestaat het boek niet. De dagen lengen, de temperatuur stijgt, december raakt verder en verder achterop en niets doet nog aan De avonden denken. De roman houdt een welverdiende zomerslaap, overzomert in een koel en donker hoekje van de boekenkast.
In september keert hij terug. Opeens is daar dat moment. Onverhoeds, onbedoeld, een achteloze blik op de bovenste plank, en daar staat De avonden, in vol ornaat. De zomer is voorbij, het jaar gekanteld, het aftellen begonnen. Oktober komt en gaat, de temperatuur daalt gedurig, de koorts stijgt gestaag. Mijn gekoesterde exemplaar neemt doortastend zijn donkerblauwe en violette kleuren aan, zoals de bomen binnen enkele dagen hun herfstpallet aanspreken. Steels kijk ik ernaar, maar raak het boek nog niet aan. Nog even.
Eind oktober, de klok wordt een uur teruggezet. De dagen bestaan nu voor het merendeel uit avond. Lang, donker, guur, alles echoot nu De avonden. In november begint het serieus te kriebelen. Woorden, zinnen, passages dringen zich op. Ik begin te prevelen en denk bij mijzelf. Het is alles triest. Hij heeft hard en zacht op zijn schoot. Zo zijn de dagen die ons gegeven zijn. Ik schrijf 'pissen', denk aan De avonden en verander het snel in 'wateren'.
Dan is daar plotsklaps december. Wintermaand. Kerstmaand, donkeremaand. Avondenmaand. Alles stroomt nu. Op weg naar het einde, nader tot hem, de jongeheer Frits van Egters. Alle kerstvakanties komen voorbij, vermengen zich, worden één winterverhaal, waarin ik De avonden las. In bed. Met griep. Aan het bureau. Met koffie en een chocolade kerstkrans. De radio speelde.
Het komt dichterbij. 8 december, de goedheiligman vertrokken, nog twee weken. 15 december, de kerstboom schittert, nog maar één week. De roman wordt voorzichtig uit de rij naar voren gehaald, wordt gewogen, gewiegd. Alles popelt en tintelt nu. Dan, 22 december. De held van deze korte geschiedenis ontwaakt uit zijn droom. Hij opent Het Boek en leest. Tien avonden lang mag hij niet gestoord worden. Hij kan ook niet gestoord worden, want hij is er niet. Hij is er niet, want hij is erbij, daar in het verhaal. Tien winteravonden lang.
Op 1 januari verdwijnt De avonden in mijn kast. Dat verdwijnen is bijna letterlijk, want acht maanden lang bestaat het boek niet. De dagen lengen, de temperatuur stijgt, december raakt verder en verder achterop en niets doet nog aan De avonden denken. De roman houdt een welverdiende zomerslaap, overzomert in een koel en donker hoekje van de boekenkast.
In september keert hij terug. Opeens is daar dat moment. Onverhoeds, onbedoeld, een achteloze blik op de bovenste plank, en daar staat De avonden, in vol ornaat. De zomer is voorbij, het jaar gekanteld, het aftellen begonnen. Oktober komt en gaat, de temperatuur daalt gedurig, de koorts stijgt gestaag. Mijn gekoesterde exemplaar neemt doortastend zijn donkerblauwe en violette kleuren aan, zoals de bomen binnen enkele dagen hun herfstpallet aanspreken. Steels kijk ik ernaar, maar raak het boek nog niet aan. Nog even.
Eind oktober, de klok wordt een uur teruggezet. De dagen bestaan nu voor het merendeel uit avond. Lang, donker, guur, alles echoot nu De avonden. In november begint het serieus te kriebelen. Woorden, zinnen, passages dringen zich op. Ik begin te prevelen en denk bij mijzelf. Het is alles triest. Hij heeft hard en zacht op zijn schoot. Zo zijn de dagen die ons gegeven zijn. Ik schrijf 'pissen', denk aan De avonden en verander het snel in 'wateren'.
Dan is daar plotsklaps december. Wintermaand. Kerstmaand, donkeremaand. Avondenmaand. Alles stroomt nu. Op weg naar het einde, nader tot hem, de jongeheer Frits van Egters. Alle kerstvakanties komen voorbij, vermengen zich, worden één winterverhaal, waarin ik De avonden las. In bed. Met griep. Aan het bureau. Met koffie en een chocolade kerstkrans. De radio speelde.
Het komt dichterbij. 8 december, de goedheiligman vertrokken, nog twee weken. 15 december, de kerstboom schittert, nog maar één week. De roman wordt voorzichtig uit de rij naar voren gehaald, wordt gewogen, gewiegd. Alles popelt en tintelt nu. Dan, 22 december. De held van deze korte geschiedenis ontwaakt uit zijn droom. Hij opent Het Boek en leest. Tien avonden lang mag hij niet gestoord worden. Hij kan ook niet gestoord worden, want hij is er niet. Hij is er niet, want hij is erbij, daar in het verhaal. Tien winteravonden lang.
dinsdag 3 augustus 2010
Lezen, lezen, lezen #19
Nop Maas - Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 2: de 'rampjaren' 1962-1975 (2010), 856 blz.In het tweede deel van zijn mammoetbiografie van Gerard Kornelis van het Reve laat Nop Maas zien hoe Reve degenereert tot een labiele alcoholist die zich met vanalles bezighoudt behalve met schrijven. Het zijn de roerige jaren zestig en Reve draagt zijn steentje bij aan de grote maatschappelijke veranderingen. Het is zelfs enigszins paradoxaal te noemen dat iemand die nog lid was van zoiets oubolligs als de Stichting Jeugdsentiment de Jaren Vijftig in de jaren zestig tegelijkertijd een van de grote inititiators van de progressieve hervormingen was. Ontroerend is hoe Reve als een ware zielenherder wanhopige brieven van jonge homoseksuelen beantwoordt. Maas blijft nog meer op de achtergrond dan in het eerste deel al het geval was. De verbindende zinnetjes tussen de lange briefcitaten zijn nog schaarser geworden. De hele briefwisseling met de akelige zusjes Meyer is zowat integraal opgenomen. En als Maas dan eens uit de coulissen treedt om zijn mening te ventileren, dan schiet hij ook meteen uit zijn slof, zoals bij de beschuldiging van Mulisch dat Reve een racist en een antisemiet zou zijn. Het is een precaire kwestie. Zelfs in privécorrespondentie en huiselijke situaties slaat Reve racistische taal uit. Maar iemand die van zijn hele leven een toneelstuk maakte, onttrekt zich aan elke psychologische duiding.
Bart Slijper - Van alle dingen los. Het leven van J.C. Bloem (2007), 390 blz.
Gerard Reve was bij tijd en wijlen een onuitstaanbare drinkebroer, maar Jacques Bloem kon er ook wat van. Bloem kan met recht een antipathiek sujet genoemd worden. Alcoholisme, ledigheid, schulden en foute opvattingen kenmerken het leven van de grote dichter. Zijn biografie is een aaneenschakeling van getob, gedoe en gezeur. Opgegroeid in een beschermd gezin zal Bloem zijn hele leven een afkeer van werk en inspanning in het algemeen blijven houden. In elke baantje weet hij zich door zijn sikkeneurige attitude binnen de kortste keren onmogelijk te maken en toch vindt hij steeds weer iets nieuws. Hij koopt boeken op de pof zonder ooit veel schulden af te lossen en slaagt er toch in zo'n tienduizend boeken bij elkaar te kopen. Hij is al heel jong een onooglijk gedrochtje en slaat toch de veel jongere en aantrekkelijke Clara Eggink aan de haak. Slijper vertelt het allemaal op een lichte toon waaruit onverminderd een grote verwondering spreekt over de daden - beter: het gebrek aan daadkracht - van deze man. De afstand die zo blijft bestaan tussen de biograaf en zijn object zorgt voor een verrukkelijke biografie. Bloem was in feite een hol en totaal oninteressant persoon. Het is de verdienste van Slijper dat zijn levensbeschrijving toch zeer de moeite waard is.
René Veenman - De klassieke traditie in de Lage Landen (2009), 400 blz.
Het is tegenwoordig bijna niet meer voor te stellen hoe groot eeuwenlang de invloed van de klassieken is geweest op de cultuur. De klassieke bronnen hebben steeds weer nieuwe generaties schrijvers geïnspireerd tot navolgingen en adaptaties. In De klassieke traditie in de Lage Landen heeft René Veenman geprobeerd de receptiegeschiedenis van de klassieken in de Lage Landen in 400 pagina's samen te vatten. Het grote voordeel van zo'n opzet is dat alles er wel zo'n beetje in staat. Alle periodes komen aan bod, tradities en trends worden aangestipt, een grote hoeveelheid schrijvers en dichters passeert de revue. Van abt Gregorius, die in 722 en 737 twee kisten boeken van zijn reis naar Rome mee naar Utrecht nam, tot Jeroen Brouwers, die in 2007 in zijn roman Datumloze dagen de Oidipous-mythe als intertekst gebruikt. Daarmee is impliciet ook een kritiekpunt aangeroerd: Veenman stort zo'n overvloed aan namen over de lezer uit dat de lezen van kaft tot kaft niet altijd even prettig is. Zijn duizelingwekkende feitenkennis botst nu en dan met de heldere schrijfstijl die Veenman onmiskenbaar bezit. Als handig naslagwerk of om soms een stukje in te lezen voldoet dit boek zonder meer.
(Naschrift: Googelend naar info stuitte ik op het vreselijke bericht dat Veenman (47) in de nacht van 22 op 23 maart jl. aan een acute hartstilstand is overleden.)
dinsdag 9 februari 2010
Lezen, lezen, lezen #16
Rob Wijnberg - Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma's van nu (2009), 282 blz.In het bericht '2009 voor de vuist weg' schreef ik onder het kopje 'alomtegenwoordig': 'Nico Dijkshoorn'. De corpulente columnist lijkt voor elke krant en elk tijdschrift drie columns per week te schrijven. Een goede tweede zou Rob Wijnberg zijn geweest. De jonge Wijnberg werd en wordt wijd en zijd geprezen om zijn columns en artikelen in NRC.Next; een nieuw talent zou zijn opgestaan. Vervolgens verscheen hij - ik zou haast zeggen: vanzelfsprekend - in allerlei tv-programma's als commentator, deskundige en zelfs tafelheer. Dat laatste was niet zo'n succes. Wijnberg kan zich beter tot het schrijven beperken. In Nietzsche en Kant lezen de krant zijn populair-filosofische mini-essays over maatschappelijke kernthema's gebundeld. De stukken zijn maximaal 5 pagina's groot en hebben steeds dezelfde opzet: Wijnberg signaleert een trend of thema in het publieke debat, graaft in zijn geheugen naar een daarop aansluitend primair filosofisch werk en past dit toe op het onderwerp. De korte analyses zijn zonder uitzondering helder, verfrissend en zinnig. Zo laat Wijnberg zien dat Wilders' principiële onderscheid tussen de islam en moslims niet vol te houden is en dat meer keuze niet automatisch leidt tot meer keuzevrijheid. Een bedenking is dat zo nu en dan de wijsheid van deze of gene filosoof wel interessant is op abstract-theoretisch niveau maar in de (pragmatische) politieke praktijk weinig zoden aan de dijk zet. En de als uitsmijtende kwinkslagen bedoelde slotzinnen verworden door hun repetitieve karakter tot een ergerlijke kunstgreep. Wijnbergs onbevangen maar gedegen deconstructies van politieke dogma's en hype's zijn echter zonder uitzondering nuttige bijdragen aan de publieke opinievorming.
Nop Maas - Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven; 1: De vroege jaren 1923-1962 (2009), 752 blz.
Reve-biograaf Nop Maas maakt van zijn levensbeschrijving van Gerard Kornelis van het Reve een megalomaan project. De biografie zal maar liefst drie delen beslaan, en deel 1 is al ruim 700 pagina's dik. Maar dan heb je ook wat: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 1 is een prachtboek. Maas slaagt er met zijn sobere doch meeslepende schrijftrant in de volle 700 bladzijden te boeien. We leren de jonge Reve kennen als een begaafde maar onzekere en dikwijls neurotische adolescent, als Frits van Egters ten voeten uit dus. De eerste helft van het boek is interessanter dan de tweede, maar dat ligt niet aan Maas. Lezen we aanvankelijk nog over een merkwaardige jeugd en een enerverende entree in de literatuur, na het midden is het een aaneenschakeling van reisjes naar Engeland en wisselende contacten met 'flikkers', zoals Maas onbekommerd schrijft. Grappig is ook dat er in het begin een paar keer sprake is van een vrouw die Wim heet, maar dat terzijde. De vlotte stijl en compositie gaan helaas wel ten koste van de zorgvuldigheid. Vaak is niet duidelijk uit welke bron Maas citeert, regelmatig gaat hij wat al te makkelijk af op een mondelinge bron die zich iets herinnert wat 60 jaar geleden plaatsvond, en soms laat hij zich te veel meeslepen in zijn enthousiasme. Zo werd ik geprikkeld door het kopje 'Zelfmoordpoging', maar al gauw bleek dat de jonge Reve ooit in een vlaag van nijd uit de klas was gerend en vanaf een brug in de gracht was gesprongen. De briefwisseling Reve-Hermans speelt uiteraard een prominente rol en ergens oordeelt Maas dat het hier de twee grootste naoorlogse schrijvers betreft. Akkoord, een biograaf heeft de vrijheid zijn eigen mening te ventileren. Maar dat Mulisch dan geheel ontbreekt in het register, terwijl hij toch een aantal maal genoemd wordt in de tekst, vind ik dan weer minder acceptabel. Als een soort van collateral damage krijgen ook de figuren rondom Reve nieuw reliëf. Broer Karel komt er slecht uit tevoorschijn: als een nare, pedante kerel. Hanny Michaelis daarentegen, Reve's echtgenote, wekt onvermijdelijk ieders sympathie. Ze moet met lede ogen aanzien hoe Gerard openlijk de buitenechtelijke, promiscue herenliefde bedrijft. Ze houdt zich sterk en berust moedig in haar lot. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 1 is zo bovenal een monument voor Hanny Michaelis.
Erwin Mortier - Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve (2007), 125 blz.
Toen Erwin Mortier nog geen bekende schrijver was kwamen hij en zijn partner (Mortier schrijft 'mijn man') Lieven Vandenhaute regelmatig over de vloer bij Gerard Reve en Matroos Vosch. Reve was oud, eenzaam en aan de drank. Vaak trok hij zich terug op zijn 'Geheim Landgoed' in Frankrijk. Mortier en man vergezelden hem tijdens een van deze verblijven en de schrijver in spe hield er een dagboek bij. Jaren later, na het overlijden van Reve, besloot Mortier dit verslag, sterk bewerkt, te publiceren, maar niet na zorgvuldige deliberatie: 'Zelf heb ik me voorgehouden dat de jaren zouden uitwijzen of dit geschrift van belang kan zijn voor de nagedachtenis van Gerard Reve en, niet het minst, een diepere appreciatie van zijn oeuvre.' Een afweging die een wrange ondertoon krijgt na lezing van het boekje. Gerard Reve rijst eruit op als een voortdurend dronken, totaal krankzinnige zielenpoot. Hij is de twee Vlamingen steevast tot last en na een aantal dagen bekennen ze hem liever kwijt dan rijk te zijn. 's Nachts staat hij in beschonken toestand op de slaapkamerdeur te bonken, de schunnige toespelingen zijn niet van de lucht en de geliefden gaan elke avond naar een nabijgelegen dorp om te poepen omdat Reve het jarenlang niet zo nauw heeft genomen met de hygiëne en de sanitaire voorzieningen. Avonden op het landgoed schetst zo een ontluisterend portret van de oude Reve. En toch krijgt het boekje nooit het karakter van een afrekening. Mortier ontmythologiseert zijn idool, maar hij is daar zelf net zo misnoegd over als de lezer zal zijn. Zo wekken de pijnlijke beschrijvingen toch ook medelijden op. Met Kroniek van een schuldig leven 1 en Avonden op het landgoed heb ik nu over begin en einde van Gerard Reve gelezen. Laat die twee volgende delen maar komen.
dinsdag 14 oktober 2008
Lezen, lezen, lezen #2
William Marx - Het afscheid van de literatuur. De geschiedenis van een ontwaarding 1700-2000 (2008) 280 blz.Het is een bekend gegeven dat literatuur tegenwoordig van marginaal belang is. Weinig boeken dragen nog bij aan maatschappelijke duiding, laat staan verandering. Dat is ooit anders geweest. De Franse professor William Marx heeft getracht deze neergang in kaart te brengen. Hij gaat uit van drie fasen die de periode 1700-2000 hebben gedomineerd: achtereenvolgens expansie, verzelfstandiging, ontwaarding. De expansie viel samen met de religieuze status die literatuur in de achttiende eeuw kreeg toebedeeld: literatuur verving langzaamaan de godsdienst. De verzelfstandiging waarop dit uitliep, resulteerde in een overwaardering van literatuur: l'art pour l'art. Ze 'sloot zich op' in zichzelf en deze overwaardering luidde fase drie in: de ontwaarding. Het contact met de werkelijkheid ging definitief verloren en de literatuur verschanste zich in het huis van de vorm. Marx onderbouwt deze visie met een coherent en diepgravend betoog. Sterk is de lijn die hij trekt van de Grote Aardbeving van 1755 in Lissabon naar Auschwitz 1940-1945. Na de beving woekerde de reflectie in poëzievorm ('Poëzie van de rampspoed'), na de gaskamers 'verbood' Adorno poëtische reflectie ('Rampspoed van de poëzie'). Deze ontwikkeling lag in zichzelf besloten; op elke opgang volgt altijd een neergang: 'Drie eeuwen aan een stuk heeft de literatuur zonder ook maar een duimbreed van haar traject af te wijken één lange neerwaartse helling gevolgd. [...] Er was geen keuze mogelijk tussen de vernietiging en de bloei: zij waren de twee keerzijden van één enkele werkelijkheid.' Marx' boek is uitstekend van toepassing op de Franse situatie, maar dat is tegelijkertijd zijn manco: een paneuropese visie ontbreekt. Tekenend voor het Franse isolement?
Taco H. de Beer - Shakespeare... een pseudoniem. Bacon is de auteur [...] (1921), 132 blz.
Naar aanleiding van de lectuur van Shakespeare van Bill Bryson hoopte ik iets meer te weten te komen over de kwestie Shakespeare-Bacon. Was Shakespeare wel de auteur van het imposante oeuvre? Of was het toch de mysterieuze Francis Bacon? Ik vond in een catalogus een Nederlandstalig boekje over de kwestie. Auteur is Taco H. de Beer, 'Buitenlandsch eerelid der Koninklijke Vlaamsche Academie van België'. Zoals de titel verraadt is De Beer een 'Baconiaan'. Hij geeft fel af op de 'Stratfordians', die volgens hem blind zijn voor het overweldigende bewijs. De Beer gispt in het eerste gedeelte van zijn boek critici die Baconiaanse publicaties neersabelen. Ook reproduceert hij ellenlange brieven van en aan buitenlandse medestanders. Het tweede gedeelte is een samenvatting van de monumentale studie van Ignatius Donnelly over het onderwerp, The Great Cryptogram (800 pagina's). Deze Donnelly heeft in een levenomspannend onderzoek vele soorten 'bewijs' verzameld: biografisch, stilistisch, taalkundig, contextueel. Opvallendst is echter de zogenaamde 'getallenmystiek': in de werken zouden talrijke verborgen verwijzingen naar de naam Bacon verborgen zitten. Dat De Beer vooral deze 'bewijzen' onder de aandacht brengt, zegt genoeg. Hij laat zich kennen als een geleerd man die zijn talen spreekt - en ergens het woord 'homo-sexualist' opschrijft -, maar zich het hoofd op hol heeft laten brengen door een - weliswaar intrigerend - schemergebied in de historische letterkunde.
Willem Frederik Hermans & Gerard Reve - Verscheur deze brief! Ik vertel veel te veel. Een briefwisseling (2008) 316 blz.
Een editie van de brieven die twee van de grote drie elkaar schreven tussen 1947 en 1987: dat moet wel iets bijzonders opleveren. En bijzonder is dit boek ook: literair-historisch van grote waarde, een prachtboek voor de literatuurliefhebber. De toelichtingen van de biografen Willem Otterspeer en Nop Maas zijn precies goed: zuinig maar helder. Hermans is in zijn brieven dikwijls nors en afstandelijk, hij lijkt vaak een antwoordschrijven op te stellen louter uit aardigheid. Reve is - dat moet gezegd - niet zelden opdringerig (en in een enkel geval zelfs aanmatigend, nl. wanneer hij zonder schroom een verklaring opstelt voor de redenen die Hermans' zuster Corrie moet hebben gehad om zelfmoord te plegen). Vervelend is Reve ook in zijn periode waarin hij alleen nog in het Engels schrijft. Ontroerend zijn de brieven waarin de als onaantastbare polemist bekend staande Hermans plots blijk geeft van melancholie en diepe twijfel aan eigen kunnen. In de allereerste brief geeft Hermans een kernachtige omschrijving van Reve's De avonden: 'Het boek is buitengewoon eentonig, maar ik heb mij geen ogenblik verveeld.' In 1959 forceert Hermans plotsklaps een breuk. Reve vraagt om een bijdrage van Hermans voor Tirade. Reve voegt daaraan toe: 'Ik verbaas mij dat ik je nooit meer zie. Moet ik aannemen dat ik in ongenade ben?' Hermans antwoordt ijskoud: 'Hoe onbegrensd mijn medelijden ook moge wezen, mijn tijd is niet onbegrensd. Daarom is in ongenade vallen wel het meest geschikte middel om van het gezeur af te komen. Dit overkomt jou dus bij dezen.' Reve zoekt nadien nog meermaals toenadering, maar tevergeefs.
donderdag 1 november 2007
De avonden 60
Vandaag is het exact 60 jaar geleden dat De avonden van Gerard Reve het licht zag. Op 1 november 1947 verscheen de roman van - toen nog - Simon van het Reve. De avonden heb ik heel hoog zitten. Het is één van de boeken die ik in het eerste jaar van mijn studie las die mij definitief voor de literatuur deden kiezen.Het is nog relatief kort geleden, maar ik koester nu al warme herinneringen aan de laatste maanden van 2004. Het vak 'moderne letterkunde' deed me grondig kennis maken met de moderne Nederlandse literatuur. Het was erg koud toen, de colleges vonden plaats in het altijd oubollig riekende gebouw dat de naam 'Erasmuslaan 9' droeg. Siem Bakker was de docent die bij mij het vuur aanwakkerde met zijn colleges.
Het was die combinatie van een koude winter, een karakteristiek lokaal, een speciale docent en drie boeken die het hem deden. De drie waren De Avonden van Reve, De donkere kamer van Damokles van Hermans en Het stenen bruidsbed van Mulisch. De Grote Drie inderdaad, met drie schitterende boeken.
De avonden wordt vaak ingebed in een specifiek naoorlogse context. Frits van Egters zou de typische existentiële leegte belichamen die veel jongeren in het Nederland van na de oorlog teisterde. Ik geloof dat dit juist is, maar dat het niet uitsluitend dat is. De thematiek is namelijk op alle tijden toepasbaar. Ik ervoer namelijk precies hetzelfde tijdens het lezen. Dat gevoel van 'wat betekent het leven voor mij?', van welke houding aan te nemen tegenover het leven en tegenover de anderen. Ik herkende mezelf in Frits, soms tot in details. Ik herinner me scènes waarin hij steeds op de klok kijkt om vast te kunnen stellen dat de avond nog enkele uren duurt en dat hij dus nog niet verloren is. De tafelscènes met de maniertjes van de vader.
Ik las De avonden dus op 18-jarige leeftijd. De perfecte leeftijd voor dit boek. Een klassieker, ook voor mij.
Abonneren op:
Posts (Atom)
