Posts tonen met het label CD-recensie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label CD-recensie. Alle posts tonen

vrijdag 3 juli 2015

Sufjan Stevens - Carrie & Lowell

In de regel moet je een paar jaar wachten tot een van de artiesten die je het meest dierbaar zijn met een nieuwe plaat komt. 31 maart jongstleden was in dat licht een wel heel bijzondere dag, omdat toen twee van mijn favorieten op een en dezelfde dag een nieuw album uitbrachten. Death Cab for Cutie met Kintsugi, Sufjan Stevens met Carrie & Lowell. Waar Death Cab de ingeslagen weg naar toegankelijke poprock vervolgde, daar heeft Stevens een vrij radicale ommezwaai gemaakt.

De laatste jaren leek het muzikale wonderkind steeds meer op de experimentele tour te gaan. Age of Adz was een even briljant als bizar werkstuk, de tweede kerstbox bevatte twee schijfjes met psychedelische ontsporingen, en met een van de Dessner-broers (The National) maakte Stevens een cyclus geïnspireerd op de planeten uit ons zonnestelsel, waarbij hij gelukkig alle planeten op één avond aan bod liet komen, wijzer geworden van dat al te megalomane voornemen een albumreeks gebaseerd op de 50 Amerikaanse staten te maken.

Toen hij zelfs in de hiphop ging, leken we onze Sufjan definitief kwijt te raken. Carrie & Lowell is echter een even onverwachte als welkome terugkeer naar de meer ingetogen, hoogwaardige indierock waarmee hij groot werd. Michigan, sommige nummers van Illinois, dat werk. Maar het album lijkt nog het meest op Seven Swans, mijn favoriete Sufjan. Een sobere instrumentale begeleiding, een bijna fluisterende zang en rijke teksten met religieuze referenties. Het heeft een zeer intense plaat opgeleverd.

Het verhaal erachter is bekend: Stevens verloor eind 2012 zijn moeder, met wie hij een moeizame relatie had, aan kanker. Zijn emoties schreef hij van zich af, met Carrie & Lowell als resultaat. Toch heeft dit allesbehalve tot een al te particuliere, of naar emoporno neigende plaat geleid. De thematiek wordt naar het niveau van de universele ervaring en het mysterieuze beeld getild. 'Fourth of July', misschien wel het meest persoonlijke nummer, begint bijvoorbeeld overdonderend mooi: 'The evil it spread, like a fever ahead, it was night, when you died, my firefly.'

Daarbovenop zijn er genoeg verrassende overgangen, tempowisselingen en elektronische manipulaties die het geheel schwung geven. Ook bijzonder zijn de onheilspellende outro's die vrijwel ieder nummer afsluiten. 'Fourth of July' heeft niet zo'n outro, maar het eindigt dan ook met de herhaalde frase 'We're all gonna die', een wetenschap die geen outro verdraagt. Zoals overigens veel zinnen pijnlijk raak zijn: 'What left is only bittersweet, for the rest of my life, admitting the best is behind me.'

Stevens blinkt ondanks deze insteek toch ook weer uit op het vlak van de wonderlijke, een glimlach tevoorschijn toverende anekdote. Op Age of Adz speelde hij in 'Vesuvius' met zijn naam, door 'Ve-su-vius!' over te laten gaan in 'Suf-i-jan!'; op Carrie & Lowell gebeurt dat, in 'Eugene', aan de hand van het verhaal van de man die zijn naam niet kon onthouden en deze verhaspelde: 'He called me Subaru.'

Hoogtepunt is naar mijn bescheiden mening 'John My Beloved', een schitterende, blijkens de goed hoorbare ruis lo-fi opgenomen zelfanalyse: 'I am a man with a heart that offends, with its lonely and greedy demands. There's only a shadow of me, in a manner of speaking I'm dead.' En met mysterieuze regels als 'Beloved of John, I got it all wrong, I read you for some kind of poem. Covered in lines, the fossils I find, have they no life of their own?'

Het waarlijk bijzondere is dat Carrie & Lowell maar niet wil gaan vervelen. Dat ik het album, in tegenstelling tot Kintsugi, nu pas bespreek, heeft niet alleen te maken met de lagepitjesstaat waarin dit blog verkeert. Ik ben gewoon nog steeds niet klaar met de nieuwe Sufjan. Een prachtplaat.

donderdag 21 mei 2015

Death Cab For Cutie - Kintsugi

Het nieuws in november 2011 dat Ben Gibbard, voorman van Death Cab For Cutie, en Zooey Deschanel, actrice en zangeres, gingen scheiden was goed nieuws. Niet voor de voormalige geliefden zelf - althans niet voor Gibbard -, maar wel voor de muziekliefhebber. Zo'n break-up haalt immers vaak het beste in de songwriter naar boven, zeker als die songwriter zoals Gibbard heeft bewezen uit te blinken in melancholische, intense teksten.

Eerst ging Gibbard ook muzikaal nog even solo, met Former Lives (2012). Het duurde vervolgens tot maart 2015 voor het nieuwe Death Cab-album verscheen: Kintsugi, een Japanse techniek om met goud gebroken servies te repareren. De betekenis lijkt evident: het album moet het fonkelende goud zijn waarmee Gibbard de scherven van zijn verbroken relatie aaneen lijmt.

Her en der is het album inderdaad een break-up album genoemd, maar dat is eigenlijk een kwalificatie die de plaat geen recht doet. 'Little Wanderer' bijvoorbeeld is juist de liefdesverklaring waar Codes and Keys (2011) zo'n behoefte aan had. Een pakkend nummer, over de geliefde die altijd in verre buitenlanden verblijft, met net dat laagje sentiment en kitsch dat het een enorme hitpotentie geeft. 'If you will be my bluebird returning, then I will be your evergreen', dat werk.

Tegelijk zitten er ook treffender beelden in: 'Someone's gotta be the lighthouse and that someone's gotta be me.' Een sterk nummer is verder 'You've Haunted Me All My Life', een eenvoudig lied dat bij nader inzien heel geraffineerd in elkaar blijkt te zitten, door de suggestieve tekst ('And so I wait but I never seem to learn / How to capture your diminishing returns') en vooral de muzikale opbouw. Een waardige opvolger van parels als 'Brothers on a Hotel Bed' en 'Summer Skin'.

Kintsugi is dan ook een album waarop de band voortborduurt op de klassiekers uit het eigen repertoire. 'Hold No Guns' moet als akoestisch miniatuurtje de opvolger zijn van 'I Will Follow You Into the Dark', maar het mag niet in de schaduw staan van die grote hit die de doorbraak naar het grote publiek betekende. Het is saai en nogal slaapverwekkend, de aandacht verslapt steevast gedurende het nummer.

'Hold No Guns' is wel de scharnier van het album, met vijf liedjes ervoor en vijf erna. Beide sets hebben een eigen sfeer en sound. In de dagen van de LP zou men zeggen dat de A- en de B-kant elk een eigen identiteit hebben. In het tweede deel, dat veel opgeruimder en relativerender is dan het eerste, wordt echter wel erg opzichtig aangeschurkt tegen het elektronische 80's-geluid dat tegenwoordig veel indie-muziek kenmerkt.

Die tweeslachtigheid maakt het ook een wat richtingloos album. Het is een beetje een grabbelton, eerder een panorama van een relatie dan een echt break-up album; alle emoties, fasen, ups en downs zijn er kriskras in verwerkt. Dat kan nog steeds een grandioos werk opleveren - zie Springsteens Tunnel of Love (1987). Kintsugi is dat niet. Het biedt een aangename luisterervaring, een verzameling typische Death Cab-liedjes. Degelijk vakwerk, niet meer maar zeker ook niet minder.

donderdag 4 december 2014

Interpol - El Pintor

Met El Pintor keert Interpol terug naar de melodieuze, onder de huid kruipende sound van debuutplaat Turn on the Bright Lights (2002). Dat was en is een gedenkwaardig album met klassiekers als 'NYC', 'PDA' en 'Roland', bedwelmende songs die reeds na enkele luisterbeurten non stop op repeat stonden in je hoofd, totdat je er bijkans knettergek van werd.

Na enkele wat meer experimentele albums mikt Interpol op het in september verschenen El Pintor duidelijk weer op die catchiness, maar dan ook wel zo overduidelijk dat het neigt naar effectbejag.

Neem de intro's van 'My Desire', 'Anywhere' en 'Same Town New Story', respectievelijk het tweede, derde en vierde nummer van de plaat. Telkens een gitaarriff die een aantal keer herhaald wordt alvorens de andere instrumenten en de zang inzetten, en die vervolgens door het hele nummer heen blijft klinken, met hoogstens wat lichte variatie. Het beste werkt dat nog op 'My Desire', mede door de apodictische, als een donderslag binnenrollende eerste regels: 'Be my desire / I'm a frustrated man', en de steeds klaaglijker klinkende riff.

Een terugkeer naar de vroege Interpol-sound dus. Dat kan op twee manieren uitgelegd worden: als een veilige, ongeïnspireerde terugval op een succesformule, of als een gedurfde herbezinning op waar de band nu eenmaal goed in is. Feit blijft dat de tijd niet stilstaat, dat men nooit twee keer kan debuteren, en dat het allemaal niet zoveel indruk maakt als twaalf jaar geleden.

'My Blue Supreme' is een van de sterkere nummers, met een slepende, zelfs wat dromerige eerste minuut en een mooie versnelling in het refrein: 'When love comes, honey, take it / Only one in a hundred make it', en de laatste track 'Twice as Hard' is een overtuigende afsluiter. Maar verder is het allemaal weinig beklijvend. De teksten zijn, op enkele uitzonderingen na, oppervlakkig en repetitief. Nummers als 'Everything Is Wrong' en 'Ancient Ways' zijn drukke, nerveuze en naar het einde toe zelfs licht irriterende liedjes.

Hoewel El Pintor nergens echt slecht, over de top of vervelend is, wordt het album ook geen moment echt indrukwekkend, aangrijpend of intrigerend. Ik heb er een tijdlang best van kunnen genieten, in de maanden van de steeds vroeger invallende duisternis. Maar waar Turn on the Bright Lights zo'n album is waar je eigenlijk nooit echt klaar mee raakt, daar heeft El Pintor zelfs de Kerst niet gehaald.

Cijfer: 6.5

maandag 30 juni 2014

CD-recensies: Editors, The National

We lopen een beetje achter met cd-recensies, daarom twee albums tegelijk.

Editors - The Weight of Your Love (2013)
Editors' vorige, In This Light and on This Evening (2009), was een hoogst curieuze plaat. Met pompende synthesizers en quasi-hippe effecten zocht de Birminghamse band duidelijk naar een nieuw geluid. Het was ook geen goede plaat - een paar geweldige nummers maar ik borg hem vlugger op dan indertijd The Back Room (2005) en An End Has a Start (2007). Ook voor het vorig jaar verschenen The Weight of Your Love liep ik aanvankelijk niet echt warm - de titel alleen al. En dan kwam daar nog de single, het overspannen 'A Ton of Love', bovenop. Te veel 'Love', te veel onzin. 'A Ton of Love' blijkt echter niet representatief; het is een van de weinige mindere nummers. Zo is 'Honesty' een groots nummer, met de majestueuze strijkers in de coupletten, de krachtige drums in het refrein, de interessante bridge en de tegendraadse tekst ('All the honesty / Shuts this place down'). Het album is een terugkeer naar en zelfs een synthese van de vroege cd's. De bedwelmende, maar ietwat monotone drumsound van de debuutplaat en het gitaargeweld en het lyrische pathos van de tweede zijn op dit album verenigd in zorgvuldig opgebouwde composities. (De dubbel-cd bevat nog vijf extra nummers, waarvan twee akoestisch.) Zanger Tom Smith onderscheidde zich altijd door zijn bariton, maar op 'This Thing Called Love' blijkt hij voorwaar ook over een falsetstem te beschikken. Dat nummer is in lijn met de sentimentele ballades op An End Has a Start, net als het prachtig melodramatische 'Two Hearted Spider' ('All my naivety / All my fickle views / I feel my blood boil / As our shadows fuse') en 'Nothing', waarvan de strijkers reminiscenties oproepen aan Arcade Fire, zoals er meer raakvlakken met gelijkaardige bands te ontdekken vallen. 'Hyena' is helemaal Interpol, maar ook een terugkeer naar The Back Room. Het gitaarloopje van 'The Phone Book' doet een beetje denken aan de subtiliteit van The National. Ook tekstueel kent het album enkele hoogtepunten, het rake refrein van 'Sugar' bijvoorbeeld: 'There's sugar on your soul / And you're like no one I know / Your're the light from another world. / You swallowed me whole / With just a mumbled "hello" / And it breaks my heart to love you, it breaks my heart to love you.' Dat is allang geen overdreven onzin meer. [7.5]

The National - Trouble Will Find Me (2013)
'Depressieve mannenmuziek.' Zo typeerde ooit een muziekkenner, expert in de betere sombere plaatjes, op treffende wijze The National. Het is vooral de extreem donkere stem van zanger Matt Berninger die de nummers een duistere sound verleent, vaak in combinatie met dito teksten natuurlijk. Toch heb ik soms het idee dat er bij The National meer aan de hand is, dat het somberen eerder een decadente basis heeft. In Theo Maassens onderscheid tussen mensen die liefdesverdriet hebben als het uit is en mensen die liefdesverdriet hebben terwijl het nog gewoon aan is, behoort The National duidelijk tot de tweede categorie. Achter de wanhoop en de ellende is bovendien vaak een zekere berusting hoorbaar. Het geluid is dan niet beklemmend maar eerder behaaglijk. 'I can't get down any farther', zingt Berninger ergens op Trouble Will Find Me, maar daar is het nog niet zo slecht toeven: 'I stay down with my demons' vervolgt hij, onmiskenbaar opgeruimd klinkend. Daarnaast kent elk National-album wel zijn obligate houd-er-de-moed-maar-in-nummer, zoals 'Apartment Story' op Boxer (2007) of 'Vanderlyle Crybaby Geeks' op High Violet (2010). Trouble Will Find Me past helemaal in het vertrouwde National-stramien, van de overtuigende opener 'I Should Live in Salt' tot de opbeurende epiloog 'Hard to Find'. Hoogtepunt is 'Don't Swallow the Cap', ook al zo'n archetypische National-song, met een intro dat uitloopt in een pulserend ritme, teksten vol zelfverwijt ('I'm tired, I'm freezing, I'm dumb') en culturele referenties ('play Let It Be / Or Nevermind'). 'This Is the Last Time' - mooi outro - en 'Pink Rabbits' - heerlijk treurig - zijn eveneens erg goed, maar verder is het dit keer vrij vlak allemaal. Aardige, degelijke, veilige liedjes, maar geen verrassingen of instant klassiekers. Wel is er veel zorg besteed aan de materiële kant, met prachtig artwork, zowel op en binnen in de covers als in het boekje, en Sufjan Stevens doet ook weer lekker mee als instrumentalist. Is het album als geheel dus geen meesterwerk, het staat wel weer vol gedenkwaardige zinnetjes: herkenbaar ('When I walk into a room / I do not light it up'); hamerend ('I have only two emotions / Careful fear and dead devotion'); mysterieus ('I know I was a 45%er then'); ontroerend ('I don't want you to change, but I want you to sympathize'); confronterend ('I was a television version of a person with a broken heart'). Op Trouble Will Find Me herhaalt The National zichzelf, maar een band met een geheel eigen geluid kan dat eigenlijk niet eens echt kwalijk worden genomen. [7.0]

dinsdag 25 februari 2014

Arcade Fire - Reflektor

Naast een nieuw album van de grootste nog levende artiest van vroeger verscheen er eind vorig jaar ook een nieuwe plaat van de volgens velen toonaangevende hedendaagse band. The Arcade Fire bracht met Reflektor de langverwachte opvolger uit van het belachelijk succesvolle The Suburbs (2010), dat de Canadezen zelfs een Grammy opleverde.

Het was het meest toegankelijke album tot dan toe, na het pompende Funeral (2004) en het symfonische Neon Bible (2007). Met Reflektor wordt een meer experimentele weg in geslagen. Ingenieuze composities, veel ruis, veel herrie ook. En een stevige reflectie op de eigen formule. 'Oh man, I hope you like rock 'n roll music, cause I don't know if I do', klinkt het op 'Normal Person', om vervolgens wel doodleuk het snoeihardste nummer van de plaat eruit te smijten.

'Normal Person' is het middelste van drie liedjes waarin met veel zelfspot de hoge vlucht die Arcade Fire de laatste jaren heeft genomen wordt gethematiseerd, met applaus aan begin en eind van een track, het geluid van juichend, joelend en fluitend publiek op de achtergrond, en een overenthousiaste stem die de band aankondigt. Het is zo snel gegaan, hoor je dan vaak, zo ook in 'You Already Know', dat opent met de regel 'Sometimes it moves so fast'.

De nieuwe status wordt ook bevestigd door de coöperatie van David Bowie, die een paar regels mag zingen in de titeltrack die het album opent. Overigens komen we zijn naam in het boekje vreemd genoeg alleen tegen onder de restcategorie 'Thank you', terwijl bijvoorbeeld de percussionisten wel een aparte vermelding krijgen. 'Reflektor' is wel een heerlijk nummer, een echte Arcade Fire met een magistrale opbouw, tempoversnellingen en Régine Chassagne die in het Frans ertussendoor zingt : 'Entre la nuit, la nuit et l'aurore / Entre le royaume des vivants et des morts.'

Op de voorkant is een sculptuur afgebeeld van Orpheus en Eurydice van de hand Auguste Rodin, uit de collectie van het Metropolitan Museum of Art, New York. De Orpheus-mythe is dan ook het leidmotief op dit album, met onbereikbaarheid en het (om)kijken naar de geliefde als centrale thematiek. Dit wordt ook toegepast op de moderne tijd, met de camera als het oog dat de ziel van de beroemdheid vangt: 'What if the camera, really do, take your soul, on and on, hit me with your flashbulb eyes.'

Reflektor is een dubbelalbum, de totale lengte overschrijdt net de 75 minuten die er op één cd'tje passen. De laatste paar minuten van het afsluitende nummer 'Supersymmetry' bestaan echter uit ondefinieerbare geluiden. Daarnaast zit er tussen liedje 7 en 8 zo'n vloeiende overgang die je vandaag de dag steeds vaker hoort, waarbij het outro van het ene nummer meteen het intro van het volgende is. Liedje 7 is het echter het laatste van cd 1, zodat je eerst een nieuw schijfje in de speler moet stoppen en het effect verloren gaat.

Bij Arcade Fire is alles echter altijd zo weldoordacht dat je je onmogelijk voor kunt stellen dat dit niet geïntendeerd is. Wat is het idee erachter? Een stimulans om digitaal te luisteren, waar er geen dubbelcd's bestaan, laat staan het wisselen van schijfje? Toch hebben beide delen wel degelijk een verschillend karakter - ze worden ook gepresenteerd als 'Volume' 1 en 2.

Deel 1 is een soort wall of sound op z'n Arcade Fires, met dreunende ritmes, elektronische hoogstandjes en snerpende riffs. Deel 2 is veel melancholischer, verstilder ook. Het opent met 'Here Comes the Night Time, pt. II', een trage, door de strijkers ook meer contemplatieve versie ten opzichte van part I op Deel 1, dat met zijn olijke pianodeuntje eerder energiek en opzwepend was. De tekst is nu ook veel donkerder. In pt. I nog met regels als 'When I hear the beat, the spirit's on me like a life wire / A thousand horses running wild in a city on fire', in pt. II 'I hurt myself again, along with all my friends / Feels like it never ends, here comes the night again'.

Hoogtepunten zijn 'Afwul Sound (Oh Eurydice)' en 'It's Never Over (Oh Orpheus)', waarin de mythische geliefden in hun eenentwintigste-eeuwse gedaanten aan het woord komen. 'Afwul Sound' steekt zowel tekstueel als muzikaal meesterlijk in elkaar. Tot 1 minuut 55 klinken nog de beukende drums, om dan ineens plaats te maken voor treurende, lang aangehouden noten. Op precies 3 minuten leiden een paar drumslagen de prachtige noodkreet in: 'I know there's a way, we can make 'em pay, think it over / and say "I'm never going back again". / I know there's a way, we can leave today, think it over...'.

'Hey Orpheus! I'm behind you. / Don't turn around, I can find you', roept Eurydice vervolgens in 'It's Never Over'. We herkennen de mythe. Het beeld van Eurydice die vanuit de onderwereld haar geliefde roept vindt zijn muzikale pendant al in het intro, dat letterlijk uit de diepte komt opzetten, en ook in de zang, die door het zachte volume van ver lijkt te komen. 'Seems so important now, but you will get over' is eerst nog de boodschap, maar dat laatste verandert uiteindelijk in 'it's never over'. Ook de heerlijke gitaarriff maakt dit tot een topnummer.

In het vorige nummer zaten de regels 'I was standing beside you, by a frozen sea / Will you ever get free?' In 'It's Never Over' wordt dat 'We stood beside a frozen sea, I saw you out in front of me.' Zulke spiegelingen, reflektors, vinden we zo te kust en te keur. Het hele album zit ontzettend ingenieus in elkaar, je blijft ontdekkingen doen. Daarbij is er wel één probleem: Funeral kon je ontelbare malen draaien zonder dat het ging vervelen, maar Reflektor wordt op den duur wel vervelend.

De laatste drie nummers zijn veel minder beklijvend, al springt in 'Supersymmetry' vooral de opening eruit: 'I know you're living in my mind, it's not the same as being alive.' Al met al is Arcade Fire's vierde een interessant album, een respectabele prestatie ook, maar niet altijd, of niet lang genoeg, een genotrijke luisterervaring. Is Reflektor daarmee hun Sgt. Pepper's? Dat gaat wat te ver, maar het album heeft dezelfde combinatie van vakmanschap meesterschap en grenzeloze experimenteerdrift die soms verslavend is maar soms ook irriteert.

Cijfer: 7.7

donderdag 16 januari 2014

Paul McCartney - New

De laatste twee studioalbums van Paul McCartney hebben mij bijzonder veel luisterplezier bezorgd. Chaos and Creation in the Backyard (2005) stond als een huis. Een robuust album uit één stuk. Veertien gepolijste en tijdloze songs. Memory Almost Full (2007) was afwisselender, eigenzinniger, bijdetijdser. Dat laatste is niet per se een gunstige eigenschap, integendeel. Een gevestigde artiest op leeftijd die gewild modern gaat doen, is er iets ergers?

Gelukkig wist Macca de nieuwerwetse accenten voldoende authentiek te laten klinken door ze in te bedden in magische narratieven ('Mr. Bellamy'), uitgekiende timing en swing ('Ever Present Past') en niet in de laatste plaats door een superieure zelfspot. Een 65-jarige die 'Everybody's gonna dance tonight' zingt heeft die zelfspot ook hard nodig. McCartney deed het door steeds dezelfde paar regels te zingen en daarbij op een banjo te tokkelen. Ik kan er niet anders dan met een brede grijns naar luisteren.

Nu is er New (2013). Een album waar ik lange tijd maar niet aan kon wennen. Het pakte niet, het bleef niet hangen, er was geen klik. De front cover is evenwel prachtig. Echt zo'n voorkant die ervoor zorgt dat je het album lang bovenop het stapeltje aanwinsten laat liggen voor het in de kast verdwijnt. Misschien is dat zijn redding geweest. Want ik wilde al een van teleurstelling getuigend stukje schrijven toen ik er ineens in begon te komen. Alsof je na een aantal vruchteloze pogingen om de auto te starten de moed op wil geven, het tegen beter weten in nog één keer probeert en dan de motor eindelijk hoort aanslaan.

Dat betekent niet dat New alsnog een topper bleek. Je bent dan wel onderweg, maar onder de motorkap is het blijkbaar een rommeltje. Een groot deel van de in totaal 13 liedjes (12 plus een bonus track) blijft ondermaats, variërend van simpelweg saai tot tamelijk afgrijselijk. Mogelijk is het grote aantal producers dat zich met de plaat bemoeid heeft er debet aan dat New mijlenver afstaat van het coherente Chaos and Creation.

In een bericht aan de luisteraar dat aan de binnenkant van de hoes staat afgedrukt ('Dear you, sorry I didn't get back sooner. Been busy. New songs needed to be recorded', etc.), laat McCartney weten dat hij met verschillende producers in de weer is geweest, 'the idea being that one of them would stick out, and we would do the rest of the songs together'. Maar ze vielen een voor een in de smaak, zodat er uiteindelijk vier producers verantwoordelijk zijn voor de sound van New: Giles Martin, Ethan Johns (beiden 1969), Paul Epworth (1974) en Mark Ronson (1975).

Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat deze jonkies net iets te hard hun best hebben gedaan, wellicht ook in stilzwijgende competitie met elkaar, om McCartney met zijn tijd mee te laten gaan, zoals dat quasi-progressief genoemd wordt. Zonder zelfspot, ik zei het al, gaat dat niet, en dat merken we aan misbaksels als 'Appreciate' en 'Everybody Out There'. In de eerste horen we McCartney op een soort halfslachtige hiphop-beat met Lady Gaga-achtige geluidseffecten een twijfelachtig lesje opdreunen. De tweede begint nog wel aardig, maar eindigt in een schreeuw die het midden houdt tussen gorgelend 'grunten' en een verstikte roep om hulp.

Een algemeen euvel is dat de stem van McCartney, de zangpartij, dusdanig bewerkt is dat hij vaak erg ver op de achtergrond klinkt of een wat mechanische klank heeft. Ook zijn de muzikale effecten soms zo dik aangezet, dat ze te overheersend aanwezig zijn. Dit is het geval bij de openers 'Save us' en 'Alligator'. In andere tracks die door de muziek verpest dreigen te worden redt McCartney de meubels met zijn tekst of uitvoering.

Dat zit dit keer in vlotte zinnetjes met subtiele verschuivingen, zoals in de titelsong ('All my life, I never knew, what I could be, what I could do, when we were new'), in onopgesmukte zinnen die in een slimme melodielijn zijn gegoten, bijvoorbeeld in 'I Can Bet' ('What I'm gonna do next, I leave entirely to your imagination'), of in de incorporatie van een tekstje uit een kinderliedje, wat gebeurt in 'Queenie Eye' ('Queenie eye, queenie eye, who's got the ball, I haven't got it, it isn't in my pocket').

Gelukkig bevat New ook nog een aantal echte juweeltjes. Dat zijn hier de rustige, akoestische nummers, waarin de instrumenten niet alle aandacht opeisen maar in dienst staan van de intrigerende liedteksten en gevoelvolle stem van McCartney. De nummers waarin we hem gewoon in al zijn kwetsbaarheid uit de boxen de kamer in horen zweven, waarin zijn stem de doorleefdheid heeft die iemand met zijn staat van dienst nu eenmaal heeft, zonder te zijn weggemixt. Ik noem de bonustrack 'Scared', maar het komt ook in de meer goedgemutstere nummers tot uitdrukking, zoals 'On My Way to Work'.

Dit lied is een heerlijke combo van melancholie en vrolijkheid. Het doet me denken aan 'A Day in the Life', misschien wel het beste Beatles-nummer ooit. Daar zong McCartney onder meer 'Found my coat and grabbed my hat, made the bus in seconds flat / Found my way upstairs and had a smoke / Somebody spoke and I went into a dream'. Hier klinkt het 'On my way to work, I rode a big green bus' en 'As I was clocking in / I could see everything, how it came to be / People come and go, smoking cigarettes'. Tegelijk horen we, ruim 45 jaar later, in welke droom hij toen belandde: hij zag een meisje in een tijdschrift, 'she came from Chichester, to study history / She had removed her clothes, for the likes of me.' Heerlijk.

Onbetwist hoogtepunt is 'Early days', een magistraal werkje dat in vier minuten opstijgt naar hemelse hoogten. McCartney zingt direct en openhartig over de tijd dat hij met Lennon de straten van Liverpool afstruinde. Alle poëtische opsmuk wordt afgelegd in een hekeling van de hedendaagse, half-historische Beatles-Forschung: 'Now everybody seems to have their own opinion, of who did this and who did that / But as for me I don't see how they can remember, when they weren't were it was at.'

Zo bezorgt New mij zeer gemengde gevoelens. Het album is een grower, maar lang niet alles komt tot volle wasdom. Ik vermoed dan ook dat ik in de toekomst vaker terug zal grijpen naar Chaos and Creation en Memory Almost Full dan naar New.

Cijfer: 7.0

donderdag 27 september 2012

CD-recensie: Neighborhoods

Als er één band is die mij na aan het hart ligt, dan is het Blink 182. De liedjes van de Amerikaanse band zijn de achtergrondmuziek bij mijn gehele jeugd geweest. Ik kocht de cd's, kende alle nummers uit mijn hoofd, deelde de passie met vrienden, enzovoort. Het geluid van Blink 182 was een aangename mix van joke songs, teenage angst en onvervalste rock. Geen al te gecompliceerde composities en teksten, maar toegankelijke liedjes voor en over pubers. Buddha (1993), Cheshire Cat (1994) en Dude Ranch (1997) vielen te situeren in het punksegment: snelle, eentonige drumritmes, springerige riffs en kolderieke teksten. Met de komst van drummer Travis Barker evolueerde de band naar een meer commerciële pop-rockband, met hitgevoelige liedjes maar ook meer afwisseling in thematiek en melodie. Met Enema of the State (1999) brak Blink 182 internationaal door; Take Off Your Pants and Jackets (2001) continueerde het succes.

In 2003 verscheen het zesde, eponiem getitelde album, dat in vrijwel niets meer leek op al het voorgaande. Geen grappen en grollen meer, geen sentimentele songs over scholieronzekerheden, maar bloedserieuze en veelal stemmige tracks die de weerslag waren van het logische proces van volwassenwording en tegelijk een aanklacht waren tegen de struggles van diezelfde volwassenwording. De ernstige thematiek en dito geluid van Blink 182 kwamen voor mij - bijna scholier af - op het juiste moment. Ik groeide immers gelijkopgaand mee met mijn geliefde band, de timing was perfect. Het album werd bovendien goed ontvangen in de pers. Kortom: er leek geen vuiltje aan de lucht, na de punk en het grote publiek was Blink-182 nu klaar om in zijn derde periode met kwaliteitsmuziek ook de serieuze critici en luisteraars te veroveren.

Tot ineens het nieuws uitlekte dat Blink 182 ermee ophield. Er was ruzie in de tent, zo bleek al gauw, en alle betrokkenen wezen naar elkaar. Tom DeLonge werd als de hoofdschuldige aangewezen door de goegemeente, met zijn manager als de vermeende kwade genius. DeLonge ging verder met de band Angels & Airwaves en bracht twee megalomane, niet van zelffelicitatie gespeende albums uit, die mij nauwelijks konden bekoren. Mark Hoppus en Travis Barker vormden +44 en schreven en speelden het onbegrip en de wrok van zich af op When Your Heart Stops Beating, een wat onevenwichtig maar ook aangrijpend album, op zijn beste momenten uitmuntend in donker-sombere expressie.

Niettemin bleef de break-up wringen. In september 2007 besprak ik hier het nummer 'All of This', de samenwerking van Blink 182 met The Cure's Robert Smith op Blink 182, en betreurde daarbij nog maar eens de break-up, die na zo'n prachtig nummer extra onbegrijpelijk aanvoelde. Broeder Stefan reaguurde toen: 'En toch denk ik dat Blink 182 ooit nog bij elkaar komt, misschien omdat ze zoveel succes hebben gehad, en zolang samen zijn geweest dat ze dus niet zo lang "boos" op elkaar zijn (het zou immers de manager zijn ofzo die de boel aan het opnaaien was). Misschien wel omdat Tom's Angels & Airwaves niet een groot succes is, en +44 waarschijnlijk ook nooit zo groot zal worden'. Een echte kenner, die beste jongen, want alles wat hij hier voorspelde is nu, precies vijf jaar later, inderdaad uitgekomen: Angels & Airwaves wist de zelfgecreëerde pretenties nooit waar te maken, van +44 verscheen slechts één album en Blink-182 is inderdaad weer bij elkaar.

Er was echter wel een drama voor nodig om het laatste restje ressentiment weg te nemen, maar toch. Travis Barker overleefde in september 2008 ternauwernood een vliegtuigcrash. De drie waren toen alweer on speaking terms, maar het ongeluk betekende de definitieve aanzet tot hernieuwde muzikale samenwerking. Tom DeLonge hebben we dan wel aangewezen als degene die in 2003 de lont in het kruitvat stak, hij is ook degene geweest die de verzoening uiteindelijk definitief in gang heeft gezet, dat geven we hem na. In 2009 werd de hereniging officieel bevestigd. Toch liet een nieuw album nog twee jaar op zich wachten, maar vorig jaar was het dan eindelijk zover: Neighborhoods lag in de winkels.

Vreemd genoeg was ik niet meteen geestdriftig en stond ik niet te springen om de cd te beluisteren. Waarschijnlijk was ik bang teleurgesteld te worden, vreesde ik dat die achtjarige stilte mijn toewijding aan Blink 182 ernstig had aangetast. Zou ik de muziek nog weten te waarderen, na acht jaar intensieve omgang met nieuwe, andere bands en natuurlijk ook acht jaar levenservaring erbij. Moet de band van je jeugd niet eerst en vooral de band uit je jeugd blijven? Nieuwsgierigheid en loyaliteit wonnen het uiteindelijk van de genoemde bezwaren en afgelopen zomer startte ik Neighborhoods voor de eerste keer in.

Een achtbaan van emoties is schromelijk overdreven, maar de eerste klanken van de opener, 'Ghost on the Dancefloor', riepen meteen een keur aan associaties en gevoelens op, zo'n beetje de hele voorgeschiedenis, inclusief de acht Blinkloze jaren: de drumbeat van Barker is meteen weer helemaal Blink, net als de snelle gitaarriff van DeLonge - we zijn weer thuis -, maar dan klinkt daar opeens een synthesizer doorheen en waan ik me midden in The Killers; de jaren laten zich meteen gelden. Ik bedoel niet zozeer dat Blink 182 zich heeft laten inspireren door de nieuwe voorhoede, maar veeleer dat ik zelf zoveel meer bagage heb dat ik deze cd onwillekeurig afzet tegen wat er de voorbije acht jaar allemaal is gebeurd in de moderne rock.

Het refrein van het tweede nummer, 'Natives', wordt gezongen door Hoppus, de eerste keer dat we hem horen. Ik heb Hoppus altijd een een interessanter zanger gevonden dan DeLonge. Hoppus' stem is weliswaar monotoon, maar naar mijn smaak wel intenser en sympathieker dan de altijd wat pathetische DeLonge. 'Natives' is een behoorlijk stevig nummer, in de lijn van explosies als 'Go' en 'Stockholm Syndrome' op Blink 182. Neighborhoods is sowieso een hard album. Geen ballads, veel energieke en snelle liedjes. Een snoeihard nummer als 'Heart's All Gone' is zelfs pure metal te noemen.

De enige twee rustigere nummers zijn 'Up All Night' en 'After Midnight'. De eerste begint nog stevig, maar de coupletten en bridges zijn meer gepolijst, en ook tekstueel sterk: 'I struggle through each and every year' zingt DeLonge overtuigend in de bridge, en het tweede couplet heeft intrigerende regels als 'Everyone's cross to bear's a crown they wear on endless holiday' en 'Everyone lives to tell the tale of how we die alone some day'. 'After Midnight' heeft een briljant gitaarloopje dat heel geniepig in je hoofd gaat zitten. Het drumintro van Travis doet trouwens denken aan het beste van Box Car Racer, Barker en DeLonge's zijproject uit 2002. Ook qua zang is dit nummer origineel en gedurfd, met een voor de verandering ingetogen en bijna verlegen zingende DeLonge.

Bij vlagen is Neighborhoods een voortzetting van de weg die met het eponieme album was ingeslagen, maar helaas horen we ook regelmatig een terugkeer naar Take Off Your Pants and Jackets, bijvoorbeeld in 'Wishing Well', 'Kaleidoscope' en 'This Is Home', een rijtje zwakke nummers, met simpele ritmes en slappe teksten, en zelfs enkele la-da-da-da's. 'Love Is Dangerous' trekt het niveau alsnog een flink stuk omhoog. Het is een echt +44-nummer: donker van toon, mismoedige zang, sombere tekst: 'I've had it, with this damn double vision / My hand's swollen, I can't keep holding on. / My heart's sinking, and stuck in deadly rhythm / I can't fake it, I can't, can't brush it off.'

Neighborhoods vergt aardig wat geduld van de luisteraar, het duurt lang voor je erin komt. Eenmaal vertrouwd met het album ontplooit ongeveer de helft van het totale aantal songs zich tot pure klasse en een aangename mix van het vertrouwde Blink 182-geluid en nieuwe invloeden en ideeën. De andere helft blijft middelmatig, voorspelbaar, saai. Acht jaar stilte heeft zeker een grote impact gehad. De mannen hebben oprecht getracht de draad op te pakken waar ze die acht jaar geleden hebben laten liggen, maar tegelijk merk je dat ze alle drie hun eigen ontwikkeling hebben doorgemaakt en daarvan proberen te getuigen op dit album. Dat is een proces van geven en nemen geweest en heeft nog niet echt een tot een nieuwe synthese geleid, terwijl er ook thematisch weinig lijn in zit.

Mark Hoppus, Tom DeLonge en Travis Barker hebben het oude Blink-182-gevoel weer willen oproepen en tegelijkertijd hebben ze rekenschap willen geven van de voorbije acht jaar om opnieuw een betekenisvolle positie te kunnen innemen in het muzikale landschap. Ze hebben met andere woorden gepoogd iets van de goeie ouwe tijd op te roepen én zich een bijdetijdse band te tonen. Neighborhoods ademt in alles dat hinken op twee gedachten, wat het tot het tegendeel van een compromisloos album maakt: het is een 'veilig' album zonder echte uitschieters. Daarmee sluit het album paradoxaal genoeg heel goed aan bij mijn luisterervaring: het is Blink 182 waar ik naar luister, maar tegelijkertijd ook niet meer.

Cijfer: 7.0

dinsdag 8 november 2011

CD-recensie: Helplessness Blues


Eerder dit jaar verscheen het langverwachte tweede album van Fleet Foxes. Helplessness Blues is de opvolger van het alom bejubelde self-titled Fleet Foxes uit 2008. Die cd heeft altijd wat ambivalente gevoelens bij me gewekt. Enerzijds werd ik volledig gegrepen door enkele nummers, zoals de vrieskou ademende 'White Winter Hymnal', de aangrijpende 'Tiger Mountain Peasant Song', het intense slot van 'Oliver James' en zeker ook 'Blue Ridge Mountains', waarbij ik het zelfs niet altijd droog hield tussen 1:55 en 2:15. Anderzijds luisterde ik bij voorkeur niet het hele album omdat de andere liedjes me weinig tot niets deden.

Voor Helplessness Blues hoopte ik dan ook op vergelijkbare aangrijpende liedjes, maar nu ingebed in een consistent album. Alles lijkt eraan gedaan om Helplessness Blues meer te laten zijn dan slechts een verzameling liedjes. Motieven keren in meerdere songs terug, zowel op muzikaal als op tekstueel vlak, vaak zelfs letterlijk. Zo is Innisfree, het geïdealiseerde eiland uit de poëzie van W.B. Yeats, een terugkerend thema. Ik heb de cd nu vele malen geluisterd en ik moet toch tot de conclusie komen dat het Robin Pecknold en zijn mannen niet gelukt is. Wederom word ik zeer geraakt door de schoonheid en diepgang van enkele nummers, maar kan het album me als geheel niet bekoren.

Hoogtepunt is, al vanaf de eerste luisterbeurt, de titelsong 'Helplessness Blues'. Het openingscouplet is overdonderend in zijn helderheid en waarachtigheid: 'I was raised up believing / I was somehow unique / Like a snowflake, distinct among snowflakes, unique in each way you can see. / And now after some thinking / I'd say I'd rather be / a functioning cog in some great machinery, serving something beyond me.' Zo is het. De muziek komt vervolgens fanatiek opzetten. Er wordt uitgevaren tegen de 'men who move only in dimly-lit halls / and determine my future for me'. Het is een escapistisch lied, dat waardig eindigt met een minuten durend droombeeld van een gelukkig landleven: 'If I had an orchard / I'd work till I'm sore.'

Al even meeslepend is het ruim acht minuten durende 'The Shrine/An Argument'. Dit nummer is opgebouwd uit vier delen, die muzikaal nauwelijks op elkaar aansluiten, een beetje zoals de drie delen in Paul McCartney's 'Band on the Run'. Ook daar levert dit evenwel toch een goed nummer op. Met 'Band on the Run' heeft 'The Shrine/An Argument' ook het contrast in tempo en sfeer tussen de verschillende delen gemeen. De luisteraar wordt heen en weer geslingerd tussen stemmig-somber en bruisend-bevlogen.

Net als 'Helplessness Blues' begint ook 'The Shrine/An Argument' narratief erg sterk, met een indringend beeld: 'I went down among the dust and pollen / to the old stone fountain in the morning after dawn.' Op de bodem van de fontein ligt muntgeld, 'fallen from the hands of childeren, / they were there and then were gone. / And I wondered what became of them, what became of them.' Het refrein toont de dualiteit van Pecknold: van het krachtig gezongen 'Sunlight over me no matter what I do' switcht hij in één adem naar het zijige 'Apples in the summer are cold and sweet'. In de slotminuut is de ruzie uit het tweede deel van de titel verwerkt, treffend verklankt in het wilde geweld van een jazzsaxofoon.

Het andere uiterste vinden we in 'Blue Spotted Tail', een klein, ingetogen liedje en de derde topper van de cd. De existentiële angst, ook een leidmotief, is hier prachtig gesitueerd in de verlorenheid en vergeefsheid die men weleens ervaart onder de sterrenhemel, die gapende afgrond boven ons. 'Why is life made only for to end? / Why do I do all this waiting then?' Ook 'Battery Kinzie' en 'The Plains/Bitter Dancer' hebben hun bekoring, respectievelijk huizend in het verhaal en de muzikale opbouw, maar de overige nummers doen te weinig, hebben niet dat splijtende moment. Opener 'Montezuma' begint sterk, maar bloedt dood, 'Bedouin Dress' en 'Sim Sala Bim' komen nooit echt op gang, en 'Lorelai' en 'Someone You'd Admire' zijn uiteindelijk vlakke, saaie nummers.

Helplessness Blues moet het dus hebben van drie à vier weergaloze tracks. Is dat genoeg, een stuk of wat juweeltjes? Ik vrees van niet. Bij een debuutalbum is wisselvalligheid in kwaliteit vergeeflijk, bij een tweede proeve van bekwaamheid mag er zwaarder aan getild worden. Maar, we leven in een wereld waarin de luisteraar vrij is zijn eigen cd bij elkaar te selecteren. De toppers van Fleet Foxes en Helplessness Blues leveren bij elkaar een uitmuntende cd op, zinderend van schoonheid en emotie.

Cijfer: 7,5

donderdag 6 oktober 2011

CD-recensie: Codes and Keys

In het werk van Death Cab for Cutie is de open deur een terugkerende metafoor. 'He was always distracted / by the very mention / of an open door', heet het in 'Long Division', van het album Narrow Stairs (2008). In 2009 werd zelfs de titel van een EP gewijd aan dit beeld: The Open Door EP. In het nummer 'My Mirror Speaks' van die plaat komen voorts de volgende regels voor: 'I always fall in love with an open door / With the horizon on an endless sea / As I look around the ones / Who are standing right in front of me.'

De 'open deur' lijkt in beide voorbeelden te staan voor afleiding, iets wat verhindert de blik te richten op wat dichtbij is, wat voor het grijpen ligt, wat echt belangrijk is. Op Codes and Keys, het nieuwe album van Death Cab, maakt de deur opnieuw zijn opwachting. 'Down in the ocean of sound, sound / We'll live in slow motion / And be free / With doors unlocked and open / Doors unlocked and open' ('Doors unlocked and open'). De open deur is hier een dubbelzinnig beeld. Er is geen sprake van eindelijk vrij zijn van de open deur, maar met open deuren. Toch lijken ze nu hun plaats te hebben gekregen in een harmonieus samenzijn met een geliefde.

Codes and Keys is het zevende volledige album van Death Cab. Voorgaande cd's als Transatlanticism (2003) en Plans (2005) waren qua diepgang en thematiek op het lijf geschreven van ploeterende twintigers, of zoals Allmusic het zeer treffend omschreef: 'graduate students, world-weary and wiser from their experiences, realizing they can no longer be love-starved 20-somethings without a clue yet hopelessly cursed to face the same issues.' De bandleden zijn echter de dertig ruim gepasseerd, hebben hun levens op de rails, en dat moest vroeg of laat tot uitdrukking komen in de muziek. Codes and Keys is dan ook een opgeruimde, optimistische plaat, met lofzangen op de liefde en het leven.

Voor mij was dat enorm wennen, zeker omdat ik de Death Cab-albums niet chronologisch heb leren kennen. De laatste die ik intensief heb beluisterd was de vroege plaat We Have the Facts and We're Voting Yes (2000), een voor het grootste gedeelte zeer sombere en donkere cd. Dan valt de gelukzaligheid van Codes and Keys rauw op het dak. Ben Gibbard zou Ben Gibbard echter niet zijn als hij niet zijn particuliere Lebensbejahung zo nu en dan had weten om te vormen tot rake, pakkende liedjes. De opener 'Home Is a Fire' met zijn tempoversnelling in het midden en 'Underneath the Sycamore' met zijn repetitieve refrein hebben een onmiskenbare charme.

Ook weet Gibbard hier en daar een liefdesliedje een zwartromantisch randje mee te geven, zoals hij dat eerder al eens deed in 'I Will Follow You into the Dark'. In 'Monday Morning' klinkt het bijna treiterend: 'The night is gonna fall / And the vultures will surround you / And when you look into the mirror / What you see is gonna astound you'. Toch blijft Codes and Keys de meeste tijd een oppervlakkig album. Minder geslaagd zijn bijvoorbeeld de geëxalteerde uitroepen in 'Codes and Keys' ('We are alive!') en 'Unobstructed Views' ('Just our love, just our love!'). 'Portable Television' en 'Stay Young, Go Dancing' zijn saaie opvullers.

De nummers die nog wél een wat stemmiger thematiek hebben, zijn qua muziek juist weer vrolijk gestemd, wat niet altijd samengaat. In 'Some Boys' worden de regels 'Some boys are sleeping alone / Cause there's no one that's keeping them warm through the evening / They know that they're on their own' zeer opgeruimd gezongen, net als de 'kop op, jongen'-teneur van 'You're a Tourist': 'When there's a doubt within your mind / Cause you're thinking all the time / Framing rights into wrongs / Move along, move along.'

Codes and Keys kent één grote uitschieter naar boven. 'St. Peter's Cathedral' kan zich moeiteloos meten met de grote, contemplatieve juweeltjes van eerdere albums. Dit lied over de dood begint nog prettig agnostisch: 'When the candle in the tunnel / Is flickering and sputters / And fading faster / It's only then that you will know / What lies above or down below / Or if these fictions only prove / How much you've really got to lose'. In het tweede couplet wordt de belofte van hemelse zaligheid waar zo'n enorme kathedraal naar wijst en verwijst geprezen: 'Such ambition never failing to amaze me' -, maar tegelijkertijd ook in twijfel getrokken: 'It's either quite a master plan / Or just chemicals that help us understand / That when our hearts stop ticking / This is the end and there's nothing past this'.

Die laatste vier woorden worden vervolgens herhaald en herhaald, waardoor sluipend, stap voor stap, de balans verschuift van onwetendheid over leven na de dood naar een ferme, onwrikbare zekerheid over de eindigheid van alles bij het overlijden:
'There's nothing past this
There's nothing past this.'
Deze overtuiging wordt er zo werkelijk bij de luisteraar ingeramd:
'There's nothing past this
There's nothing past this.'
Zeer indrukwekkend. Ook omdat het de keiharde waarheid is.

Eén geweldig nummer is evenwel niet voldoende om een cd de lucht in te steken. Codes and Keys is zeker geen slecht album, er valt genoeg aangenaams op te beluisteren, maar wat het mist zijn equivalenten van klassieke, poëtische kunststukjes die de band eerder tot grote hoogten deden stijgen. Maar eerlijk is eerlijk, we kunnen het Ben Gibbard niet kwalijk nemen, hij is getrouwd en gelukkig. De deur staat wagenwijd open.

Cijfer: 7,3

dinsdag 8 februari 2011

Twee albums

The National - High Violet (2010)
Deze cd leerde ik net te laat kennen om hem nog mee te nemen in het lijstje met de beste albums in het jaaroverzicht. High Violet had daarin zeker niet misstaan. Het vijfde album van The National is zonder overdrijving imponerend te noemen. Ik zag de band voor het eerst in een tv-registratie van Lowlands, met een uitvoering van 'Terrible Love', de opener van de cd. Dat nummer eindigt in een orgiastische explosie van gitaren en drums. De rest van het album is echter aanzienlijk ingetogener en verfijnder.
De eerste regels van 'Sorrow' zetten duidelijk de toon: 'Sorrow found me when I was young / Sorrow waited, sorrow won.' De zware lage stem van zanger Matt Berninger leent zich perfect voor de donkere, sombere nummers van High Violet. Toch onttrekt The National zich aan de clichés van de rechtlijnige depressierock; zowel in de muziek als in de teksten winnen melancholie en rationele berusting het soms van de uitzichtloosheid. Het beste voorbeeld hiervan is 'Bloodbuzz Ohio', waarin het toenemende besef van heimwee naar de geboortegrond mooi vormgegeven is: 'I never thought about love when I thought about home'.
Hoogtepunt van het album is waarschijnlijk 'Lemonworld'. Het refrein is bloedeloos, maar de coupletten zijn wonderschoon. Dan heb je honderden, zoniet duizenden liedjes over smart en melancholie gehoord, en dan maakt The National dat alles in een paar regels hopeloos overbodig: 'This grassy stuff makes me dizzy / I guess I've always been a delicate man / It takes me a day to remember a day / I didn't mean to let it get so far out of hand // I was a comfortable kid / but I don't think about it much anymore.'
Merkwaardig aan High Violet is dat alle sterke nummers in de tweede helft van het album te vinden zijn - dat zie je niet zo vaak. 'Conversation 16' en 'England' bijvoorbeeld - met de prachtig ritmisch gezongen beginregels 'Someone send a runner through the wheather that I'm under for the feeling that I lost today' - worden met elke luisterbeurt beter.
High Violet is sowieso een album dat wat geduld van de luisteraar vraagt om tot wasdom te komen, maar wanneer dat eenmaal het geval is grijpt het je bij de keel om niet meer snel los te laten. De pianoklanken in het intro van 'England', de wisselingen van toon en tempo binnen nummers, de geloofwaardig gezongen teksten over ennui en ellende, het is allemaal gedoseerd genoeg om te overtuigen. Nog zo'n parel van een couplet uit 'Lemonworld' ter afsluiting: 'I gave my heart to the army / the only sentimental thing I could think of / With cousins and colours somewhere overseas / but it'll take a better war to kill a college man like me.'

Radical Face - Ghost (2007)
De teksten van liedjes hebben in de regel mijn bijzondere aandacht, maar in het geval van Radical Face zijn ze slechts van secundair belang. Op Ghost, het eerste en voorlopig enige album van deze band, zingt voorman Ben Cooper namelijk zo ingehouden dat de zang eerder als begeleiding bij de muziek fungeert dan andersom. En dan zijn de teksten ook nog zo mysterieus en hermetisch dat je als luisteraar slechts een vaag idee hebt van waar ze eigenlijk over gaan. Dit alles past binnen de opzet van het album.
De opener is een instrumentaal nummer met de titel 'Asleep on a train'. De andere nummers van het album kunnen vervolgens opgevat worden als uitwerkingen van klanken en beelden die de dromer in zijn slaap door het hoofd spelen. Zo heeft elk nummer als intro een karakteristiek 'droomgeluid', in 'Welcome Home, Son' gierende wind, 'Let the River in' begint met kinderstemmen, in 'Glory' klinken voetstappen, 'Along the Road' heeft krakende deuren, enzovoort.
Cooper mag dan uitzonderlijk zacht zingen, de sterkste nummers van Ghost zijn die waarin zowel muziek als zang afwisselend traag en up-tempo en zacht en hard zijn. 'Welcome Home, Son', bekend van de Nikon-reclame, heeft natuurlijk het exalterende refrein met het lang aangehouden 'home', maar ook 'Wrapped in Piano Strings' en vooral 'Winter Is Coming' zijn dermate gevarieerd en energiek dat ze elke keer weer een verpletterende indruk maken. Laatstgenoemde begint met dreigende gitaarklanken en etherische zang. De refreinen en vooral de bridge zijn vervolgens meer rechttoe rechtaan.
De tekst van de bridge is ongewoon helder: 'Everything we stole, everything we broke, everything we bought is gone. / A couple dumb mistakes, bigger than we thought, nothing left to do but run. / If I could put it back, fill in all the cracks, nothing there I wouldn't change. / But wishing never helps, wishing never helps, wishing never solved a thing.' Na een korte, met strijkers begeleide overgang, volgt dan de ontlading: onder het geluid van beukende drums luidt de conclusie, de conclusie die iedereen uiteindelijk moet trekken: 'You were right.'
Ook Ghost is een album dat niet meteen al zijn kwaliteiten prijsgeeft. Sommige nummers komen nooit echt uit de verf, maar de fraaie gedeelten, de doordachte opbouw en het consequent volgehouden droomthema dat als een lichte waas over alle nummers ligt maken van Ghost een experimenteel album dat meer luisteraars verdient.

dinsdag 21 december 2010

CD-recensie: The Suburbs

Algemeen: Arcade Fire kende ik van het album Neon Bible, een aardige plaat met bijzondere composities en een inventieve gebruikmaking van een groot aantal instrumenten. Het echtpaar Win Butler en Régine Chassagne, frontman en -vrouw van Arcade Fire, had een vervallen kerkgebouw gekocht en dit omgebouwd tot opnamestudio, wat een bijzonder geluid opleverde. Opvolger The Suburbs verscheen afgelopen zomer. Ik verkeerde in de veronderstelling dat de Canadese band bij het grote publiek onbekend was, maar ik las dat The Suburbs de vierde plaats in de Album Top 100 heeft bereikt. Wellicht heeft de column van Dijkshoorn op Nu.nl daaraan bijgedragen.

Inhoud: Op The Suburbs vertelt Arcade Fire het verhaal van de vele anonieme 'kids' die in de seventies opgroeiden in een uit de grond gestampte buitenwijk, een hechte gemeenschap die evenwel voortdurend aan verandering onderhevig was en is en waar opgroeien hand in hand ging met ontgroeien. Het album bestaat dan ook uit songs die afwisselend nostalgisch terugblikken op de jeugdperiode en meer vertwijfeld het verval en de breuk thematiseren. Al in titelsong 1.The Suburbs wordt een verloren wereld opgeroepen. De emotie die met dat besef wordt opgeroepen wordt wel aangestipt maar niet geëxpliciteerd: 'Sometimes I can't believe it / I'm moving past the feeling'. Het is aan de luisteraar te bepalen of het hier heimwee of juist wrok betreft die de ik achter zich laat. Het ritme van dit nummer wordt in een donkerder, pompender vorm gecontinueerd in het schitterende 2.Ready to Start, met een fantastisch intro en een positieve pointe: de stevige waarheid 'I would rather be alone / than pretend I feel allright' wordt aan het eind ingeruild voor de zelfverzekerde opening naar de buitenwereld: 'My mind is open wide / And now I'm ready to start'. De tijd vliedt echter genadeloos, zo leert 3.Modern Man, en men moet met zijn tijd mee. Slapeloze nachten zijn het gevolg en terugkeren is onmogelijk, want de 'kids' van nu switchen sneller van identiteit en stijl dan ooit, aldus het muzikaal sterke 4.Rococo. Na deze vier nummers heb je als luisteraar een aardige impressie van de sfeer en toon van het album. Helaas zijn 5.Empty Room en 6.City with No Children weinig spannende nummers die de aandacht wat doen verslappen. Het tweeluik 7.Half Light I en 8.Half Light II (No Celebration) besluit de eerste helft van het ruim een uur durende The Suburbs. Hierin wordt als het ware een omslagpunt voorbereid. Via contemplatieve teksten en zoekende ritmes komt de nadruk in het vervolg meer te liggen op een doorvoelde melancholie en spijt, een bittere en intense zoektocht naar de verloren tijd. 9.Suburban War vormt het hoogtepunt van dit gevoel. Al vanaf de eerste treurige klanken overtuigt dit nummer. Met 'Let's go for a drive / And see the town tonight' zet Butler in. Dat dorp van vroeger is echter onherkenbaar veranderd: 'This town's so strange / They built it to change'. En de mensen van vroeger zijn niet alleen in ruimtelijke zin ('The cities we live in / could be distant stars'), maar vooral in geestelijke zin mijlenver uiteengegroeid. 'All my old friends / They don't know me know' is de wanhoopskreet die door merg en been gaat. De subtiele verschuiving die in het nummer plaatsvindt van de vrienden die met 'you' worden aangesproken naar het afstandelijke 'They' symboliseert schitterend de verwijdering. Vreemde eend is dan 10.Month of May, waarin plotsklaps stevige riffs hun intrede doen. 11.Wasted Hours blikt met warme sympathie terug op de tijd dat de toekomst nog onzeker was en wijdopen lag voor de kids die dromerig uit het raam van de schoolbus staarden. Nu beseft de ik dat het een drang naar vrijheid was, die nu, in het keurslijf van de maatschappij, nog net zo pregnant is: 'We're still kids in buses longing to be free'. Na het vlakke 12.Deep Blue is 13.We Used to Wait weer een meesterwerkje. Kalm aanvangend ('By the times we met, the times had already changed'), grillig zijn weg zoekend, culminerend in een beukend slot waarin alle remmen losgaan: 'Now we're screaming: Sing the chorus again!!'. Een tweede tweeluik besluit het album waardig. 'Sprawl' (= wildgroei) I en II zijn elkaars tegendelen, de eerste somber en langzaam, de tweede monter en zeer ritmisch. In 14.Sprawl I rijdt de ik met zijn auto maar weer eens de buitenwijk in - het is een terugkerend thema -, op zoek naar sporen van vroeger, maar het enige dat hij vindt is verlorenheid: 'Took a drive into the sprawl / to find the places we used to play / It was the loneliest day of my life'. Het slotcouplet vind ik van een uitzonderlijke schoonheid: 'The last defender of the sprawl / Said, "Well, where do you kids live?" / Well sir, if you only knew / What the answer is worth / Been searching every corner of the earth'. In Sprawl II (Mountains Beyond Mountains) verzorgt Chassange de leadzang. Het is een kritisch lied over een negatief element van de buitenwijk, namelijk de reusachtige winkelcentra die als hedendaagse bergketens in het landschap staan, maar de Kate Bush-achtige stem van Chassagne geeft alles een luchtige ondertoon. 16.The Suburbs (Continued) is een wat hallucinante variatie op het openingsnummer, waarmee de cirkel rond is: dat alles altijd verandert is een gegeven dat nooit verandert.

Conclusie: The Suburbs is een vernuftig in elkaar stekende cd. De nummers verwijzen veelvuldig naar elkaar, met terugkerende teksten en thema's. Goed is dat het album echt de indruk wekt het resultaat te zijn van zorgvuldig componeren en geen overhaast geproduceerde cashcow is geworden. De enorme media-aandacht en de pr-campagne hebben de ambitie en het vakmanschap niet kunnen wegdrukken. Positiviteit is nooit ver weg op dit album, maar de donkere nummers maken toch de meeste indruk: 'Suburban War', 'We Used to Wait' en ' Sprawl I'. Uit deze nummers blijkt dat Arcade Fire zich niet alleen met een grotesk instrumentarium en barokke stijl kan onderscheiden van de massa. Ook in traditionele pop/rock-songs toont de band zijn klasse.

Beoordeling: 8,2

donderdag 23 september 2010

CD-recensie: CD van de Somberheid; tevens Encyclopedie van de somberheid (12)

'Beter laat dan nooit.'


Neerlandicus, journalist, discjockey, blogger en troubadour Stefan Meeuws bracht op 6 maart van dit jaar de CD van de Somberheid uit (oplage: 1). Het album telt twintig nummers van twintig verschillende artiesten. Twintig sombere nummers dus, maar wat verstaat Stefan onder somberheid? Een recensie.

Laat ik beginnen met te stellen dat Stefan een beruchte valkuil vakkundig heeft omzeild: somberheid staat niet gelijk aan depressiviteit. Op dit album dus geen suïcidale, verknipte, levensmoede liedjes. De CD van de Somberheid is niet in de laatste plaats een staalkaart van de canon van ditissstefan.nl (zelf zou hij van 'kanon' spreken). Alle artiesten die meer dan gemiddeld aandacht krijgen op het weblog zijn op deze cd vertegenwoordigd met hun somberste creatie: Tom McRae, Kings of Convenience, Keane, Ray LaMontagne, I Am Kloot en natuurlijk Turin Brakes.

Een groot deel van de namen kende ik dus al van ditisstefan, maar van de twintig liedjes kende ik er pas twee: 'The Way You Want It', een heerlijk herfstig b-kantje van Keane, en 'The Cave' van Mumford & Sons, dat kort na de release van de CD van de Somberheid een hit werd in Nederland. Eén en één is twee. Dat nummer is trouwens behoorlijk energiek en dynamisch en lijkt in niets op het archetypische bedaarde, stemmige somberlied. Het verhaalt van hoop en optimisme. Toch vertrekt het vanuit angst en besef van onvolkomenheid en vertegenwoordigt daarmee in feite ook een aspect van de somberheid.

De voorzet voor de conclusie is hiermee al gegeven: alle aspecten van de somberheid komen aan bod op dit album. De titels van de nummers wijzen al in die richting. Er is nostalgie ('This Old House'), er is verdriet ('A Falling Through', 'Sadsong St.'), er zijn zorgen ('Trouble's What You're In', 'All the Way Down') en er is zelfreflectie ('Not a Reasonable Man', 'Can't Find You'). Op de CD van de Somberheid hebben de ingetogen luisterliedjes de overhand. Weinig drums, veel akoestische gitaren en gevoelvolle zang. Wat dat laatste betreft vind ik Lisa Hannigan een positieve verrassing met haar kristallen stem en innemende accent. Van de vrouwelijke vertenwoordiging noem ik ook nog Sia. Van haar kende ik 'Soon We'll Be Found', dat op deze cd overigens ook niet had misstaan, maar de keuze is hier gevallen op het net zo mooie 'Breathe Me'.

Onder de indruk ben ik van 'I Thought You Said Summer Is Going to Take the Pain Away' van Hello Saferide, een nummer dat ondanks de eenvoudige tekst ('Have you ever had the feeling no one really knows what you're all about / And when you try to show them, they all have things to do') toch iets mysterieus over zich blijft houden. Schitterend triestig is 'Can't Find You' van Tom McRae, net als I Am Kloots 'Not a Reasonable Man'.

Op zo'n bloemlezingachtige cd kan natuurlijk niet alles evenveel indruk maken. 'Glory Box' van Portishead deed me helemaal niks en tegenvallers waren 'grote' namen Nick Drake en Kings of Convenience, met respectievelijk 'Parasite' en 'Scars on Land'. Tot slot noem ik nog een omissie, al valt de samensteller in dezen niets kwalijk te nemen. Uit de ditisstefan-rubriek 'Een week muziek' was ik behoorlijk in de ban geraakt van 'The Sailor Song' van The Gadsdens. Een prachtig nummer dat de kaart der somberheid perfect uitspeelt en als het ware gemaakt is voor deze cd.

Maar laat ik ophouden. De CD van de Somberheid is een treffende verzameling Stefan-liedjes uit het sombere segment, coherent en toch gevarieerd. Misschien is het tijd voor een nieuwe, grotere oplage.

woensdag 25 februari 2009

CD-recensie: Perfect Symmetry

Algemeen: In een eerder bericht sprak ik mijn vrees uit over de kwaliteit van het nieuwe album van Keane, de Engelse band waarvan de eerste twee cd's mij zeer goed waren bevallen. Zanger Tom Chaplin kondigde namelijk aan op het nieuwe album de boodschap te gaan verkondigen dat men wat aardiger voor elkaar moest zijn. Dat beloofde weinig goeds. De kracht van de voorgangers - in het bijzonder Under the Iron Sea - zat hem namelijk in de donkere thematiek en artistieke verwerking van een moeilijke periode. Waren mijn voorgevoelens juist of weet Keane toch te verrassen?

Inhoud: Het openingsnummer en eerste single 1.Spiralling stond aanvankelijk symbool voor de in mijn ogen neerwaartse spiraal van Keane. Een quasihip deuntje en een ergerlijk terugkerend 'ooohhh!!!'. Het wint echter bij elke luisterbeurt aan charme en overtuiging. De muziek is dwingend en meeslepend en de openingszinnen zijn helemaal des Keanes: 'I'm waiting for my moment to come/ I’m waiting for the movie to begin/ I'm waiting for a revelation'. De thematiek raakt weer aan vertrouwde onderwerpen als eenzaamheid, kilte en een onoverbrugbare afstand: 'Cold like some, magnificant skyline/ Out of my reach but always in my eyeline'. De titel van het tweede nummer, 2.The Lovers Are Losing, suggereert een zwaarmoedig nummer. Dat valt alleszins mee, de melodie is opzwepend en het refrein is krachtig. Chaplin zet namelijk iets eerder in dan de muziek en dat is mooi gedaan. Ook hier is de afstandmetafoor weer prominent aanwezig: 'I dreamed I was watching the young lovers dance/ I reached out to touch your hair/ But I was watching from a distance'. Na de eerste twee nog vrij traditionele nummers laat 3.Better Than This een ander geluid horen. Het intro roept zowaar reminiscenties op aan The Cure's 'Love Cats'. De tekst benadrukt nog eens een thematische lijn die in de eeste twee nummers al is ingezet, namelijk de gapende kloof tussen de harde realiteit en het had-ik-maar-gevoel: 'Could have been something but you're too late/ And you weren't invited anyway'. Ook 4.You Haven't Told Me Anything kent een opvallend, zwierig intro en verrast met de geinige bliepjes. Ook de tekst is bijzonder met de vele herhalingen en vreemde rijmwoorden: 'Everything I love is stuck in the mud/ Stuck in the mud, stuck in a rut'. Het lied beschrijft een patstelling tussen geliefden en is in zekere zin een moderne bewerking van Simon & Garfunkel's schitterende 'The Dangling Conversation'. 5.Perfect Symmetry, de titelsong, trekt dan alle registers open. Voor zo'n nummer luister je naar Keane. Vanaf de eerste klanken is het raak en word je onontkoombaar meegesleurd in de symbiose van muziek, zang en tekst. Het lied is samengesteld uit zes delen met sterk uiteenlopende muzikale begeleiding en vocale inzet. De overgang van deel één naar het refrein - Chaplin die zonder adempauze harder en stropiger gaat zingen - is subliem gedaan. De betekenis van het refrein is niet mis te verstaan: 'This life is lived in perfect symmetry/ What I do, that will be done to me'. De tekst is rijk, vol en raak, appelleert aan vele gevoelens, maakt gebruik van grote woorden, maar spitst zich uiteindelijk toe op de ultieme vraag, die naar de zin van 't leven: 'Holy truth? Brother I choose this mortal life'. Er is geen God, want alleen 'spineless dreamers hide in churches'. Het slotakkoord is evenwel angstaanjagend: 'I dream in emails, worn-out phrases/ Mile after mile of just empty pages'. Misschien wel het beste Keane-nummer ooit. Na het overweldigende geweld van het vorige nummer moet 6.You Don't See Me noodzakelijkerwijs wat rust brengen. Dat lijkt gelukkig ook de inzet. Het invallende, galmende pianodeuntje is erg aangenaam en doet me steeds weer denken aan 'Vienna' van Ultravox, waar de piano ook op het juiste moment wordt aangeslagen. De voor de goede verstaander aanwezige correctie op het al te megalomane Coldplay is een pluim waard: 'All moving at the speed of life'. 7.Again and Again begint opzwepend maar weet nooit echt indruk te maken. Droom en werkelijkheid zijn ook hier weer pregnante motieven. 8.Playing Along is een vreemde eend in de bijt. Chaplin zingt vermoeid en traag dat hij het platteland opzoekt, 'where nothing goes on', om zijn gedachten volledig uit te schakelen. Dat vemoeide zingen kan zeker functioneel zijn, zoals 'Atlantic' bewijst, maar hier voegt het niets toe. Dat geldt ook voor de gitaargeluiden in het refrein en de kakofonie aan het eind. Ook 9.Pretend That You're Alone kan niet echt overtuigen. Hier wordt misschien Chaplins belofte het best hoor- en zichtbaar. De luisteraar wordt aangezet alle ballast af te werpen en vrijer, optimistischer te leven: 'So break out of the cages, the delicate structures we cling to all our lives'. Je gelooft toch niet helemaal dat-ie het meent. Wel ironiseert dit nummer op prachtige wijze de mythe dat wij apen zijn die 'uit de bomen klommen' en toen mens werden: 'we are just the monkeys who fell out of the trees when we were trying to fly'. 10.Black Burning Heart is weer helemaal vertrouwd. Het is een soort van individualistischer variant van 'Perfect Symmetry', ook muzikaal. De trage zang is hier wel geslaagd. Het eerste couplet overdondert: 'I wish that I could be/ In the cellars of the sea/ And disappear in them/ Never to be seen again'. De tekst is zeer beeldend en somber van toon. Mooi is de gesproken herhaling van het eerste couplet, maar nu in het Frans: 'Je souhaiterai m'immerger dans les profondeurs des mers y disparaître pour ne plus jamais être vu'. Zou dit een citaat zijn? Het laatste nummer - 11.Love Is The End - is muzikaal en tekstueel niet echt interessant, maar het bewijst wel hoe goed Chaplin kan zingen. Bij 'because love is the end' denk je dat hij na het langgerekte 'end' wel buiten adem is, maar alsof het geen enkele moeite kost doet hij er nog een schepje bovenop.

Conclusie: Perfect Symmetry is een bijzonder album. Er wordt veel gezongen, dat wil zeggen de liedjes zijn opgebouwd uit veelal grote lappen tekst met veel variatie. Er wordt ook opvallend hard gezongen door Chaplin, op dit album tref je geen geen verstilde juweeltjes in de lijn van 'She Has No Time' en 'Hamburg Song' aan. Muzikaal is ook gekozen voor een andere opzet. De muziekterm 'muur van geluid' is zeker van toepassing op dit album (bijvoorbeeld het begin van 'Lovers Are Losing'). Op het zwakke gedeelte na het midden na is Perfect Symmetry een uitstekende cd met mooie, rijke teksten en beklijvende melodieën. Gelukkig heeft Keane niet onverwijld afscheid genomen van dat waar het goed in is: gevoelvolle liedjes maken over donkere, sombere thema's.

Oordeel: 8.4

zondag 26 oktober 2008

CD-recensie: Viva La Vida or Death and All His Friends

Algemeen: Bij monde van Chris Martin kondigde Coldplay een paar jaar geleden aan even te stoppen met muziek maken. De Engelsen hadden het te druk met ontwikkelingshulp en wilden zich bezinnen op het vervolg van hun loopbaan. Niet zo lang geleden verscheen dan ineens toch een nieuw album. Debuutalbum Parachutes bevatte enkele zeer geslaagde liedjes en veel opvulling. Dat gold ook voor opvolger A Rush of Blood to the Head. Het derde album - X & Y - moest het stellen zonder echt eruit springende nummers, maar was als geheel veel coherenter dan de twee voorgangers en daarmee het beste album van de drie. Voor het vierde album heeft Coldplay nu hulp gekregen van muzikale grootheid Brian Eno. Heeft hij Coldplay aan een nieuw topalbum geholpen?

Inhoud: De plaat opent met een volledig instrumentaal intronummer, 1.Life in Technicolor. De vertrouwde sound van Coldplay is hier verpakt in een niet onaardige opener met een soepel klinkend deuntje. De aandacht wordt niet meteen gegrepen, maar het nummer doet prima dienst als opwarmertje. 2.Cemeteries of London is dan het eerste serieuze lied. Een ietwat rauwe sound met hoekige gitaardeunen en ritmisch handgeklap. Tekstueel is dit nummer niet al te hoogstaand. Het refrein is vrij duf: 'Singing la la la la la la ehh. And the night over London lay.' De titel geeft al aan dat er horrorelementen in verwerkt zijn, wat ook blijkt uit woorden als 'night', 'dark', 'god', 'Victorian ghosts' en 'witches'. Muzikaal is 'Cemeteries of London' overigens absoluut niet onheilspellend. De afsluitende pianoklanken zijn erg mooi, maar duren veel te kort. Het album komt pas echt op gang met het derde liedje, 3.Lost. De openingszin is meteen erg sterk: 'Just because I'm losing, doesn't mean I'm lost.' Ook muzikaal zet 'Lost' hoog in. Het ritme is opzwepend, de subtiele gitaarlijn die geregeld instart, correleert met én wijkt af van de overheersende thematische lijn. Naar het einde toe verslapt het geheel wel enigszins. Muzikaal wordt er op veilig gespeeld en tekstueel blijft het bij het herhalen van het refrein. Het vierde nummer is 4.42. Chris Martins stem speelt in het rustige begin een belangrijke rol. Mooie klanken, mooie zang: 'Those who are dead are not dead, they're just living in my head.' Na pakweg anderhalve minuut gaan de tonen ineens omhoog en verandert de muziek in een indringende, soms snerpende compositie. Na weer een minuut verandert het ritme opnieuw en zet Martin weer in met overtuigende zang. Door deze variatie is '42' een van de betere nummers op het album. De titel van het volgende liedje, 5.Lovers in Japan/Reign of Love verraadt dat het hier gaat om een dubbelnummer. De eerste, 'Lovers in Japan' dus, is erg simplistisch. Een te vlot pianodeuntje, een suffe aansporing ('Lovers, keep on the road you're on') en zelfs een tergende 'wijsheid': 'Sometimes, even the right is wrong'. Na een stiltemoment na ongeveer vier minuten vangt deel twee aan. Dit 'Reign of Love' sorteert wél effect. Een stille en ingetogen compositie met minimale pianobegeleiding en korte, effectieve teksten. 6.Yes is ondanks de titel ook een dubbelnummer. De lengte van zeven minuten wijst al in die richting. 'Yes' wordt echter nooit echt interessant. Voor en na het refrein horen we een oriëntaals klinkende melodie die nogal uit de toon valt. Het refrein zelf is overigens wel overtuigend door de vermoeid klinkende zang: 'If you'd only, if you'd only say yes. Whether you will is anybody's guess. God only, God knows I'm trying my best, but I'm just so tired of this loneliness.' 7.Viva La Vida is de populaire single. De tekst is met veel verbeeldingskracht gemaakt en vertelt een 'groot' verhaal: 'I used to rule the world, seas would rise when I gave the word'. Grote manco van het nummer is de eentonigheid. Het is typisch zo'n lied dat de eerste keer veel indruk maakt, maar al gauw onnoemelijk gaat vervelen. Het outro is wel heel goed. Bij 8.Violet Hill heb ik steeds de zelfde ervaring. Het grijpt me meteen bij de lurven met de krachtige drums en evocatieve tekst: 'It was a long and dark December, from the rooftops I remember there was snow, white snow'. Wat me echter steeds weer gebeurt, is dat ik na een tijdje merk dat ik al een halve minuut de aandacht kwijt ben. Die keert pas aan het eind terug bij het tragisch klinkende outro: 'I took my love down to violet hill. There we sat in snow, all that time she was silent still.' 9.Strawberry Swing is een vervelend nummer. De melodie moet lijken op een plattelanddeuntje van het soort dat als achtergrondmuziek gebruikt wordt bij een boerderijthema in racegames. Dit nummer weigert leuk te worden. Een kalm begin en stormachtig eind kenmerkt 10.Death and All His Friends. Daarmee heeft dit nummer een sterke opbouw richting de climax. De drums doen daarin hun werk en bereiden perfect de meerstemmig gezongen tekst voor: 'No I don't want to battle from beginning to end, I don't want a cycle of recycled revenge, I don't want to follow death and all of his friends.' De afsluiter 11.The Escapist is weer een instrumentaal nummer, het vervolg op 'Life in Technicolor'.

Conclusie: En zo zijn we haast ongemerkt aan het eind van het album gekomen. Het was wachten op de echt goede nummers maar die kwamen niet. Viva La Vida bevat enkele redelijke tot goede nummers zoals '42' en 'Death and All His Friends' en ook het tweede deel van 'Lovers in Japan/Reign of Love' mag er zijn. Verder is het behelpen. Het album is sowieso al taai om in te geraken. De eerste paar luisterbeurten blijft er weinig hangen. Na de plaat wat langer onder handen genomen te hebben, springen er enkele liedjes uit, maar wat blijft is toch een zeker gevoel van teleurstelling. Het ontbreken van liedjes die echt overdonderen hoeft geen probleem te zijn, zie X & Y. Het wordt echter wel een probleem wanneer het album in zijn geheel niet sterk genoeg is om indruk te maken. Viva La Vida beschikt simpelweg over te weinig inspirerende en verrassende teksten. Muzikaal heeft Brian Eno weliswaar gezorgd voor meer durf en oog voor experimenteren, maar dat heeft uiteindelijk geleid tot halfslachtigheid. Coldplay wilde een nieuwe weg inslaan, zonder de succesformule los te laten. Dit hinken op twee gedachten werkt hier averechts en dat is zonde.

Beoordeling: 5,2

zondag 3 augustus 2008

Dubbelrecensie: An End Has a Start

Fundamentele meningsverschillen zijn per definitie onoplosbaar. Ze zijn ook per definitie een gevolg van subjectiviteit en behoeven derhalve ook geen oplossing. Zo verschillen Bob van Tiel - van het befaamde minimalistische weblog De vissenkom - en ondergetekende al geruime tijd van mening over het niveau van An End Has a Start, het tweede album van de Editors. Een mooie aanleiding voor een dubbelrecensie.

Tiel
Drie jaar geleden debuteerden de Editors met The Back Room, één van de beste albums van dat jaar. De teksten mochten dan misschien niet al te geïnspireerd klinken ('You'll speak when you're spoken to / He'll speak when he's spoken to / She'll speak when she's spoken to'), maar het paste goed bij het geweld van het primitieve gitaar- en drumwerk. Vorig jaar brachten de Editors eindelijk hun langverwachte tweede album uit, getiteld An End Has A Start.

Zo’n titel belooft weinig goeds. De enige slechtere albumnaam die ik ken is Point of Know Return van Kansas. Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk om de inhoud. De eerste minuut van opener 'Smokers Outside the Hospital Door' maakt echter meteen duidelijk dat het daar niet veel beter mee gesteld is. Het gitaarwerk is zo eentonig dat een samplemachine levendigere resultaten oplevert. De teksten zijn schrikbarend slecht: 'The saddest thing that I'd ever seen were smokers outside the hospital doors'. Zanger Tom Smith zingt het alsof hij een bijbelse waarheid reveleert. Feit is dat de teksten van Smith altijd minstens één van de volgende drie kenmerken hebben. Ofwel ze zijn afgezaagd ('dreams I can’t make sense of / I need you to tell me it’s okay'), ofwel ze zijn vol goedkoop melodrama ('now don't drown in your tears baby / I will always be there'), ofwel ze slaan gewoon helemaal nergens op ('look up through the trees to feel as small as you can / you hear the clocks counting down').

De rest van het album is al even enerverend als een middag naar het plafond staren. Dieptepunt is zonder twijfel 'Well Worn Hand', waarin Smith duidelijk maakt dat hij alle contact met de realiteit heeft verloren: 'We'll never, ever step outside / we'll curl up in a ball and hide'. Toegegeven, 'Bones' en 'Spiders' zijn aardige nummers, maar nergens halen de Editors het niveau van hun vorige album. Daarvoor zijn de schijnwerpers veel te veel gericht op de vervelende bariton van Tom Smith, ligt het tempo van de meeste nummers te laag en neemt de band zich veel te serieus. Laten we hopen dat dit niet het begin van het einde is, en dat de Editors met hun volgende album weer positief van zich laten spreken. (5,5)


Zoggel
Het debuutalbum van de Editors – The Back Room – was erg succesvol en promoveerde de Engelse band op slag tot een van de meest authentieke en beloftevolle bands van het moment. Aan de top blijven is echter altijd lastiger dan er komen. Een tweede plaat moest uitwijzen of de Editors niet onder de druk zouden bezwijken. Het album heeft de weinig verheffende titel An End Has a Start meegekregen, een titel van het niveau Eind van het begin van Blof. Zanger Tom Smith is zich gelukkig wel bewust van de eenvoud van de titel, getuige de volgende regel in de titelsong: ‘Some things should be simple / even an end has a start’.

Hoe dan ook, het draait hier om de inhoud. En het mag gezegd worden: de Editors hebben hun belofte wederom ingelost. Dit keer is afgezien van het ietwat rommelige gitaarwerk van The Back Room. De gitaardeuntjes zijn wat dikker aangezet en de aandacht is meer verschoven naar de drums. Dat is meteen te merken in ‘Smokers Outside the Hospital Doors,’ de indrukwekkende opener van het album, met daarin een overdonderende drumexplosie na de kabbelende bridge. De gitaar draagt energieke nummers als ‘Bones’ en ‘Escape the Nest’. In de wat rustigere nummers lijken de gitaarintro’s echter te veel op elkaar.

De donkere stem van Smith krijgt veel ruimte op dit album. Hij slaagt erin een overtuigend geluid te produceren en soms zelfs te verrassen, bijvoorbeeld wanneer hij in ‘When Anger Shows’ plotseling hoog inzet: ‘You’re a memory from before, please don’t let me forget you’. Tekstueel is An End Has a Start vooral degelijk. Positieve verrassingen zijn een briljante Natureingang aan het begin van ‘An End Has a Start’: ‘I don’t think that it’s gonna rain again today’. Hier wordt – tegen de verwachting in - gemeld dat er nu juist iets niet aan de hand is in de natuur. Het melodramatische ‘Push Your Head Towards the Air’ lijkt ten onder te gaan aan halfzachtheid maar wordt plotseling gered door een zeer mooi middenstuk waarin Smith in enkele zinnen een even mysterieus als beeldend stilleven schetst: ‘There’s people climbing out of their cars / lining the roadside, / trying to glimpse at the dead.’

De Editors hebben met An End Has a Start aangetoond een blijvertje te zijn. Het album kent zijn zwakke nummers (‘Weight of the World’, ‘The Racing Rats’), maar heeft met een sterke mix van energieke up tempo en strak gecomponeerde ballads genoeg te bieden om geruime tijd te blijven boeien. (7,8)

dinsdag 29 januari 2008

CD-recensie: Memory Almost Full

Algemeen: Op het Beatlesalbum Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band (1967) staat het door Paul McCartney gezongen 'When I'm Sixty-Four'. In 2006 was het zover: de meester werd 64. Hij zette zich aan het werk en maakte een nieuw studioalbum dat in 2007 verscheen, alweer zijn achtste album in de nieuwe eeuw. De kwaliteit liet de laatste jaren weleens te wensen over. Heeft McCartney met Memory Almost Full de juiste weg weer gevonden? De titel is i.i.g. al erg mooi.

Inhoud: De opener is 1.Dance Tonight. Dit nummer werd hier eerder in een comment - overigens terecht - gekraakt om de inspiratieloze tekst. En toch vind ik het een goed nummer. Je neemt een linkshandige mandoline, tapt met je schoen op de houten vloer en tovert een aanstekelijk, ritmisch perfect liedje uit de hoed. Dat is wat McCartney hier doet. 2.Ever Present Past stond eerder al in de 'Top 5 singles 2007'. Het is een uitstekend lied met veel tempowisselingen, een pakkend refrein en - hier wel - een interessante contemplatieve tekst waarin de pensioengerechtigde McCartney de voorbijgevlogen tijd overdenkt (I hope it isn't too late/ Searching for the time that has gone so fast/ The time that I thought would last/ My ever present past). 3.See Your Sunshine heeft een aardig intro dat lang in je kop blijft spelen. Het nummer in het algemeen is echter te weinig spannend qua muziek en tekst om echt goed te zijn. Wel aardig, niet meer dan dat. Het intro van 4.Only Mama Knows is dan weer prachtig; droevig klinkende strijkers vormen de driekwart minuut durende inleiding. Daarna gaan de remmen los en rockt het allemaal best lekker. De tekst is redelijk mysterieus (Well I was found in the transit lounge/ Of a dirty airport town) en beschrijft een altijd verborgen gebleven scheve schaats van de moeder die mogelijkerwijs de geboorte van de ikpersoon heeft veroorzaakt (Where she was running to what she ran from/ Though I always wondered I never knew/ Only mama knows). Dat alles geeft het nummer een donkere sfeer. Helemaal niet slecht. Na het geweld van het vorige nummer is 5.You Tell Me een mooi rustig liedje met een aangenaam kabbelend ritme. McCartney raakt de juiste toon en bezingt een zijnstoestand die we allemaal wel herkennen: terugdenkend aan vroeger tijden en gebeurtenissen vraag je je af of je er wel echt bij was toen, waar dat bewustzijn gebleven is (Were we there?/ Was it real?/ Is it truly how I feel?/ Maybe/ You tell me). 6.Mr.Bellamy - ik zeg het maar meteen - is de topper van de plaat. Een bombastisch intro, frivool pianospel, op het juiste moment inzettende drums, een ingenieuze, perfecte compositie. De tijden van de Wings herleven. De zang is ook bijzonder. McCartney vertolkt in feite drie stemmen: de toeschouwer, Bellamy en een collectief, die hij alledrie op een andere manier zingt. Dat is erg mooi uitgewerkt. Het verhaal is erg filmisch en laat veel aan de verbeelding van de luisteraar over. Mr.Bellamy is een oude zonderling die ergens op of in geklommen is (boom?) en niet naar beneden wil (I'm not coming down/ No matter what you do/ I like it up here without you). Een groepje mensen (verplegers?, brandweermannen?) moet hem eruit halen (Steady, lads/ and easy does it/ Ooooh, don't frighten him!/ Here we go...). De toeschouwer heeft sympathie voor Bellamy (Bellamy's got a job to do/ And he's hoping you'll understand). Het onverwachte en modern klinkende outro van een volle minuut vervolmaakt het geheel. Topnummer! 7.Gratitude is dan een tegenvaller. McCartney bedankt zijn geliefde. Weinig muzikaliteit, saai nummer. 8.Vintage Clothes vertelt dat we niet in het verleden moeten leven, maar in het nu. De wereld en de dingen veranderen te snel om in het verleden te blijven hangen. Door 'vintage clothes' (oude kleding) te dragen, blijven we toch verbonden met het mooie verleden en keert dat verleden mutatis mutandis ook terug. Vlot, enthousiast liedje (A little worn/ A little torn/ Check the rack/ What went out is coming back). 9.That Was Me beschrijft in een ouderwetse rock-'n-roll-stijl de gebeurtenissen waar Paul bij was en die hem nu verwonderen dat ze zijn leven hebben bepaald. In dit nummer de enige verwijzing naar The Beatles (that was me/ [...] Merseybeatin'/ With the band). 10.Feet In The Clouds deed me aanvankelijk weinig, maar bleek op de lange duur een verborgen juweeltje. Trefzeker van melodie, uitmuntende opbouw, steeds heen en weer hinkend van optimisme naar pessimisme en daarmee doordesemd van twijfel. Dit nummer is tekstueel ook erg sterk, met o.a. McCartneyaans taalspel in het schitterende refrein (I've got my feet in the clouds/ Got my head on the ground/ I know that I'm not a square/ As long as they're not around). Het dreigende pianointro en de donder-en-bliksemgeluiden in 11.House Of Wax voorspellen een donker, onheilspellend nummer dat soms aan E.A. Poe-achtige horror doet denken (Poets spill out on the street/ To set alight the incomplete/ Remainders of the future). Misschien een iets te klinisch en rommelig nummer. 12.The End Of The End is dan weer een voorbeeld van een goed gemaakt liedje zonder fratsen. De dood is niet ver weg meer, maar zal alleen maar het begin van iets mooiers zijn. En dit leven viel al niet tegen voor Paul (At the end of the end/ It's the start of a journey/ To a much better place/ And this wasn't bad/ So a much better place/ Would have to be special/ No need to be sad). Van dit nummer word je rustig en tevreden. Het fluitdeuntje halverwege versterkt dat nog eens. Om de titel zou dit een mooie afsluiter zijn van het album, maar gezien Pauls leeftijd moet je de dood ook niet tarten natuurlijk. Daarom nog 13.Nod Your Head. Dat had echter gerust weggelaten mogen zijn. Voegt helaas niets substantieels toe.

Conclusie: Het gezaghebbende allmusic noemde Memory Almost Full met Flaming Pie McCartney's beste soloalbum en beloonde hem met 4,5 uit 5 sterren. Ook ik ben onder de indruk van het album. McCartney weet ook zonder ingenieuze teksten enkele uitstekende nummers neer te zetten ('Dance Tonight', 'The End Of The End') en wanneer de tekst wel bijdraagt aan de sterkte van een lied, is er ook meteen sprake van een formidabel resultaat. 'Ever Present Past', 'You Tell Me', 'Mr.Bellamy' en 'Feet In The Clouds' verdienen wat dat betreft een pluim. Mindere tracks als 'Gratitude' en 'Nod Your Head' verhinderen een maximale score, maar er blijft genoeg te genieten over om deze cd met een krachtig 'JA!' te labelen.

Beoordeling: 8,6

p.s. Het volledige album is naar YouTube geuploadet en is in vijf delen te beluisteren: Deel 1; Deel 2; Deel 3; Deel 4; Deel 5.