Posts tonen met het label Kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kunst. Alle posts tonen

vrijdag 4 oktober 2013

Dijkshoorn en de kijk op kunst

Sinds augustus schrijft Nico Dijkshoorn wekelijks in het Volkskrant Magazine een tekst bij een kunstwerk. Coen Peppelenbos van Tzum protesteerde reeds bij aanvang: 'Nico Dijkshoorn heeft weer eens een nieuwe column. Vanaf vandaag mag hij wekelijks een kunstwerk afbranden in het Volkskrant Magazine.' De column zou volgens Peppelenbos 'een verhaalvariant van "dat kan mijn kleine broertje ook"' zijn. Ook op Twitter wordt Dijkshoorn sindsdien bestookt met afkeurende tweets, vooral van mensen uit de kunstwereld. Waarom de afzeiker Dijkshoorn en niet een 'echte', serieuze kunstkenner? Dat is zo'n beetje de teneur.

In 2011 was Dijkshoorn ook al eens in zo'n discussie over kunstbeschouwing verzeild geraakt, maar het curieuze is dat hij toen juist aan de andere kant van het spectrum stond en zélf het 'dat kan mijn zoontje/dochtertje/kind ook'-argument gebruikte. Hij kraakte toen in een column medecolumnist Bert Brussen af om diens in zijn ogen bekrompen en barbaarse kijk op kunst, die ingegeven zou zijn door angst: 'Bert staat in het Stedelijk Museum voor een varkentje met een gele bezem en twee meloenen aan een touw en spreekt dan de klassieke woorden van doodsbange mensen: dat kan een kind van 4.'

In New York had Dijkshoorn een museum bezocht waarin een merkwaardig object als kunst tentoongesteld werd: 'In het Museum of Modern Art stond meteen in zaal 1 een enorme baal hooi midden in de ruimte. Ik heb daar lang naar staan kijken. Vooral hoe de bezoekers er op reageerden. Ze voelden er aan. Er werd gelachen. Verliefde stelletjes leunden er een beetje tegen aan en dan kwam een suppoost ze waarschuwen. Die berg stro maakte nogal wat emoties los. Ook woede. Maar het maakte iets los.'

Op Twitter polemiseerden Brussen en Dijkshoorn nog een zondagochtend verder. De baal hooi wekte ook de woede van Brussen, die een spervuur van tweets besloot met de mededeling dat hij de rest van de dag naar een berg stro ging staren. Hoe zit dat nu, is Nico Dijkshoorn een snobistische kunstpaus of een populistische cultuurbarbaar?

De nieuwe column in VKMag is het gevolg van het in 2012 verschenen Dijkshoorn kijkt kunst, een boek met teksten (gedichten, verhalen, brieven) bij kunstwerken uit het Kröller-Müller Museum te Otterlo. Wie het doorbladert merkt al snel dat de spreekwoordelijke schijtlolligheid maar een klein deel van het boek uitmaakt. Bovendien verwoorden de op de lachlust van de lezer gerichte gedichtjes vaak de manier van kijken van een voor kunst immune jan-met-de-pet, waardoor dat perspectief juist geridiculiseerd wordt in plaats van gecultiveerd.

Veel indruk maken voorts de melancholische verhalen, waarbij een kunstwerk de aanleiding is voor een weemoedige jeugdherinnering of verstilde overpeinzing. Maar ook de directe persoonlijke impressies van wat er te zien is op een schilderij zijn vaak allesbehalve flauw of denigrerend. Bij Jan Toorops prachtige 'Jongens met duif' raakt hij de kern van waarom het schilderij ontroering kan wekken bij de kijker: omdat de jongens zitten. 'Zouden ze hebben gestaan, dan zou het een ander verhaal zijn geweest. Klaar om de duif los te laten, om weg te lopen en boerendingen te doen. Nu ze zitten, is er rust.' Zo'n impressie zet je als lezer weer verder aan het denken: daarom kan de voorste jongen de duif ook met één hand vasthouden: er is een transcendente rust in het tafereel, iedereen is op zijn gemak, zelfs de duif.

De beeldvorming rond Dijkshoorn speelt natuurlijke een grote rol, werkt bij voorbaat sturend. Toen Dijkshoorn kijkt kunst verscheen mocht hij bij De Wereld Draait Door eruit komen voorlezen. Uiteraard lag het zwaartepunt, het ijzeren format van Dieuwke de Eindredactrice en Matthijs de Positivo indachtig, bij de quasi-lollige 'gedichtjes'. Maar ook de tekst bij 'Jongens met duif' las Dijkshoorn voor, en er gebeurde iets geks: ergens halverwege begon Matthijs ineens te lachen, en het publiek volgde, en ook Dijkshoorn veranderde van de weeromstuit zijn intonatie. Het is een effect van perceptie: blijkbaar verwacht het publiek van Dijkshoorn-bij-DWDD een cabareteske of satirische insteek, en wanneer die er een keer niet is, dan wordt die er zelf wel in gelegd door dat publiek.

Dijkshoorn probeert elk kunstwerk met open vizier tegemoet te treden. In zijn column van 2011 heette het: 'Het hele idee van theater, moderne kunst, fotografie, muziek of welke kunstuiting dan ook is dat je je overgeeft en je durft te laten ontroeren. Dat je ergens op inloopt en weet: ik ga iets nieuws voelen of zien. Niets is fijner dan je hoofd om de hoek steken van alweer een nieuwe zaal vol kunstwerken. Eindelijk eens 30 meter lopen en niet weten wat er gebeurt.' De ene keer betekent dat dat een baal hooi hem diep raakt terwijl een volgende keer een rij stenen zijn spotlust opwekt.

Volgens mij is het precies die voorgenomen onafhankelijkheid en de eruit voortvloeiende onpeilbaarheid die schuurt. Menigeen reageert als het over kunst gaat immers vanuit een normatief kader met strakke ongeschreven regels en beperkte bewegingsvrijheid, variërend van kunst is voor elitaire snobs en linkse hobbyisten en dus verderfelijk tot kunst is voor kenners en intimi uit het vak en dus verheven. Eigenlijk verschillen de standpunten niet eens zo veel, aan beide gevallen ligt de overtuiging ten grondslag dat kunst voor een kleine groep mensen is, maar de vertegenwoordiger van het eerste standpunt behoort niet tot de incrowd en verwerpt de kunst en haar 'deelnemers' daardoor, terwijl de ander er op de een of andere manier - vaak 'professioneel' - wel toe behoort en de kunst(beschouwing) daardoor angstvallig tracht af te schermen van buitenstaanders. Nico Dijkshoorn is niet in een van beide kampen onder te brengen, zodat het kan gebeuren dat hij nu eens voor elitair, dan weer voor populistisch wordt uitgemaakt.

Je hebt weleens een politicus die door 'links' als te rechts wordt gezien en door 'rechts' als te links. Dat zijn de beste politici, omdat ze zich niets aantrekken van de starre tweedeling, niet hun standpunten aanpassen aan hun signatuur, maar elk geval apart bezien. Het zijn overigens ook vaak de politici die als eerste uit de fractie geknikkerd worden. Zo ongeveer kijkt Dijkshoorn naar kunst. De ene keer als een 'populist', de andere keer als een 'snob'. Maar altijd als Nico Dijkshoorn.

maandag 4 juni 2012

Lezen, lezen, lezen #29

Ik ben bezweken onder de zware druk: vanaf heden met sterren.

Kees Fens - Het volmaakte kleine stukje. Samenstelling Joost Zwagerman (2009), 286 blz. (***)
Lang heb ik in de veronderstelling verkeerd dat Kees Fens niet uit Amsterdam kwam. Hij woonde dan wel in die Republiek en schreef er bespiegelende stukjes over, maar die waren geschreven met de blik van de typische immigrant uit de provincie, voor altijd een outsider. Fens blijkt echter een geboren en getogen Amsterdammer. Dat ik voor het eerst van Fens hoorde in zijn hoedanigheid van ex-hoogleraar in Nijmegen heeft waarschijnlijk ook bijgedragen aan mijn misvatting.
Het volmaakte kleine stukje is een door Joost Zwagerman gebloemleesde verzameling stukjes die Fens schreef tussen 1977 en 2008. Het mooist vind ik de vroege columns die Fens onder het pseudoniem A.L. Boom in De Tijd schreef. 'Vandaag wordt gisteren' bijvoorbeeld is een prachtig stukje over het wezen van de tijd en 'Mijnheer en mevrouw Aluin' beschrijft intens de herinnering aan een in de Oorlog weggevoerd gezin. Ook erg goed zijn de zeer korte columns die oorspronkelijk als 'Handgroot' in de Volkskrant verschenen. Op de korte baan is Fens in zijn element, elke zin is dan raak en er staat geen woord te weinig in. Ook 'Vandaag wordt gisteren' is overigens zo imponerend door die geconcentreerde zinnen die op een haast bedwelmende manier aaneengeschakeld zijn. De columns van langer dan anderhalve bladzijde worden echter al gauw oeverloos en af en toe zelfs zeurderig. Ik vond dat een vreemde gewaarwording: een stukje begint overtuigend, pakt me meteen, maar ineens is daar het moment dat ik de aandacht verlies en een vermoeide of zelfs geërgerde zucht laat ontsnappen. Fens draait dan eindeloos om een onderwerp heen, belicht het op zeer persoonlijke wijze - inderdaad zoals het een essayist betaamt -, maar soms zakt die idiosyncrasie door de ondergrens van begrijpelijkheid, bijvoorbeeld in zijn beschrijvingen van de maanden of de dagdelen, of van redelijkheid, bijvoorbeeld in sommige stukken over lezen. 'Op de rechterzij' beschrijft de moeilijkheden van lezen in bed; op een gegeven moment blijkt echter dat het Fens gaat om lezen terwijl het boek naast de lezer op de matras ligt. Dat is wel heel erg gezocht, zo kan ik ook wel een stukje schrijven over de moeilijkheden van autorijden terwijl je op de bijrijdersstoel zit. Ook de stukjes over sport vallen licht tegen. De gedachte bekruipt me dat Fens er te weinig van afwist. In 'De verworpenen' over het fenomeen van de grensrechter: 'Toch waren er alleen al in de eredivisie dit weekeinde zesendertig in gebruik.' Hij heeft gedacht: achttien clubs maal twee grensrechters is zesendertig, maar het is natuurlijk negen wedstrijden maal twee is achttien grensrechters.
Veel onvolmaakte kleine stukjes dus, maar het is veeleer een 'fout' van Zwagerman dat ze toch in deze best of terecht zijn gekomen dan een diskwalificatie van Fens. Die moet immers beoordeeld worden op zijn beste stukken en de bundel bevat onmiskenbaar genoeg lezenswaardige en zelfs ontroerende teksten. Over veronachtzaamde straathelften, over de 'leegheid' van Brussel, over zijn moeder en natuurlijk over de bocht in Regent Street die Fens bij de eerste aanblik ervan tot tranen roerde. Inmiddels ben ik twee keer in Londen geweest en beide keren ben ik even naar Regent Street gegaan om die bocht te aanschouwen, van beide kanten, en beide keren werd ik meewarig aangekeken door mijn gezelschap. Dat is denk ik de essentie van deze stukjes van Fens: vaak al te zonderling, maar als je hem begrijpt, als je meegaat, dan vang je ook echt heel even een glimp op van de idee van volmaaktheid.

Gert Jan Pos (red.) - Mooi is dat! (2011), 128 blz. (****)
Gert Jan Pos, 'intendant strips' van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, kwam op het briljante idee een boek samen te stellen met verstrippingen van meesterwerken uit de Nederlandstalige literatuur. We kenden al de stripversies van De avonden en Kaas door Dick Matena, maar Pos koos voor een ander concept: de striptekenaars moesten het literaire werk van hun keuze in één pagina vatten. Dat heeft strips van zeer verschillend karakter opgeleverd. De ene tekenaar koos voor een klassieke aaneenschakeling van vierkante of rechthoekige plaatjes met tekst, de andere ging voor één grote prent of een vrije vorm, de ene vat de roman samen, de ander heeft er een sleutelscène uitgelicht of geeft een sfeerimpressie. Pieter Steinz werd ingeschakeld om een groslijst van 100 titels te maken waaruit 57 tekenaars hun favoriet moesten kiezen. Geen Mulisch, geen Claus, geen A.F.Th., maar verder zijn alle groten wel zo'n beetje vertegenwoordigd, inclusief moderne klassiekers als Joe Speedboot, De helaasheid der dingen, Tirza, Knielen op een bed violen, Godenslaap en Sprakeloos. (Er is wat mij betreft wel een omissie: de titel is ontleend aan Ollie B. Bommel, maar Toonder is niet vertegenwoordigd in de 57, terwijl zijn werk toch onmiskenbaar literaire waarde heeft!) Door de keur aan stijlen en vormen vond ik niet alles even mooi of goed, maar ene Wasco was wel het dieptepunt met zijn 'bewerking' van Belcampo's Het grote gebeuren: de tekst van het verhaal is eenvoudigweg verdeeld over twintig identieke plaatjes... Mijn favorieten zijn Nijhoffs 'Lied der dwaze bijen' door Jan Cleijne, Brusselmans' De man die werk vond door Lectrr, met een Escher-achtige bibliotheek, en Wolkers' Turks Fruit door Gerrit de Jager, die stiekem ook de draak steekt met de roman door de hoofdfiguur op werkelijk elk plaatje met een stijve af te beelden. Mijn nummer 1 is echter Voskuils Bureau door Guido van Driel, ongetwijfeld ook omdat ik momenteel ondergedompeld ben in die grootse cyclus. Van Driel kwam op het briljante idee van lege tekstballonnen, die perfect de zinloze conversatie op de werkvloer uitbeelden. Op het voorlaatste plaatje zien we de ouder geworden Maarten Koning nog aan zijn bureau zitten. Op het laatste plaatjes is het Bureau verlaten. Prachtig.

Michel van Egmond - Gijp (2012), 324 blz. (*****)
Toen eind vorig jaar bekend werd dat René van der Gijp geen griep had maar thuis zat met een burn-out, was dat voor mij een schok maar ergens ook een opluchting. Ik bewonderde Gijp om zijn scherpe observaties en schitterende grappen maar ik voelde ook een lichte jaloezie om zijn manier van leven. Hier was dan eindelijk iemand die werkelijk deed waar hij zin in had, wie alles kwam aanwaaien en niets leek te deren. Het kon dus wel: volledig stressvrij door het leven gaan. Maar ook Van der Gijp was niet de zorgeloze levensgenieter die hij voorwendde te zijn, ook hij bleek een andere kant te hebben. Paniekaanvallen kwamen weleens in de plaats van de befaamde lachaanvallen, achter de façade van zorgeloosheid en flierefluiterij ging een control freak schuil die het liefst alleen is. Die dynamiek, die spanning is door Michel van Egmond indringend beschreven in Gijp. De eerste druk van dit boek was in mum van tijd uitverkocht, zodat razendsnel bijgedrukt moest worden. Helaas is hierdoor een misdruk ontstaan: bladzijde 300 is identiek aan 298, waardoor de 'echte' pagina 300 ontbreekt en p. 299 dus doodloopt. (Curieus genoeg verschilt de hoofdstuktitel wel minimaal: 'En? Is dat ventje er al?' versus 'En? Is die gozert er al?') Een smet op een verder wonderschoon boek. Van Egmond beschrijft acht maanden uit het leven van Van der Gijp, van de Gijp die na VI Oranje op het hoogtepunt van zijn eigen hype leeft, via de 'vliegende inzinking' die hem maanden buitenspel zette tot de succesvolle terugkeer dit voorjaar. Tussendoor schetst Van Egmond aan de hand van oude artikelen een beeld van de jonge Gijp als voetballer. Bovendien bestaat het boek vooral uit citaten, van personen uit de omgeving van Van der Gijp, maar vooral van de maestro zelf. Die afwisseling van komische anekdotes en de schrijnende actualiteit heeft een ware pageturner opgeleverd. Van Egmond heeft in zijn stukken altijd oog voor het bijzondere, voor het afwijkende, voor het anekdotische, dat hij met een mengeling van ironie en compassie weet te evoceren. In die zin was hij de ideale man om een boek over René van der Gijp te schrijven, de man die immers de gierende lach en de verpletterende somberheid in zich verenigt, of in de woorden van Van Egmond: 'de clown die het ene moment nog de gevierde man in de circustent is en die even later, afgeschminkt en alleen, weer anoniem in zijn stille kleedkamer zit.' (89)

zondag 18 oktober 2009

Lezen, lezen, lezen #14

Jutta Chorus & Menno de Galan - In de ban van Fortuyn. Reconstructie van een politieke aardschok (2006), 352 blz.
Pim Fortuyn zal mij altijd blijven fascineren. Ik was nog geen zestien toen de kale Rotterdammer het land op zijn kop zette en de gezapige politiek voor mij interessant maakte. De politieke en de dagelijkse werkelijkheid waren voor mij altijd gescheiden werelden geweest, Fortuyn bouwde een brug tussen de overzijden. In feite is Fortuyn nog geen jaar in de volle aandacht geweest, het speelde zich allemaal af in de periode augustus 2001-mei 2002. Toevallig de periode waarin ik in 4 atheneum zat, misschien wel het jaar waarin je vorming en bewustwording op het hoogtepunt zijn. Jutta Chorus en Menno de Galan reconstrueren in hun boek tot in detail de tien turbulente maanden van Pim Fortuyn, Leefbaar Nederland en de LPF. Ik heb In de ban van Fortuyn ademloos gelezen. Chorus en De Galan hebben al die tijd dicht op de huid van Fortuyn gezeten en maken de typering 'reconstructie' uit de ondertitel helemaal waar. Deze 'journalistieke studie' leest als een spannende roman met de auteurs als alwetende vertellers. Bijna van uur tot uur wordt opkomst van Fortuyn beschreven, objectief en to the point. Elk zinnetje bevat nieuwe informatie, uitweidingen en zijpaden worden vermeden. Ik zag de legendarische momenten weer voor me, bijvoorbeeld het debat op mijn verjaardag 6 maart met een superieure Fortuyn en de zure, vale klerkensmoel van Ad Melkert. Ook thans terecht vergeten querulanten als Harry Wijnschenk en Winny de Jong komen voorbij. Zeer ingenomen ben ik met de manier waarop Mat Herben naar voren komt. De auteurs citeren uit De Volkskrant van 1 juni 2002 dat 'niemand meer aarzelt te getuigen van diepe bewondering voor de nieuwkomer [Herben]' die nog op geen enkele fout te betrappen was geweest. Arme Mat, hij is daarna slachtoffer geworden van de ijdeltuiten, baantjesjagers en amokmakers na de dood van Fortuyn. Ik hoop dat hij nog eens terugkeert voor mijn stem.

Geert Buelens - Europa! Europa! Over de dichters van de Grote Oorlog (2008), 375 blz.
'Zum Frühstuck auf nach Paris!' was een hoofdstuktitel in het geschiedenisboek op de middelbare school. De slogan verwoordde perfect de zorgeloze, zelfs naïeve houding aan de vooravond van de eerste moderne oorlog: voor dag en dauw even snel gehakt maken van de vijand en dan zijn we op tijd terug voor het ontbijt. Het is deze houding die ook uit sommige poëzie uit die tijd spreekt. De oorlog werd beschouwd als een noodzakelijke, soms zelfs mooie gebeurtenis waar hooggestemde idealen en verheven redenen aan ten grondslag lagen. Al gauw sijpelde de verschrikkelijke werkelijkheid door in de gedichten. Beschaving verwerd tot barbarij, jonge, veelbelovende mannen degradeerden tot willoos en zielloos slachtvee. Geert Buelens beschrijft in Europa! Europa! dit proces aan de hand van de Europese poëzie. Bekende namen als Siegfried Sassoon, Guillaume Apollinaire en de onvermijdelijke Paul van Ostaijen spelen een hoofdrol, maar Buelens heeft ook aandacht voor onbekende oorlogspoëten uit alle uithoeken van het in brand staande Europa. Zo ontstaat een mooie wisselwerking: de poëziegeschiedenis wordt beschreven tegen de achtergrond van de oorlog en de oorlogsgeschiedenis krijgt reliëf door de gedichten. Het boek is chronologisch opgezet, waardoor we de dichters door de oorlog heen kunnen volgen op hun lijdensweg van hoop en vaderlandsliefde naar tragiek en verbittering. Velen raken we echter onderweg kwijt; ook dichters sneuvelen ongenadig in de wrede oorlog. Buelens toont ook aan dat er niet alleen poëzie óver de zich afspelende oorlog werd geschreven, ze had ook een directe functie. Soldaten werden opgepept met gedichten, het thuisfront werd ermee geïnformeerd en geïndoctrineerd. De Eerste Wereldoorlog wordt niet voor niets ook wel 'de literaire oorlog' genoemd. Buelens meldt dat alleen al in augustus 1914 in Duitsland naar schatting vijftigduizend gedichten per dag werden geschreven!

Hans den Hartog Jager - Dit is Nederland in tachtig meesterwerken (2008), 208 blz.
Van de Nederlandse schilderkunst weet ik schrikbarend weinig af. Ik heb dan wel Nederlandse Taal & Cultuur gestudeerd, maar dat 'Cultuur' bleek in de praktijk een synoniem van 'literatuur'. Andere uitingen van cultuur, laat staan onderwijs en debat over samenleving en identiteit, waren niet in het curriculum opgenomen. Ik kan nog net enkele wereldberoemde schilderijen opnoemen (Nachtwacht, Zonnebloemen, Het melkmeisje), maar daar houdt het wel op. Hans den Hartog Jager heeft een prachtig boek samengesteld dat wat aan die culturele achterstand heeft gedaan. In Dit is Nederland worden tachtig schilderijen gepresenteerd die 'het fundament van de Nederlandse cultuur' vormen. De 80 zijn stuk voor stuk groot genoeg afgedrukt om alle details en facetten te kunnen bekijken. Elk meesterwerk gaat vergezeld van een korte (1 tot 1,5 pagina), nuttige toelichting. Hofleverancier met zes schilderijen is Rembrandt. Johannes Vermeer en Van Gogh staan er met vier meesterwerken in, Frans Hals en Mondriaan met drie. Van Geertgen tot Sint Jans, Hieronymus Bosch, Jacob van Ruisdael, Willem van de Velde de Jonge, G.H. Breitner en Marlene Dumas zijn twee werken geselecteerd. Het zwaartepunt ligt vanzelfsprekend in de Gouden Eeuw, terwijl uit de hele achttiende eeuw slechts één schilderij is geselecteerd. Ik merk dat ik zelf een voorkeur heb voor de traditionelere landschappen. Erg mooi vind ik het Winterlandschap (1838) van Barend Koekkoek, Het laantje van Middelharnis (1689) van Meindert Hobbema en het imponerende Gezicht op Haarlem met bleekvelden (ca. 1670) van Jacob van Ruisdael. Indrukwekkend vind ik voorts Rembrandts De staalmeesters (1662) en Interieur van de Sint Odolphuskerk te Assendelft (1649) van Pieter Saenredam. Een mooi overzichtswerk, en ook de achterliggende gedachte van Den Hartog Jager spreekt me wel aan: 'Nederlanders weten zich geen raad met hun beroemdste kunstwerken. [...] Liever roepen we dat het allemaal niet zoveel voorstelt en dat je de ene cultuur niet boven de andere moet stellen - juist in Nederland heeft het cultuurrelativisme de afgelopen honderd jaar grote hoogten bereikt. Terwijl juist dat relativisme, dat vaak als heel "verlicht" wordt gepresenteerd, veel Nederlanders het gevoel geeft dat we niks met elkaar te maken willen hebben [...]. Cultuur is en blijft een kwestie van zelfbewust het gesprek aangaan, waarbij zelfbewustzijn en gesprek precies even belangrijk zijn.'