Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geschiedenis. Alle posts tonen

zaterdag 18 februari 2017

De bestuursvoorzitter, de columnist en de kroniekschrijver

Vrijdag las ik het 1163 pagina's tellende KL (2015) van Nicolaus Wachsmann uit. Dit boek, voluit getiteld KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen, is alom bejubeld als de langverwachte synthese van de talloze gespecialiseerde studies over de SS-kampen. 
  Wachsmann begint en eindigt zijn indrukwekkende verhaal met het relaas van Edgar Kupfer, die van november 1940 tot eind april 1945 in Dachau zat en er nauwgezet een kroniek bijhield van de gang van zaken in het kamp. Na de oorlog was er nauwelijks belangstelling voor zijn lot, laat staan voor zijn geschriften, en vertrok hij naar de VS en later Sardinië.
  In de jaren zestig moest Kupfer hemel en aarde bewegen om het pensioen van de Duitse overheid te ontvangen waar hij recht op had. Telkens werd het geld te laat uitbetaald, en in 1979 schreef Kupfer een brief aan de instanties: 'Ik word kotsmisselijk van dit leven. Het is voor alle partijen waarschijnlijk het beste als ik een eind aan mijn leven maak, dan bent u een lastpost kwijt en hoeft de overheid alleen nog de begrafenis te vergoeden.' (p. 825-826)
  Kupfer overleed uiteindelijk in 1991. 'Niemand die nog wist wat hij had meegemaakt', aldus Wachsmann.
  Ik had de lectuur van het boek nog niet helemaal verwerkt toen ik vernam van de ophef over een column op RTL Z met de omineuze titel 'We hebben een stemverbod voor ouderen nodig'.
  De columnist had een 'bestuursvoorzitter van een groot Nederlands bedrijf' gesproken die vond dat 55-plussers het stemrecht moest worden ontnomen. 55-plussers gaan immers spoedig dood, hebben geen toekomst meer en zullen dus bij het stemmen ook niet aan de toekomst denken - zo luidde kort samengevat de redenering. De columnist was het 'roerend' met de bestuursvoorzitter eens.
  Het kan de impact van KL zijn geweest, maar ik meende tussen de regels te lezen dat bestuursvoorzitter en columnist 55-plussers maar lastposten vonden die maar beter een einde aan hun toch al toekomstloze leven konden maken.
  Uiteraard werd er in de column verwezen naar de Brexit, die vooral door Britse ouderen werd gesteund. 'Het merendeel van de jongeren wilde juist blijven'. Ik heb eerder al laten zien dat het merendeel van de jongeren daar nogal banale en vooral weinig solidaire redenen voor bleek te hebben, maar vooral dat het merendeel van de jongeren het blijkbaar om het even was, want ze bleven in groten getale thuis.
  Beslissingen worden genomen door degenen die komen opdagen en wie komt opdagen zal ook gemakkelijker de uitslag kunnen accepteren als die tegenstrijdig is met de eigen voorkeuren.
  Alsof het zo moest zijn die dag zond Nieuwsuur 's avonds een reportage uit over de desinteresse in de politiek onder jongeren. Dieptepunt was de studente die het volgende zei:
  'Er spreekt mij niet echt wat aan. Ik heb niet echt wat gezien op de series en de dingen die wij kijken, ook niet op Facebook of zo. Als je dan een filmpje hebt op Facebook van een politieke partij die er wat minder leuk uitziet dan een filmpje van bijvoorbeeld eten, wat ik best wel leuk vind, dan ga ik liever eten kijken dan dat ik naar zoiets kijk. Dus ik heb er geen belang bij en er zijn geen dingen die me echt aanspreken.'
  Van de wel geëngageerde studenten vond de eerste het eng dat zo veel Nederlanders een probleem hadden met de multiculturele samenleving. Zelf dacht ze bij al het moois van de multiculturele samenleving bijvoorbeeld aan 'lekker Indonesisch eten'. En de tweede student was zeer pro-EU. Want je kon nu zo gemakkelijk Duitsland in rijden.
  Volgens de bestuursvoorzitter en de columnist denkt een oudere kiezer vooral 'aan wat hij heeft en wat hij kwijt kan raken'. Dat lijken me nu juist voortreffelijke criteria om je stemgedrag te bepalen. In het verleden ligt 'de kern van de cultuur, van de ethiek van belevenissen van mensen' om met Ruud Lubbers te spreken. De schandalige behandeling die de kroniekschrijver van Dachau ten deel viel kwam vooral voort uit de weigering van Duitsland om zich rekenschap te geven van het verleden. Pas na de Koude Oorlog is dat meer dan goed gekomen - maar toen was het voor Kupfer al te laat.
  Het probleem is volgens mij dat veel jongeren vooral een heden hebben, geen verleden maar ook nog geen toekomst. Dat is hen niet eens aan te rekenen.
  Ontwikkelingspsychologen hebben ontdekt dat het brein pas rond het 25ste levensjaar volgroeid is. Pas dan ben je op grond van je beleefde ervaringen, opgedane kennis en doorstane emoties in staat weloverwogen keuzes te maken en ben je voldoende toegerust om te anticiperen, om vooruit te kijken. Áls er dus al aan de stemgerechtigde leeftijd moet worden gemorreld, dan toch eerder aan de onderkant.

woensdag 26 oktober 2016

Een punt achter De Punt

Vorige week was het een headline: een oud-marinier die in 1977 betrokken was bij de beëindiging van de treinkaping bij De Punt zou hebben verklaard dat het de bedoeling was dat geen van de kapers het zou overleven.
  Merkwaardig dat dit als groot nieuws wordt gepresenteerd, want het valt al te lezen in De Molukse acties (2015) van Peter Bootsma. Tot drie keer toe zelfs.
  Op bladzijde 256 zegt een marinier, 'Ruud': 'De commandant had gezegd dat het goed zou zijn als ze allemaal werden neergeschoten, doodgeschoten.'
  Op pagina 270 is commandant Kommer van de precisieschutters aan het woord: 'De Molukkers hadden geen schijn van kans. Op de compartimenten waar zij zaten of sliepen, werd het vuur uitgebracht. De kans dat ze dat zouden overleven, was bij voorbaat nul, gezien de hoeveelheid munitie die wij er als eenheid al in pompten.' Het was 'absoluut kansloos om dat te overleven'.
  En op dezelfde bladzijde zegt schutter Jan Boekelmans: 'Als er zoveel vuur wordt afgegeven op een trein - er zijn foto's van - is het toch uitgesloten dat het niet de bedoeling was om ze te doden?'
  Ik las De Molukse acties met extra interesse nadat een artikel in NRC Handelsblad deze zomer voor commotie zorgde. De journalist meende de hedendaagse islamitische terreurdreiging te kunnen bagatelliseren door erop te wijzen dat het in de jaren zeventig veel erger was, toen de Molukkers het terrorisme verzorgden.
  Er is al veel geschreven over de ongelooflijke slechtheid van de vergelijking, zeker in het licht van de onvergelijkbare historische contexten. Als de Molukkers al zo nodig met een partij uit het huidige conflict vergeleken moeten worden, dan eerder met de Koerden. In de Eerste Wereldoorlog streden de Koerden aan de zijde van de geallieerden. Hun werd een onafhankelijk of autonoom Koerdistan in het vooruitzicht gesteld, bezegeld in de Vrede van Sèvres, maar die belofte werd rap gebroken en de Koerdische gebieden werden verdeeld over Turkije, Syrië en Irak.
  De Zuid-Molukkers hadden zich altijd sterk verbonden gevoeld met Nederland en ook een enigszins bevoorrechte positie bekleed in ons Indië. Na de dekolonisatie werden tijdens een conferentie afspraken gemaakt om Indonesië als een federatie in te richten, met onder meer autonomie voor de Zuid-Molukken, maar Soekarno lapte het akkoord al gauw aan zijn laars en stichtte een eenheidsstaat.
  Dit zorgde met name voor de Molukse KNIL-soldaten, die nog trouw tegen de Japanners hadden gevochten, voor grote problemen. Ze kregen tijdelijk de status van militair van de Landmacht, maar toen ze begrijpelijkerwijs weigerden af te vloeien naar Indonesië kregen ze een dienstbevel om naar Nederland te komen, al hield de regering lange tijd vol dat dit een vrijwillige keuze was.
  Willem Drees verklaarde later dat de Molukkers 'zeer royaal ontvangen' werden en dat er 'bijzonder goed voor ze gezorgd' was. (18) Een idiote uitspraak; bij aankomst werden de Molukkers onmiddellijk ontslagen, in troosteloze barakken ondergebracht en aan het lijntje gehouden wat betreft de belofte van een eigen staat. Ze mochten ook niet werken omdat ze toch weer terug zouden gaan.
  Hun kinderen, de tweede generatie, begonnen zich vanaf eind jaren zestig te roeren, uit boosheid en onmacht om het leed hun ouders aangedaan. Enkelen radicaliseerden en kozen voor geweld.
  De toedracht en het verloop van de zes gijzelingen en kapingen (Wassenaar 1970, Wijster en Amsterdam 1975, De Punt en Bovensmilde 1977 en Assen 1978) worden in De Molukse acties nauwgezet beschreven.
  De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de actie die de meeste doden tot gevolg had: De Punt. De kapers hadden een belangrijke les geleerd van de vorige treinkaping: geen executies van gegijzelden, want dat ondermijnt de onderhandelingspositie.
  In die onderhandelingen zijn door de overheid en de betrokken individuen grote fouten gemaakt. Er zijn toezeggingen gedaan die vervolgens niet werden nagekomen. Er werd een psychiater ingezet, nota bene, om met de kapers te onderhandelen. Hun werd een vrije aftocht beloofd, maar die belofte werd niet nagekomen, tot woede van kapers én gegijzelden. Er waren voorwaarden aan verbonden, maar dat had hij er niet bij verteld. De psychiater, Mulder, hierover: 'Een belofte is natuurlijk nooit sec een belofte. Dat is een primitief idee.' (227) Tja.
  Uiteindelijk besloten de vijf betrokken ministers tot een militaire aanval op de trein in de vroege ochtend van 11 juni. Minister-president Den Uyl en Harry van Doorn waren tegen, Dries van Agt, Max van der Stoel en Bas de Gaay Fortman voor.
  Zes van de negen kapers en twee gegijzelden kwamen om het leven, vier raakten er gewond.
  Waarom is de voor de hand liggende optie van een aftocht niet beproefd, al dan niet via een verplaatsing van de trein, zoals voorgesteld door een stafchef (230), al was het maar om de kapers naar een plaats te manoeuvreren waar ze met minder risico's overmeesterd konden worden?
  Vooral de rol van Van Agt, toen minister van Justitie, lijkt een dubieuze te zijn geweest. Hij schoffeerde de Molukse onderhandelaars en stond lijnrecht tegenover Den Uyl, die door wilde onderhandelen.
  Opmerkelijk is dat de besluitvorming op 10 juni 'in nevelen gehuld' is en dat er 'niets vastgelegd' is. (262) Het ligt voor de hand dat dit is gedaan om na afloop aansprakelijkheid te voorkomen, om rechtsvervolging te ontlopen.
  Ook de bewust vage term 'compartimentering' speelt hierbij een rol. Daarmee werd bedoeld dat moest worden voorkomen dat de kapers, die apart sliepen, zich tijdens de beschieting naar de gegijzelden in de coupés zouden kunnen begeven. Maar: 'Uit het in november 2014 gepubliceerde archiefonderzoek is wel komen vast te staan dat er meer gedeelten van de trein beschoten zijn dan alleen nodig was om gegijzelden en gijzelnemers van elkaar gescheiden te houden: álle gedeelten waar kapers vermoed werden, zijn immers intensief beschoten.' (342)
  Den Uyl sprak nog in 1987 van 'een executie'. Toen die uitspraak in 2000 opdook, noemde Van Agt dat desgevraagd 'volstrekt onjuist'. (262)
  Vandaag de dag is Van Agt binnen zijn partij, het CDA, een paria geworden, met zijn soms groteske inzet voor de 'Palestijnse zaak'. Eigenlijk is dat een bijzonder curieuze stellingname, bezien in het licht van zijn rol in de Molukse zaak. Die huidige strijd voor een Palestijnse staat, zou het een surrogaat zijn voor de strijd die hij in de jaren zeventig aan de verkeerde kant streed? Een vorm van boetedoening - het blijft toch een belijdende christen - voor een nooit uitgesproken maar wel degelijk knagend schuldgevoel? Misschien heeft Van Agt nooit een punt achter De Punt kunnen zetten.

donderdag 23 januari 2014

Ontmanteling, ontlezing, ondergang

Er zijn weinig zekerheden in het leven en niets is voor de eeuwigheid, maar de laatste jaren, de laatste tijd, gaat het wel heel snel met de afbraak.

I

Nog niet eens zo lang geleden liep ik op een willekeurige zaterdag een aantal platenzaken af, struinde ik door enkele boekhandels en nog een tweedehandsboekenzaak toe, bracht ik een paar uur door in de bibliotheek, supporterde ik 's middags de wielrenners van de Rabobank-ploeg en vergewiste ik mij er 's avonds van dat mijn geld veilig geparkeerd stond bij diezelfde bank.

Veel van die activiteiten zijn al niet meer mogelijk en het ziet ernaar uit dat binnen afzienbare tijd zelfs het hele rijtje voltooid verleden tijd is. Voor cd's en boeken moet je al in de grote stad zijn, uit de dorpen zijn de winkels geheel verdwenen. Maar ook in de stad zijn het belegerde bastions, het Polare-echec toont dat ten enenmale aan.

Al die mooie en florerende boekhandels zijn na de gelijkschakeling onder eerst Selexyz en daarna Polare in rap tempo geïmplodeerd. De moedig zelfstandig gebleven boekhandels komen nu enigszins bovendrijven - Athenaeum in Amsterdam, Roelants in Nijmegen, Van Stockum in Den Haag -, maar die zitten niet overal. Als hier in 's-Hertogenbosch het onder Polare-vlag varende vlaggenschip Heinen zou verdwijnen, dan blijft er werkelijk niets meer over - de vestiging van De Slegte, paradijs voor de veellezer, was al ontmanteld en gaat dan mee ten onder.

II

De bibliotheek gaat het ook niet redden. Minister Bussemaker wil het aantal bibliotheken verder inperken, tot nog maar één vestiging per gemeente. Aangezien schaalvergroting er de laatste decennia voor heeft gezorgd dat gemeenten molochs zijn geworden die vele dorpen in zich herbergen, betekent dat een verdere reductie van het aantal biebs.

Ook wil Bussemaker toe naar een digitale bibliotheek. Natuurlijk heeft ze de mond vol van de digitale component als een aanvulling op de fysieke bibliotheek in plaats van als een vervanging ervan. Maar een aanvulling betekent extra kosten, terwijl er juist fors bezuinigd moet worden, zodat er onherroepelijk kaalslag plaats zal vinden. Een commissie onder leiding van Job Cohen waarschuwt daar voor. 'Het is heel gemakkelijk om in het kader van de bezuinigingen meteen naar de bieb te kijken met het argument dat alles op internet te vinden is. Dan bespaar je als gemeente meteen veel geld, zo lijkt. Maar het kost je op termijn veel meer.'

Je kunt wel geloven dat boeken hun langste tijd gehad hebben, maar het belang van lezen blijft onverminderd groot en wordt met digitalisering niet gediend: 'Het betekent dat er in de toekomst meer mensen slechter zullen lezen, niet aan de eisen van de kenniseconomie kunnen voldoen en als drop-outs buiten de boot vallen. In de moderne samenleving hangt 80 procent van de banen samen met goed kunnen lezen. Dat percentage zal verder toenemen.'

Het boek gaat eruit, de 'e-reader' komt erin. Dat is de tijdgeest, dat hou je niet tegen, maar het is de taak van de politiek om dat proces in goede banen te leiden, niet om het nog eens een extra zet te geven. De politiek zou zich juist hard moeten maken voor al het goeds en het moois dat in die stroomversnelling dreigt te verzuipen. Cohen: 'De collectie boeken in de bibliotheken zal afnemen. Maar dat zal een geleidelijk proces zijn. Nu leest nog maar 3 procent van de mensen een boek op een iPad of e-reader. Dat is over tien jaar vast geen 90 procent.' Die Cohen snapt het, een man naar mijn hart. Die zou de politiek in moeten gaan.

III

Al die kaalslag is een gevolg van tendensen als commercialisering, marktdenken, winstmaximalisatie. De vrije markt en zijn uitwassen. De crisis in de financiële sector is daar uiteraard het schrikbarendste voorbeeld van. Zembla zond vanavond een indringende reportage uit over de achtergronden van het Libor-schandaal bij de Rabobank. Die mooie boerenleenbank van weleer, diep geworteld in de katholieke mentaliteit van coöperatie en gemeenschapszin, thans verworden tot een 'internationale speler' met commerciële prioriteiten. Zoals een financieel expert het treffend verwoordt: 'De grote verandering in de bankenwereld is dat het acceptabel is geworden om geld te verdienen áán klanten in plaats van geld te verdienen vóór de klanten.' Nu geld digitaal dataverkeer is geworden, is het veel te gemakkelijk om in een toren achter een beeldscherm wat met nulletjes en eentjes te schuiven.

We zien voorzitter van de Raad van Bestuur van Rabobank, Piet Moerland, in 2012 zijn afschuw uitspreken over de dopingpraktijken van de door de bank royaal gesponsorde wielerploeg: 'Wij voelen ons bekocht, misleid en voor de gek gehouden.' Een jaar later oordelen de Amerikaanse en Engelse justitie precies hetzelfde over de bank zelf naar aanleiding van het Libor-schandaal. Moerland stapte op, maar Sipko Schat, topman van de internationale afdeling, bleef zitten. Pas toen lokale Rabobanken in het geweer kwamen, vertrok Schat - met een oprotpremie van een paar miljoen.

Rabobank kreeg een boete van 774 miljoen euro. De winstbelasting in Nederland is 25% en de bank mag kosten daarbij als aftrekpost opvoeren. Een boete telt als kosten en dat betekent dat zo'n 175 miljoen op de belastingbetaler afgewenteld kan worden. Elk Nederlands huishouden betaalt dus ruim 23 euro mee aan de boete. Betrokkenen doen een appel op de bank geen gebruik te maken van die mogelijkheid tot aftrek. Dit is echter nog 'maar' een kwart van de boete, bovendien verdeeld over álle Nederlanders. De bank zal het andere driekwart ook linksom of rechtsom willen afwentelen, en dan zijn de 1,9 miljoen klanten voor al gauw een paar honderd euro per persoon de pisang.

De reportage eindigt met een optimistisch staartje. Er waait een frisse wind, de banken werken er hard aan het vertrouwen van de burger terug te winnen. De vraag is of ze niet opnieuw gebakken lucht verkopen. Luidde Joris Luyendijk, embedded in de City in Londen, eind vorig jaar immers niet de noodklok dat er een nieuwe crisis dreigt? Hij zei toen: 'Dit gaat helemaal fout. De banken zijn veel te groot, de besturen weten niet wat er op de trading floors gebeurt, het kortetermijndenken regeert, het toezicht is ontoereikend en de financiële sector heeft de politiek in zijn zak.' In het digitale tijdperk stroomt het geld met zo'n gigantische snelheid en in zulke exorbitante hoeveelheden door een virtueel domein dat niemand nog in staat is het overzicht te bewaren, de stroom te beheersen, controle uit te oefenen.

De reactie en actie vanuit de politiek op de bankencrisis is gericht op herstel en wederopbouw, wat neerkomt op het opnieuw optuigen van de verrotte structuur: 'Je staat bij Tsjernobyl en je ziet dat ze die reactor weer hebben aangezet, met het oude management. Je ziet dat er niks wezenlijks is verbeterd. [...] Tot 2008 zag het hele establishment de crisis niet aankomen. Om dan te zeggen: laten we vooral bij het establishment blijven, want anders zijn we gekleurd bezig… Nee! Een systemische crisis moet je systemisch aanpakken.'

IV

De val van de Muur leek lang een historische en definitieve overwinning van het kapitalisme op het communisme, van de vrije markt op de staatsgeleide economie te betekenen. Maar ook dit systeem heeft blijkbaar zijn uiterste houdbaarheidsdatum bereikt. De historicus Arnold Toynbee beschreef de geschiedenis als een patroon van opkomst en ondergang van beschavingen. Een beschaving komt tot bloei door creatieve antwoorden van dwarse denkers op gerezen problemen, en gaat ten onder als nieuwe antwoorden uitblijven en de zittende macht vasthoudt aan oude, onbruikbaar geworden antwoorden. Beschavingen sneuvelen dan door 'zelfmoord'. Luyendijks noodkreet maakt de vraag des te urgenter of wij onszelf niet langzaam aan het suïcideren zijn.

dinsdag 9 juli 2013

Willen wij Marcel van Dam dood hebben? (2)

Marcel van Dam voelt zich dus opgejaagd door moordzuchtige jongeren. Waar komt die doodsangst vandaan? Wordt Van Dam achtervolgd? Staan ze met zeisen en hooivorken aan de deur van zijn riante Veluwse villa?
Neen, het is het bekende riedeltje: 'het riool van het internet' is waar Cel van Dam de dreiging situeert.
Die rioolmetafoor lijken de 65-plussers zich geheel en al toegeëigend te hebben als het over het internet gaat. Cees Nooteboom bijvoorbeeld noemt het web in zijn laatste boek Brieven aan Poseidon (2012) 'de afdeling eigentijdse modder', een 'beerput' waar 'het crapuul' huist.
Bert Brussen verwoordde die reflex al in zijn met Willem Vermeend geschreven boek De onstuitbare opmars van de digitale wereld (2012): 'Het internet is toch nog altijd die poel des verderfs, die haatmachine, dat open riool wat opiniemakers van printuitgaven er zo graag van maken.'
Het cliché luidt dat mensen sinds het internet er is massaal en anoniem politici en andere bekende Nederlanders kunnen belasteren en bedreigen. Vanuit het bastion van de zolderkamer en met de digitale anonimiteit als dekmantel kan jan en alleman zijn doodsbedreiging het web op slingeren, in fora, in de comments op sites en op de sociale media.
Dat is natuurlijk waar.
Maar het is een grof misverstand om de doodsbedreiging daarmee als een specifiek aspect van de internetcultuur te bestempelen. De kwestie is - en daar zit pas het echte verschil - dat nu iedereen meekijkt en meeleest en iedereen van alles op de hoogte is.
Zichtbaarheid, dat is het sleutelwoord.
Het boekje Zo is het (1964), waar ik vorige keer al naar verwees, is ook hierbij leerzaam. De uitzending 'Beeldreligie' van Zo is het toevallig ook nog eens een keer leverde de makers toentertijd een stortlading boze brieven op. Vooral presentatrice Mies Bouwman moest het ontgelden. Een willekeurige selectie:
- 'Na de bevrijding hebben wij de gehate N.S.B.-ers kaal geschoren, nu willen wij wel eens naar Bussum komen [...] Als een van deze mensen zich nog eens voor de televisie durft te wagen is hij van zijn leven niet zeker?  Dit kan ik u wel garanderen want wij koem met een knokploeg om eens af te rekenen met dergelijke mensen. [...] Als wij de privé adressen hebben, van de artisten bezoeken wij deze wel eens aan huis' (p. 27-28)
- 'Men moet U maar eens persoonlijk treffen in Uw man of kinderen en dan zou ik wel eens willen zien hoe Uw reactie is.' (p. 39)
- 'Het kan lang of kort duren, maar vandaag of morgen komen wij je wel even klem rijden met ons sportwagentje. Het is bij jelui in de buurt altijd erg donker. Je hebt je tijd gehad.' (p. 55)
- 'Wij komen vandaag of morgen even langs om met die Joden en NSBers af te rekenen. Het blijft een verrassing wanneer, maar komen doen wij [...]' (p. 55)
- 'je hebt nu laten zien hoe je werkelijk bent niet Mies meer maar Vies Bouman / tot hiernamaals' (p. 73)
Enzovoort. Alles anoniem natuurlijk.
De doodsbedreiging werd vroeger dus ook al en masse verstuurd, maar er werd zo weinig mogelijk ruchtbaarheid aan gegeven. Het is dat de makers van Zo is het besloten de reacties in een boekje te bundelen, waardoor we nu een zeldzaam tijdsdocument hebben dat zichtbaar maakt dat er 50 jaar geleden ook al een riool was waar heel wat modder doorheen werd gejaagd.
Er is niets nieuws onder de zon, het riool is alleen eerder een open riool geworden, niet langer ondergronds maar zichtbaar aan de oppervlakte. De doodsbedreiging wordt niet meer alleen rechtstreeks van de zender naar de ontvanger gestuurd, de hele wereld mag tegenwoordig als het ware in bcc meegenieten.
Misschien was doodsbedreigen vroeger wel anoniemer en laffer dan tegenwoordig.

vrijdag 5 juli 2013

Willen wij Marcel van Dam dood hebben?

'Het graf gaapt, de tijd zoemt, en nergens is redding.' Een van die verpletterende zinnetjes uit De avonden van Gerard Reve. Het is een gedachte die hoofdpersoon Frits van Egters debiteert als hij overvallen wordt door een intens medelijden met zijn ouder en brozer wordende ouders.
Het zinnetje spookt me de laatste dagen weer regelmatig door het hoofd.
In de eerste plaats omdat het jaar gekanteld is en we in de verte alweer een glimp kunnen opvangen van Frits.
In de tweede plaats door Marcel van Dam.
Marcel Parcival Arthur van Dam, aanwijzer van minderwaardige mensen, verkeert namelijk in een staat van doodsangst. Hij behoort inmiddels tot de categorie van de oude mensen, en laat die groep nu het doelwit zijn van de moordlustige jeugd. In HP/De Tijd 2013/6 zegt hij bezorgd te zijn over 'de toenemende maatschappelijke "agressie" jegens ouderen'. Een deel van de jongeren zou die oude mensen 'het liefst dóód willen zien!'
Wij jongeren zien mensen als Van Dam dus als minderwaardige mensen, en minderwaardige mensen kunnen maar het beste uit de weg geruimd worden. Dat hoef ik Van Dam niet meer uit te leggen.
Het houdt niet op, niet vanzelf.
Vroeger ging dat anders, vroeger - toen ik jong was, bedoelt Van Dam - was het generatieconflict nog hoffelijk en gemoedelijk: 'Zo van: nou zijn wij aan de beurt. Dat is van een totaal andere orde dan: "Wat doe je hier nog op de wereld?!"'
Van Dam was twintiger in de roerige jaren zestig. Het massale afscheid van de religie dat toen door zijn generatie werd ondernomen, heeft hij als bevrijdend ervaren, zo verklaarde hij elders al eens. Een symbool van dat afscheid is de beroemde aflevering 'Beeldreligie' van het satirische televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog eens een keer, 4 januari 1964, waarin met bijbelse termen het televisiekijken werd gehekeld, wat een stortvloed aan verontwaardiging en reacties van gekwetstheid veroorzaakte.
'U bent oude mensen', schreef Van Dams goede vriend Harry Mulisch toen namens de jongeren, 'U bent te oud voor ons. Nog 25 jaar en u bent goddank uitgestorven.' (Zo is het, red. J. van den Berg, Han Lammers, Harry Mulisch, 1964, p. 22)
Nee, dat ging er vroeger inderdaad veel lieflijker aan toe.
Hoe komt Van Dam tot zijn noodkreet? Het is de gezondheidszorg. Wij jongeren willen die van de ouderen afpakken, zegt hij: 'Jongere generaties roepen: "Dat is allemaal veel te duur!" En ze vergeten dat ze straks ook de leeftijd gaan bereiken dat ze meer zorg gaan consumeren. Maar dan is het er niet meer als het aan hen ligt. Maar ze redeneren niet door.'
Intens medelijden voel ik nu met Van Dam, want hij slaat de plank op ongeëvenaarde wijze mis. Omdat de zorg te duur is zouden wij er vanaf willen?
Nee, Van Dam, het is precies andersom. Als wij ouder worden en vaker een beroep zullen moeten doen op zorg, dan zijn we juist bang dat dat niet meer kan, precies omdat de zorg te duur is en het systeem zichzelf daardoor om zeep dreigt te helpen. We willen dat de zorg hervormd wordt, zodat het er nog is in lengte van jaren. Dat lijkt me nu juist bij uitstek doorredeneren.
De tijd zoemt voor iedereen, en het graf gaapt al evenzeer. Er is tijdelijke redding in de gezondheidszorg, en die willen we overeind houden, voor onze opaatjes en omaatjes, voor onze ouders en voor onszelf. En ja, ook voor Marcel van Dam. Ook al is hij over 25 jaar uitgestorven.

woensdag 19 juni 2013

Lezen, lezen, lezen #34

Stijn Fens - De nieuwe paus. Intriges in het Vaticaan (2013), 112 blz. (****)
Toen de kersverse paus Franciscus in de vroege avond van 13 maart jongstleden voor het eerst op het balkon van de Sint-Pieter verscheen, dacht ik verschrikt: o jee, hij gaat nu al van zijn stokje. Plotseling verscheen er echter een glimlach op zijn gelaat en sprak hij het warme 'buona sera'. Een memorabel moment. Ook Vaticaanvolger Stijn Fens ervoer dat zo. 'Hij lijkt overdonderd door het moment en kijkt als een konijn in de koplampen' was zijn eerste indruk, maar een uur later zei hij tegen RKK-collega Wilfred Kemp: 'Wat een debuut'.
In De nieuwe paus doet Fens op persoonlijke wijze verslag van de hectische Roomse dagen vanaf de abdicatie van Benedictus tot en met de eerste weken van het pontificaat van Franciscus. Hij geeft een heldere reconstructie van het conclaaf, een interessante inkijk in dat besloten ritueel. Het boekje staat bovendien vol wetenswaardigheden - Benedictus was niet de eerste paus die aftrad: 'Zo'n tien voorgangers hielden er, min of meer vrijwillig, mee op' - en Fens bedient zich van amusante vergelijkingen om zaken te verhelderen. Bijvoorbeeld dat het raar is dat Benedictus in het Vaticaan blijft wonen: 'Nu is het een beetje alsof op het moment dat Willem-Alexander als koning Huis ten Bosch betrekt, Beatrix besluit om in het tuinhuis te gaan wonen.' Fens is heerlijk snedig in zijn commentaar. Over de witwaspraktijken door de Vaticaanse bank: 'Het Instituut voor Religieuze Werken (wat een prachtige naam voor een ordinaire bank)'. Over kardinaal O'Brien, verdacht van misbruik van jonge seminaristen, die kritiek heeft op David Camerons plan het homohuwelijk toe te staan: hij 'moet toch weten hoe het is om als man van een andere man te houden'. Soms gedraagt hij zich zelfs picaresk. Met collega Christian van der Heijden gaat hij in de aanloop naar het conclaaf op zoek naar kardinaal Wim Eijk om te zien wat die doet op zijn laatste vrije zondag. Ze mogen de kerk binnengaan waar Eijk preekt, als ze de boel maar niet verstoren: 'Christian en ik overwegen nog even ter plekke een sirene te huren, om de boel eens lekker op stelten te zetten'.
Toch is hij ook ernstig als het gaat om kritiek op het wel en wee in het Vaticaan, op de corruptie, de wereldvreemdheid, de mantel der liefde waarmee alles wordt bedekt. Zijn oordeel over Benedictus' pontificaat is vernietigend. Diens meest rampzalige beslissing was de benoeming van de malafide Tarcisio Bertone tot camerlengo. Bij alle affaires waarin Benedictus een pleefiguur sloeg speelde Bertone een kwalijke rol: het Mohammed-citaat in Regensburg, de flirt met de holocaustontkenner Williamson, de slechte communicatie rond het misbruikschandaal, de ruzies binnen het bestuursapparaat. Benedictus had bovendien een centralistisch kerkbeeld en een monarchale bestuursopvatting. Zijn pontificaat was dus 'tragisch', maar gelukkig was daar 'dat grandioze slotakkoord': zijn abdicatie.
Hoe oordeelt Fens over de nieuwe paus? Hij noemt hem 'een intellectueel, maar een die het goed verbergt', een 'doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-kardinaal'. Zijn wittebroodsweken waren veelbelovend, zo heeft iedereen kunnen constateren. Franciscus begon al meteen een 'vriendelijke oorlog' met de Curie. Hij legt de voor hem geschreven preken vaak terzijde en improviseert liever. Hij is een 'onvoorspelbare paus die de eenvoud als wapen hanteert'. Leuk relativerend feitje daarbij is dat zijn eenvoudige schoeisel geen teken van soberheid is maar medische noodzaak: hij heeft 'moeilijke voeten'. Wel gaat Fens noodgedwongen in op de laster die Bergoglio meteen na zijn verkiezing te verwerken kreeg: hij zou twee jezuïeten hebben uitgeleverd aan Videla. De ene is dood, maar de andere heeft juist laten weten dat Bergoglio zich met een list toegang verschafte tot Videla om juist hun vrijlating te bepleiten. Toch was hij vooral een zwijgende geestelijke, die zijn stem niet verhief tegen de misstanden maar te lang bleef zwijgen, zoals ook later het geval was toen het seksueel misbruik-schandaal in de Kerk woedde. Fens brengt alles tot menselijke proporties terug: hij was 'geen held en geen boef'. Fens besluit met een brief aan Franciscus. Hij spreekt de hoop uit dat de paus mensen weet te binden en zijn hervormingsagenda kan doorzetten. Toch is hij, terecht, ook sceptisch: 'Ik heb met Obama mijn lesje verwachtingsmanagement wel geleerd.' En: 'Onder dat pantser van een dorpspastoor zit iemand met keiharde, en voor ons vaak ongemakkelijke, opvattingen over leven en moraal.' Dit hebben we onlangs nog gezien met zijn standpunt omtrent het homohuwelijk. Zijn soberheid acht Fens evenwel geen gimmick, maar een manier om te overleven in het web van machinaties. Zijn advies luidt dan ook: 'Blijf jezelf, Jorge Mario. Blijf jezelf!'

Tom van Hulsen - Kick & Rush. Verhalen over Engels voetbal (2013), 318 blz. (***)
Tom van Hulsen is een van de opvolgers van Johan Derksen als hoofdredacteur van Voetbal International. Hij schrijft verhalen over Engels voetbal in het blad en columns voor op de website. Een selectie is nu gebundeld in Kick & Rush. Ik ben een groot liefhebber van Engels voetbal, met name van de lagere divisies, waar de voetbalbeleving vaak nog relatief puur en onbedorven is. Ik ben dol op nostalgische verhalen over de vroege jaren, smakelijke anekdotes over historische wedstrijden, heroïsche hagiografieën van de helden van toen en allerlei fantastische statistieken en trivia. Tegelijk voel ik steeds meer afkeer van de moloch genaamd Premier League, met al die steenrijke eigenaars zonder enige affiniteit met voetbal, laat staan met de club die ze zich als een speeltje toe-eigenen. 
Toch gaan de meeste van de verhalen in Kick & Rush over de grotere clubs, of zelfs alleen over die eigenaren. Dat is ergens ook wel logisch, de meeste mensen lezen nu eenmaal liever over clubs als Arsenal, Manchester City en Liverpool dan over Oldham Athletic, Bury of Grimsby Town, om maar eens drie traditieclubs uit de lower leagues te noemen. Soms, vooral in de korte columns, besteedt Van Hulsen wel aandacht aan zulke clubs, Southend United en Brentford bijvoorbeeld. De stukjes over de gekte van het moderne topvoetbal zijn bovendien stille protesten tegen de afbraak en de verplatting. Hij schrijft meewarig over al die idiote eigenaren die trainers ontslaan alsof het lopendebandwerkers zijn ('Eeuwige roem voor ontslagen trainers'), maar zo nu en dan ook wel met merkbare ergernis, bijvoorbeeld als er weer ergens een megalomane zakkenvuller opduikt die tradities van meer dan honderd jaar oud om zeep helpt. 
Van Hulsen probeert steeds een lichte, ironische toon te treffen, maar daarin is hij toch duidelijk de mindere van Michel van Egmond. Hij schrijft in ieder geval wel met kennis van zaken. Eén keer gaat het mis. In een opsomming van de twaalf founding members van de football league noemt hij Accrington FC 'het latere Accrington Stanley', maar dat klopt niet. (Accrington FC hield al in 1896 op te bestaan; Accrington Stanley bestond toen al vijf jaar, maar ook die club is niet het huidige Accrington Stanley: ze speelde tussen 1921 en 1962 in de League, maar ging in 1966 failliet. Het huidige Accrington Stanley werd in 1968 opgericht en speelt sinds 2006 in de League.) De zwakte van Kick & Rush, een manco dat het gemeen heeft met al die boeken met verzamelde columns uit de VI-bibliotheek, is uiteindelijk dat de columns in de regel gaan over iets wat actueel was toen ze verschenen, waardoor ze nu bij bundeling al gauw verouderd of achterhaald aandoen.

Ronald Prud'homme van Reine - Moordenaars van Jan de Witt. De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw (2013), 230 blz. (****)
Op de basisschool kreeg ik op een mooie dag de mogelijkheid aangeboden in te tekenen op Van Nul tot Nu, een vierdelige geschiedenis van Nederland in stripvorm, geschreven door Co Loerakker en getekend door Thom Roep. Dat leek me wel wat en gelukkig vonden mijn ouders het goed. Vele, vele malen heb ik die stripboeken gelezen. Grote indruk maakte de verstripping van de moord op de Johan en Cornelis de Witt, op 20 augustus 1672 in Den Haag. Op het plaatje zag je hoe de broers, nadat ze uit de Gevangenpoort waren gesleept, bruut werden doodgeknuppeld door gedegenereerde sujetten. Het gezicht van Johan was vertrokken van pijn en doodsangst. De moord werd een van de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis genoemd, ook vanwege de gruwelijke verminkingen van de lijken.
Historicus Ronald Prud'homme van Reine verbaasde zich erover dat er nooit serieus onderzoek was gedaan naar de moordenaars en de precieze achtergronden bij de moord. Dat het 'het volk' was, later gespecificeerd tot leden van diverse schuttersgilden, is lang als voldoende verklaring beschouwd. Prud'homme werpt nu op basis van archief- en bronnenonderzoek nieuw licht op de moord en op de dubieuze rol die de Prins van Oranje hoogstwaarschijnlijk heeft gespeeld. Zijn boek drijft op een strakke opbouw, die vaart en zelfs enige suspense in het verhaal brengt. Eerst schetst hij kort de historische context en de gebeurtenissen voorafgaand aan de moord. Vervolgens beschrijft hij aan de hand van verschillende ooggetuigenverslagen de dag van de moord van uur tot uur. Hierna staat hij langer stil bij de moordenaars en de 'complotteurs', oftewel de daders en de samenzweerders. Na een beknopt overzicht van ongeveer 350 jaar historisch onderzoek naar de moord gaat hij tot slot nog in op de schilderkunstige verbeeldingen ervan.
Moordenaars van Jan de Witt lijdt aan een euvel waar veel van dit soort boeken last van hebben: er wordt te veel informatie over de lezer uitgestort. Elke zin bevat drie nieuwe feitjes, twee nuanceringen en nog een vermoeden toe. Ook de vele personen en hun onderlinge relaties passeren aan het begin de revue met een achteloosheid die de oningewijde lezer doet duizelen. De inspanning is het echter waard, want de auteur haalt veel boven. Een luitenant-ter-zee, een herbergier en een slager blijken de moordenaars te zijn geweest van Johan, en ook Cornelis is niet door schutters of het grauw, maar door diverse middenstanders gedood. Prud'homme concludeert bovendien dat Zuijlesteijn en Odijck, een oom en een achterneef van prins Willem III, het masterplan bedachten. Ook zeeheld Cornelis Tromp en de Haagse schepen Johan van Banchem speelden hierbij een kwalijke rol. En Willem III? Zijn rol 'zal wel altijd in nevelen gehuld blijven', besluit Prud'homme. Dat lijkt te ver doorgedreven wetenschappelijke voorzichtigheid, want de feiten zijn er blijkbaar: 'Omdat we weten dat hij erover is ingelicht, kan hij niet van zijn aandeel worden vrijgepleit. [...] Hij was op de hoogte en heeft niet ingegrepen om de moord te voorkomen.' Een zwarte bladzijde met oranje rafelranden.

donderdag 14 februari 2013

Jelle BC is Hugo BC niet

Ooit waren bankovervallers gevreesde boeven, tegenwoordig zijn de bankiers zelf de grote slechteriken van de maatschappij. Na de overhaaste nationalisatie van de SNS Bank is ex-topman Sjoerd van Keulen de nieuwste bankboef. Met de inlijving van een 'giftig' bouwfonds luidde hij de ondergang van de bank in. Premier Rutte sprak van mismanagement en onderkoning Samsom pleitte voor het terugvorderen van bonussen.

Jelle Brandt Corstius voegde onlangs de daad bij het woord met een oproep aan het volk van Nederland om Van Keulen onder druk te zetten zijn bonus van 1 070 386 euro terug te geven: 'Eis dat hij zijn bonus teruggeeft, bijvoorbeeld om de dikbetaalde ambtenaar mee te betalen die nu aan het hoofd van SNS staat. Spreek hem aan op zijn geweten.' Die eenmansactie heeft voor nogal wat commotie gezorgd. Jelle BC zou veel te ver gaan, vindt menigeen.

Sommige commentatoren vergelijken zijn actie zelfs met de affaire-Buikhuisen eind jaren zeventig waarin zijn vader Hugo Brandt Corstius een zeer kwalijke rol speelde. De Leidse criminoloog Wouter Buikhuisen wilde onderzoek doen naar biologische factoren als oorzaak voor crimineel gedrag. Brandt Corstius ontketende vervolgens met zijn alias Piet Grijs in Vrij Nederland een hetze, waarbij hij de onderzoeker onder meer vergeleek met de Nazi-arts Mengele. Hij bundelde zijn lasterpraatjes in 1978 doodleuk onder de titel Buikhuisen, dom én slecht.

Columnist Bas Heijne trekt nu een parallel met die kwestie: 'De actie van televisiemaker Jelle Brandt Corstius tegen oud-topman Sjoerd van Keulen bleek een akelig staaltje van virtuele stalking onder de dekmantel van een moreel appèl. Het zit in de familie, maar voor zover ik weet heeft Piet Grijs nooit het telefoonnummer van professor Buikhuizen gepubliceerd.' Arend Jan Boekestijn, geduchte flapuit, twitterde 'Helaas kon Jelle Brandt Corstius de verleiding niet weerstaan om net als zijn vader, Piet Grijs in VN, Sjoerd van Keulen te "Buikhuisen".' En ook hoogleraar Harrie Verbon ziet de geschiedenis zich herhalen: 'Zoon Jelle is nu een week geleden net zo’n soort hetze begonnen tegen Sjoerd van Keulen, de ex-topman van SNS.'

Het is bovendien opmerkelijk dat zowel Heijne als Verbon in hun vergelijking de actie van zoon Jelle nog een categorie erger lijken te vinden dan die van pa Hugo. Volgens Heijne had vader tenminste nog het fatsoen geen telefoonnummer te publiceren. Het is nogal kortzichtig om Hugo hiervoor te complimenteren: de opgehitste menigte wist Buikhuisen ook zonder wel te vinden, en de doodsbedreiging is heus niet pas met de doorbraak van het internet en de sociale media groot geworden, integendeel. Kwalificaties als 'virtuele stalking' en 'hetze' zijn dan ook schromelijk overdreven. De enige keer dat Jelle een ietwat dreigende toon aanslaat is waar hij schrijft 'Eis dat hij zijn bonus teruggeeft, [...] Maak hem duidelijk dat hij net zo lang zal worden lastiggevallen tot hij dat doet.'

Verbon wijst op zijn beurt op twee andere verschillen tussen beide affaires, die ook weer allebei in het voordeel van Hugo uitvallen: 'Het verschil met vader Hugo is dat vader nog zelf zijn venijnige stukjes schreef terwijl Jelle aan anderen vraagt om te schrijven.' Of Hugo inderdaad zélf schreef is betwistbaar: hij liet zijn extreemlinkse alter ego Piet Grijs het vuile werk doen en kon zich altijd beroepen op de vrijheid die de columnist geniet om te provoceren en de grenzen op te zoeken. Dan neemt Jelle tenminste nog zelf de verantwoordelijkheid voor zijn woorden. Hij begint zijn oproep bovendien met 'Wat ik zojuist heb gedaan, en wat ik hoop dat jullie ook gaan doen...', dus de aantijging dat hij zelf geen vuile handen durft te maken gaat sowieso al niet meer op.

Ook qua timing staat Hugo er volgens Verbon beter op: 'Een ander verschil is dat vader Hugo zijn hetze begon toen Buikhuisen aan zijn werk wilde beginnen. Jelle was echter in geen velden of wegen te bekennen toen Van Keulen het vastgoedfonds kocht waar SNS aan failliet gegaan is. Dat was in 2006. Waar was Jelle toen? Waarom liet hij toen niet van zich horen?' Het is een tamelijk krankjorum verwijt: alsof Jelle toentertijd als leek had kunnen weten wat Van Keulen beroepshalve wel had kunnen of moeten weten. Verbon verwijt iemand die na een diefstal de politie heeft gebeld dat hij dit niet al vóór de diefstal plaatsvond heeft gedaan.

En waarom zou het in Hugo's voordeel spreken dat hij zijn hetze startte voordat Buikhuisen aan zijn werk had kunnen beginnen? Is het niet eerder veel laakbaarder dat Buikhuisen bij voorbaat en op ideologische gronden het werk onmogelijk werd gemaakt? De invloed van biologische factoren op crimineel gedrag is tegenwoordig onbetwist, maar Buikhuisen was al kapot gemaakt voor hij er een bijdrage aan had kunnen leveren.

Hugo deelde vanuit een extreem benepen tunnelvisie de wereld in goed en kwaad in en iedereen die niet dezelfde ideologie aanhing was automatisch een fascist die monddood gemaakt moest worden. Als de veelgeroemde Nederlandse tolerantie inderdaad ten grave gedragen is, zoals je tegenwoordig overal hoort, dan is zij toch al in die dagen van algehele verstandsverbijstering doodgedrukt op het altaar van de pseudo-progressieve revolutie.

Jelle is Hugo niet. Hugo is de schunnige stoker, de psychopaat die op een ochtend de onschuldige man die gewoon naar zijn werk wil gaan plotseling begint te belasteren. Jelle is eerder als de waakzame burger die met een aantal omstanders de zojuist betrapte boef in afwachting van de politie in de gaten houdt zodat die er niet alsnog snel met de poet vandoor gaat. Nee, Jelle is Hugo niet, dat heeft overigens ook Jelle zelf al eens vastgesteld toen hij zijn vader een 'autist' noemde.

Of Jelle er met zijn actie verstandig aan doet weet ik niet - wat als de omstanders het recht in eigen hand nemen? -, maar die actie gelijkstellen aan of zelfs gevaarlijker achten dan de gewetenloze schurkenstreken van meneer zijn vader is alvast, nou ja, dom én slecht.

dinsdag 22 januari 2013

Nederland niet meer zo tolerant? Gelukkig maar...

Een verzuchting die je de laatste jaren vaak hoort, is dat Nederland een imagoprobleem heeft. Vooral vaderlandse intellectuelen met vrienden in het buitenland rapporteren te pas en te onpas dat die vrienden hun, niet zelden 'teleurgesteld' of 'vertwijfeld', vragen wat er toch met ons land aan de hand is: we stonden altijd bekend als het tolerantste volk ter wereld, maar daar is weinig meer van over.

Ik weet niet of het waar is dat Nederland niet meer de tolerantiekampioen is, maar als dat inderdaad zo is, dan lijkt me dat eerder een compliment dan een zwaktebod.

Tolerantie is namelijk bij uitstek iets dat pas gedijt bij de juiste dosis, bij een goede balans tussen wat wel en wat niet getolereerd wordt, en geen kwestie van hoe meer, hoe beter. Een samenleving waarin alles getolereerd wordt zal namelijk binnen de kortste keren verworden tot een vrijstaat waar regels en wetten papieren tijgers zijn, het gezag zelfs geen symbolische functie meer heeft en normen en waarden ten prooi vallen aan verval, verloedering en verwildering.

Het imago van tolerante natie verkreeg Nederland in een vorig leven, in de Gouden Eeuw, toen de Republiek  uitgroeide tot vrijhaven voor handelaars en ondernemers en vrijplaats voor wetenschappers, kunstenaars en intellectuelen. Grote geesten uit heel Europa trokken naar de vrijzinnige Republiek. Natuurlijk zijn er talloze nuanceringen en bijstellingen van dit beeld te geven, maar het tolerante Nederland is sindsdien spreekwoordelijk geworden.

Die tolerantie viel echter zo op omdat ze afstak tegen de situatie in omringende landen, ze gedijde juist in een omgeving waar repressie en intolerantie de norm waren. In een gesloten samenleving is méér tolerantie dan inderdaad nastrevenswaardig. Nu we echter alweer enige tijd in een open samenleving leven is juist de behoefte aan grenzen groter geworden, omdat die open samenleving blijkbaar zélf zo langzamerhand op haar grenzen is gestuit.

De visie op 'gedogen' is een goede graadmeter. In een samenleving die zich nog aan het openen is, is het aantrekkelijk om elementen die dat proces verstoren of vertragen niet te onderdrukken of te vervolgen, maar oogluikend toe te staan, te gedogen, om zo de algehele voortgang te waarborgen. De trend is echter dat gedogen steeds meer als onwenselijk wordt gezien, als oorzaak voor bepaalde feilen van de open samenleving, in plaats van als voorwaarde voor haar functioneren.

Ik geloof niet dat zulke veranderingen primair een top-down kwestie zijn: van beleidsmaatregelen die van bovenaf aan de samenleving worden opgelegd, maar veeleer bottom-up, van onderaf zich in de samenleving nestelen. Niet het veranderen van regels en wetten bepaalt het maatschappelijke klimaat, maar veranderingen in perceptie van het maatschappelijke klimaat leiden uiteindelijk tot het verscherpen cq. losser maken van die regels en wetten.

Aan politici wordt dan ook veel te veel invloed toegekend. Geert Wilders is natuurlijk het pregnantste voorbeeld. Hoe vaak hoor je niet dat de PVV-leider als oorzaak van intolerantie, verruwing en tweedeling wordt weggezet? Terwijl zijn succes eerder het - logische - gevolg is van die ontwikkelingen, van een van onderaf ontstane nieuwe maatschappelijke constellatie.

Politici lopen altijd achter de feiten aan. Zij die dat beseffen en een scherp oog hebben voor die feiten, zijn de beste politici. Dat heeft niets te maken met klakkeloos doen wat 'het volk' wil, maar met aanvoelen wat de mensen dwars zit, en daar dan betere maatregelen voor bedenken dan de maatregelen die die mensen voor ogen staan.

Intolerantie is nooit goed, maar dat betekent niet dat tolerantie zaligmakend is. Een tolerante samenleving is een samenleving die voortdurend met zichzelf onderhandelt waar de grenzen van de tolerantie liggen.

maandag 1 oktober 2012

Lezen, lezen, lezen #30

Jim Dwyer & Kevin Flynn, 102 Minutes. The Untold Story of the Fight to Survive Inside the Twin Towers (2005), 323 blz. (****)
Dwyer en Flynn, journalisten van de New York Times, reconstrueren in dit filmische boek de waanzin in de Twin Towers vanaf het moment waarop het eerste vliegtuig de noordelijke toren in vliegt tot en met het instorten van de laatste van de twee torens, 102 minuten later. De auteurs hebben ervoor gekozen minutieus de handelingen van een aantal betrokkenen te beschrijven, alles op basis van geluidsopnames, ooggetuigenverslagen en gesprekken met overlevenden. De beslissingen die mensen namen op basis van informatie, intuïtie of welke reden dan ook hebben een dramatisch effect omdat je als lezer weet wat er staat te gebeuren. Bijvoorbeeld de terugkeer van de werknemers in de zuidelijke toren naar hun verdieping nadat duidelijk is geworden dat er alleen in de noordelijke toren brand is: je wéét dat er even later ook daar een vliegtuig dood en verderf gaat zaaien. Of het getreuzel, het beschaafd geduldig de trappen afdalen - of juist bestijgen door brandweermannen -, terwijl je wéét dat de torens dan al op instorten staan. Je wilt die mensen wel toeschreeuwen: schiet op! verdwijn! elke seconde telt!
In 102 Minutes wordt onwillekeurig benadrukt hoe groot de rol van het toeval is in zaken van leven en dood. Onduidelijkheid over de ernst van de situatie, mensen die plichts- en gezagstrouw zijn en daarmee levens redden door een extra inspanning te doen, of juist onbedoeld doden veroorzaken door anderen volgens het boekje te sommeren terug te gaan naar hun kantoor. Ook is er aandacht voor de funeste gevolgen van een jarenlange vete tussen politie en brandweer, waardoor beide korpsen niet met dezelfde communicatiesystemen werkten, en staat het boek vol morbide wetenswaardigheden: zo werd één agent gedood door een vallende man. Hoe indrukwekkend elke bladzijde zo ook is, een wat zakelijkere stijl had evenwel niet misstaan. Nu zijn alleen de historische en technische gedeelten puur beschrijvend, de verhalen van de mensen daarentegen zijn opgeschreven als betrof het een roman, inclusief semi-fictionele dialogen en stilistische strapatsen: cliffhangers, filmische scènes, terzijdes over mensen die net hun geliefde ten huwelijk hebben gevraagd - het is allemaal niet vrij van typisch Amerikaans melodrama en effectbejag. De auteurs hebben zich nu soms te veel laten meeslepen door de heroïek van mensen en de dramatiek van de gebeurtenissen. En dat terwijl louter een beschrijving had volstaan om de lezer te emotioneren. Zelf werd ik het meest getroffen door het verhaal van Ed Beyea en Abe Zelmanowitz. De verlamde Beyea kon in zijn rolstoel niet gemakkelijk geëvacueerd worden uit de north tower. Zijn vriend Zelmanowitz weigerde zichzelf in veiligheid te brengen, zelfs na fel aandringen van Beyea, en bleef trouw aan de zijde van zijn vriend. Beiden kwamen om toen de toren instortte. Of het verhaal van Raffaele Cava, een 80-jarige medewerker van een transportbedrijf op de 89ste verdieping van de north tower, die als een van de eersten in het gebouw was komen werken, en nu alle 89 verdiepingen per trap moest afdalen om er weer uit te geraken. Hij redt het, als een van de laatsten. Zo komen er 352 namen voorbij, employees, agenten, brandweerlieden, bezoekers, wier lotgevallen meer of minder uitgebreid worden beschreven; 126 van hen overleefden het niet. In totaal kwamen 2749 mensen om, ongeveer 12 000 wisten bijtijds weg te komen.
102 Minutes is een schitterend boekwerk, waaruit men enerzijds een indruk kan opdoen van de achtergronden die deze ramp zijn catastrofale proporties gaven - en dan niet niet de voorgeschiedenis van Al-Qaeda of zo, maar de 'fysieke' elementen, zoals de op efficiëntie gerichte constructie van de torens, de met de jaren steeds meer aan de laars gelapte veiligheidsprocedures, enzovoort - en waarin anderzijds een aantal voorheen anonieme doden een naam en een verhaal krijgen. Een krankzinnig, al te gruwelijk verhaal, als het allemaal niet zo verschrikkelijk waargebeurd is: 'One plane crash. Sixteen minutes later, another plane crash. Twenty-five minutes later, word of a third plane approaching - untrue, but certainly not outside the freshly staked borders of the plausible. Then, about thirty minutes after that, the first building falls. Twenty-nine minutes later, it was over. It was as if a car going ninety miles per hour were making a ninety-degree turn every few minutes. Each moment brought fresh demands, fresh hell.'

Een zondagmiddag met J.J. Voskuil. 27 meest academische reacties op Het Bureau (1998), 143 blz. & Arjan Peters (red.), Nog even een ommetje. Beschouwingen over Het Bureau van J.J. Voskuil (2000), 248 blz. (***)
Van 1 januari tot en met 13 augustus jongstleden las ik Het Bureau van J.J. Voskuil. Zeven delen, 5100 bladzijden en geen moment saai. Een grootse en subliem geschreven roman over een tobber die dertig jaar lang op een wetenschappelijk instituut doorbrengt, intens tragisch in de beschrijving van de sleur, de zinloze anonieme levens en het verglijden van de tijd, onweerstaanbaar grappig in de tekening van de karakters en de weergave van de onmogelijkheid van sociaal verkeer. In de grootste Nederlandse roman van de 20ste eeuw, De avonden, beschrijft hoofdpersoon Frits van Egters zijn kantoorbaan als volgt: 'Ik neem kaarten uit een bak. Als ik die er uit genomen heb, dan zet ik ze er weer in.' Het Bureau is een ruim vijfduizend pagina's dikke uitwerking van deze zin. Deze great Dutch novel verscheen tussen 1996 en 2000 en schijnt indertijd een ware hype te zijn geweest, niet alleen onder het reguliere leespubliek maar ook onder academici en andere intellectuelen, die niet alleen in sommige personages de werkelijke personen herkenden maar in de typering van het Bureau ook een zedenschets van hun eigen werkkring lazen. Iedere lezer hoopt stiekem dat er op zijn werk ook een collega is die een manuscript in de la heeft liggen waarin het wel en wee van de werkvloer wordt beschreven, zo las ik ergens. Een waar woord.
Boekhandel Roelants in Nijmegen nodigde Voskuil in 1998 uit voor een ontmoeting met lezers en liet 27 academici van de KUN een stukje schrijven over Het Bureau. De bijdragen van Wam de Moor, Harry Bekkering en Anton van Hooff bijvoorbeeld zijn prachtige persoonlijke stukken waarin de auteurs de roman op speelse wijze vanuit hun eigen achtergrond aan een bespiegeling onderwerpen. Overigens staan er niet alleen maar onverdeeld bewonderende teksten in het boekje. Zo haakte Liesbeth Eugelink naar eigen zeggen af uit ergernis over het gebrek aan zelfreflectie van de auteur. Dat ben ik dan niet met haar eens, Voskuil portretteert inderdaad genadeloos zijn oud-collega's, maar het hardst is hij voor zichzelf. De literaire ontmoeting in Nijmegen vond plaats toen er pas drie of vier delen van de zeven verschenen waren, wat sommige contribuanten tot merkwaardige stukjes heeft geïnspireerd. Zo beschrijft Marinel Gerritsen - Engelien Jansen in Het Bureau - alvast haar belangrijkste momenten met Voskuil in de nog te beschrijven jaren, die de lezer dus in de volgende delen van de roman mag verwachten terug te lezen. Een andere academicus beschrijft zelfs vol vuur zijn enige ontmoeting met Voskuil en kan bijna niet wachten tot hij die terug zal lezen in deel 6. De ijdelheid spat er vanaf.
Criticus Arjan Peters redigeerde in 2000 een boek met wat langere beschouwingen over Het Bureau. De elf schrijvers die een bijdrage leverden hebben elk een eigen invalshoek gekozen. Peters' eigen bijdrage is de meest curieuze, om met understatement te spreken, want hij heeft simpelweg de recensies die hij schreef na de verschijning van weer een deel achter elkaar geplaatst, met als resultaat een knip-en-plak tekst met slecht weggewerkte naden. Paul van Tongeren vergelijkt Het Bureau met Prousts Op zoek naar de verloren tijd en heeft daarbij heel veel woorden nodig om het essentiële verschil tussen beide werken te benoemen: waar Proust probeert te tijd te laten stollen door één klein moment extreem gedetailleerd te beschrijven, daar laat Voskuil door zijn uitgepuurde beschrijving van een jarenlang voortmodderend ambtenarenbestaan juist de genadeloze maalstroom van de tijd zien. Een kortere versie stond overigens al in Een zondagmiddag met J.J. Voskuil. Weer een publicatie erbij. Zeer boeiend zijn de teksten van Wim van den Berg en Jan Fontijn, respectievelijk een aandachtige close-reading van de passages waarin het scherpe waarnemingsvermogen van Maarten Koning voor zijn omgeving tot uiting komt en een openhartige open brief aan de auteur. De leukste bijdrage is van Carola Kloos, die op even hilarische als scherpzinnige wijze op inconsequenties en vooral onzinnigheden in de denkwereld van Maarten en Nicolien wijst, met name met betrekking tot het begrip 'solidariteit'. Beide bundels bevatten aldus een aantal lezenswaardige artikelen waarin een poging wordt ondernomen de impact van deze roman te verklaren. Toch las ik de interessantste duiding elders. J.D.F. van Halsema meent dat er van de eindeloze herhaling van taferelen 'troost' uit gaat: 'Het Bureau [is] een typisch boek van na 1989. Het is de documentatie van het heersende gevoel in onze samenleving dat alle grote verhalen zijn stukgelopen, en dat het enige dat overblijft de kleine individuele geschiedenis is. [...] Het is een boek van troost voor het geseculariseerde publiek van nu.'

Sebastian Haffner - Kanttekeningen bij Hitler (2002 [1978]), 236 blz. (*****)
Over Adolf Hitler zijn bibliotheken volgeschreven. De vandaag de dag toonaangevende biografie staat op naam van Ian Kershaw. Diens tweevuistendikke werk vergt echter aardig wat tijd en inspanning van de lezer. Veel korter is de everseller van de Duitse journalist Sebastian Haffner: Anmerkungen zu Hitler, voor het eerst verschenen in 1978. Slechts 200 pagina's heeft Haffner nodig. Het Historisch Nieuwsblad plaatste dit werk in zijn top 20 van boeken over de Tweede Wereldoorlog die iedereen gelezen moet hebben. De kernachtigheid en trefzekerheid die Kanttekeningen bij Hitler kenmerken springen al meteen aan het begin in het oog. Waar de meeste biografieën beginnen met een ellenlange beschrijving van de vader en de moeder en de groot- en andere voorouders van het subject, daar handelt Haffner het allemaal in drie regels af: 'De vader van Adolf Hitler had het ver geschopt. De buitenechtelijke zoon van een dienstmeid wist een belangrijke positie in de ambtenarij te verwerven en was bij zijn dood een gezien en geacht man.' Bam, die staat, de aandacht kan meteen naar Adolf verschoven worden. Wat deze biografie vooral zo aantrekkelijk maakt is de open, eerlijke blik op Hitler. Ons beeld van de man is voor eeuwig gekleurd door de oorlog, door de holocaust, maar Hitler had ook een voorgeschiedenis: die van succesvol politicus. Zoals een andere Hitler-biograaf, Joachim Fest, al stelde: als Hitler in 1938 plotseling gestorven zou zijn, dan zou hij als een van de grootste staatsmannen die ooit geleefd hebben de geschiedenisboeken in zijn gegaan.
Haffner heeft zijn boek opgedeeld in zeven secties: na een korte levensbeschrijving komen achtereenvolgens Hitlers 'prestaties', 'successen', 'vergissingen', 'fouten', 'misdrijven' en 'verraad' aan bod. Door deze opdeling maakt Haffner de 'kennis van nu' onschadelijk en kunnen Hitlers daden bijna autonoom belicht worden, zonder de denkfout 'om alles wat Hitler heeft gedaan in zijn geheel als fout te bestempelen, alleen maar omdat Hitler het heeft gedaan'. Dit helpt om Hitlers populariteit te verklaren. Hij had in 1928 slechts 2,5 procent van de bevolking achter zich. De economische crisis dreef 40 procent in zijn armen, maar de volgende 50 procent die ná 1933 aanhanger van Hitler werd, werd dit puur op basis van zijn prestaties: herroeping van 'Versailles', bezetting van het Rijnland, herstel nationalistische trots, herbewapening en natuurlijk het eerste Wirtschaftswunder. Zijn successen behaalde Hitler tot 1941, daarna leidden talloze vergissingen en fouten zijn ondergang in. Zijn grootste fout was dat zijn virulente antisemitisme feitelijk zijn politieke machtsstreven in de weg stond. Zoals Frits Boterman het in zijn lezenswaardige nawoord samenvat: Hitler had zich 'enerzijds als politicus ten doel gesteld om de Duitse heerschappij over geheel Europa te vestigen, anderzijds wilde hij als Programmatiker de joden uit de samenleving verwijderen, ofwel uitroeien. [...] Zijn grootste fout was echter om deze twee doeleinden tegelijkertijd na te streven.' De grote misdrijven - massamoord op de zieken, de zigeuners, de Poolse intelligentsia, de Russen en de joden - schrijft Haffner geheel en al op het conto van Hitler persoonlijk. Het 'verraad' van Hitler is volgens Haffner de vernietiging van het Duitse volk dat hij voorstond toen hij ondervond dat het niet het superieur zegevierende volk bleek te zijn waar hij op had ingezet.
Kanttekeningen bij Hitler is een helder, intelligent en soms zelfs spannend boek. Praktisch iedere zin bevat nieuwe, boeiende informatie. Haffner schrijft persoonlijk en stoutmoedig en schrikt niet terug voor een boude bewering meer of minder. Bovendien strooit hij met beeldende vergelijkingen, bijvoorbeeld om de desillusie van de Duitsers in de laatste oorlogsweken te schetsen: 'Het was de Duitsers in deze weken vergaan als een vrouw wier minnaar zich plotseling als haar moordenaar ontpopt en die schreeuwend haar buren te hulp roept tegen de man met wie zij zich heeft ingelaten.' Adolf Hitler zal altijd een enigma blijven, maar deze Kanttekeningen vormen een aanbevelenswaardige inleiding in het fenomeen.

maandag 24 september 2012

Wanneer wordt het weer oorlog?

Met de Slag om Haren nog vers in het geheugen en de langverwachte release van World of Warcraft: Mists of Pandaria voor de deur lijkt me het juiste moment aangebroken voor een stukje over het vaderlandse leger.

Demissionair minister van defensie Hans Hillen luidde vorige maand de noodklok over de staatsveiligheid van Nederland. De ingrijpende verkleining van de krijgsmacht die momenteel doorgevoerd wordt zou zo buitenproportioneel zijn dat ons land in de toekomst wellicht niet meer in staat zal zijn zich fatsoenlijk te verdedigen tegen een aanval. 'Als ons land morgen bezet wordt hebben we niets aan rollators', aldus Hillen.

Defensie moet komend jaar 791 miljoen euro gaan bezuinigen, zo werd tijdens Prinsjesdag bekend gemaakt. Dat bedrag zal bovendien nog oplopen tot een miljard. Investeringen worden gestaakt, duizenden mensen verliezen hun baan. Het is een bekend patroon: in tijden van bezuinigingen is defensie een makkelijke schietschijf. Vooral de linkse partijen richtten de blik als van nature op defensie wanneer er gesneden moet worden in de rijksuitgaven.

Hillens noodkreet sorteerde geen effect. Sterker nog: hoongelach viel hem ten deel. Dat de excellentie in zijn manmoedige poging het belang van defensie te benadrukken zijn pijlen uitgerekend op een gevoelig onderwerp als de ouderenzorg richtte maakte het dan ook makkelijk terugschieten voor zijn tegenstanders. Die Hillen pompt liever miljoenen in een prestigeproject als de JSF dan dat hij onze ouderen een fatsoenlijke oude dag gunt! Toch heeft Hillen weldegelijk een punt.

Toen de Duitsers in 1940 Nederland binnenvielen stuitten zij op teleurstellend weinig verweer. Dat lag niet zozeer aan een gebrek aan dapperheid of strijdvaardigheid van de Nederlandse troepen, zoals de beeldvorming wil, maar vooral aan de treurige staat van het materieel. In de jaren dertig was er onder invloed van de economische crisis en een invloedrijke pacifistische stroming - de gebroken geweertjes - fors bezuinigd op defensie, met als gevolg te weinig goed getrainde manschappen en verouderde wapens die niet opgewassen waren tegen het geavanceerde Duitse wapentuig.

Nu we opnieuw in een diepe en langdurige economische crisis zitten is defensie weer het kind van de rekening. En dat terwijl de krijgsmacht sinds 1945 al stelselmatig verkleind is. Veel meer dan het pragmatische motief van de tering naar de nering zetten gaat achter deze ontmanteling van defensie volgens mij een onuitgesproken idealistische visie schuil. Het is het ideaal van 'nooit meer oorlog' dat sinds 1945 de West-Europese politiek heeft beheerst, en niet zonder succes natuurlijk.

De combinatie van een loodzware herinnering aan de oorlog en een voortdurende welvaartsstijging hebben enkele generaties lang de noodzaak van een sterke krijgsmacht verminderd, nog eens versterkt sinds de dooi van 1990. Er is geen 'Duitsland' meer om rekening mee te houden, zo is het impliciete uitgangspunt. Het is echter een grove misvatting te denken dat dit altijd zo blijft. Ik heb het idee dat men er tegenwoordig, na ruim vijfenzestig jaar vrede, al te gemakkelijk vanuit gaat dat we die toestand verduurzaamd hebben, dat een krijgsmacht een last is geworden in plaats van een noodzaak, een relict uit het verleden. Zoals op PowNed, zij het schertsend, een reaguurder opmerkte: 'Oorlog is zóóó 1940-1945.'

Die oorlog komt steeds verder weg te liggen, nieuwe generaties zullen '40-'45 meer en meer als een mythische gebeurtenis uit een ver verleden gaan zien, waardoor die zijn functie als categorische imperatief verliest. Daarnaast staat de opgebouwde welvaart onder druk, door interne (ineenstorting neoliberale systeem; mislukkende Europese eenwording) en externe (opkomst China; uitputting grondstoffen) factoren. En ook het Midden-Oosten blijft natuurlijk voortdurend een bron van zorg, in het bijzonder de positie van Israël tot bijvoorbeeld het grillige Iran.

Onze beschaving is slechts een dun laagje vernis, zo luidt het vreselijke cliché. Maar clichés zijn alleen maar clichés omdat het de hardnekkigste waarheden zijn die er bestaan. Oorlogsdrift, geweldszucht, machtswellust, het zijn en blijven diep-menselijke eigenschappen, stevig in de genen verankerd na miljarden jaren het recht van de sterkste. Economische ellende, politieke onvrede, een gemeenschappelijke vijand, een agitator, de ingrediënten hoeven alleen maar in de juiste verhoudingen te worden gebracht, door wie of wat dan ook, en het mengsel ontploft. Lees het er maar op na in Oorlogshond (2011) van Robert Anker. Niet voor niets heeft die roman als motto een uit 1939 daterend citaat van Ernst Jünger waarin geweld 'de eeuwige slinger die de wijzers voortdrijft' wordt genoemd.

Of, omfloerster, in In de ban van de tegenstander (2009) van Hans Keilson: 'Er zullen altijd weer nieuwe haters opstaan en de arena binnenkomen, en van onze mooie wereld zal elke dag weer een stukje afbrokkelen zoals dat gaat bij een oude ruïne van vroeger. Door weer en wind zal er elke dag weer een stukje afbrokkelen, tot alles in puin valt en alleen wat stomme stenen de plek aangeven waar eens in goede tijden een mooie burcht stond.' In 1959 werd het toenmalige Ministerie van Oorlog al hernoemd tot Ministerie van Defensie. Laat ons het niet zover laten komen dat we alleen nog een Ministerie van Puinruimen overhouden.

De jeugd heeft wel de toekomst maar hoogstwaarschijnlijk geen boodschap aan de eerbiedwaardige Hans Keilson. Misschien dat ze het eerder willen aannemen van de opperpandabeer uit World of Warcraft: Mists of Pandaria: 'To ask why we fight, is to ask why leaves fall. It is in their nature.'

dinsdag 20 maart 2012

Lezen, lezen, lezen #27

Gerrit de Veer - Om de Noord. De tochten van Willem Barentsz en Jacob van Heemskerck en de overwintering op Nova Zembla, zoals opgetekend door Gerrit de Veer (1996), 200 blz.
Zijn film Nova Zembla baseerde Reinout Oerlemans op het verslag van Gerrit de Veer uit 1598. Dat gegeven maakte me enigszins nieuwsgierig naar dat verslag. Arnie kreeg als belangrijkste kritiek dat hij de interactie tussen de overwinteraars nauwelijks had uitgewerkt, maar juist die onpersoonlijke toon frappeert het meest bij De Veer. Pas helemaal aan het eind worden de namen van de expeditieleden genoemd - en dan ook nog alleen van de overlevenden. Zelfs het stervensproces van een van de mannen wordt kil en klinisch geregistreerd: hij wordt als 'de zieke man' aangeduid, en als hij eindelijk overleden en begraven is staat er doodleuk: 'Daarna was het tijd voor het ontbijt'. Die emotieloosheid is ook sterk aanwezig in de beschrijvingen van de omgang met dieren, in het bijzonder ijsberen. Dat de dieren gedood werden is begrijpelijk, maar de wreedheden die daarbij begaan werden zijn soms gruwelijk: 'We sloegen zijn tanden uit zijn bek, nog voordat hij de geest had gegeven.' Levende vogels worden 'met stenen eraan van de rotsen' gegooid. De dagen in het behouden huis worden met steeds kortere notities afgedaan. Het was eenvoudig te koud om meer dan zakelijk te noteren. Pas na het vertrek in de open boten sluipt er weer wat meer emotie in de aantekeningen, bijvoorbeeld over het moordende ijs: 'Het leek wel alsof we dat ijs nooit kwijtraakten, alsof het ons steeds bleef achtervolgen.' En als het eten op dreigt te raken, geeft dat De Veer plotseling een mooie diepzinnige formulering in: 'Als wanhoop had geholpen, dan waren we er een stuk beter aan toe geweest.'

Paul C. Vos - Hooligans. 16 openhartige verhalen (2006), 158 blz.
Toen Paul van Gageldonk het prachtboek Hand in hand. Op stap met de hooligans van Feyenoord had gepubliceerd was hij plots zijn leven niet meer zeker. Niet alleen werd hij door hooligans van andere clubs als Feyenoorder gezien, de Feyenoord-hooligans zelf waren ook allesbehalve ingenomen met de manier waarop zij in het boek geportretteerd werden. Paul C. Vos heeft de wijze les getrokken de hooligans in zijn boek 'direct en zonder opsmuk' aan het woord te laten. Het verwijt verkeerd te citeren wordt hiermee ondervangen. Vos heeft zelf wel een uitstekende inleiding vervaardigd waarin hij een korte geschiedenis van het hooliganisme schetst, van de geboorte bij Feyenoord-Tottenham in 1974 via de hoogtijdagen eind jaren tachtig-begin jaren negentig en het dieptepunt van Beverwijk tot de langzame dood die het fenomeen inmiddels is gestorven. Voor de hooligans die in dit boek aan het woord komen is het dan ook grotendeels een nostalgieverhaal, de memoires van een relschopper. Allen lepelen vol vuur hun daden op, weinigen leggen verantwoording af. Vos citeert hooligans van negen verschillende clubs, de Grote Zes van het hooliganisme Ajax, Feyenoord, Den Haag, Utrecht, Twente en NEC, aangevuld met Groningen, NAC en PSV. De hooligans van Ajax en Feyenoord leren we kennen als schorem dat ook aan inbraak en chantage doet, eerder onvervalste criminelen dus dan hooligans. Voor de anderen staat clubliefde en -trouw weliswaar voorop, maar het vechten is daarbij feitelijk hun grootste expressiemiddel. Het geweld is de kick die ze nodig hebben, de onvoorwaardelijke kameraadschap bepaalt hun hele leven. Het gaat ze absoluut niet om het vernielen op zich, om de maatschappelijke onrust of zelfs maar de haat jegens de opponent; een perfect geregisseerde en 'eerlijk' uitgevochten confrontatie verhoogt zelfs het wederzijdse respect. De meesten hebben overigens een keurige baan - maar dat is geen nieuws. De verhalen zijn zonder uitzondering fascinerend en leerzaam voor de aanpak van hooligans, al is dat nu dus nauwelijks meer relevant. Paul C. Vos zat 'jarenlang wekelijks op de tribune' staat op het achterplat. Bij welke club staat er wijselijk niet bij. Want hoe marginaal het fenomeen vandaag de dag ook is, de lessen van Van Gageldonk blijven onverminderd van kracht.

Martin Krieger - Kaffee. Geschichte eines Genussmittels (2011), 308 blz.
Behalve een veellezer ben ik ook een overtuigd koffiedrinker. Een boek over de geschiedenis van de zwarte ambrozijn stond dan ook hoog op het wensenlijstje. Groot was mijn vreugde toen eind vorig jaar deze Duitstalige geschiedenis van de koffie verscheen. Krieger, een vriendelijk ogende professor uit Kiel, citeert bovendien al op de derde bladzijde Multatuli, dus een al te germanocentrisch perspectief is bij voorbaat uitgesloten. Alleen het laatste hoofdstukje heeft uitsluitend betrekking op Duitsland als koffieland. Daarvoor worden achtereenvolgens behandeld 'worum es sich beim Kaffee eigentlich handelt', de koffieculturen van Kaffa (Ethiopië), Mokka (Jemen) en de Oriënt in de 15e, 16e en 17e eeuw, de oversteek naar Europa, de koffiehuizencultuur die zich daar ontwikkelde, de rol van koffie tijdens de koloniale tijd en als wereldhandelsgoed en de vier grote 'koffierevoluties' van de 20ste eeuw. Krieger schrijft in een prettige stijl, grondig zonder dor te worden. Het boek zit boordevol boeiende weetjes. De Nederlandse koopman Pieter van den Broeke importeerde kort na 1600 al kleine hoeveelheden koffie; het eerste Europese koffiehuis werd in 1647 in Venetië geopend; het was nota bene een Griek (Demetrius Christoffel) die in Amsterdam in de jaren 1660 het populairste koffiehuis runde; omstreeks 1700 wist de botanische tuin van Amsterdam al succesvol enkele koffiestruiken te laten bloeien; cantate BWV 211 van Bach staat bekend als de 'Kaffeekantate' ('Ei! wie schmeckt der Kaffee süße'); Goethe 'war ein großer Kaffeefreund'; in 1822 kwam de helft van de wereldwijd geconsumeerde koffie uit Nederlands-Indië; de vier grote koffierevoluties in de 20ste eeuw waren cafeïnevrije koffie, oploskoffie (nescafé), espresso en espressobars en tot slot de expansie van koffieketens (Starbucks). Een belangrijke wetenswaardigheid is ook dat 'regelmäßige, maßvolle Kaffeetrinker kaum gesundheitliche Folgen zu fürchten haben' en dat de meest actuele medische onderzoeken uitwijzen dat koffiedrinken met mate 'weder zu einem verstärkten Risiko des Herzinfarktes noch zu einem erhöhten Krebsrisiko führt'. Kaffee. Geschichte eines Genussmittels is dus niet alleen een leerzaam en onderhoudend boek maar ergens ook een beetje een apologie van de koffiedrinker.

maandag 20 februari 2012

De verRotting van Nederland: Felix Rottenberg & Jannetje en haar mannetje

Het was een topuitzending, de aflevering van De Wereld Draait Door van vanavond. Er is weer veel duidelijk geworden over de staat van het land, de mores van de media, de onbenulligheid van onze opiniemakers.
Job Cohen is opgestapt als politiek leider van de PvdA en dat vroeg om duiding. Uiteraard van Felix Rottenberg, ex-partner van Matthijs van Nieuwkerk en erkende rooie rakker. En van Frénk van der Linden, drager van het meest nutteloze accent aigu ooit en het nieuwste politieke orakel. De Tonsuur en de Hawaï-bloes, Peppi en Kokki zijn niet dood.
Hete krokodillentranen schreiden de twee.
Daarna schoof Rutger Castricum aan. Eigenlijk om zijn boekje te promoten, maar vanzelfsprekend ging het eerst over Cohen, geliefd doelwit van het PowNews. Matthijs vroeg naar Castricums bijdrage aan Cohens val. Maar vanuit het publiek hollewaaide Holle Bolle Rottenberg er al doorheen. Jij maakt geen journalistiek, jij maakt cabaret! aldus een furieuze Felix - politici hoeven niet te leren daarmee om te gaan! De minachting droop er vanaf. Castricum wees hem op de generatiekloof, maar de zure Tonsuur zat alweer bestudeerd moeilijk te kijken met zijn armen over elkaar. Frénk vàn dér Lìndén piepte nog iets over een fatsoenskloof.
En daarom is er dus niemand onder de 35 die nog op de PvdA stemt.
Er is in de jaren zestig iets in gang gezet in de maatschappij wat nog steeds voortduurt. Juist de linkse voorvaders van Rottenberg zijn er verantwoordelijk voor. Alles moest anders, de oude versteende structuren moesten kapot, de maatschappelijke hiërarchie moest doorbroken. Inspraak! tegen het gezag! alle heilige huisjes omver! weg met de taboes!
Allemaal leuk en aardig, en ongetwijfeld ook hard nodig hier en daar, maar die daar in gang gezette ontwikkeling - individualisering, onverschilligheid, mondigheid van de burger -, die duurt voort tot de huidige dag. En daarom is GeenStijl, is het PowNews, is Rutger Castricum simpelweg een logische volgende stap in deze ontwikkeling.
Dan kun je wel heel verschillig gaan zitten wezen, Rottenberg, maar als je die boeken er eens op na slaat waar je altijd uit citeert, dan zie je dat er een rechte lijn loopt van provo naar GeenStijl, van Nieuw Links naar PowNews, van Roel van Duijn naar Rutger Castricum, van de afgepakte politiepet naar de weggetreiterde Cohen.
Er kwam nog meer.
NRC Handelsblad berichtte vorige week bij monde van journaliste Jannetje Koelewijn - geen pseudoniem - dat Friso géén schedelbasisfractuur had. Jannetje had het van haar mannetje, neurochirurg en toevallig in het ziekenhuis voor een congres. Jannetje en hoofdredacteur Peter Vandermeersch kwamen tekst en uitleg geven.
Jannetje en haar man bleken alles verkeerd gedaan te hebben. Zich schaamteloos aangeboden bij de Oostenrijkse artsen. Het embargo van de RVD genegeerd. Het medisch beroepsgeheim geschonden. Maar Jannetje bleek oostindisch doof en stekeblind voor alle kritiek, met een werkelijk STUITENDE arrogantie werd alles en iedereen aan tafel afgeweerd. Haar man was wel 'een echte dokter' hoor, zo verzekerde ze met een volwassenenvariant op 'mijn vadurr is dokturr'.
Vandermeersch had heel veel woorden nodig om niet méér te zeggen dan dat hij wilde scoren.
Jan Mulder had het niet meer, hij zat midden in zijn ergernis van de maand.
Heeft Rottenberg nu zijn zin? Rutger Castricum is geen journalist. Nee, dan NRC Handelsblad, daar kunnen we nog wat van leren als het over ethiek en fatsoen gaat!
Het PowNews cabaret? Voor mijn part. Maar dan is NRC Handelsblad een klucht, een farce, een schertsvertoning. Met Jannetje als ouwe nar en Rottenberg als aangever.

dinsdag 14 februari 2012

Lezen, lezen, lezen #26

De muziek zegt alles. De Top 2000 onder professoren (2011), 207 blz.
De laatste Radio 2 Top 2000 bereikte 11,2 miljoen Nederlanders, een astronomisch getal. Het mag dan ook geen verrassing heten dat ook de wetenschap interesse begint te tonen in het fenomeen. In De muziek zegt alles zijn elf artikelen gebundeld van wetenschappers die de Top 2000 vanuit hun vakgebied aan een onderzoek hebben onderworpen. Daarbij zijn bekende namen als Douwe Draaisma, Ad Vingerhoets en Huub Wijfjes. Wijfjes geeft een bijzonder boeiend overzicht van de geschiedenis van de radiomuziek - met bovendien ter illustratie een prachtcitaat uit De avonden -, Vingerhoets schrijft prettig bescheiden over de onzekerheden die zijn onderzoek naar de relatie tussen muziek en emotie domineren en Draaisma beschrijft de invloed van generatieverschillen op muzieksmaak. Hij schrijft dat toehoorders bij lezingen vaak opperen dat het toch gewoon zo is dat de beste popmuziek die van eind jaren 60 begin 70 is. Experimenten tonen echter aan dat 'juist het feit dat we het hier zo gezellig over eens zijn ons definieert als generatiegenoten'. Maar hoe kan het dan dat ik - en velen met mij - die pas vanaf de jaren '90 meedraaien toch ook de jaren 60 als de beste periode (h)erkennen? Ik word in ieder geval wel in mijn opinie bevestigd dat de Top 2000 veeleer een sociaal evenement is dan een muzieklijst door filosoof Frank Meester, die stelt dat de Top 2000 'een houvast, een ijkpunt' in ons leven vormt: 'De periode, zo eind december, leent zich daar ook prima voor. De Top 2000 is daarmee veel meer dan een hitlijst. Het betekent samenzijn, samen luisteren, gezelligheid, verbinding en even uit de maalstroom van het vele presteren die de rest van het jaar vereist is.' Het interessantst is de bijdrage van econoom Jeroen Hinloopen, die de 'marktstructuur' van de Top 2000 in kaart brengt, waarbij een stem op een artiest en een titel als de aankoop van respectievelijk een merk en een product wordt begrepen. Zijn artikel staat bovendien bol van de fascinerende statistische lijstjes en schema's. Boeiend is de bepaling van 'mannelijke artiesten' en 'vrouwelijke artiesten', d.w.z. artiesten waar mannen en artiesten waar vrouwen het vaakst op stemmen. Intrigerend én schokkend. Echte mannenartiesten blijken vooral de wat stevigere rockers ZZ Top, de Allman Brothers en Ten Years After; vrouwenartiesten zijn James Morrison, Kelly Clarkson, de Spice Girls en - daar heb je 't al - Marco Borsato. Nog fascinerender en enger wordt het wanneer het aandeel van mannen resp. vrouwen in het totale aantal stemmen op specifieke titels bepaald wordt: nummers die door mannen naar de hoogste regionen zijn gestemd worden door vrouwen weer omlaag getrokken: 'Won't Get Fooled Again' bij mannen op 271, bij vrouwen op 1827; 'Yours Is No Disgrace' bij mannen op 520, bij vrouwen op 1953; 'Lucky Man' 462 tegen 1631 (schande), 'Celluloid Heroes' 631 tegen 1905 (schande!). Maar ook andersom: Bette Midler's 'Wind Beneath My Wings' bij vrouwen op 344, bij mannen op 1727, 'All I Want for Christmas' 616 tegen 2037 - niet eens erin dus! -, idem voor Guus Meeuwis' 'Dat komt door jou', 725 tegen 2112. Allemaal machtig interessante statistiek. De muziek zegt alles is een boeiende en leerzame bundel. En al merk je soms dat de 'professoren' zich noodgedwongen op onbekend terrein hebben moeten begeven - Hinloopen schrijft consequent Cliff Richards -, het is goed dat ook de serieuze wetenschap haar licht laat schijnen over die wonderlijke Top 2000.

Gerrit-Jan van Heemst - De dag van Pim en Pierre. Het verhaal achter de UEFA Cupwinst van Feyenoord (2009), 191 blz.
2002 was in alle opzichten een bijzonder jaar. Persoonlijk, politiek-maatschappelijk en zeker ook sportief. Boogerd op La Plagne, Gerard van Velde in Salt Lake City en natuurlijk de verrassende UEFA Cup-winst van Feyenoord, luttele dagen na de moord op Pim Fortuyn. In De dag van Pim en Pierre beschrijft Gerrit-Jan van Heemst de gemengde gevoelens die de finaledag in Rotterdam bepaalden. Er was verdriet, onzekerheid en maatschappelijke onrust en daar doorheen verwachting, uitbundigheid en sportieve passie. Van Heemst beschrijft feitelijk het hele seizoen 2001-2002 van Feyenoord, met matige prestaties in de competitie en een rampzalige Champions League-campagne. De weg naar de glorie begon met die miraculeuze vrije trap van Van Hooijdonk in Freiburg, waar ik eerder dit jaar al kort naar verwees. Pierre Van Hooijdonk was de hoofdrolspeler van dit seizoen. Met Kees van Wonderen en Paultje Bosvelt vormde hij feitelijk een driemanschap dat het team leidde. Want coach Bert van Marwijk was helemaal niet de onbetwiste chef, lag zelfs niet goed in de groep. 'Met zijn gedrag zorgde Van Marwijk [...] onnodig voor onrust en irritaties,' vonden de Drie. Volgens Bosvelt werden de timide Shinji Ono en de bescheiden Tomasz Rzasa 'voortdurend verrot gescholden door Van Marwijk', volgens Van Hooijdonk miste Van Marwijk 'het vermogen om een speler te raken' en Van Wonderen had met Van Marwijk als mens geen probleem, maar zijn 'peptalk zat vol open deuren'. Peter van Vossen vond Van Marwijk communicatief niet sterk: hij sprak geen Engels, kon moeilijk met andere culturen omgaan en 'oefenstof las Van Marwijk soms van een briefje'. Met deze 'onthullingen' voegt Van Heemst nieuwe inzichten toe aan de geschiedschrijving en in die zin is zijn boek al zeer waardevol. Daarnaast is De dag van Pim en Pierre vooral recente nostalgie. Die hele prachtcampagne Freiburg-Rangers-PSV-Inter-Dortmund komt voorbij, alle spelers van toen worden belicht, van Brett Emerton tot Johan Elmander en van de piepjonge Robin van Persie tot de nukkige Leonardo. Soms laat Van Heemst zich wat te veel meeslepen in zijn enthousiasme, bijvoorbeeld in zijn verslag van Feyenoord-PSV als Mateja Kezman de bal tegen zijn kop krijgt geschoten: 'Lekker hard op z'n verwende kutsmoel!' Diep werd ik weer geraakt door de beschrijving van een beeld dat tien jaar na dato nog altijd op mijn netvlies staat: cultheld Christian Gyan vlak voor de aftrap van Feyenoord-Inter diep in gebed: 'het tafereel dat onlosmakelijk verbonden zou raken met deze wedstrijd. [Gyan] spreidde de armen, kneep de ogen toe, wapperde met de vingers. Zijn oersterke lijf zette zijn gebed kracht bij.'

Antheun Janse, Een pion voor een dame. Jacoba van Beieren, 1401-1436 (2009), 400 blz.
Jacoba van Beieren is een van de bekendste historische figuren uit ons nationale verleden. Biograaf Antheun Janse stelt zelfs dat zij 'in de categorie "vrouwen tot 1850" onbedreigd bovenaan' staat. Of dat nog steeds zo is weet ik niet, maar feit is dat Jacoba eeuwenlang zeer tot de verbeelding heeft gesproken. De beeldvorming maakte van haar een machtsbeluste, temperamentvolle mannenverslindster met een spectaculair en sensationeel leven. Janse wil met zijn biografie nu eens de historische Jacoba uit de nevelen van de geschiedenis laten oprijzen, ontdaan van eeuwenlange beeldvorming als ballast. Door zeer zorgvuldig de politieke en maatschappelijke context waarin Johanna zich bewoog uiteen te zetten weet Janse overtuigend te betogen dat zij zeer waarschijnlijk geen 'stormachtig temperament' was maar een leven leidde dat bepaald werd door 'dynastiek toeval en machtspolitieke tegenstellingen waarin anderen dan zijzelf de hand hadden.' Overigens zou wat mij betreft een vlugge blik op het portret van Johanna al volstaan om de hypothese Johanna-als-lustobject onhoudbaar te maken, maar dat geheel terzijde. Op het politieke schaakbord was Johanna van Beieren geen dame maar veeleer een pion. Daarmee is de titel van dit boek verklaard, doe overigens dus meer verwijst naar de opzet, de doelstelling van Janse dan naar Jacoba. Die opzet heeft er, enigszins paradoxaal, toe geleid dat we uit deze biografie over Johanna maar weinig te weten komen over haar dagelijkse bezigheden en denkbeelden. Omdat Janse zich immers op het standpunt stelt dat zij slechts een pion was verplicht hij zich ertoe het hele schaakbord en de meeste zetten te beschrijven om de rol van die pion te kunnen bepalen. Daar komt nog bij dat de afstand in de tijd zo groot is dat ik het sowieso moeilijk vind de figuren van toen als mensen te zien, mensen met drijfveren, met onhebbelijkheden, met een individualiteit. Heel soms veroorlooft Janse zich toch een amusante parallel met het heden: 'Terwijl zijn wettige echtgenote door vijanden werd belaagd, vermaakte Humphrey zich als een soort vijftiende-eeuwse Kluun met zijn maîtresse, Jacoba's voormalige hofdame Eleonora Cobham, een vrouw van lage komaf.' Waar hij dan meteen een sneer aan vastplakt: 'Met een dergelijk gedrag won men in de vijftiende eeuw geen publieksprijs.'

dinsdag 17 januari 2012

De PVV fascistisch noemen is te veel eer

De PVV is met afstand de belangrijkste politieke partij van het moment. Dat wil zeggen: ze is tot de belangrijkste partij gemaakt, niet eens zozeer door de politieke partners VVD en CDA, die er het welslagen van hun regeringsprogramma aan verbonden hebben - met alle verplichtingen en ongemakkelijkheden van dien -, maar vooral door de tegenstanders, politieke, maatschappelijke en sinds kort ook wetenschappelijke.

Het plakken van het label 'fascist' is al vele decennia een veel beoefende nationale hobby en bovendien een beproefd middel om elke discussie dood te slaan. Het is daardoor van de weeromstuit een holle term geworden, ontdaan van elke betekenis, louter nog vorm. Iemand een fascist noemen of een partij als fascistisch wegzetten maakt weliswaar de tongen los, maar alle aandacht gaat dan uit naar de aanklager en de beklaagde, terwijl de term fascistisch voor lief wordt genomen.

In plaats van eindeloos te touwtrekken over de vraag of iemand of iets wel of niet fascistisch is zou eerst eens helder gemaakt moeten worden wat we moeten verstaan onder het begrip.

De socioloog Dick Pels hekelt het reflexmatige karakter van de fascismedrogreden in zijn mooie dwarse studie De geest van Pim (2003). Ik kan het niet vaak genoeg benadrukken: iedereen zou dit boek eens moeten lezen. Fortuyn werd vanuit 'weldenkende' kringen geregeld een fascist genoemd, waarbij tot fascisme vaak ook in één moeite door het Duitse nationaalsocialisme werd gerekend. Bovendien werd fascisme afgedaan als 'het product van een opportunistische avonturiersmentaliteit die werd aangejaagd door een nietsontziende wil tot de macht'. (p. 18)

Pels wijst erop dat het fascisme veeleer 'een complexe, systematische en coherente doctrine' was met 'een respectabele intellectuele voorgeschiedenis'. Onder historici heeft het inzicht postgevat dat het fascisme 'wellicht discutabele en bedenkelijke, maar in elk geval coherente antwoorden gaf waar rivaliserende ideologieën als marxisme en liberalisme zwegen of steken lieten vallen'. (p. 19) Pels poneert - en ik ben het daar hartgrondig mee eens - dat ook Fortuyn een coherente en systematische maatschappijvisie voorstond. Gecombineerd met het 'volksnationale' sausje uit zijn laatste periode zou hij dus raakpunten hebben met het intellectuele fascisme.

Van lieverlede is 'fascisme' verworden tot het ultieme kwaad, vrijwel geheel synoniem met nazisme, de vreeswekkendste bedreiging die koste wat kost op afstand gehouden moet worden. Pels stelt dat die taboeïsering averechts werkt, omdat het zo een betekenisloos begrip wordt. Alles wat we niet begrijpen boezemt ons angst in. We moeten er echter niet van wegkijken, maar juist het contact zoeken: 'het fascisme wordt minder raadselachtig wanneer we het niet krampachtig bezweren als de tot institutie verworden perversie, als datgene "wat wij niet zijn", maar het dichterbij brengen en trekken in de sfeer van zelfonderzoek en sociologische vergelijking'. (p. 225) Mussolini-biograaf Renzo De Felice concludeerde bijvoorbeeld na jarenlang onderzoek dat het (Italiaanse) fascisme moest worden beschouwd als 'een authentiek revolutionaire en intellectuele respectabele links-totalitaire beweging'.

Zij die Fortuyn met fascisme in verband brachten hadden dus misschien wel gelijk, maar om de verkeerde, oneigenlijke redenen. Ze kwamen niet verder dan een halfslachtige vergelijking met lichtgewichten als Jörg Haider, daar waar een intellectuele vergelijking van het historische fascisme met de ideeën en visie in Fortuyns omvangrijke oeuvre wellicht veel meer had opgeleverd.

En juist in zo'n vergelijking zullen Wilders c.s. genadeloos door de mand vallen. Want geen van de kenmerken van het historische fascisme is van toepassing op de PVV-ideologie. Complex? Nee, eerder simplistisch, oppervlakkig en doorzichtig. Systematisch? Opportunistisch juist. 'Verhoging AOW is breekpunt!' klonk het voor de verkiezingen. 'AOW is geen breekpunt meer,' was de kreet onmiddellijk na de uitslag, een draai van honderdtachtig graden. Alleen in de 'weg-met'-fraseologie is de partij consequent: weg met Europa, weg met links, weg met de Islam. Coherent? Die 'vrijheid' uit de partijnaam wordt in de praktijk zeer selectief toegepast; ideologisch eet de partij van vele walletjes. Intellectueel? Commentaar overbodig.

De PVV als een fascistische partij bestempelen is onzinnig. Niet zozeer omdat de PVV daarmee onterecht gedemoniseerd wordt maar veeleer omdat daarmee het fascisme daarmee geen recht wordt gedaan. Nee, de PVV fascistisch noemen is eigenlijk te veel eer.

donderdag 10 november 2011

Van Limburgers en Duitsers

Ik ben in ernstige gewetensnood. Ik doe niets liever dan op maandagavond naar Voetbal International kijken, maar kan ik dat nog wel blijven doen? Nu Johan Derksen zijn ziel aan de duivel heeft verkocht is een mentale krachtsinspanning nodig om hem nog serieus te nemen. Hoe weet ik immers dat ik niet naar een commercial voor een dubieuze energieboer zit te kijken?

Het spotje voor de Ned. Energie Maatschappij is tenenkrommend. Ik zeg: had-ie niet moeten doen. Deze Populistische Energie Maatschappij is zo'n beetje de PVV onder de energieaanbieders. Wat bij Wilders c.s. de belofte van forse belastingverlaging en een acute immigratiestop is, heeft bij Derksens nieuwe werkgever de vorm van de goedkoopste energie die ook nog eens van vreemde smetten vrij is. Wat betreft het nakomen van beloftes ontlopen ze elkaar overigens ook niet veel, want die vaderlandse energie schijnt helemaal niet de goedkoopste te zijn en de Mij staat in de gerangschikte lijst van alle 24 energieleveranciers stijf onderaan.

Eerder manifesteerde de NEM zich al op een negatieve manier door zich agressief af te zetten tegen de Duitse concurrent: 'ik zeg Nein!' We moesten maar overstappen op de Néderlandse maatschappij met zijn lage Hóllandse tarieven... Die afkeer van Duitsers en dat appèl aan het Hollandsch is bij nader inzien hoogst merkwaardig. De Limburgse achterban van Geert zal men er niet mee aanspreken. Want niet alleen is de populariteit van de PVV in het zuiden des lands voor een belangrijk deel een uiting van afkeer van al wat Hollands is, ook zijn er daar stevige banden met Duitsland.

Je ziet het eigenlijk al bij een simpele blik op de landkaart: die Limburgse leuter penetreert diep in België en Duitsland en hangt er vanuit de rest van Nederland gezien maar een beetje bij. Die inbedding in de huidige buurlanden heeft historische wortels die zeer diep gaan. Limburg heeft feitelijk nooit echt bij Nederland gehoord. In 1830 sloot het zich nog gretig aan bij de Belgische revolutie en in 1848 werd gepoogd Limburg tot een deel van de nieuwe Duitse eenheidsstaat te maken. Nog tot 1906 noemde Limburg zich een hertogdom, ofschoon het al sinds 1866 officieel een Nederlandse provincie was. En tot op de dag van vandaag is er in Limburg een gouverneur in plaats van een Commissaris van de Koningin.

Hoe sterk de gerichtheid op Duitsland was, in alle lagen van de bevolking, blijkt uit het merkwaardig mooie boek Vervlogen jaren (1938) van Frans Erens, over zijn herinneringen aan de Tachtiger beweging. De hoofdstukken over Kloos, Van der Goes, Van Eeden en anderen laat Erens onder meer voorafgaan door 39 verbijsterende bladzijden 'Jongensjaren'. Erens was in 1857 geboren in Schaesberg, in Zuid-Oost Limburg. Hij herinnert zich zijn grootmoeder 'als een oude vrouw, die altijd in een leuningstoel zat, het (Amsterdamsche) Handelsblad lezende en de Echo der Gegenwart uit Aken' (p. 7).

In mijn naïviteit verwachtte ik een toelichting bij die Duitse krant, maar het tegendeel bleek waar: 'Dat zij het Handelsblad las, was in onze streek iets bijzonders, want niemand kende in dien tijd genoeg Hollandsch om een courant in dien taal te lezen.' De elite sprak Frans en Duits, maar ook het volk sprak geen Hollands, maar plat 'dat bij ons in dien tijd een plat Duitsch was' (p. 7). Bidden deed men in het Duits en een tante van Erens las '[d]e werken van de H. Theresia [...] in een Fransche vertaling en die van Johannes van het Kruis in het Duitsch' (p. 15).

Zelfs de knechten, die lezen noch schrijven konden, zongen 'altijd Duitsche liederen' (p. 18) en als vader Erens 's avonds met de knechten in de keuken voor het vuur ging zitten om het werk van de voorbije en de volgende dag te bespreken, dan werd dit gesprek 'in een zwaar Duitsch plat gevoerd' (p. 19). Het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog in 1870 heeft de impact van een nationale zaak. 'In dien tijd leefde men in Limburg meer mee met Frankrijk en Duitschland dan met Nederland,' staat er onomwonden (p. 25). De typering van de Schaesbergse familie Stassen zegt alles: zij 'spraken onder elkander ook altijd Duitsch. Zij kenden geen woord Hollandsch en waren nooit in Holland geweest.' (p. 33)

Frans Erens kon goed leren en mocht naar Rolduc. Via Bonn en Parijs belandde hij in Amsterdam, waar hij een vooraanstaand figuur in de wereld van de literatuur werd. Hoezeer hij ook onvoorwaardelijk werd opgenomen in de kring van de Tachtigers, hij bleef zich door zijn achtergrond toch altijd een buitenbeentje voelen: 'Fransche en Duitsche elementen gaven aan mijn eerste jeugd den stempel en het leek mij soms alsof het Hollandsch voor mij een aangeleerde taal was.' (p. 93)

Honderdvijftig jaar geschiedenis hebben de Limburgs-Duitse verknooptheid flink losgewoeld, maar je zou kunnen stellen dat Limburg nog altijd met de rug naar Holland en met het gezicht naar Duitsland (en België) gekeerd staat. Limburgers zijn hoe dan ook erg op zichzelf gericht. Ik kom weleens in Limburg en dan valt mij altijd op dat iedereen er het dialect beheerst, van jong tot oud. Daar heb ik diep respect en zelfs een aan jaloezie grenzende bewondering voor. In Limburg is men in de eerste plaats Limburger, pas op een lagere plaats Nederlander en op geen enkele manier Hollander.

In dat licht is de keuze voor Derksen, de standvastige provinciaal die niets moet hebben van de Hollandse zelfgenoegzaamheid, niet eens zo'n vreemde. Volgens Thomas von der Dunk mogen mensen uit het rurale zuiden helemaal niet op Wilders stemmen, want 'wat hebben die te mekkeren over de multiculturele samenleving'? Vast het een en ander, maar het is toch vooral een vorm van democratisch verzet tegen de machtige arm van Holland. Daar gaat Von der Dunk volledig aan voorbij, hoe Duits zijn naam ook is.