Posts tonen met het label Muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Muziek. Alle posts tonen

dinsdag 6 december 2016

Santa Sufjan Day

Vandaag is het 6 december, het traditionele begin van de Kerstperiode. 6 december is ook 'Santa Sufjan Day', naar de grote Sufjan Stevens, schepper van tien juweeltjes van cd's met in totaal honderd kerstliedjes die vanaf vandaag weer een maand lang gedraaid mogen worden.
  Honderd is niet helemaal correct, want in feite maakte Stevens er minstens honderd en een. In 2007 schreef hij een wedstrijd uit, de 'Sufjan Stevens Xmas Xchange Contest', waarbij de maker van het mooiste kerstliedje de publicatierechten van een niet eerdere uitgebrachte Song of Christmas van Stevens won. Alec Duffy was de gelukkige met zijn nummer 'Everyday Is Christmas' en hij kreeg de rechten in handen van een liedje met de titel 'The Lonely Man of Winter'.
  Duffy besloot het nummer niet verder te verspreiden, bijvoorbeeld door het op internet te zetten of er een verkoopbare vinyl-single van te persen. In plaats daarvan organiseerde hij met de componist Dave Malloy luistersessies en petit comité bij hen thuis in Brooklyn, New York. Op internet hebben een aantal bloggers verslag gedaan van zo'n luistersessie. Hieruit zijn een aantal kenmerken van het nummer af te leiden.
  Zo schrijft een blogger: 'We listened to 3 minutes and 13 seconds of lush layered melancholy lyrics of wintry solitude. We were fortunate enough to get a second listen to swap headphones. A discussion about what we thought about the song followed. I distinctly remembered the line "driving to Denver" and wanting the track for my very own.' Er is ook een plaatje van het artwork te zien: een tekening met de tekst 'Christmas sucks' en daaronder '(just kidding)'.
  Een andere blogger vergelijkt de toon van 'The Lonely Man of Winter' met 'Casimir Pulaski Day' van het album Illinois, een van de ontroerendste nummers ooit gemaakt: 'Immediately, the looped guitar intro of "The Lonely Man of Winter" sent chills down my spine. I could almost imagine him building the loops by himself to produce the song. Because I generally prefer the more somber Sufjan pieces like "Casimir Pulaski Day," the melancholy lyrics of this holiday song seemed to deliberately cater to my tastes. The song ended with a beautifully haunting piano coda, reminding me of my recent reconnection with the instrument. Clocking in at 3:11, "The Lonely Man of Winter" ended before I knew it.'
  Somber, melancholiek, winters - dat zijn de associaties die het liedje bij praktisch alle bloggers opriep. Weer een ander wijst op de sleigh bells, die het ook een warme gloed geven: 'I liked it quite a lot. Sad Christmas songs are more my kind of thing than happy ones. This one was pretty melancholy. Sleigh bells entered at one point to give the thing a slightly festive feel. In general, it left an odd mixture of warmth and chill inside me.'
  De laatste keer dat er zo'n sessie werd georganiseerd was naar verluidt in 2010. Sindsdien is er niets meer van vernomen. Iemand die in 2013 nog mailde naar Duffy kreeg een een automatic reply dat de sessies 'on hiatus' waren. Op internet uitten velen hun woede en onbegrip. Zo schrijft iemand op Reddit het 'pretty disrespectful and selfish' te vinden: 'the way they handled it was kind of the most obnoxious thing ever. I get irrationally mad every time I remember this song exists...'
  Toch verleent de manier waarop eerst Stevens en later Duffy en Malloy 'The Lonely Man of Winter' hebben 'uitgebracht' het nummer ook een voor deze tijd zeer bijzonder karakter. De filosoof Thijs Lijster verwijst in het essay 'Voor iedereen, van niemand', opgenomen in zijn boek De grote vlucht inwaarts (2016), naar Walter Benjamins klassieke tekst 'Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit' (1936), over de gevolgen van indertijd nieuwe media als fotografie en film voor de esthetische ervaring van een kunstwerk.
  Deze media hebben de reproduceerbaarheid van een kunstwerk enorm vergroot en daarmee de unieke esthetische ervaring in tijd en plaats, en de 'aura' van het unieke kunstwerk, tenietgedaan: 'De vraag naar exclusiviteit en originaliteit wordt betekenisloos: in het geval van fotografie, bijvoorbeeld, is het absurd te beweren dat de ene afdruk "authentieker" is dan de andere'. De 'cultuswaarde' van een kunstwerk is met de doorbraak van massamedia verdwenen: 'lag bij het traditionele kunstwerk de nadruk op verzinking en contemplatie, en een contact met het "hogere", daar wordt het technisch reproduceerbare kunstwerk eerst en vooral "verstrooid" ondergaan.'
  Het is zeer interessant om te zien dat menige gelukkige beluisteraar van 'The Lonely Man of Winter' verwijst naar de impact van exclusiviteit op zijn of haar luisterervaring. De blogger Matt Lipstein noemt de uniciteit zelfs het meest ontroerende aspect: 'It was really moving to know that we would only hear the song at that place and in that moment, and then we would never hear it again, probably. It really brought a different consciousness to the act of listening to a song.' Het is dan ook vooral de esthetische ervaring van het eenmalige luisteren dat hem zal bijblijven, meer nog dan de uniciteit van het lied zelf: 'The song was beautiful and tender, as many Sufjan songs are, but the experience is probably what will stay with me more than the actual song.'
  Lijsters essay gaat onder meer over het mogelijke einde van intellectueel eigendom door actuele ontwikkelingen in de technologie. Sufjan Stevens nam daarin een bijzondere stap: hij droeg het eigendomsrecht van een van zijn liedjes over aan een fan, aan een consument, en bovendien zonder eerst zelf het nummer te hebben gepubliceerd. De nieuwe eigenaar koos er vervolgens voor het kunstwerk niet te reproduceren, hij hief de reproduceerbaarheid ervan zelfs - tijdelijk? - op en bracht het terug tot de unieke ervaring van de rituele, bijna religieuze opvoering.
  Intussen moeten wij gewone stervelingen het dus misschien wel voorgoed zonder 'The Lonely Man of Winter' doen. Gelukkig zijn er nog honderd andere Songs of Christmas van de maestro die wel vrij toegankelijk zijn. Alhoewel: alleen tussen 6 december en 6 januari. Niet zo exclusief als 'The Lonely Man of Winter', maar het komt een beetje in de buurt.

woensdag 23 december 2015

Merry Christmas - Vrolijk Kerstfeest

Kerstmuziek kun je alleen maar beluisteren tussen 6 en 26 december. Iedereen die het daarvoor al of daarna nog doet is in overtreding. Dat er maar een krappe drie weken overschieten en de muziek niet op elk willekeurig moment gedraaid kan worden draagt bij aan het bijzondere, spirituele karakter ervan: het blijft een delicatesse, een beloning.
    De jaarlijkse Sky Radio line-up valt daar in zekere zin buiten. Jaar in jaar uit hetzelfde rijtje: Mariah Carey en Wham!, Chris Rea en Band Aid, Mud en Slade, Michael Bubbel en Marco Borsato... Youpie van 't Hek niet te vergeten. Dat is even een dag leuk en dan niet meer.
    Veel interessanter zijn de complete kerstalbums van bands en performers. Vrijwel iedere zichzelf respecterende artiest heeft wel zo'n kerstalbum opgenomen. Daar zit vanzelfsprekend veel bocht tussen, maar ook genoeg moois. Albums die de kitsch en het sentiment verre overstijgen en frisse en eigenzinnige versies van de klassiekers uit het genre brengen, of met eigen bijdragen het songbook aanvullen en daarbij ook kritiek op het hele vercommercialiseerde kerstgebeuren niet schuwen.
    Een afwisseling van oudere klassiekers en moderne platen is hierbij ideaal. De golden oldies van Elvis Presley en Frank Sinatra, van Nat 'King' Cole en Bing Crosby. Maar ook recentere kerstalbums van gerenommeerde artiesten: Bob Dylan (2009), James Taylor (2012), de hier al eerder genoemde Paul Anka (2012) met zijn warme, trage arrangementen. Van de hedendaagse indie-artiesten is er natuurlijk de geniale Sufjan Stevens met zijn twee boxen van vijf cd's elk (Songs for Christmas 2006, Silver & Gold 2012). Maar ook Christmas (1999) van Low, A Christmas Album (2002) van Bright Eyes en Another Drifter in the Snow (2006) van Aimee Mann zijn zeer de moeite waard.
    De meeste liedjes op al die kerstplaten zijn covers van traditionals, en dan ook nog van een repertoire van hooguit 15 nummers. Zonder uitzondering betreft het liedjes van minstens vijftig jaar oud en vaak nog veel ouder. Wikipedia geeft een lijst met de vaakst uitgevoerde 'holiday songs'. De top tien telt drie liedjes uit de jaren dertig ('Winter Wonderland', 'Santa Clause Is Coming to Town' en 'Rudolph the Red-Nosed Reindeer'), zes uit de jaren veertig ('The Christmas Song', 'Have Yourself a Merry Little Christmas', 'White Christmas', 'Let It Snow! Let It Snow! Let It Snow!', 'The Little Drummer Boy' en 'Sleigh Ride') en een uit de jaren vijftig ('Jingle Bell Rock').
    Wat opvalt is dat het vaak zulke bescheiden liedjes zijn. In tegenstelling tot het grote gebaar en de bombast van de popklassiekers in het genre gaan deze ingetogen teksten over heimelijke wensen en voorzichtige verwachtingen. 'Have Yourself a Merry Little Christmas' draagt die bescheidenheid al in de titel. De tekst verwoordt het aardse geploeter in de hoop op iets beters, vooral in de regels 'Through the years we all will be together, if the Fates allow/ Until then, we'll have to muddle through somehow.' En de uitsmijter van 'The Christmas Song' is ook al zo mooi in al zijn eenvoud: 'Although it's been said, many times, many ways, merry Christmas to you.' Dat is van een verpletterende nuchterheid: het is al zo vaak gezegd, op zoveel manieren, wie ben ik om daar nog iets origineels aan toe te voegen. Daarom: een vrolijk kerstfeest.
    Vorig jaar tikte ik een paar regels over een top 100 die redacteur Mark Hinog van The Verge had samengesteld uit de tien symfonieën van Stevens. Die lijst heb ik dit jaar als playlist beluisterd, een aanbevelenswaardig project. Ik was benieuwd naar welke nummers Hinog zoal buiten de top 100 had gelaten, maar wat bleek: de tien schijfjes tellen exact honderd tracks. Niets is toevallig in het wonderlijke universum van Sufjan Stevens.
    Op #1 zette Hinog opvallend genoeg een lied van het experimentele, zeg maar gerust: krankzinnige achtste album - wel de meest 'normale' van de negen tracks: 'Christmas in the Room', met de boodschap dat het bij Kerstmis uiteindelijk toch om samenzijn met je naasten draait. Logisch om te eindigen met een wat meer opbeurend lied, want 'That Was the Worst Christmas Ever', door Hinog terecht 'the saddest Christmas song in his catalog' genoemd, staat op #2. Dit hartverscheurend mooie lied ('Someday the snow will rise, someday the Lord will rise') op 1 zou de lijst in mineurstemming hebben doen eindigen, wat ook weer wat overdreven is. Overigens was 'Sister Winter' (nu op #4) misschien wel een goed compromis geweest: even somber, maar met een magistrale opbouw, culminerend in de uitroep 'I've returned to wish you a merry Christmas!', begeleid door muziek als een spetterend vuurwerk.
    Songs for Christmas en Silver & Gold bieden een mengelmoes van traditionals, vaak door Stevens naar zijn magische hand gezet, religieuze liederen en eigen composities. Van die laatste categorie kun je zo een compilatie van twaalf à vijftien nummers maken en dan heb je een ijzersterk album van ruim een uur. Neem 'Star of Wonder', dat elk jaar wel voorbij komt, maar pas dit jaar ontdekte ik ineens wat een razend knap lied dat is, met die blazers aan het eind. Of 'Justice Delivers Its Death', zijn tegelijk introspectieve en maatschappijkritische bewerking van de traditional 'Silver and Gold'. 
    En niet te vergeten de vier nummers op de zesde cd die Stevens samen met de gebroeders Dessner van The National schreef. Een lied als 'Carol of St. Benjamin the Bearded One' is van een zo grote schoonheid ('Benjamin who keeps his hands into his sleeves') dat het bijna zonde is dat het niet een veel grotere roem geniet. Maar nu maak ik mij al bijna schuldig aan hebzucht en hoogmoed, precies waar Stevens tegen ageert. Daarom ga ik nog snel een kerstplaatje opzetten voor ik weer een jaar moet wachten en besluit ik in alle bescheidenheid met een welgemeende wens: Merry Christmas - een vrolijk kerstfeest!

woensdag 17 september 2014

Intens instrumentaal

In de mooiste liedjes doen muziek en tekst niet voor elkaar onder, versterken ze elkaar, kunnen ze niet op eigen kracht bestaan. Desalniettemin valt er ook genoeg te genieten van tekstloze oftewel instrumentale rockmuziek, van de klassieke rock van The Shadows tot de hedendaagse avant-garde van Explosions in the Sky. Daarnaast veroorlooft menige band of artiest zich een enkel instrumentaal nummer op te nemen tussen de overige tracks op een album, als rustpunt, als scharniermoment of als uitwerking van het thema met andere middelen dan tekst. Hieronder vijf van zulke instrumentale nummers uit de 'indie'-catalogus van de laatste tien jaar.

1) +44 - 'Interlude'
Slechts één album heeft +44, het therapeutische project van Mark Hoppus en Travis Barker na de break-up van Blink-182, de wereld geschonken - maar When Your Heart Stops Beating (2006) mag er dan ook zijn. Hij bevat de neerslachtigste nummers die Hoppus heeft gezongen, zo heeft een criticus opgemerkt, en dat is niets teveel gezegd. 'Weatherman' behoort zelfs tot de donkerste tracks ooit gemaakt. Voorafgaand aan dit meesterstuk gaat een instrumentaal interludium dat de luisteraar alvast voorbereidt op de afdaling naar de donkerste lagen van de getormenteerde ziel.


2) Shout Out Louds - 'Ill Wills'
Het Zweedse kwintet Shout Out Louds debuteerde met Howl Howl Gaff Gaff (2005), een energieke en vitalistische plaat. Opvolger Our Ill Wills (2007) was weemoediger en bespiegelender, wat niet meteen omarmd werd door de goegemeente maar door mij wel natuurlijk. Van een echt sombere plaat is overigens geen sprake, daarvoor is het aandeel up-tempo vrolijkheid nog net iets te groot. De weemoed is vooral geconcentreerd in het enige instrumentale nummer op het album, 'Ill Wills', de perfecte soundtrack bij een nederlaag - op welk gebied dan ook. 's Avonds laat, alles verloren, geen hoop meer - dat idee. En dan heerlijk treuren met de Shout Out Louds.


3) Paul Banks - 'Another Chance'
Interpol-voorman Paul Banks experimenteert op zijn tweede solo-LP Banks (2012) met muziekstijlen en samples. 'Another Chance' heeft wel tekst, maar niet van en door Banks zelf. Het lijken me quotes uit een film. Een man heeft een fout gemaakt en probeert zijn geliefde te bewegen hem een tweede kans te geven. Om zijn misstap goed te praten haalt hij zelfs een hersenaandoening van stal: 'I have a neurological condition / There's something wrong with my brain.' De muziek kabbelt een tijdlang voort maar wordt naar het einde toe, terwijl de tweede hier geciteerde regel almaar herhaald wordt, steeds woeliger en wilder, wat het geheel een dreigende en beklemmende sfeer geeft. Aan het eind vrees je als luisteraar welhaast zelf een mankement in je brein te hebben.


4) Fleet Foxes - 'The Cascades'
Oké, voorlopig komt er dus geen nieuw werk van Robin Pecknold en de zijnen uit, maar de drie Fleet Foxes-albums die er nu zijn, twee langspelers en een EP, gaan voorlopig nog niet vervelen. De 'indiefolk' waarmee het geluid van deze band meestal wordt gelabeld komt zeker tot zijn recht in de instrumentale songs, zoals 'Heard Them Stirring' op de eponieme debuutplaat (2008) of de eerste helft van 'The Plains/Bitter Dancer' op Helplessness Blues (2011). Van diezelfde cd is het subtiele 'The Cascades', met die prachtige verheviging van volume en intensiteit tussen 0:55 en 1:20.


5) Sufjan Stevens - 'Redford'
De ongrijpbare en allesbehalve suffe Sufjan Stevens heeft meerdere verborgen instrumentale parels in zijn oeuvre. Te denken valt aan de 'op muziek gezette' rivieren en watervallen, zoals 'Tahquamenon Falls' en 'Alanson, Crooked River' op Greetings From Michigan (2003) en 'Kaskaskia River' op The Avalanche (2006), of het bedwelmende 'Out of Egypt, Into the Great Laugh of Mankind, and I Shake the Dirt From My Sandals as I Run' waarmee de krachttoer Illinois (2005) besluit. Veel ingetogener, bijna mystiek in zijn minimalisme, is 'Redford' op Michigan, opgedragen aan zijn opa en oma. In al zijn eenvoud gaat dit nummer heel diep.

donderdag 11 september 2014

Roze nevel

Bruce Springsteens The Rising (2002) is 'hét album dat het Amerikaanse rouwproces in muziek ving', schreef Peter Zantingh drie jaar geleden in NRC Handelsblad bij de tiende herdenking van 9/11. The Rising is inderdaad een even belangrijk als schitterend album, getuigend van verlies en verbijstering maar met een onmiskenbaar optimistische en hoopgevende grondtoon.

Aardig weetje is dat Springsteen The Rising weliswaar als 9/11-conceptalbum heeft geconcipieerd maar enkele van de vijftien nummers al vóór de aanslagen had geschreven. 'Nothing Man' bijvoorbeeld, waarin iemand op zijn vermelding in de plaatselijke krant reflecteert: 'I don't remember how I felt / I never thought I'd live / To read about myself / In my hometown paper.' De reden voor die vermelding wordt niet duidelijk, maar voor zijn vrienden is hij in elk geval nog gewoon dezelfde: 'Around here, everybody acts the same / Around here, everybody acts like nothing's changed. / Friday night, the club meets at Al's Barbecue / The sky is still the same unbelievable blue.'

In de context van een album over 9/11 kunnen de geciteerde regels plotseling anders worden geïnterpreteerd. De vermakelijke hineininterpretierders van het onvolprezen SongMeanings lezen er bijvoorbeeld het relaas van een brandweerman in die zich nooit zo gewaardeerd heeft gevoeld als nu in de nasleep van de aanslagen, een lied over algemene survivor's guilt, de postmortale woorden van een zelfmoordenaar, enzovoort.

Dat dit nummer al van voor de aanslagen stamt, wil niet zeggen dat Springsteen niet aan de teksten heeft zitten schaven tussen september 2001 en maart 2002, de tijd waarin The Rising geschreven en opgenomen werd. De ongelooflijke blauwheid van de lucht is bijvoorbeeld een door velen opgemerkt en tot symbool geworden kenmerk: 11 september 2001 begon als een stralende dag. Maar ook het mysterieuze tweede deel van het eerste couplet wijst in die richting: 'How my brave young life / Was forever changed / In a misty cloud of pink vapor.' Dat doet me aan Martin Amis denken.

Is The Rising het ultieme 9/11-album, dan is Amis' The Second Plane (2008) misschien wel de ultieme bundel eigenzinnige beschouwingen over de wereld sinds 9/11. Het lange essay 'Terror and Boredom' (2006) was voer voor woedende critici, maar ik beschouw het als een moedige evenwichtsoefening tussen reflectie op het eigen schrijverschap en erudiete, genadeloze analyse van de geopolitieke situatie, die bovendien juist nu opnieuw relevant is. (Als Amis schrijft over het islamisme - ik citeer uit de Nederlandse vertaling: 'De extreemste soennieten willen de hele wereldbevolking behalve de extreemste soennieten doden', dan is dat met terugwerkende kracht geen hyperbolische provocatie maar een accurate aankondiging van de ISIS-terreur.)

In het opinieartikel 'The voice of the lonely crowd', op 1 juni 2002 gepubliceerd in The Guardian en opgenomen in The Second Plane, schreef Amis: 'Telkens als het gevoel van kolossaal ongeloof lijkt te gaan verdwijnen, wordt het, merk ik nog steeds, gretig op het oude peil gebracht door een bovendrijvend detail: de "roze nevel" die er hing door het uiteenspatten van de vallende lichamen.' Deze 'roze nevel' - 'pink mist' in het origineel - doet ontegenzeglijk denken aan Springsteens 'pink vapor' of roze damp.

Toen Amis' artikel verscheen, was The Rising echter al opgenomen. Springsteen kan het dus niet van Amis hebben, als dat al een reële mogelijkheid was. Amis heeft de woordcombinatie dan ook niet zelf bedacht. Merk op dat hij 'pink mist' tussen haakjes plaatst, wat suggereert dat het bij hem al een citaat is. Het blijkt uit Newsweek van 24 september 2001 te komen: 'They landed with such force, according to an eyewitness who was watching along with New York's mayor, Rudy Giuliani, that a pink mist of gore rose from the sidewalk as they hit.'

Op internet staat her en der te lezen dat 'Nothing Man' is geschreven en opgenomen in 1994 en 're-recorded' in 2002. Jeffrey Symynkywicz schrijft in The Gospel According to Bruce Springsteen (2008): 'It was originally written in 1994 about a Vietnam veteran suffering from post-traumatic stress syndrome. The main character in "Nothing Man" has physically survived some great, traumatic event in his life but still feels a lingering, living death as a result of what he has been through.' Het is niet duidelijk of Symynkywicz zich hier baseert op een toelichting van Springsteen zelf of dat hij een eigen interpretatie geeft.

De regels 'The pearl and silver / Resting on my night table / It's just me Lord, pray I'm able' uit het laatste couplet worden door Symynkywicz als volgt verklaard: 'Now he lies in bed, contemplating the pistol ("the pearl and silver") on the night stand - and he prays for courage. We don't really know, of course, whether he's asking for the courage to pull the trigger or not to, whether he's reaching out for salvation or just escape.' De 'pink vapor' verwijst dan op een andere, niet minder lugubere manier naar bloed en 'gore'.

Er zijn dus geen concrete aanwijzingen dat Springsteen in 2001/02 de tekst van 'Nothing Man' heeft aangepast ten opzichte van de versie uit 1994. Wellicht heeft de 'pink mist' waarvan sprake was in de commentaren na 9/11 hem zelfs ingegeven het nooit uitgebrachte 'Nothing Man' op de tracklist van The Rising te plaatsen: de 'pink vapor' uit de tekst maakte het lied plotsklaps uitermate geschikt voor het album dat het Amerikaanse rouwproces in muziek moest gaan vangen.

maandag 23 december 2013

38 graden? Kerstmuziek!

Kerstmis nadert en buiten giert de wind om het huis en slaat de regen tegen de ruiten. Op zeker krijgen we geen witte Kerst dit jaar, en dat terwijl de Kerstvakantie wat mij betreft inmiddels de enige periode in het jaar is dat het buiten even wit mag zijn. Straks in februari zal het wel weer gaan sneeuwen, als we weer met de trein naar ons werk moeten.

De witte Kerst is sowieso eerder uitzondering dan regel; ik schreef er eerder al eens over. Zes telde het KNMI er in de twintigste eeuw. Deze eeuw staat de teller op twee: 2009 en 2010, toen het vooral in de aanloop naar Kerstmis gigantisch sneeuwde. Voor het eerst in honderd jaar twee jaar achtereen een witte Kerst, zeer uitzonderlijk dus. Ik herinner me ze beide nog als de dag van gisteren. Beide keren deed ik een verwoede poging thuis te geraken vanuit België.

Vooral die eerste keer was een ware helletocht. De ene trein nog stampvoller dan de andere. De gezichten van de mensen, ik zie ze nog haarscherp voor me. Wonderlijk. Vreemd genoeg krijgt die barre tocht, hoe verder hij weg komt te liggen in het verleden, meer en meer de trekken van een episch avontuur, terwijl ik op de bewuste avond zelf toch vooral ongerust, oncomfortabel en regelmatig de wanhoop nabij was. Maar aan het eind was daar het ouderhuis: licht, warmte, geborgenheid. De herinnering aan de ontberingen onderweg slijt, door de goede afloop beklijft vooral het verhaal.

In de evergreens die dezer dagen weer uit de boxen schallen is de witte Kerst een kernthema. Om te beginnen natuurlijk in Bing Crosby's onsterfelijke 'White Christmas', waarin de besneeuwde wereld in de context van de zoektocht naar de verloren tijd wordt bezongen:

I'm dreaming of a white Christmas
Just like the ones we used to know.

Sneeuw, een witte Kerst, ze figureren vaak als het afwezige, als verlangen, in de tijd (herinnering) dan wel in ruimte (het sneeuwt niet).

Dana's tranentrekker 'It's gonna be a cold, cold, Christmas':

According to the radio
Warmer weather's on the way
The chances are we won't be getting snow.

Queens 'Thank God It's Christmas':

Let's hope the snow will
Make this Christmas right.

Voorts in de klassieker 'Holly Jolly Christmas' - een heerlijke versie staat op Sufjan Stevens deeltje IX -:

Have a holly jolly Christmas
It's the best time of the year
Well, I don't know if there'll be snow
But have a cup of cheer.

En Slade's 'Merry Christmas Everybody': 'Are you hoping that the snow will start to fall?' Dat kunnen we dan maar beter niet doen, want als we met ons sleetje op onze bek gaan zijn we de pisang: 'When you land on your head then you've been slayed.' Ook in de recente aanwinsten is het een terugkerend motief. In Coldplays niet onaardige 'Christmas Lights' bijvoorbeeld:

Still waiting for the snow to fall
Doesn't really feel like Christmas at all.

En Marco Borsato heeft ook een kerstplaat gemaakt, heel inventief 'Kerstmis' getiteld:

He hééé
Hoeehuuuuhh
Hoeehuuuuhh
Het is kerstfeest!
Hoeehuuuuhh
Het is kerstfeest!

Dankjewel, Marco, voor deze als altijd weer bijzonder waardevolle bijdrage. Lul.

En als er dan wel sneeuw ligt, als het dan inderdaad sneeuwt met Kerstmis? Dan blijkt het opeens helegaar zo leuk niet meer. Het mooiste voorbeeld is 'Let It Snow! Let It Snow! Let It Snow!', bijvoorbeeld in de versie van Andy Williams. Dit lied ga ik steeds mooier vinden, het is precies raak:

The weather outside is frightful
But the fire is so delightful
And since we've no place to go
Let is snow! Let it snow! Let it snow!

It doesn't show signs of stopping
And I've bought some corn for popping
The lights are turned way down low
Let It Snow! Let It Snow! Let It Snow!

Dat is zeer scherp gezien. Als het dan eenmaal sneeuwt, dan kunnen we maar beter lekker binnen zitten. Toch blijkt dat 'The weather outside is frightful' een bijzondere betekenis te hebben. Het nummer is in 1945 namelijk geschreven in juli, op een van de heetste dagen van het jaar! Dat wil zeggen: all over the internets staat juli, maar Philip Furia en Michael Lasser noemen in hun America's Songs: The Stories Behind the Songs of Broadway, Hollywood and Tin Pan Ally (2006) augustus:

'One very hot day in August 1945, waiting at a red light at the corner of Hollywood and Vine, Sammy Cahn said: "Why don't we go to the beach?" Jule Styne replied, "Why don't we write a winter song?" They drove the few blocks to the Morris Music Company where Cahn used a spare typewriter to write a dummy lyric and Styne sat at a nearby desk jotting notes on paper. Later, at Styne's house, they polished up what would be their newest hit.' (p. 208-209)

Zo werkt dat dus. De warmste Kerstmis hadden we in 1974, met 12 graden op beide dagen. Dit jaar lijkt het niet veel kouder te worden, dus ik denk dat ik maar eens The Next Big Kersthit ga neerpennen dit jaar. Met Marco Borsato als referentiepunt is falen uitgesloten.

maandag 8 april 2013

Thatcher en de crises van '80 en nu

I

Aan het overlijden van Margaret Thatcher lijkt een cynische timing van de Tijdgeest ten grondslag te liggen. De vrouw wier naam altijd verbonden zal blijven aan de diepe economische crisis, bittere werkloosheid en keiharde maatregelen van de jaren '80 overlijdt immers precies dertig jaar later in een tijd dat men opnieuw zucht onder economische neergang, massaontslagen en pijnlijke besparingen.

De huidige crisis, zo wordt her en der geconstateerd, heeft het niveau van de jaren '80 bereikt. De werkloosheid is het hoogst sinds 1984, het consumentenvertrouwen even laag als het dieptepunt van 1982, de koopkracht daalt al meer jaren op rij dan in de jaren '80 het geval was. Thatcher, Reagan in Amerika, bij ons Ruud Lubbers, voerden in de jaren '80 een 'no nonsens'-beleid met ingrijpende bezuinigingen en hervormingen. Ook nu moeten Cameron, Obama, Rutte vele miljarden besparen. Er is veel discussie over de gevolgen van deze harde bezuinigingen. Het begrotingstekort moet worden teruggedrongen, zoveel is zeker, maar tegelijk moet de economie gestimuleerd worden. 'Kapotbezuinigen' is een woord dat nogal eens valt.

De rol van 'Brussel' is tegelijk fascinerend en beangstigend. De 'drieprocentnorm' is een heilige graal geworden waarvoor iedere Europese ridder vanuit het Brusselse kasteel eropuit gestuurd wordt, maar die menigeen tot de ondergang drijft. ING berekende vorig jaar dat met 'reguliere' bezuinigingen de economische groei 1% zou bedragen, maar dat wanneer, om de Brusselse drieprocentnorm te halen, hardere bezuinigingen zouden volgen, de groei zou ombuigen tot een krimp van 1,5%. Moeten we die drieprocentnorm dan niet eerder zien als een soort Gouden Standaard, zoals in de jaren '30, die als object van blindstaren de crisis eerder zal verhevigen en verlengen dan verzachten en verkorten? Daar zou ik de televisie-economen weleens over willen horen.

De Grote Bezuinigers van de jaren '80 worden de huidige leiders regelmatig ten voorbeeld gesteld. Feit is dat Thatcher, Reagan, Lubbers met hun beleid uiteindelijk konden meeliften op een aantrekkende wereldeconomie. Ik vraag me dan af of er een volgorde is: trok die aan vanwege de bezuinigingen? Of konden de bezuinigingen alleen maar succesvol zijn omdat de wereldeconomie het beleid wind in de zeilen gaf? Een tweede geluk van Lubbers was het sociaal akkoord van Wassenaar. Ook nu zijn de sociale partners in onderhandeling. Bij monde van werkgeversbestuurder Ed Nijpels is al publiek geworden dat een akkoord er dit keer niet in zit als het kabinet vast blijft houden aan de drieprocentnorm.

II

Ik heb de crisis van de jaren '80 natuurlijk niet bewust meegemaakt, maar het beeld dat ik ervan heb is dat van een donkere, sombere tijd, met 'uitzichtloosheid' als sleutelwoord. Dat komt vooral door de culturele beelden en verhalen die er over die periode zijn overgeleverd, het cultureel collectief geheugen. In de literatuur De man die werk vond (1985) van Herman Brusselmans, een indringende roman waarin de ellende van elke bladzijde afdruipt.

Voetbalgeschiedenis niet te vergeten. De verhalen en zeker ook de foto's. De 'dark eighties' van het voetbal. Nergens zijn voetbal en politiek zo verstrengeld als in Groot-Brittannië. Thatchers maatregelen - vooral het sluiten van de mijnen - maakten veel slachtoffers in de working class, waaruit traditioneel de meeste voetbalsupporters gerekruteerd worden. Vooral Yorkshire, Liverpool en omstreken, Schotland en Wales liepen littekens voor het leven op. Het hooliganisme tierde welig, en werd zelfs een voorpost in het verzet tegen het regeringsbeleid. 'We're havin' a party when Thatcher dies' is een beruchte leus uit die tijd. Vandaag werd inderdaad op verschillende plaatsen het overlijden van Thatcher 'gevierd'.

En natuurlijk de muziek. De klanken van Joy Division, The Smiths waaruit de hopeloosheid opstijgt, maar zeker ook bepaalde liedjes die met hun teksten voor mij een tijdsbeeld neerzetten: 'Telegraph Road' (1982) van Dire Straits uit Thatchers Engeland, en 'My Hometown' (1985) van Bruce Springsteen uit Reagans Amerika, met gelijkaardige, diepe indruk makende regels, respectievelijk 'I used to like to go to work but they shut it down / I got a right to go to work but there's no work here to be found' en 'Main Street's whitewashed windows and vacant stores / Seems like there ain't nobody wants to come down here no more / They're closing down the textile mill across the railroad tracks / Foreman says these jobs are going boys and they aint coming back'.

De zware doem die over dat alles hangt, dat is voor mij de jaren '80. Hoewel de huidige crisis dus gelijkgesteld wordt aan die van de jaren '80 heb ik niet direct het idee dat de sfeer in het land en elders even naargeestig is als toen, althans niet zichtbaar. Terwijl de tekenen des tijds er toch zijn: overal gaan bedrijven op de fles, belanden mensen op straat, komen jongeren massaal niet aan de bak. Wat doet de 'cultuur' daarmee? Worden er nu ook weer liedjes gemaakt, boeken geschreven, die later als schetsen van een tijdsbeeld, van de crisis van deze jaren zullen worden gecanoniseerd? Misschien kunnen we daar pas antwoord op geven tijdens de crisisjaren van 2030.

donderdag 20 december 2012

Colder than the moon

Morgen begint de winter. Morgenmiddag om elf minuten over twaalf om precies te zijn. Het weer heeft daar evenwel geen boodschap aan. Dit jaar geen vorst en geen sneeuw, wel regen en veel wind. En ijzel.

Het eind van het liedje zal wel zijn dat het in februari ineens streng begint te vriezen. Alhoewel: we hebben rond Sinterklaas al wat sneeuw gehad en iedereen weet: december veranderlijk en zacht, is een winter zonder kracht. Ik sluit echter ook deze spreuk niet uit: december zonder ijs, is in februari weer Erben Wennemars elke avond bij Matthijs.

Wat is een goede soundtrack voor de winter? Natuurlijk zijn er de overbekende kerstliedjes en vele songs over sneeuw. Ik heb echter ontdekt dat er ook 'koude' liedjes bestaan: liedjes die niet alleen gaan over de winter, over sneeuw en ijs, over vrieskou, maar ook klinken alsof ze bij een paar graden onder nul zijn ingezongen. Trage, huiverende liedjes. Onderkoeld gezongen liedjes.

Mooiste voorbeeld vind ik Paul Simon's 'Night Game'. Als Paul zingt 'Then the night turned cold, colder than the moon', dan komt dat ijskoud binnen, even later nog gevolgd door 'And the tarpaulin was rolled, upon the winter frost', waarna Toots Thielemans het overneemt op mondharmonica. Mooier wordt het niet.

Gaat het bij Simon in de tekst nog expliciet over kou en vorst, een lied als 'The Owl and the Tanager' van Sufjan Stevens is dan weer qua sfeer zo winters als maar zijn kan. Het lied ademt strenge vorst.

Ook het naderen van de winter is een terugkerend thema in koude liedjes. Hoe arriveert de winter? Via de tuin: 'I see the winter, She's crawling over the lawn', klinkt het dreigend in 'Winter Is Coming' van Radical Face. En ook in 'Mykonos' van de Fleet Foxes is het gras de boodschapper die de winter aankondigt: 'As the winter turned the meadow brown'.

De kou die onder de dekens kruipt, ook zo'n klassieker: 'It's so cold here in my bed' zingt en speelt Gregory Page gevoelvol in 'Sleeping Dogs'. De gitaren huiveren daarentegen van de kou in  'Like Eating Glass' van Bloc Party. De reden: 'It's so cold in this house'.

Gelukkig bestaan er ook winterliedjes die juist de warmte binnenshuis ademen. 'The First Song' van Band of Horses. Vanaf de eerste klanken zit je in een cocon van behaaglijke warmte. Ik heb me lang afgevraagd hoe de bandleden dat intense, volle geluid uit hun gitaren wist te persen, maar op filmpjes van live-optredens is te zien hoe zanger Ben Bridwell een speciaal instrument bespeelt dat voor het bijzondere geluid zorgt.

Nog één nummer. De laatste tijd luister ik vaak naar de cd All of a Sudden I Miss Everyone van Explosions in the Sky, een volledig instrumentaal album. Daarop onder meer het hypnotiserende nummer 'What Do You Go Home To?' De eerste klanken van dat nummer... zo moet ijzel klinken als het geluid zou maken.

Want ijzel krijgen we ook nog voor de kiezen morgen. Ergens boven Nederland zal warme lucht uit Zuid-Europa botsen met koude lucht uit het noorden. Ja hoor, het zal ook eens een keer niet Zuid-Europa zijn, die knoflooklanden blijven ons maar dwarszitten. Is het niet met gebedel om leningen, dan is het wel met levensgevaarlijke situaties veroorzakende warme lucht.

De kogel kwam tien jaar geleden van links, maar de apocalyps komt morgen vanuit het zuiden.

woensdag 4 april 2012

Herinneringen van 15 gram

Vroeger als je op vakantie ging maakte je altijd een keuze uit je cd's. Je kon ze niet allemaal meenemen. In de rugzak was er naast de tijdschriften en het boek, de discman, de gameboy color en de nog overvolle snoepzak maar plaats voor zeg een tiental cd's. Batterijen gingen in het voorvakje, telefoonopladers bestonden nog niet want niemand had een mobieltje.

De uitverkoren cd's hadden hun toegang tot de rugzak verdiend. Op basis van zorgvuldige overwegingen hadden ze de schifting overleefd. De verwachtingsvolle spanning op de heenreis, het afwisselend opwindende en trage ritme op de plaats van bestemming, de voorziene contacten aldaar en de daaruit voortvloeiende emoties, de gelaten stemming op de terugreis: cd's werden op geschiktheid geselecteerd. Niet zelden bleken de juiste cd's thuis te zijn achtergebleven.

De iPod heeft de muziekcollectie onpersoonlijker gemaakt. Er hoeft niet meer gekozen te worden, alle cd's kunnen mee, altijd en overal. Dat is alleen in theorie een verbetering van de situatie van de voorheen thuisgelaten cd. Die werd weliswaar aan de kant geschoven, maar niet onbarmhartig. Pas na door de handen te zijn gegaan, te zijn bekeken, gewikt en gewogen. Die cd's gaan nu wél mee op de iPod, maar niet meer als cd - hoogstens als afglans ervan. Bovendien leiden ze er vaak een kwijnend bestaan. Zelfs stof verzamelen zit er niet in, want stof heeft geen vat op immateriële zaken.

Wanneer ik nog eens zo'n cd van vroeger beluister - ze hebben een eigen label op de iPod - dan merk ik dat er niet alleen herinneringen verbonden zijn aan de liedjes, aan de muziek zelf, maar ook aan het fysieke object, dat 15 gram lichte doosje. Hoe moet dat met cd's die nu uitkomen en direct hun iPod-bestaan beginnen? Die onmiddellijk hun fysieke aanwezigheid inruilen voor een digitaal bestaan?

Van veel cd's weet ik wonderbaarlijk genoeg nog precies waar ik ze de eerste keer beluisterde. Results May Vary bij een vriend op zijn kamer. Enema of the State vlak voordat ik moest gaan voetballen. Hopes and Fears aan de tuintafel. Ik was net gezakt voor mijn rijexamen, maar de instructeur ging op vakantie; er lag een hele zomermaand voor me. Box Car Racer kwam aan op zaterdagochtend, onverwacht vroeg. Ik lag nog in bed. Beneden klepperde de brievenbus, er landde iets op de mat. Ik stormde naar beneden en woog het bordeauxrode object in mijn handen. Domweg gelukkig in pyjama.

donderdag 23 februari 2012

Frankie Lymon en de 27 Club

Komende maandag, 27 februari, is het 44 jaar geleden dat Frankie Lymon overleed. Lymon was pas 25 jaar toen een overdosis heroïne hem fataal werd. Toch is hij twee jaar te vroeg gestorven om in aanmerking te komen voor het lidmaatschap van de ‘27 Club’, die curieuze club jong gestorven rocksterren die vorig jaar met Amy Winehouse weer een nieuw prominent lid erbij kreeg. Die uitbreiding vergrootte de mythische status van de Club en haar members alleen maar, zodat het nu de hoogste tijd is voor een kritische kanttekening.

Franklin Joseph Lymon werd op 30 september 1942 in New York City geboren. Toen midden jaren vijftig de rock ’n roll een stevig stempel op de populaire muziek begon te drukken en jongeren hoe langer hoe exuberanter op de nieuwe helden reageerden, zag producer George Goldner van Gee Records wel potentie in het concept van de piepjonge jongensgroep. Na een tip liet hij een kwintet tieners uit New York City op auditie komen: The Teenagers.

Dit vijftal had als voorman de veertienjarige Herman Santiago. Op de dag van de auditie versliep Santiago zich. Een ander lid, de twaalfjarige Frankie Lymon, stapte naar voren en zei Goldner dat hij het nummer wel wilde zingen, want hij had er aan mee geschreven en kende de tekst dus goed. Lymon zong ‘Why Do Fools Fall in Love’ en Goldner was verkocht. Een paar maanden later hadden de Teenagers hun eerste nummer één-hit te pakken.

Santiago’s latertje bleek voor hem ingrijpende gevolgen te hebben. Niet alleen werd Lymon de nieuwe voorman van de Teenagers, hij werd prompt ook hét tieneridool van het moment. Men sprak zelfs standaard van ‘Frankie Lymon and The Teenagers’, alsof de rest slechts het achtergrondkoor bij Lymon vormde. Hoezeer beeldvorming van invloed is op de latere geschiedschrijving mag deze geschiedenis illustreren. Een andere versie wil namelijk dat Santiago wél ‘gewoon’ zong op de succesvolle auditie. Toen The Teenagers een dag later weer bij Goldner kwamen, nu om het nummer op te nemen, bleek hij last van zijn keel te hebben en moest Lymon het maar doen. Deze versie van de geschiedenis is veel banaler en dus hoogstwaarschijnlijk waar.

De lepe Goldner had snel genoeg in de gaten dat Lymon precies het jeugdige charisma had dat nodig was om van The Teenagers een kassucces te maken. De benaming ‘Frankie Lymon and The Teenagers’ kwam dan ook uit de koker van Goldner. ‘Why Do Fools Fall in Love’ werd de eerste Amerikaanse nummer één-hit in Engeland. In Amerika volgden nog eens vijf top-tien-noteringen binnen een jaar. Een belangrijke factor in het succes waren de televisieshows. Onder meer door optredens bij Frankie Laine en Ed Sullivan stal de kleine Lymon de harten van het publiek. BEELD

Nauwelijks een jaar na de doorbraak met ‘Why Do Fools Fall in Love’ ging Lymon solo verder, opnieuw een zet van Goldner. Die wedde dit keer echter op het verkeerde paard, want Lymon wist het succes van The Teenagers niet te evenaren. Toen hij ook nog de baard in de keel kreeg was het einde oefening.

Lymons carrière raakte in het slop. Hij gebruikte al heroïne sinds zijn vijftiende en zijn verslaving kreeg nu de overhand. Dieptepunt was een tv-optreden in 1966 waarin de inmiddels 22-jarige Lymon playbackte op een opname waarop hij 13 jaar was. Anderhalf jaar later, op 27 februari 1968, werd Lymon dood aangetroffen in de badkamer in het huis van zijn oma. Hij was afgekickt van de heroïne, maar een hervatting van het drugsgebruik betekende zijn dood.

Korte tijd later kreeg de mythe van de 27 Club gestalte. In juli 1969 overleed ex-Rolling Stone Brian Jones, in september 1970 werd Jimi Hendrix dood gevonden, gestikt in zijn braaksel na hevig drankgebruik en een overdosis medicijnen. Nog geen twee weken later legde ook Janis Joplin het loodje. Zij stierf na een overdosis heroïne. In juli 1971 was het de beurt aan Jim Morrison, precies twee jaar na Jones. Vier 27-jarige doden in twee jaar. In de daaropvolgende decennia werd regelmatig op dit merkwaardige gegeven gewezen, maar de term ‘27 Club’ werd pas definitief gemunt toen Kurt Cobain zich in 1994 op 27-jarige leeftijd door het hoofd schoot.

De vroege dood van deze popidolen is ontegenzeglijk van grote invloed geweest op hun populariteit en status. Lidmaatschap van de ‘27 Club’ is van lieverlede verworden tot een statussymbool; er werd zelfs gesuggereerd dat Cobain zich niet voor niets op die leeftijd het leven benam. Die mythologisering is een kwalijke zaak, met bovendien een duister randje. Laat ik Hendrix als voorbeeld nemen.

Hendrix was hoofdartiest op het Woodstock festival in augustus 1969, een evenement dat uitgroeide tot een symbool van het massale protest tegen de oorlog in Vietnam. Een hele generatie jonge Amerikanen stierf een zinloze dood in Azië. Daar zit hem de crux. Hendrix had ook in Vietnam kunnen zitten. Maar hij had het geluk dat hij met zijn muziek succes had en daarmee ook nog kon protesteren tegen de slachting van zijn generatiegenoten. Maar Hendrix joeg zichzelf alsnog de dood in, door drugs nota bene. Menige jonge yank in de jungle wenste vurig in de positie van Hendrix te verkeren, thuis in Amerika, ver weg van de oorlog, ontkomen aan de verschrikkingen. Het getuigt dus eigenlijk van een zeker egoïsme dat Hendrix zijn bevoorrechte positie verwaarloosde door zijn leven op het spel te zetten – en dat spel uiteindelijk te verliezen.

Zou dit gegeven de waardering voor Jimi Hendrix meer moeten bepalen? Ach, het is het Céline-verhaal. Ontzettend fout in de oorlog, maar we beoordelen zijn literaire werk daar grotendeels los van. Zo zou het ook met Hendrix moeten zijn: groot artiest, als mens door de mand gevallen. Natuurlijk is hij ook zo gemaakt, door zijn omgeving, door de industry, door de mensen die misbruik van hem maakten. Die zijn net zo schuldig. Maar een icoon van de flower power? Een stem van de protestgeneratie? Allesbehalve, dat kan en mag niet samengaan met die 27 Club.

En Frankie Lymon? Die is goeddeels vergeten. Niet het minst omdat hij niet op 27-jarige leeftijd is gestorven. Dan kom je de club niet binnen, dan hoor je er niet meer echt bij.

donderdag 16 februari 2012

Bij Simon & Garfunkel

I
Soms hoor je mensen zeggen: 'The Sounds of Silence'. Fout, want hier worden twee titels door elkaar gehaald. Op het album Sounds of Silence (1966) staat het liedje 'The Sound of Silence'. Album: meervoud zonder lidwoord; liedje: enkelvoud mét lidwoord.
Dat is de eenvoudige versie van de geschiedenis. De geschiedenis heeft echter altijd ook een complexere variant, waardoor die mensen het onbedoeld toch goed blijken te zeggen.
Het liedje is in 1964 geschreven door Paul Simon, die het de titel 'The Sounds of Silence' gaf. Meervoud mét lidwoord dus, een derde variant. Op het eerste album van het duo, Wednesday Morning, 3 A.M. (1964), staat het lied onder deze titel op de hoes. Het album deed niet veel, Simon & Garfunkel vergaarden er nauwelijks enige bekendheid mee.
Dat veranderde met Sounds of Silence (1966). Hierop was 'The Sounds of Silence' nogmaals opgenomen. Nu werd het echter een hit, net als het hele album. Door dit succes werd besloten Wednesday Morning, 3 A.M. opnieuw uit te brengen. Op deze re-release werd echter een akoestische versie van 'The Sounds of Silence' opgenomen, nu getiteld 'The Sound of Silence', zonder -s dus.
Deze variant van de titel werd vervolgens ook weer gebruikt op latere heruitgaven van Sounds of Silence en op compilatiealbums, ook al betrof het hier niet de akoestische maar de oorspronkelijke versie.
Door de historische verdichting wordt nu echter de titel vrijwel alleen nog als 'The Sound of Silence' weergegeven, ook in beschrijvingen van de eerste uitgaven van Wednesday Morning, 3 A.M. en Sounds of Silence, bijvoorbeeld in de discografie van het gezaghebbende Allmusic.com.
In zijn boek Lyrics 1964-2008 (New York 2008) schrijft Paul Simon consequent 'The Sound of Silence' (p. 1, 4-5).

II
De gangbare notatie van het nummer 'My Little Town' is:
Simon & Garfunkel - 'My Little Town'
'Simon & Garfunkel' is echter de artiestennaam van het duo. Paul Simon en Art Garfunkel gingen in 1970 uit elkaar. 'My Little Town' werd pas vijf jaar later, in 1975, geschreven door Simon en staat op zijn soloalbum Still Crazy After All These Years (1975). Garfunkel voegde zich eenmalig weer bij zijn voormalige makker en produceerde het nummer met Simon en Phil Ramone. Hij zingt ook mee in het refrein.
Geen duo meer, maar een duet.
Garfunkel nam het echter ook op op zijn soloalbum Breakaway (1975).
De notatie zou dus moeten zijn:
Paul Simon feat. Art Garfunkel - 'My Little Town'
voor het Simon-album en
Art Garfunkel feat. Paul Simon - 'My Little Town'
voor het Garfunkel-album.

III
Enige verwijzingen naar literatuur in liedjes van Simon & Garfunkel

'I have my books
And my poetry to protect me'
('I Am a Rock')

'My thoughts are scattered and they're cloudy
They have no borders, no boundaries
They echo and they swell
From Tolstoi to Tinkerbell'
('Cloudy')

'And you read your Emily Dickinson
And I my Robert Frost
We note our place with book markers
That measure what we've lost'
('The Dangling Conversation')

'I've been Norman Mailer'd [...]
I've been John O'Hara'd [...]
I knew a man, his brain was so small
He couldn't think of nothing at all
He's not the same as you and me
He doesn't dig poetry
He's so unhip, that when you say "Dylan"
He thinks you're talking about Dylan Thomas
Whoever he was...
That man ain't got no culture!'
('A Simple Desultory Philippic')

donderdag 2 februari 2012

Gloria In Excelsis Stereo

I

Onlangs kocht ik na anderhalf jaar twijfelen de boxset The Beatles in Stereo, met naast een dvd met alle korte films en een cd'tje met ongebundeld werk daarin alle dertien studioalbums van de fab four. Het ding kost een godsvermogen - vandaar die twijfel -, maar het gaat economisch slecht en op school heb ik geleerd dat je juist dan je geld moet uitgeven om de economie er weer bovenop te krijgen. Bovendien is spaargeld ook niet meer wat het geweest is (internetcriminelen, omvallende banken, Roemenen) en behoort het oeuvre van The Beatles natuurlijk tot de culturele opvoeding die iedereen minimaal zou moeten genieten. Ook al ken ik het grootste deel van het verzameld werk al min of meer, je bent weer een beetje meer mens als je het ook fysiek bij je in de buurt hebt.

II

In 2003 publiceerde Rolling Stone de lijst The 500 Greatest Albums of All Time, gebaseerd op de individuele top-50-lijstjes van 273 vooraanstaande figuren uit de muziekindustrie. 11 van de 13 Beatles-albums staan in de lijst, waarvan 4 bij de eerste 10. Alleen Magical Mystery Tour en Yellow Submarine ontbreken.

III

Als ik een lijstje had mogen indienen, dan zou ik ongetwijfeld ook minstens tien albums van The Beatles hebben geselecteerd, waardoor er minder plek overbleef voor ander prachtwerk. Als ik een lijstje had mogen indienen, dan was ik bovendien een vooraanstaand figuur in de muziekbusiness geweest. Maar dat ben ik niet, en daarom kan ik net doen of ik die Beatles-albums nog niet ken en nu een Beatle-loos lijstje overleggen met 50 topalbums uit mijn mapje 'vintage'. In een niet geheel willekeurige volgorde.

1) The Byrds - Younger Than Yesterday
2) The Yardbirds - Having a Rave Up
3) Neil Young - After the Gold Rush
4) The Zombies - Odessey & Oracle
5) Simon & Garfunkel - Sounds of Silence
6) Bruce Springsteen - Born to Run
7) The Traveling Wilburys - Traveling Wilburys Vol. 1
8) The Who - Tommy
9) Led Zeppelin - Led Zeppelin I
10) The Small Faces - Ogdens' Nut Gone Flake
11) Bruce Springsteen - Nebraska
12) Simon & Garfunkel - Bookends
13) The Byrds - Mr. Tambourine Man
14) Bob Dylan - John Wesley Harding
15) Crosby, Stills, Nash & Young - Déjà Vu
16) Bruce Springsteen - Born in the USA
17) Neil Young - Harvest
18) Paul Simon - Still Crazy After All These Years
19) The Beach Boys - Pet Sounds
20) The Rolling Stones - Let It Bleed
21) Neil Young - Tonight's the Night
22) Bee Gees - Best of Bee Gees
23) Simon & Garfunkel - Parsley, Sage, Rosemary & Thyme
24) The Band - Music from Big Pink
25) Roy Orbison - The Big O
26) George Harrison - All Things Must Pass
27) Radiohead - OK Computer
28) Michael Jackson - HIStory
29) Bob Dylan - Blonde on Blonde
30) The Flying Burrito Brothers - The Gilded Palace of Sin
31) Simon & Garfunkel - Bridge over Troubled Water
32) Alan Parsons Project - Eye in the Sky
33) Steely Dan - Collected
34) The Kinks - Kollekted
35) Fleetwood Mac - Rumours
36) Frank Sinatra - In the Wee Small Hours
37) David Bowie - Space Oddity
38) Bruce Springsteen - Darkness on the Edge of Town
39) Al Green - Greatest Hits
40) Nick Drake - Bryter Layter
41) The Byrds - Turn! Turn! Turn!
42) Mott the Hoople - All the Young Dudes
43) Johnny Cash - The Essential
44) Paul McCartney & Wings - Band on the Run
45) The Byrds - 5th Dimension
46) Joy Division - Substance
47) Roxy Music - Avalon
48) Bruce Springsteen - The River
49) Moby - Play
50) The Rolling Stones - Some Girls

donderdag 8 december 2011

Gezien: Het Alziend Oor

Wanneer: zaterdag 3 december 2011
Waar: Verkadefabriek, 's-Hertogenbosch
Wat: Het Alziend Oor
Wie: John Buijsman & De Rotterdam Connectie (Keimpe de Jong, Andreas Suntrop, Arno Krijger, Arno Niks, Thirza Prak)

Op het festival Geen Daden Maar Woorden in Utrecht zag ik een voorproefje van John Buijsmans muzikale en tekstuele ode aan de blinde jazzmusicus Roland Kirk (1936-1977). Dat beviel me toen goed, zo goed dat ik besloot de hele show te gaan bekijken. Helaas bleken er niet méér Brabanders in Utrecht aanwezig geweest te zijn, want de opkomst in de Verkadefabriek was magertjes. Wellicht was ook de dag (de zaterdag voor 5 december) daar debet aan en zaten veel ouders met frisse tegenzin voor Zwarte Piet te spelen terwijl ze liever naar een voorstelling over een neger waren gaan kijken.

Deze opmerking is geheel in de geest van 'Het Alziend Oor'. Heerlijk ongecompliceerde en politiek incorrecte humor, gebaseerd op de Rotterdamse swing van Jules Deelder, die verantwoordelijk is voor de teksten. Alleen al de manier waarop Buijsman eruitziet als een soort pseudoneger is hilarisch. Hoewel hij in de huid kruipt van Kirk (consequent als 'kurrek' uitgesproken), fulmineert hij ook naar hartelust tegen hedendaagse uitwassen als commerciële talentenjachten en inwisselbare popsterretjes: 'de zangeres zonder kut!' De sketch over een paukenist die in de hemel deelneemt aan een 300 jaar durende ('zo gaat dat in de eeuwigheid') symfonie van 'Heetboven' is qua spanningsopbouw en climax briljant, zeker ook door de positie vanwaaruit Buijsman vertelt: vanaf zo'n hoge tennisscheidsrechtersstoel.

Kirk stond erom bekend meerdere instrumenten tegelijk te kunnen bespelen en ook Buijsman en Keimpe de Jong voeren dit huzarenstukje meermaals op. Muzikaal valt er sowieso veel te genieten door het ongebreidelde enthousiasme van de muzikanten, met als uitschieter een spetterende drumsolo van Arend Niks. De Jong en Buijsman toveren een keur aan curieuze instrumenten tevoorschijn, zoals een stylofoon en een - naar mijn kompaan denkt te weten - bassaxofoon basklarinet. En het slotakkoord van Prak is zeer indrukwekkend. Wat een strot!

Buijsman acteert zeer overtuigend iemand die het licht zijner ogen moet missen, compleet met dat hypernerveuze tasten dat zo kenmerkend is voor een blinde. En ook het schuin omhoog steken van het hoofd waarmee een blinde als het ware het geluid probeert te ruiken is knap gedaan. Minder goed uit de verf komt het verhaal van Roland Kirk, van wie we na de voorstelling niet veel méér weten dan ervoor - en dat was al zeer weinig. Los zand is dan de adequate typering. De komische sketches en vooral de prikkelende, warmbloedige en overtuigende muzikale vertolking stellen die onvolkomenheid echter in de schaduw.

Buijsman weet in ieder geval de vitaliteit van Kirk over te brengen. En zijn met Deelder gedeelde Rotterdamse no nonsense humor is niet gespeeld: als hij meteen na het eind van de voorstelling uit zijn rol van Kirk is gestapt, voegt hij het publiek nog toe: 'As je volgende keer naar het theater gaat, neem dan eens een keer iemand mee joh!'

maandag 28 november 2011

Dylan en Crosby: de tijden veranderen

Tegenover het fenomeen 'cover' in de muziek sta ik altijd wat huiverig. Vaak gaat het om goedkope na-aperij, een misplaatst eerbetoon of verkrachting van het origineel. Zelden is een cover interessanter dan het origineel. Toch is juist dat concept van een origineel nogal problematisch als het om popmuziek gaat. Niet zelden is het schimmig wie de eerste was of is er überhaupt geen sprake van een originele creatie omdat een lied muzikaal of tekstueel in een traditie staat van anonieme overlevering.

Een van die zeldzame gevallen waar ik de cover mooier vind dan het origineel betreft 'The Times They Are a-Changin''. Bob Dylan schreef het nummer in het najaar van 1963, waarna het begin 1964 als openingstrack op het gelijknamige album verscheen. De Dylan-versie is tot op de dag van vandaag veruit de bekendste, maar ik geef de voorkeur aan de cover van The Byrds uit 1965. Overigens is 'de' cover hier te kort door de bocht, want het nummer is tientallen malen gecoverd. Voor The Byrds hun adaptatie uitbrachten was 'The Times They Are a-Changin'' bijvoorbeeld ook al opgenomen door Peter, Paul & Mary en The Beach Boys.

De versie van The Byrds klinkt heel anders dan die van Dylan. Waar het nummer bij Dylan voor mij altijd een retorische, dwingende kracht heeft, met een loodzware ondertoon, daar is het bij The Byrds veeleer een vrolijk, licht liedje in de sfeer van een ironische constatering. De tekst is identiek, dus dat verschil moet veroorzaakt worden door de muziek. Natuurlijk zijn ritme en tempo anders, waarbij behalve de drums de non-stop 'jangle' van de legendarische twaalfsnarige Rickenbacker van Roger McGuinn een cruciale rol speelt. Dit volle geluid klinkt vele malen behaaglijker, comfortabeler dan het kale akoestische gitaargeluid en het snerpende mondharmonicaatje van Dylan.

Toch moet ook de zang niet onderschat worden. Uit het schuurpapieren stemgeluid van Dylan spreekt een veroordeling van de bestaande situatie, een aanklacht tegen het gezag, een apodictische aankondiging van andere tijden. De stem van Roger McGuinn, die de leadzang in de versie van The Byrds verzorgt, is veel minder rauw maar toch ook nog vrij dwingend. De doorslaggevende factor is mijns inziens dan ook de zang van Gene Clark en vooral David Crosby, die het refrein mee zingen. Hun warme, melancholische stemmen staan mijlenver af van de schelle, strenge strot van Dylan.

Het is alsof ze Dylan citeren, zijn tekst echoën, en op hem en zijn boodschap door de vervorming van de echo met milde ironie reageren. Zo staat de versie van Dylan dus tegenover die van The Byrds als een onweerlegbare proclamatie tegenover een minzame observatie.

Met de kennis van nu is dit een paradoxale conclusie. Dylan schokte in 2004 immers de voltallige babyboomgeneratie met zijn bekentenis dat het hem toentertijd nooit om het maatschappelijk engagement te doen is geweest. In zijn memoires beschrijft Dylan hoe hij eigenlijk tegen zijn zin in gebombardeerd werd tot de stem van een nieuwe generatie: 'I had very little in common with and knew even less about a generation that I was supposed to be the voice of'. Die bekentenis deed nogal wat stof opwaaien bij de hippies van toen. Alsof opeens de rechtvaardiging voor hun revolutie verdwenen was.

David Crosby is daarentegen de ware wereldverbeteraar gebleken. In 2005 werd hij door Leo Blokhuis geïnterviewd voor de Top 2000 a gogo. Bijna pensioengerechtigd was Crosby strijdbaarder dan ooit. Getooid in sjofele blouse, een hip baseballpetje op het hoofd en een enorme grijze walrussnor onder de neus voer hij uit tegen maatschappelijke misstanden en kwaadaardige rechtse politici zoals hij vroeger al deed. En zoals Dylan in zijn jonge jaren. De tijden veranderen, de liedjes blijven, hun boodschap blijft ook, maar de boodschappers, die wisselen weleens van rol.

Bob Dylan - The Times They Are a-Changin'The Byrds - The Times They Are a-Changin'

dinsdag 12 juli 2011

[Londen] Death Cab levert vuurwerk af

Het uit Seattle, Washington afkomstige Death Cab For Cutie brak in 2005 in Amerika door met Plans (2005), het vijfde album van de band. De cd werd platina en de singles 'Soul Meets Body' en 'I Will Follow You into the Dark' deden het goed. In Nederland maakte DCfC pas een bescheiden entree in de albumlijst met de opvolger Narrow Stairs (2008). In mei dit jaar verscheen Codes and Keys (2011), een Codes and Keys European Tour werd eraan vastgeplakt. Die werd afgelopen donderdagavond afgesloten met een concert in Londen. Ik mocht erbij zijn.

Death Cab in de O2 Academy Brixton, mijn eerste concert ooit. Buiten bij metrohalte Brixton zijn zwarthandelaren prominent aanwezig: 'Death Cab tickets! Death Cab tickets!' Omdat ik er een tijdje sta te wachten op mijn broeder kan ik de mannen goed observeren. Het zijn op het oog keurige heren in trui met een bloes eronder, maar de geniepige hoofden verraden onzuivere levenswandel en zaterdags hooliganschap. Ze verkopen wonderbaarlijk goed en de flappen doen al gauw de broekzakken bollen.

Voor de Academy staat al een flinke rij. O2-klanten hoeven niet achteraan aan te sluiten en ook meisjes mogen in een aparte rij. Een blondine maakt daar gretig gebruik van, haar geliefde druipt af: 'I thought we were going together,' mokt de arme kerel. Binnen zijn de stelletjes overigens wel ruim vertegenwoordigd. De arena is goed vol - het concert is uitverkocht - maar gelukkig sta je niet hudje mudje op elkaar. In het voorprogramma staat het mij onbekende The Head and the Heart. Het zestal speelt een aantal aanstekelijke nummers en een van de zes is een meisje met een viool, wat altijd goed is.

Om negen uur is het tijd voor Death Cab. De Bruce Berry's nemen echter ruim de tijd, waardoor het optreden een kwartier te laat begint. Death Cab speelt vervolgens echter tot kwart over elf door - non-stop - en levert dus toch gewoon de volle twee uur spektakel. Opener is 'I Will Possess Your Heart', een acht minuten durend nummer met een lang muzikaal intro. Voorman Ben Gibbard valt na vijf minuten in. Zijn verschijning is even wennen: de degelijke scheiding gaat nu ook vergezeld van een dichte baard.

Het nieuwe album Codes and Keys ken ik nog nauwelijks en ik was dan ook bang dat de nieuwe plaat de hoofdmoot zou vormen van het concert. Dat blijkt gelukkig niet het geval. De band put rijkelijk uit het bestaande oeuvre. De nadruk ligt, zo wordt al gauw duidelijk, op de wat steviger rockende nummers en iets minder op de met minimale muzikale begeleiding gezongen intieme liedjes van Gibbard. Het tweede nummer bijvoorbeeld is 'The New Year', met de overdonderende drum- en gitaarexplosies aan het begin die ontploffend vuurwerk symboliseren. Het is 7 juli en nieuwjaar, zowel het vorige als het volgende, kan bijna niet verder weg zijn, maar toch werkt het hier perfect om het publiek mee te krijgen.

Een van de redenen waarom ik nooit eerder een concert heb bezocht is dat het geluid volgens mij altijd inboet in een live setting. Bij 'The New Year' blijkt dat inderdaad zo te zijn. Het subtiele gitaarloopje dat na het intro zijn eigen weg volgt is nauwelijks hoorbaar. Ik moet evenwel ook erkennen dat dit een uitzondering is; het geluid is over het algemeen erg goed en scherp. Drummer Jason McGerr is in vorm en Gibbard wisselt moeiteloos tussen gitaar en piano en van verschillende typen gitaar. Het optreden is echt een groepsprestatie: Gibbard trekt niet alle aandacht naar zich toe en geeft zijn medebandleden de ruimte zich volledig uit te leven. Alleen bij het onvermijdelijke solonummer 'I Will Follow You into the Dark' mogen zij even uitblazen. Het publiek zingt massaal mee met Gibbard, wat veel indruk maakt.

Hoogtepunten zijn verder 'Cath', waarvan het kenmerkende gitaarintro met groot enthousiasme begroet wordt door de bezoekers, de rustigere nummers 'Summer Skin' en 'Grapevine Fires' en de onder de huid en in het hoofd kruipende ritmes van 'Title and Registration' en 'Doors Unlocked and Open'. En dat er nauwelijks gepraat wordt tussen de liedjes door. Dat is ook niet nodig, want de sfeer zit er vanaf de eerste minuut goed in. Positief is verder dat alle albums aan bod komen, zelfs het diep donkere We Have the Facts and We're Voting Yes (2000), al is het helaas het vrij saaie '405'. Een logische keuze desalniettemin, want de echt sombere juweeltjes als 'Little Fury Bugs', 'Title Track' en 'Company Calls Epilogue' zijn te traag voor deze energieke setlist.

De 'encore' van vier nummers wordt afgesloten met de klassieker 'Transatlanticism', net als de opener een acht minuten durend lied. De opbouw van dit muzikale én tekstuele meesterwerk maakt het tot de perfecte song om een concert met een daverende climax af te sluiten. Een gedenkwaardige avond.

maandag 18 april 2011

Steve Marriott 20 jaar dood

Aanstaande woensdag, 20 april, is het precies twintig jaar geleden dat Steve Marriott stierf. De voorman van de Small Faces is tegenwoordig grotendeels vergeten, zoals ook de band zelf meer en meer in de nevelen van de geschiedenis verdwijnt. Ten onrechte.

The Small Faces bestormden in de late jaren zestig de hitlijsten in het kielzog van de Beatles en de Stones. Samen met bands als The Who, The Kinks en The Yardbirds vormden ze de subtop achter de twee absolute grootmachten. Waar de Who en de Kinks vandaag de dag nog een relatief grote bekendheid genieten en nog jaarlijks met meerdere nummers vertegenwoordigd zijn in de hoogste regionen van de allertijdenlijsten, en de Yardbirds de mythische status bezitten van het bandje waarmee Clapton, Beck en Page hun glansrijke carrières aanvingen, daar hebben de Small Faces de slag met de tijd al grotendeels verloren.

Niettemin bestempelde Mojo de Small Faces ooit als de meest ondergewaardeerde band van de late jaren zestig. De enigmatische Marriott vormde samen met gitarist Ronnie Lane het gezicht van de band, die verder nog bestond uit Kenney Jones op drums en Ian McLagan op keyboard. De voormannen van de jaren zestig-bandjes hebben hun schatplichtigheid aan de 'zwarte' muziek nooit onder stoelen of banken gestoken, maar Marriott is een van de weinigen die met hun zang een goede balans wisten te vinden tussen de onstuimige pop-rock en het meer ritmische en intense soulgeluid.

Feitelijk hebben de Small Faces maar een korte periode bestaan. Opgericht in 1965 ging de band nog geen vier jaar later al uit elkaar. Die paar jaar waren evenwel voldoende om een stevig stempel op de muziek te drukken. Ogdens' Nut Gone Flake (1968) is een van de beste albums ooit gemaakt. De Small Faces hadden zowel de pech als het geluk dat een klein jaar eerder met Sgt. Pepper's van de Beatles een nieuwe datum in de popmuziek was vastgelegd. Pech, omdat Ogdens' nu de eer van revolutieaanvoerder aan Pepper's moest laten, geluk omdat het een van de zeer weinige albums was die even hoge toppen scheerden als de legendarische Beatles-lp.

De twee kanten van de plaat vormen een merkwaardige combinatie. De stevige rock, soul en psychedelica van de A-kant zijn op de B-kant ingeruild voor een lieflijk sprookje over de antiheld Happiness Stan, aan elkaar verteld door de archetypische opa-vertelt-stem van Stanley Unwin. Daarmee is Ogdens' feitelijk een conceptalbum, nog voor die term daadwerkelijk in zwang raakte. Maar ook de A-kant is al een curieuze opeenvolging van zes op het eerste gehoor onsamenhangende nummers. De titeltrack is een instrumentale psychedelicatrip, 'Afterglow (of your love)' is vervolgens een typisch Sturm und Drang-product van jonge honden, 'Long Agos and Worlds Apart' is dan weer een fijnzinnig dromerig-melancholisch kunststukje, enzovoort. De plaat bleek zelfs zo ingenieus in elkaar te zitten dat live uitvoeringen hoogst problematisch waren.

In 2000 zette Q Magazine Ogdens' Nut Gone Flake nog op #59 in de 100 Best Britsh Albums Ever. Toch lijken alleen de twee nummers die het meest de geest van de flower power ademen te beklijven. De vrijheid ('Lazy Sunday') en blijheid ('Itchycoo Park') staan ook via de Small Faces symbool voor een generatie en een tijdperk. Keerzijde is dan wellicht dat de Small Faces via deze nummers al te zeer verbonden zijn aan die specifieke periode, wat de 'tijdloosheid' van de muziek schaadt. Maar dat is maar een veronderstelling.

Na het uiteengaan van de band op 31 december 1968 gingen de leden hun eigen weg. Lane, Jones en McLagan gingen met Rod Stewart verder als The Faces, Marriott vormde samen met Peter Frampton de semi-supergroup Humble Pie. Lane stierf in 1997 aan multipele sclerose, McLagan werkte met Dylan en Bruce Springsteen en Jones is na een periode als drummer van The Who een van de vaste polomaatjes van prins Charles geworden. Terwijl hij met de prins paardengolf speelde, namen in de jaren negentig opnieuw een aantal Britse groepen het voortouw in de popmuziek. Enkele bands die deze Britpop-hype kleur gaven noemden de Small Faces als inspiratiebron, bijvoorbeeld The Jam, Blur en Oasis. Steve Marriott was in 1991 overleden en maakte dus nog slechts op zijn best het vroegste begin van deze periode mee.

Wat de Romantiek voor de literatuur was, waren de Jaren Zestig voor de popmuziek: de helden bezongen de liefde, stierven jong en werden vervolgens tot mythische proporties opgeblazen. De Romantische dichters laafden zich aan de opium, de idolen van de Sixties spoten zich een overdosis. Steve Marriott 'overleefde' de wilde jaren maar kwam in 1991, 44 jaar oud, jammerlijk om het leven bij een brand in zijn huis. Dat is de canonieke korte versie. De lange versie leert dat de brand die Marriott noodlottig werd door hemzelf was veroorzaakt toen hij in bed knock out ging met een brandende sigaret in zijn handen. Hij was flink onder invloed van alcohol en cocaïne. Ook Marriott is dus, zij het via een omweg, bij te schrijven in het omvangrijke lijstje aan drank en drugs bezweken pophelden.

Met Colin Blunstone (de bleue Blunstone van The Zombies, niet de late Alan Parsons-Blunstone) is Steve Marriott de meest veronachtzaamde stem van de vroegmoderne popmuziek. Noch in Rolling Stone's 100 Greatest Singers, noch in Mojo's 100 - waarschijnlijk de twee meest gezaghebbende lijsten - komt Blunstone voor, terwijl Marriott alleen bij Mojo met de 97ste plaats nog net de lijst heeft gehaald.

De break up van The Small Faces rond de jaarwisseling '68-'69 kwam vrij onverwacht. De band was volop bezig met een derde studioalbum, The Autumn Stone. Dat verscheen in de loop van 1969 alsnog, 'postuum', zij het als een merkwaardige combo van nieuwe liedjes en een soort best of. Op deze plaat zet Steve Marriott naar mijn mening zijn beste prestatie neer, en wel in het titelnummer 'The Autumn Stone'. Dit schitterende juweel van vier minuten wordt geheel gedragen door de stem van Marriott. De poëtische tekst, in de oorspronkelijke plannen mogelijk de ontwikkeling naar een meer doordacht geluid markerend, staat door het plotselinge einde van de band symbool voor drieënhalf jaar Small Faces: 'Tomorrow changes, / fields of green today, / yesterday is dead, but not my memory'.

dinsdag 28 september 2010

In a graveyard I feel so alive

Het VPRO-programma Vrije geluiden boycot ik een beetje sinds men daar de onvergeeflijke fout heeft gemaakt cultheld Hans Flupsen van de presentatie af te halen. Afgelopen zondag heb ik godzijdank toch weer eens een stukje gezien. Net wakker zette ik de tv aan, waarop na enkele seconden Vrije geluiden verscheen. De daaropvolgende drieënhalve minuut heb ik gebiologeerd liggen kijken.

Ik zag een artiest, met gitaar, keurig in het pak. Eerst dacht ik dat daar Eric Clapton stond op te treden. Die heeft immers net een nieuwe cd uit en kapsel, bril en papperig gezicht waren ook helemaal Clapton. Maar Eric Clapton zal niet zo snel in zo'n programma komen en het stemgeluid van deze meneer was ook anders. Iets ruwer, maar toch ook gevoelvoller, dieper.

Ik bleek naar een optreden van Gregory Page te hebben gekeken. Page is een van origine Engelse, in San Diego wonende singer-songwriter die in Nederland nog onbekend is, maar hopelijk is daar na zondag verandering in gekomen. Dit nummer staat bij mij al de hele week op repeat:

Gregory Page - 'Sleeping Dogs'

donderdag 18 maart 2010

Lezen, lezen, lezen #17

Ine Veen - Moord namens de 'kroon'? Het ultieme leven van Pim Fortuyn (2008), 424 blz.
Politieke moorden zijn altijd voer voor complottheorieën. Velen geloven niet dat Lee Harvey Oswald de werkelijke en/of enige moordenaar van Kennedy was. Dat Volkert van der Graaf de enige moordenaar van Pim Fortuyn is wordt nu betwist door actrice Ine Veen. In haar boek wil ze aantonen dat Fortuyn slachtoffer van een politiek complot is. Zulke theorieën hangen vaak als los zand aan elkaar en dat is hier niet anders. Veens kernpunt is de vaagheid over de vijfde kogel die bij Fortuyn voorin de schedel insloeg. Een 'oudere meneer' zou haar verteld hebben dat die kogel nooit vanuit de positie waarin Van der Graaf stond - schuin van achteren - op die manier Fortuyn getroffen kan hebben. Er moet dus nog iemand anders geschoten hebben. Veens theorie zakt als een kaartenhuis in elkaar wanneer zij in hoofdstuk 9 de bevindingen van het NFI over de vijf kogels opsomt. Bij de vijfde staat er: 'Een tweede beschadiging van het schedelbot en botsplinters in de hersenen. De vermoedelijke schootsrichting is van voren naar achteren.' In de bijbehorende eindnoot citeert ze het volledige rapport, maar daar komt de laatste zin uit het citaat niet voor. Daar voegt ze dan haar commentaar aan toe: 'Hier is echter geen sprake meer van een mogelijke schootsrichting van voor naar achter!' Maar daar is nooit sprake van gewéést. Die toevoeging heeft ze er in de lopende tekst dus blijkbaar zelf bij verzonnen! Weg theorie. Veen slaagt er trouwens ook niet in het vermeende complot inzichtelijk te maken. Ze somt vier mogelijkheden op - waaronder de onvermijdelijke Bilderberg Groep - die nauwelijks uitgewerkt worden. Ook de opvoering van de tweede moordenaar, een zekere Abu Fatah, als een soort diabolus ex machina, is lachwekkend. Triest zijn de toespelingen op de betrokkenheid van Mat Herben bij het complot, die alles geweten zou hebben. Moord namens de 'kroon'?, een boek waarin meer uitroeptekens dan onderbouwingen voorkomen, is helaas een warrig, ongeloofwaardig en slecht geschreven boek.

Theodore Dalrymple - Profeten en charlatans. Hoe schrijvers ons de wereld laten zien (2009), 376 blz.
De aartsconservatieve psychiater en cultuurfilosoof Theodore Dalrymple is een rabiate verdediger van hoge cultuur en sociale elite. Hij is zo iemand die meent dat met de opkomst van de jeugdcultuur en de popmuziek in de jaren zestig de beschaving aan het degenereren is geslagen. In Profeten en charlatans opinieert Dalrymple over de huidige maatschappij aan de hand van literaire auteurs, die hij als 'seismografen van maatschappelijke ontwikkelingen' ziet. Het tweede essay in deze bundel, over H.G. Wells' The Time Machine, laat perfect zien hoe hij denkt. Dalrymple beschrijft hoe hij na concertbezoek - Mahler - angstig de in de amusementsbuurt gelegen concertzaal verlaat. Hij en de andere gedistingeerden zijn bang voor de nachtclubs met hun 'auditieve gifgas' en voor de uitgaande jongeren, de 'nachtelijke straatschuimers'. Het tafereel doet Dalrymple denken aan The Time Machine, de toekomstroman waarin de mensheid zich biologisch heeft gesplitst in de zachtaardige, overdag levende Eloi en de verdorven, 's nachts op Eloi jagende Morlocks. Dalrymple projecteert die opdeling achteloos op de beschreven situatie en op de oppositie 'elite' en 'bevolking' van Engeland. Dalrymple, zelf 'een van de hedendaagse Europese Eloi', constateert: 'Van onderling begrip tussen de twee groepen, laat staan van sympathie, was geen sprake, noch in Wells verhaal noch in de hedendaagse werkelijkheid.' Het is hier echter bij uitstek Dalrymple die geen enkel begrip toont voor jongeren die niets met Mahler hebben maar liever een disco bezoeken. Hij ziet ze eerder als de representanten van 'onderaards geweld, een potentieel verschrikkelijk geweld dat ieder ogenblik door het kalme korstje van de samenleving kan barsten'. We geven hem hier een credit voor het vermijden van de staande uitdrukking 'het dunne laagje vernis', maar de kortzichtigheid is evident: zowel binnen het volk als de elite is het merendeel van de mensen oppassend en beschaafd; een klein deel zorgt voor grote problemen. In onze tijd zijn het immers zowel volkse straatterroristen als rijke witteboordencriminelen die veel misère veroorzaken en afkeer oproepen. Deze kritiek mag niet verbloemen dat er ook sympathieke essays in Profeten en charlatans staan, bijvoorbeeld over de kleine stillevens van Adriaen Coorte. En vaak las ik Dalrymple's gefulmineer met een meewarige glimlach, bijvoorbeeld wanneer hij pleit voor begrijpelijke poëzie en daarbij bekent een vooroordeel te koesteren 'jegens hen die menen dat hun gedachten zo diepzinnig zijn dat er een leven lang exegese voor nodig is om dan nog maar door een spiegel en in raadselen een glimp van hun betekenis op te vangen'. Ik vermoed dat Dalrymple zich uiteindelijk zo krampachtig vastklampt aan de elitaire hoogcultuur omdat hij zelf nooit helemaal tot dit hoogste spirituele niveau heeft kunnen reiken.

Leo Blokhuis - Grijsgedraaid. Liedjes en lijstjes uit de popgeschiedenis (2006), 167 blz.; Leo Blokhuis - Het plaatjesboek. Een muzikale ontdekkingsreis (2007), 203 blz.
Het mooiste onderdeel van Top 2000 a go-go is altijd de muziekles van Leo Blokhuis. Alle aanwezigen en televisiekijkers hangen aan de lippen van de officieuze popprofessor. De achterliggende gedachte is simpel maar doeltreffend: wij denken allemaal van een bepaalde tophit dat het een originele uitvoering betreft, of, als we weten dat het een cover is, van wie het lied oorspronkelijk is. Maar dan komt Blokhuis met een versie uit 1688 en blijkt het nummer veel en veel ouder te zijn. Dit procédé wordt toegepast, maar dan veel uitgebreider en gedetailleerder, in de prachtboeken Grijsgedraaid en Het plaatjesboek. Hierin wordt van vijftien respectievelijk zestien bekende nummers minutieus de geschiedenis uit de doeken gedaan, van ontstaan via vroege versies en de tophit tot de slappe navolgers. Bijna altijd vindt een nummer zijn oorsprong in de volkscultuur of in de zwarte muziekscene van de eerste helft van de twintigste eeuw. De verhalen achter de platen zijn vergeven van triomf en tragedie. Onbeduidende muzikanten worden schatrijk van een latere uitvoering van een door hen geschreven nummer en rechtenkwesties en inschattingsfouten drijven getalenteerden tot wanhoop en zelfmoord. Blokhuis' teksten zijn informatief, meeslepend en met persoonlijke bezieling en kennis van zaken geschreven. En passant rehabiliteert hij weggeschreven artiesten en componisten als Harry Nilsson, P.F. Sloan en Robert Johnson. Blokhuis heeft beide boeken schitterend verlucht met full-colour afbeeldingen van parafernalia uit zijn collectie. Ook de ingevoegde lijstjes - 'beste Beatles-nummers', 'grootste draken', 'beste gitaristen', enz. - zijn zeer de moeite waard. Het mooiste extra zijn echter de bijgevoegde cd's waarop de meeste vroege of originele maar toch zeker betere versies van de bekende hits staan.

dinsdag 2 februari 2010

Zoggels Nederlandstalige Top 100

In vele blogberichten heb ik reeds mijn ongenoegen geuit over het te grote aandeel Nederlandstalige muziek in de Top 2000. (Zoggel, je zou nu ophouden over die Top 2000!!, God.) Daar zijn hoofdzakelijk twee redenen voor. Ten eerste staan er te veel miserabele nummers in. Muziek voor in-een-tuinstoel-voor-de-voordeur-zitters en voor onder de witte partytent. Ten tweede zie ik graag dat zo'n allertijdenlijst een beetje historisch ge-oriënteerd is, en dan is de betekenis van liedjes in de moerstaal nu eenmaal niet zo groot. Toch zijn er genoeg mooie Nederlandstalige nummers gemaakt. Een goede tussenoplossing zou daarom zijn er een honderdtal op te nemen. Een beetje zoals de Perpetua-reeks, de honderd beste werken uit de wereldliteratuur, waar ook een klein aantal Nederlandse en Vlaamse werken in is gesmokkeld. Hieronder mijn persoonlijke keuze van de 100 beste Nederlandstalige nummers. Bij het samenstellen heb ik mij, op een enkele uitzondering na, beperkt tot liedjes die nu al in de Top 2000 staan of er ooit in stonden. Loepzuivere kritiek en eigen voorkeuren zijn welkom in de comments.

1) Herman van Veen - Suzanne
2) Klein Orkest - Over de muur
3) Armand - Ben ik te min
4) Frans Halsema & Jenny Arean - Vluchten kan niet meer
5) Ramses Shaffy - Laat me
6) Boudewijn de Groot - Verdronken vlinder
7) Joost Nuissl - Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben
8) Boudewijn de Groot - Testament
9) Het - Ik heb geen zin om op te staan
10) Goede Doel - Alles geprobeerd
11) Jacques Brel - Mijn vlakke land
12) Bløf - Mooie dag
13) Fungus - Kaap'ren vaaren
14) Is Ook Schitterend - Voltooid verleden tijd
15) Drs. P - Dodenrit
16) Zijlstra - Durgerdam slaapt
17) Henk Wijngaard - Met de vlam in de pijp
18) Doe Maar - Pa
19) Wim Sonneveld - Het dorp
20) André Hazes - Kleine jongen
21) Robert Long - Flink zijn
22) Bløf - Oktober
23) Frans Halsema - Zondagmiddag Buitenveldert
24) Boudewijn de Groot - Een wonderkind van 50
25) Peter Koelewijn - KL 204 (Als ik God was)
26) Rudi Carrell - Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben
27) Bots - Zeven dagen lang
28) Ramses Shaffy - Zing vecht huil bid lach werk en bewonder
29) Acda & De Munnik - Het regent zonnestralen
30) De Poema's - Mijn houten hart
31) Karin Bloemen - Geen kind meer
32) Frank Boeijen Groep - Zeg me dat het niet zo is
33) Bram Vermeulen - De wedstrijd
34) Bløf - Omarm
35) Boudewijn de Groot & Elly Nieman - Meester Prikkebeen
36) Herman van Veen - Toveren
37) Robert Long & Fay Lovski - Vanmorgen vloog ze nog (Tsjechov)
38) Dimitri van Toren - Een lied voor kinderen
39) Goede Doel - Vriendschap
40) Doe Maar - Is dit alles
41) Acda & De Munnik - Niet of nooit geweest
42) Normaal - Oerend hard
43) Ben Cramer - De clown
44) Polle Eduard - Ik wil jou
45) Boudewijn de Groot - Avond
46) René Froger - Alles kan een mens gelukkig maken
47) Cornelis Vreeswijk - Veronica
48) Stef Bos - Hilton Barcelona
49) Marco Borsato - Margherita
50) De Dijk - Als het golft
51) Herman van Veen - Hilversum 3
52) Paul de Leeuw & André Hazes - Droomland
53) Bløf - Harder dan ik hebben kan
54) Maggie MacNeal - Terug naar de kust
55) Gerard Cox - Het is weer voorbij die mooie zomer
56) Herman van Veen - Liefde van later
57) Rob de Nijs - Ritme van de regen
58) De Dijk - Dansen op de vulkaan
59) Leen Jongewaard & Hetty Blok - M'n opa
60) Will Tura - Ik ben zo eenzaam zonder jou
61) Doe Maar - De bom
62) Ramses Shaffy - Sammy
63) Skik - Op fietse
64) Herman van Keeken - Pappie loop toch niet zo snel
65) Egbert Douwe - Kom uit de bedstee m'n liefste
66) Acda & De Munnik - Groeten uit het maaiveld
67) Peter Schaap - Adem mijn adem
68) Circus Custers - Monica
69) Kadanz - Intimiteit
70) Dimitri van Toren - Hé kom aan
71) Van Kooten & De Bie - Zoek jezelf
72) Boudewijn de Groot - Welterusten mijnheer de president
73) Herman van Veen - Opzij
74) Marco Borsato - Waarom nou jij
75) Rob de Nijs - Alles wat ademt
76) Rein de Vries - Patsy
77) Hero - Toen ik je zag
78) Vader Abraham - Het kleine café aan de haven
79) Clouseau - Passie
80) De Kast - Woorden zonder woorden
81) Reinhard Mey - Als de dag van toen
82) Stef Bos - Papa
83) Peter Koelewijn & zijn Rockets - Kom van dat dak af
84) Jules de Corte - Ik zou wel eens willen weten
85) Ramses Shaffy & Liesbeth List - Pastorale
86) Toontje Lager - Stiekem gedanst
87) Spinvis - Voor ik vergeet
88) The Scene - Blauw
89) Leen Jongewaard & André van den Heuvel - Op een mooie pinksterdag
90) Guus Meeuwis - Brabant
91) De Poema's - Zij maakt het verschil
92) Veldhuis & Kemper - Ik wou dat ik jou was
93) Nick & Simon - De dag dat alles beter is
94) Ivan Heylen - De wilde boerendochtere
95) André van Duin - De tamme boerenzoon
96) Goede Doel - Hou van mij
97) Selvera's - De postkoets
98) Bløf - Aanzoek zonder ringen
99) Rob de Nijs - Het werd zomer
100) Drs. P - Veerpont

zaterdag 9 januari 2010

Lezen, lezen, lezen #15

Gijsbert Kamer - Popmuziek in een notendop (2008), 184 blz.
Bij mijn weten bestaat er geen erkend standaardwerk over de geschiedenis van de popmuziek. Dat is vreemd, een historisch overzicht van een van de interessantste culturele fenomenen van de twintigste eeuw zou zeker niet misstaan tussen alle geschiedenissen van... die er tegenwoordig verschijnen. Gijsbert Kamer geeft in ieder geval een mooie voorzet met zijn zeer leesbare geschiedenis-in-een-notendop. In straf tempo loodst hij de lezer door de rijke, onstuimige pophistorie, van de liedjesfabrieken in de Tin Pan Alley tot en met de internethypes Panic! at the Disco en Lily Allen. Kamer heeft ervoor gekozen zijn chronologische verhaal in een honderdtal ultrakorte hoofdstukjes te hakken. Zo omzeilt hij een potentieel probleem: het gegeven dat veel artiesten een carrière hebben die meerdere decennia omspant. Dit zou kunnen leiden tot een verhaal waarin men het overzicht kwijt raakt. Nu kan Kamer binnen een hoofdstuk uitweiden over de verdere carrière van een artiest die in een bepaalde periode doorbrak en het hoofdonderwerp van het betreffende hoofdstukje vormt. Popmuziek in een notendop schetst een helder beeld van de opeenvolging en ontwikkeling van genres. Nadeel is dat belangwekkende artiesten die niet gemakkelijk in een bepaalde stroming zijn onder te brengen wat buiten beeld blijven, bijvoorbeeld Simon & Garfunkel. Ook ontkomt Kamer niet aan een aantal clichés. Ook hij dicht de overschatte Velvet Underground een prominente rol toe en ook hij deelt de Bee Gees eenzijdig in bij de Disco-hype van de jaren tachtig. Het werk van de Bee Gees uit de periode 1967-1969 - nog zonder afgeknepen stemmen - staat niet ver van de Beatles af en zou veel meer het oordeel over de gebroeders Gibb moeten bepalen.

Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy - Publieke vijanden. Een steekspel in brieven (2009), 352 blz.
'Wij zijn allebei tamelijk verachtelijke individuen.' Zo eindigt de eerste zin die Michel Houellebecq, het enfant terrible van de Franse literatuur, richt tot zijn correspondent Bernard-Henri Lévy, filosoof en mensenrechtenactivist. De twee gelden als buitenbeentjes in het Franse intellectuele debat en hoewel de een als stevig rechts en de ander als stevig links te boek staat, vinden ze elkaar in hun gedeelde positie van paria. De brieven zijn vaak tientallen pagina's lang en zijn een mengvorm van autobiografie en essay. Opvallend is dat Houellebecq, die de naam heeft arrogant te zijn, zich gaandeweg meer en meer in een onderdanige, toegeeflijke positie manoeuvreert en bekent dat hij vaak weinig begrijpt van de hersenspinsels van Lévy. Die is inderdaad dikwijls moeilijk te volgen. Vooral zijn duistere uiteenzetting over religie, 'roeach' en 'goddelijke adem' is een kwelling. Lévy komt onmiskenbaar naar voren als een verwaande, brallerige blaaskaak: hij googlet elke dag zijn naam en bekent alleen in kunst en politiek geïnteresseerd te zijn in zoverre hij er iets aan heeft voor een nog te schrijven tekst. Vervelend zijn ook de talloze verwijzingen naar personen en debatjes in de marge van het Franse culturele en maatschappelijke leven. De genoemde negatieve punten vallen echter in het niet bij positieve: Lévy en vooral Houellebecq geven zich helemaal bloot, hebben boeiende, krachtige ideeën en schrijven ontwapenende, ontroerende zinnen: 'we bevinden ons op zulk moeilijk terrein dat ik het gevoel heb in volstrekte duisternis een tunnel te graven en u op een paar meter afstand te horen graven van uw kant; maar we mogen de hoop koesteren dat we met ons houweel bij toeval een laag vuursteen raken, zodat we even door een felle schittering worden verlicht.' (Houellebecq)

Richard Dawkins - God als misvatting (2006), 448 blz.
De Britse evolutiebioloog Dawkins maakte in 2006 furore met The God Delusion, zijn felle aanklacht tegen religie. In de Nederlandse vertaling is 'delusion' afgezwakt tot 'misvatting'. Dawkins gaat enorm te keer tegen het geloven in een bovennatuurlijke God. Hij doet dit met kennis van zaken en met veel humor. Hij pleit voor een atheïstische beweging die de rechten van atheïsten moet verdedigen. Dit is vooral in Amerika nodig, waar verderfelijke tv-dominees veel te veel politiek-maatschappelijke invloed hebben. Toch ging me tijdens het lezen van God als misvatting steeds meer tegenstaan dat Dawkins als een soort atheïstische tegenhanger van de religieuze fundamentalist bleef hameren op het begrip 'waarheid'. Dat God niet bestaat is waar, en dus moet alle religie bestreden worden. Zelf vind ik de troostende functie van religie veel te belangrijk om die in dienst van 'de' waarheid eenzijdig te slachtofferen. Ik vond het zelf bijvoorbeeld prettig om met een kerkdienst afscheid te nemen van mijn opa. De kerk als instituut, de begrafenis als ceremonie, het ritueel, ze kunnen zeker een rol spelen in het sociale verband. Het ge-ijl van de pastoor over leven na de dood en een hereniging bij God neem ik dan graag voor lief. Dawkins doet dit alles af met de kille bewering: ik erken dat religie troost kan bieden, maar daarmee is het nog niet waar! Wetenschap zou volgens hem zelfs geschikter zijn om het leven zin te geven. Ondanks dit kritiekpuntje is God als misvatting een welkom instrument in de strijd tegen de gruweldaden die nog steeds uit naam van een waanbeeld gepleegd worden.

dinsdag 27 oktober 2009

Muziektips

Voor de gedegen, welingelichte en deskundige muziekberichten moet u bij blogbuurman Ditisstefan zijn. Ik beperk me hieronder tot vijf - niet noodzakelijk nieuwe - liedjes en/of albums die ik de laatste tijd vaak beluister.

1.The Go Find - Downtown (helaas niet op YouTube te vinden)
Een groot filosoof uit 't Harde zei ooit: Ik kan niet tegen verandering. Een wijs en zeer herkenbaar statement. De Belgische band The Go Find thematiseert het stille verzet tegen verandering en verval op hun mooie album Stars on the Wall (2007). 'Memories are fading, friends have left town', klinkt het op 'Downtown'. Andere juweeltjes zijn '25 Years', 'New Year' en 'Adrenaline'. The Go Find maakt trage, ingetogen rock. De zanger heeft een zachte, haast lieflijke stem die helemaal recht doet aan de melancholische teksten met minimale muzikale begeleiding: Walking down my street/ Feeling kind of lost/ For all the world is changing I'd like/ to keep this place safe./ I know that I'm a fool/ I know that I will lose. Als ik zo'n vermoeide Allmusic-recensent was, zou ik zeggen: They know their Death Cab for Cutie. Aanrader!

2.The Weakerthans - Civil Twilight (beluister)
In het recente vakantieverslag verwees ik naar een mooi verhaal in Da Capo Best Music Writing over de Canadese band The Weakerthans en hun haatliefdeverhouding met thuisstad Winnipeg. Reunion Tour (2007) is het vijfde album van de inmiddels succesvolle en prijswinnende band. Toch is ook op dit album nog steeds de invloed van de tijd op iemands roots een hoofdthema. De albumtitel is dan ook licht ironisch. Openingsnummer 'Civil Twilight' maakt meteen diepe indruk door de schitterende, beeldende eerste zin: 'My Confusion Corner commuters are cursing the cold away, as December tries to dissemble the length of their working day.' Een ander hoogtepunt van het album is het gesproken nummer 'Elegy for Gump Worsley', dat paradoxaal genoeg zowel beklemmend als sereen is.

3.The Temper Trap - Down River (beluister)
De Australische nieuwkomer The Temper Trap is razendsnel naar de top doorgestoten, grotendeels dankzij de aandacht die de BBC aan de band besteedt. Eigenlijk is The Temper Trap ontdekt door Lincoln-student Ruud Kool tijdens zijn verblijf in Australië, maar daar hoor je nu niemand meer over. Enfin. Het geluid van The Temper Trap is aanvankelijk even wennen, maar de melodieuze, compositorisch sterke nummers op debuutalbum Conditions (2009) gaan vervolgens in je hoofd zitten om daar voorlopig niet uit te verdwijnen. Wel is het tweede deel van het album beduidend minder interessant dan de eerste helft. Op 'Sweet Disposition', maar vooral op 'Down River', komt de gevarieerde zang van frontman Doug Mandagi het best tot zijn recht.

4.The Whitest Boy Alive - Burning (beluister)
Erlend Øye kennen we óf van de Kings of Convenience óf van Ditisstefan. Sinds kort heb ik zijn soloalbum Dreams (2006) in mijn bezit. Øye verschaft de perfecte muziek voor de lange treinreizen die ik de laatste tijd veel heb gemaakt (waarover later meer). Trage, repetitieve deuntjes en een extreem zachte zangstem leveren een rustgevend geluid op. Ogenschijnlijk simpel, maar de composities zijn zeer uitgekiend van opbouw en ritme. Dat maakt dat de nummers soms een kenmerk hebben dat klassieke muziek vaak heeft: bij de eerste paar luisterbeurten overheersen onbegrip en saaiheid, maar naarmate je vertrouwder raakt met de muziek ga je steeds meer moois ontdekken en slaat de desinteresse om in begeestering en bewondering. Het openingsnummer grijpt je door de catchy zang wel meteen bij de lurven: So many people telling me one way/ So many people telling me to stay.

5.Iron & Wine - White Tooth Man (beluister)
Iron & Wine is geen duo. Samuel Beam treedt solo op onder deze naam. Beam heeft inmiddels al vier studioalbums op zijn naam staan en een grote schare fans verworven. Het derde album, The Shepherd's Dog (2007), werd positief gerecenseerd en goed verkocht. Beam schrijft geëngageerde liedjes die een mix zijn van folk, pop en rock. Hij zingt bijna fluisterend - of zou zijn gigantische baard gewoon in de weg zitten? 'White Tooth Man' fascineert door de duistere, zeer gecompliceerde tekst, gezongen op een voortdenderend ritme. Er zijn bijbelse ('Canaan', 'holy ghost') en historische ('Indian chief', 'statehouse') referenties, maar verder is er weinig kaas van te maken: Said the plain clothes cop to the beauty queen:/ 'I've seen nothing but a spoke in a wheel.'/ So she gave up her crown to a kid with a crutch/ And they both felt cheated after closing the deal/ And the white tooth man, I ran with him/ Got all cut up from pissing out in the weeds, enz.