Posts tonen met het label CDA. Alle posts tonen
Posts tonen met het label CDA. Alle posts tonen

vrijdag 31 maart 2017

Door roeien en ruiten. Laatste blog

Nihil novi sub sole

De voltallige wereldpers had vorige week de kampementen opgeslagen in onze moerasdelta om verslag te doen van de 'kwartfinale' tegen de populisten - pardon, de 'verkeerde' populisten -, aldus Rutte. Nederland weer even de navel van de wereld - wat een weelde.
  Er stond wat op het spel, zo mochten we van de buitenlandse verslaggevers vernemen, want de reputatie van het open en tolerante Nederland stond op de helling: zouden de Hollanders hun verstand erbij houden of zouden ze hun onderbuik laten spreken?
  Je ging er bijna door hopen dat Wilders toch zou winnen, opdat we eindelijk eens konden afrekenen met dat fabeltje van het o zo tolerante Nederland. Historisch gezien was wat we nu tolerantie noemen in hoofdzaak een vorm van geslepen mercantilisme, terwijl het in het nabije verleden in de gedaante van het cultuurrelativisme vooral een ideologisch dogma is geweest dat het sociale bindweefsel van de samenleving uiteen heeft gereten.
  Maar Wilders won niet - dat wil zeggen, hij werd niet de grootste - en de vlag ging uit, te beginnen bij het Brussels geboefte. Jean-Claude Juncker bracht een toast uit: deze verkiezingsuitslag was een collectieve stem vóór Europa. Guy Verhofstadt proclameerde dat Nederland een pro-Europees bastion bleef.
  De mensen hebben evenwel noch met hun verstand, noch met hun onderbuik gestemd, ze hebben het ultrakortetermijngeheugen laten beslissen. Vier jaar lang hebben ze zich kapot geërgerd aan de volksverlakkerij van Mark 'Pinokkio' Rutte & Zijn Boevenbende van Bonnetjes & Inlegvelletjes, maar één zaterdag het land verdedigen tegen Erdoğans aanvalsplan was genoeg om als een blad aan een boom om te draaien.
  Dat menigeen zijn voor Wilders gereserveerde stem uiteindelijk niet op de PVV heeft uitgebracht omdat de partij bij voorbaat overal van uitgesloten werd, komt bij de victorie kraaiende commentatoren niet op. De PVV zelf vertoonde overigens ook allesbehalve de gretigheid om het momentum te verzilveren. Wilders ontdook het debat, en wanneer hij wel meedeed draaide hij zijn inmiddels behoorlijk grijsgedraaide riedels af. Het is te hopen dat zijn trucje nu wel is uitgewerkt, maar zeker is dat allesbehalve.

Meer nog dan de populisten werden de sociaaldemocraten verslagen. De PvdA leed een historische nederlaag. Niemand hoeft medelijden te hebben met de voormalige arbeiderspartij, die de voorbije decennia de traditionele achterban gestaag van zich heeft vervreemd, uit opportunistische, cliëntelistische motieven een vijfde colonne de partij binnenhaalde, en nu met de gebakken peren zit sinds die zich heeft afgescheiden en de nieuwe achterban heeft meegenomen naar Denk.
  Toch kun je niet anders dan enige empathie voelen wanneer je de beelden ziet waarin Attje Kuiken van de PvdA tijdens een debat wordt aangevallen door Farid Azarkan van Denk over de mede dankzij de PvdA aangescherpte regels rond halal slachten: 'U vindt dat deze mensen naar België moeten om een schaap te halen!' schuimbekt Azarkan. Een meute joelende mohammedanen vormt het onheilspellende achtergrondkoor terwijl deze schurk zich intimiderend over het tafeltje naar Kuiken toe buigt.
  Zo kan het dus gaan: je koos ooit voor de softe aanpak om de nieuwe Nederlander te paaien, plaatst allochtonen op je lijst om die mensen als stemvee aan je te binden, en voor je het weet blijk je het Paard van Troje te hebben binnengehaald dat, eenmaal losgebroken, je het verwijt maakt je mensen naar België te jagen voor een schaap. O, PvdA.
  Overigens doet het gejeremieer van de PvdA-partijbonzen evenzeer pijn aan de oren. De partij moet zichzelf opheffen (Oudkerk), de negen zetels kunnen beter aan GroenLinks worden geschonken (Plasterk). Alsof deze mastodonten de voltooidlevenwet van Doodbidders66 alvast maar op hun eigen partij willen uitproberen.
  Van het CDA dachten we vier jaar geleden ook dat het einde oefening was, en kijk nu eens: een wederopstanding in de beste christelijke traditie. Zo is ook de PvdA nog lang niet opgegeven. Gewoon maximaal vier jaar oppositie voeren tegen het aanstaande kabinet, en dan met Aboutaleb aan het roer de volgende verkiezingen in.

Hoewel GroenLinks een van de winnaars is en waarschijnlijk zal gaan regeren, bleek Jesse Klaver toch niet veel meer dan de mediahype die hij was: structureel overschat in de peilingen, vooral aanbeden door zwijmelende meisjes, inclusief mejuffrouw Jinek: 'Jesse, je bent een rockstajjrr!'
  En dan zit daar bij de nabeschouwing uitgerekend Paul Rosenmöller zich te verkneukelen over de verkiezingscampagne van GroenLinks, terwijl Pim Fortuyn straks alweer 15 jaar in zijn graf ligt, Fortuyn die, aldus destijds diezelfde Rosenmöller, 'niet gewoon rechts, maar extreemrechts' was, Rosenmöller die sindsdien vooral in het nieuws kwam wanneer hij, zelfbenoemde strijder tegen de graaicultuur, weer eens schaamteloos zijn zakken had gevuld uit de pot met publieke middelen en pas onder grote druk bereid was de poen terug te storten, diezelfde Rosenmöller zeg ik, die zit zich daar dan te verkneukelen over de zege van zijn partij en de campagne te prijzen, die geleid werd door Wijnand Duyvendak, ministerie-inbreker en kopstuk binnen de extreemlinkse RaRa, uit dezelfde duister-activistische hoek als de moordenaar van Fortuyn.
  Duizelingwekkend ergerniswekkend.
  Fortuyn was de laatste weken ineens opvallend vaak in het nieuws. Het begon met Alexander Pechtold bij Pauw & Jinek: Fortuyn had gelijk, ik keek destijds weg van de problemen, gaf Pechtold grootmoedig toe. Goedkoop, gratuit grootmoedig, bedoel ik. Hoeveel mensen zijn er toen, voordien en nadien niet weggezet als racist, als extreemrechts, als xenofoob - de hele santenkraam -, sociaal en maatschappelijk geslachtofferd op het aambeeld van de politieke correctheid? Er zijn letterlijk mensen gesneuveld, Pechtold, met dat wegkijken van jou. Maar er lering uit trekken, verantwoordelijkheid nemen, de consequenties aanvaarden? Ach, vergissinkje, kan gebeuren.
  Toen kwam Jeroen Dijsselbloem op de radio: Fortuyn had gelijk, vond ook de Dijs, die destijds integratiewoordvoerder van de PvdA was. 'Hij had het over Marokkaanse en Turkse jongens die de straten van Rotterdam terroriseerden. Fortuyns boodschap was om zelf voor je normen te gaan staan en die niet te laten aantasten. Ook als je samenleving door migratie verandert. Het is legitiem om tegen nieuwkomers te zeggen dat ze zich in onze normen en waarden verdiepen.' Ja, zalvende woorden en zo, maar kwam daar toen maar eens om.
  'Ik weet niet meer wat ik toen dacht, maar ik ben het nu met hem eens.' Nou, we kunnen zo wel raden wat Dijsselbloem toen dacht, of wat hij misschien toen al wel dacht maar niet mocht uitspreken van zijn baas Ad Melkert, uweetwel, die van dat chagrijnige bakkes en van 'Nederland, word wakker!'

Intussen hebben de exorcisten een nieuwe duivel gevonden, en wel in de persoon van Thierry Baudet, die met zijn Forum voor Democratie twee zetels behaalde. Met weinig middelen maar met tomeloze energie wist Baudet in amper een paar maanden tijd een partij uit de grond te stampen en de Kamer binnen te loodsen. Ongehoord is de kwaadaardigheid waarmee het columnistendom en de socialemediagestapo de kersverse parlementariër sindsdien te lijf gaan.
  Asha ten Broeke (de Volkskrant) begreep niet hoe het mogelijk was dat de partij Artikel 1 van Sylvana Simons nul zetels had behaald, want in haar 'socialemediabubbel' stemde iedereen erop.
  In plaats van dan de logische conclusie te trekken dat die bubbel blijkbaar een tamelijk kortzichtig, om niet te zeggen bekrompen wereldbeeld oplevert, trekt ze liever van leer tegen Baudet, die een 'verkrachtingsverheerlijkende fascist' (sic) zou zijn.
  Zoals dat tegenwoordig gaat werd de bepaald niet appetijtelijke Ten Broeke vervolgens bestookt door het getokkificeerde geteisem, met reacties van de categorie Asha ten Broeke, daar trap ik mijn hond nog vanaf. Voer voor een nieuwe column natuurlijk. Gevolg: de goegemeente bemoederde de gekwetste ziel, over de wanstaltigheid van de oorspronkelijke column werd met geen woord meer gerept.
  Het Algemeen Dagblad liet ene Anne Fleur Dekker aan het woord, die Baudet ook al 'fascistoïde' mocht noemen. Anne Fleur afficheert zichzelf als 'activist', 'marxist' en 'veganist', iemand dus die in ideologisch opzicht in dezelfde onwelriekende moestuin rondscharrelt als Volkert van der Graaf.
  Dekker zou stemmen gaan tellen in Hilversum, Stel je voor, iemand met zo'n agenda die zonder enige vorm van controle stemformulieren op het juiste stapeltje moet leggen! De gemeente werd gelukkig bijtijds op haar antidemocratische inborst gewezen en stak er een stokje voor.

Maar ook het intellectuele puikje van Nederland hield zijn kruit niet droog. Buitenhof bracht ons socioloog Willem Schinkel. Baudet is iemand die 'eigenlijk' racistische en seksistische uitspraken doet, aldus Schinkel, zo maar even tussen neus en lippen door. 'Eigenlijk', alsof iemand van racisme en seksisme beschuldigen iets is wat we even in een bijzin doen, alsof dat niet een verkapte oproep tot ingrijpen is die altijd in verkeerde handen valt.
  Schinkel is een uitgesproken tegenstander van integratie van nieuwkomers en pleitte in 2012 voor een nieuwe 'politisering' die zich 'links van links' moest manifesteren. Links van links, ja. Ultralinks, links-radicaal, extreemlinks - allemaal geperverteerde begrippen, dus noemen we het links van links, moet hij geredeneerd hebben, maar het blijft natuurlijk hetzelfde dubieuze uiterste waar men zich beter verre van houdt.
  'Het integratiedebat heeft weinig baat bij dit trieste proza', schreef Max Pam al eens over een onleesbaar opstel van de socioloog.
  Schinkel, door Arend Jan Boekestijn een 'extremist' genoemd en door René Cuperus een 'jihadistische intellectueel', maaide ook Ahmed Aboutaleb nog even neer, door de moedige Rotterdamse burgemeester ervan te betichten 'Turken in elkaar te hebben geslagen'.
  Ik zeg het niet vaak, maar wat een gotspe. Nou ja, ik zeg het wél vaak, maar nooit was het zo gerechtvaardigd. Dit is gewoon onvervalste Erdogan-retoriek.

Het voorlopige dieptepunt werd bereikt door VPRO-medewerker Michael Schaap, beter bekend - naar verluidt - als 'De Hokjesman'.
  Hij twitterde: 'Je zou je hond nog niet op Asha zetten, dixit Baudet.' Maar dat had Baudet helemaal niet gezegd, het was een uitspraak van een van de laffe scheldkanonniers. Hiermee geconfronteerd koos Schaap de vlucht vooruit: 'Hij zei het kennelijk niet. Fuck him anyway. Druiloor en hufter ineen.' Dit is zo laagbijdegronds, werkelijk ongehoord. Kunnen die moslims van Azarkan als ze in België een schaap moeten gaan halen deze Schaap niet als ruilmiddel inzetten?
  Zo'n lastercampagne is kenmerkend voor links van links. Waar rechts van rechts altijd een groep aanwijst die tot zondebok wordt gebombardeerd, daar is extreemlinks gespecialiseerd in het belasteren, beschadigen en uiteindelijk onschadelijk maken van individuen. Je legt diegene woorden in de mond die hij óf in een totaal andere context óf in het geheel niet heeft gezegd, en als dat uitkomt speel je de vermoorde onschuld of maak je een halfslachtig terugtrekkende beweging om vervolgens vrolijk door te gaan met je haatcampagne. Het is de klassieke parabel van Barbertje van Multatuli.
  (Wat beide extremismen overigens gemeen hebben is dat ze uitgesproken 'pro-Palestina' zeggen te zijn, uweetwel, het slecht plakkende label waardoorheen in hun geval het aloude antisemitisme overduidelijk waarneembaar is.)

Kort na de verkiezingen circuleerde er op internet een afbeelding van een alinea tekst uit een boek van Baudet, waarmee de demoniseerders zijn levensgevaarlijke misogynie meenden te kunnen aantonen. Het bleek echter een passage uit Voorwaardelijke liefde (2014), Baudets roman, en de erin ontvouwde gedachten waren die van het personage. Maar hij is het zelf, aldus de Annefleurigen.
  Is Baudet dan dus ook een voorstander van vrouwenbesnijdenis? De hoofdpersoon van die, naar mijn mening overigens niet zo geslaagde roman, laat aan het eind immers zijn vriendinnetje deze ingreep ondergaan.
  Baudet voert in zijn roman een personage op dat deels op hem geënt is en met dat imago aan de haal gaat. Harry Mulisch werd zelfingenomenheid verweten, in De pupil (1987) liet hij een alter ego over zichzelf opmerken: 'Ofschoon ik een grondige hekel had aan zelfingenomenheid, ontveins ik mij niet, dat ik vaak zeer onder de indruk was als ik aan mijzelf dacht.' Baudet wordt op basis van zijn bijdrage aan de Fifty Shades/Julien Blanc-discussie vrouwonvriendelijkheid verweten, in Voorwaardelijke liefde levert de dolgedraaide protagonist Gregor zijn vriendinnetje over aan de vernederendste van alle behandelingen.
  Het zijn de wegen van de literatuur.
  Overigens heeft Baudet wel meer gemeen met Mulisch. Die laatste was de meester van de ironische zelfvergroting: het verwijt ijdel en arrogant te zijn pareren door het niet te bagatelliseren maar er juist een schepje bovenop te doen. Zo ook Baudet, die op het verwijt een elitaire kwezel te zijn reageerde met een quote in het Latijn. Dat is zelfironie, maar zoals Mulisch al wist: in Nederland is men daar absoluut ongevoelig voor.
  Angstaanjagend, deze hedendaagse boekverbranders met hun hetze. Je zou toch denken dat we hier sinds de processen tegen W.F. Hermans en Van het Reve vanaf waren.
  Het verschil is dat het destijds geborneerde gereformeerden en overmoedige katholieken waren die reclameerden over een paar hun onwelgevallige passages in romans, terwijl het nu onberekenbare activisten zijn die niet alleen in het geweer komen maar er ook eentje in een la hebben liggen, of tenminste zulke mensen kennen dan wel zouden kunnen inspireren.

De disproportionaliteit van deze demonisering is des te verbijsterender als men bedenkt dat er met Denk drie pionnen van Erdoğan, misschien wel de enige prominente politicus van het moment die zich daadwerkelijk als een fascist heeft geprofileerd, in de Tweede Kamer zijn gekomen.
  De politiek heeft al noodverbanden moeten leggen om de lange arm van Ankara buiten de commissie-Stiekem te houden: alleen de vijf grootste partijen zetelen er nog in, eventueel aangevuld met andere partijen op uitnodiging. Het is zeker niet denkbeeldig dat Denk in de nabije toekomst bij die vijf gaat horen. De partij werd nu al de grootste in de getto's van de grote steden. Het zaadje is geplant, de wortels vertakken zich onder de oppervlakte, het onkruid schiet op. Zelfs tot diep in België nu: de onvermijdelijke Abou Jahjah, godbewaarons, gaat geïnspireerd door het succes van Denk ook al de politiek in.
  Het is een hersenbreker: wat brengt een weldenkend mens ertoe Denk buiten schot te laten en alle pijlen, gedoopt in het bijtendste zuur, op Baudet te richten? Ik bedoel: wijs mij gerust het gevaar aan waar je het meent te ontwaren, maar de ongekende verbetenheid en haatdragendheid waarmee dat gebeurt, de huichelachtigheid ook, waar komt dat in godsnaam vandaan?
  De psychiater Esther van Fenema - misschien is er inderdaad een psychiater voor nodig om het te duiden - verklaart het uit de Nederlandse volksaard: 'de onstilbare behoefte om te controleren, te castreren en te nivelleren'. En om te 'ontmaskeren', kunnen we daaraan toevoegen, naar de fameuze analyse van Menno ter Braak door W.F. Hermans. Voor Ter Braak was het ontmaskeren van het Kwaad uiteindelijk een geval van 'persoonlijke penitentie', meende Hermans: 'Als ik de duivel maar overal ontmasker, denkt de christen, kom ik wel in de hemel. Als ik maar veel ressentiment ontmasker, denkt Ter Braak, ben ik... krijg ik... Ja, wat was hij dan, kreeg hij dan?'
  Dan deug ik, kunnen we inmiddels wel invullen, dan krijgt de ontmaskeraar een verlenging van zijn verblijfsvergunning in Deugdorp. De betreurde Vliegende Panters wisten het al in 2006 in hun onvolprezen 'Deuglied' vlijmscherp te verwoorden: 'Les 1 van willen deugen: huichel en wees laf.'

Asha ten Broeke kon Baudet 'op idealen niet betrappen', schreef ze ook nog, heerlijk helder huichelachtig. Baudet is iemand met wiens idealen ik het hartgrondig oneens ben, bedoelde ze natuurlijk, maar zoiets zorgt in die hoek onmiddellijk voor kortsluiting: in de bubbel van de Ten Broekes van deze wereld ben je het nooit oneens met iemand, daar bestaan geen andersdenkenden, daar bestaan alleen mensen die deugen en de rest zijn fascisten.
  Frank Poorthuis van het Algemeen Dagblad leek wel een serieuzere poging te willen wagen het fenomeen Baudet te demonteren, maar hij was niet belezen en niet geïnformeerd genoeg, zo gaf hij zelf grif toe: 'Natuurlijk, ik heb niet al zijn boeken uitgelezen, maar anderen gelukkig wel.' En dan vervolgens uitgerekend naar Sander Philipse verwijzen, de lippenstiftdragende social justice warrior die zelfs in eigen kring om zijn NSB-methoden wordt gehaat.
  Philipse meende aan de hand van een foto van Baudets boekenkast te kunnen aantonen dat hij een nazi is.
  Tja, als we zo gaan beginnen. In mijn kast staat het boek Voor Europa! van Verhofstadt en Cohn-Bendit, ben ik dan ook een federatiefundamentalist? En omdat ik het halve oeuvre van Grunberg bezit vind ik zeker ook automatisch dat het nazisme nuttig was omdat het ons Angela Merkel heeft opgeleverd?

Mark Rutte heeft geen visie en is daar trots op: visie is een 'olifant die het zicht belemmerd' heeft hij gezegd. Nederland is onder zijn leiding uit de crisis gekomen, pocht hij nu, en dus heeft hij het goed gedaan. Onder zijn leiding, ja, maar niet door zijn leiderschap. Integendeel: er is veel te hard bezuinigd, zo wees een rapport van ING uit, waardoor het hier veel langer heeft geduurd dan nodig was voor het weer beter ging.
  Baudet etaleert een visie die de olifant in de kamer benoemt. Hij appelleert aan een gevoel van urgentie: zijn boodschap is dat wat we betreft een aantal belangwekkende thema's - de EU, de euro, massa-immigratie, de toekomst van de democratie - op een kantelpunt in de geschiedenis staan.
  W.F. Hermans zei ooit in een interview met 'een geologische blik' naar de geschiedenis te kijken: de aarde is 3 miljard jaar oud, menselijk leven is er pas 1 miljoen jaar, de moderne mens hoogstens achtduizend jaar. Oftewel: de mens neemt in deze constellatie zo'n marginale rol in dat elk streven zinloos is.
  Die geologische blik is het andere uiterste van de economische blik van Rutte. Beide perspectieven zijn fundamenteel apolitiek.
  Veeleer gaat het nu om de 'demografische' blik van de middellange termijn: de vergrijzing in West-Europa versus de bevolkingsexplosie in met name Afrika en de impact die beide ontwikkelingen op ons land zullen hebben - dat wat in agitatorische kringen ook wel de 'omvolking' wordt genoemd.
  Tegen 2050 zal de Afrikaanse bevolking, met name in de Subsahara, verdubbeld zijn. Niger telt nu 17 miljoen inwoners, in 2050 55 miljoen. Nigeria nu 166 miljoen, in 2050 278 miljoen. Ethiopië: van 90 naar 186 miljoen. Enzovoort.
  Miljoenen Afrikanen zullen dan staan te popelen om naar de toch al steeds drukker wordende steden van het 'rijke' Europa te trekken. Het valt ze niet kwalijk te nemen, maar het stelt ons wel voor fundamentele keuzes, want als het inderdaad zo ver komt is er helemaal geen vrij en rijk Europa meer, met een verzorgingsstaat en sociale vangnetten en dergelijke verworvenheden, niet meer voor ons natives maar ook niet voor de nieuwkomers.
  Immigratie van die proporties zal instabiliteit veroorzaken, overbevolking is een prikkel voor oorlog, welvaarts- en welzijnsdaling kunnen ertoe leiden dat men levensruimte gaat opeisen, desnoods met genocidaal geweld jegens een zondebokgroep.

Het is een kardinale kwestie die om visie schreeuwt, maar verder heb ik er alleen Sybrand Buma (CDA) over gehoord. De leus van de CDA-campagne was dan ook 'voor een Nederland dat we door willen geven'. Buma kreeg uiteraard onmiddellijk het verwijt de racistische retoriek van de populisten te hebben overgenomen. (Overigens was het jammer dat het 'radicale midden', mijns inziens nog steeds een behartigenswaardige politieke koers, dit keer nauwelijks meer als campagneslogan werd gebruikt terwijl er juist nu zo'n behoefte aan was. Baudet wil zijn FvD als een middenpartij positioneren - misschien is er een vorm van samenwerking mogelijk.)
  De Buma's en Baudets waarschuwen voor de destructieve kracht van een migratiestroom van de geschetste proporties, de Anne Fleurs pleiten voor een 'grenzeloze solidariteit'. Beide visies kunnen geattaqueerd worden, maar dat gebeurt niet. Want het gaat nooit en nergens over de ideeën, de vergezichten, de inhoud, het gaat alleen over de buitenkant, de voorkant, de persoonlijke verdachtmaking en de radeloze en redeloze rancune. Na de casus Wierd Duk in de eerste maanden van 2016 is de casus Thierry Baudet daar het zoveelste moedeloos makende voorbeeld van.
  Telkens weer die tergende flauwekul over de pianofoto en het lavendelzakje, telkens weer die fixatie op 's mans uit de bocht vliegende hyperbolen. De stijl fungeert als alibi om niet op de achterliggende probleemstelling in te hoeven gaan. Nergens ook maar een serieuze overweging van de door Baudet in De aanval op de natiestaat geformuleerde 'derde wegen' van 'multicultureel nationalisme' en 'soeverein kosmopolitisme' bijvoorbeeld, of zelfs maar een beschouwing over de haalbaarheid van de door hem zo gewenste Nexit.
  Er zijn tal van redenen om eurokritisch, -sceptisch of zelfs anti-EU te zijn - de vechtscheidingmentaliteit jegens de Britten is het recentste voorbeeld -, maar laat ik de meest evidente noemen: zo lang men vrolijk doorgaat om het hele zootje maandelijks van Brussel naar Straatsburg te verplaatsen (kosten: meer dan honderd miljoen euro) vind ik het moreel pervers om niet tegen deze EU te zijn. Maar dat betekent niet dat een Nexit de oplossing is. Een serieus debat daarover wordt echter consequent bij voorbaat ondermijnd door botsende belangen, bangmakerij en ideologische dogma's.
  Dat was bij Fortuyn natuurlijk net zo: louter ophef over een interviewuitspraak, geëmmer over zijn avonturen in de darkroom, calvinistisch gefemel over zijn dandyeske gedrag en ego ('Ik word minister-president van dit land!'). Niemand heb ik toen gehoord over de mogelijke analytische waarde van Fortuyns metafoor van de 'verweesde' samenleving - hét kernidee van zijn denken - als verklaringsmodel voor de problematiek van een te snel ontzuilde moderne maatschappij, niemand over de ideologische en praktische potentie van zijn oplossingsvoorstel van een terugkeer naar de 'menselijke maat' - niemand. Ja, achteraf, toen het al te laat was, toen kwamen de serieuze studies, toen namen de andere partijen het gedachtegoed stilzwijgend over. Lees Zielloos Europa (1997). Alsof het gisteren is geschreven.

Vijftien jaar verder, maar niets geleerd. Weer komen de demoniseerders uit ivoren torens afgedaald en uit duistere holen gekropen. Dit is geen verdediging van Thierry Baudet, maar een aanklacht tegen de manier waarop het 'debat' in Nederland altijd weer moet worden gevoerd, een essay uit ergernis omdat hier blijkbaar niets van het recente verleden is geleerd.
  Een luttele twee zetels en alle alarmen in Deugdorp gaan af. Of zou het zo zijn dat de dorpsbewoners wel inzien dat FvD zo maar eens een factor van betekenis kan gaan worden in de toekomst? Wie weet, er is ook een gerede kans dat het voortijdig implodeert. Baudet is in ieder geval iemand die door roeien en ruiten gaat om iets te bereiken en dat is een manier die zowel respect afdwingt als angst inboezemt. 
  Val de politicus tot die tijd gerust aan hoor, maar op argumenten a.u.b., op de inhoud, en in het debat. Betoog dat zijn visie ongefundeerd is, zijn visioenen onhaalbaar zijn, zijn oplossingen onzinnig, of voor mijn part een averechts effect hebben, maar niet bij het minste of geringste dat het extreemrechts is en de visionair een fascist en een nazi en wat dies meer zij, want dan worden as we speak op muffe zolderkamers en in duistere kelders de messen geslepen, de kogels opgepoetst.
  Er is wel één belangrijk verschil met die omineuze jaren 2001-2002: waren het vijftien jaar geleden de politici (Melkert, Rosenmöller, De Graaf) die, weliswaar geruggensteund door bepaalde media- of mediafiguren (NRC Handelsblad, Job Frieszo, en natuurlijk Marcel van Dam als bruggenhoofd) voorgingen in de lugubere demoniseringsdans, daar gedragen de politici van vandaag zich over het algemeen een stuk fatsoenlijker en is het vooral het Gilde van de Kleine & Grote Meningen dat, ongetwijfeld ook vanuit een verstikkende distinctiedrang, een kabaal maakt dat zeer doet aan de oren.

Er zijn te veel columnisten, er zijn te veel twitteraars, er zijn te veel bloggers. Iedereen runt tegenwoordig zijn eigen open afdeling.
  P.F. Thomése hierover in 'Mijn reizen door cyberspace' (Verzameld nachtwerk, 2016, p. 37-38): 'Je ziet op het internet voortdurend dat de deelnemers het liefst zelf schrijven. Zelf het middelpunt zijn van dit onuitputtelijke universum. Die aanwezigheidsdrang, zeg maar gerust aanwezigheidsmanie verklaart ook de krankzinnige accumulatie aan "informatie". Iedereen schept zijn eigen helderheid, ieder hecht aan zijn eigen statements in dit uitdijend heelal vol uit hun baan geslingerde meteoren.'
  Een citaat als een mokerslag. En het noopt tevens tot zelfreflectie. Dit blog bestaat deze maand precies tien jaar, een myriade aan meningen, gedachten, aanzetten, probeersels, essays en andere opinies zijn cyberspace in geslingerd.
  Het begon ooit als een soort openbaar dagboek, maar door de jaren heen werd het persoonlijke vaker verruild voor het politieke, het anekdotische voor het analytische, het verslag voor de mening. De frequentie ging omlaag, de lengte van de stukken omhoog.
  Altijd was het met het doel helderheid te scheppen, voor mijzelf in de eerste plaats. Maar men wordt het ook een keer moe, en ik hecht ook niet zo aan mijn 'statements' - die overigens ook niet vrij bleven van ontmaskeringsdwang.
  Na 1340 blogberichten is het wel een keer mooi geweest, naar wij dachten.
  Bij dezen verontschuldig ik mij.

Geschreven 22-26 maart

woensdag 5 juni 2013

Jos van Rey neemt het CDA de maat

In de berichtgeving rondom het voorjaarscongres van het CDA, dat afgelopen zaterdag plaatsvond in 's-Hertogenbosch, werden telkens dezelfde drie constateringen gedaan: 1) De toon van Buma is harder geworden ten opzichte van de coalitiepartners, 2) Het CDA weigert nog langer mee te denken met de bezuinigingsvoorstellen van het kabinet en 3) De partij oogst hiermee vooralsnog geen zetelwinst in de peilingen.

Met die toon van Buma valt het reuze mee. Dat wil zeggen: die is niet echt veranderd, echt niet opeens zoveel harder geworden de laatste tijd. Ook niet milder overigens. In juni 2012 lazen we immers al: 'Buma haalt hard uit naar Rutte'. Over Europa ging het toen. En ook nadien bij het afschieten van het woonakkoord en het verzet tegen het sociaal akkoord was Buma's kritiek op de kabinetsplannen niet mals. Wat heeft hij nu weer voor hards gezegd? Dat de samenleving wordt 'gemangeld door het doorgeschoten marktdenken en de allesbeheersende overheid'. Poeh poeh.

'Dat is typisch CDA. Zitten ze in de coalitie, dan vaart de fractie altijd een rechtsere koers, zitten ze in de oppositie, dan varen ze een linksere koers.' Aldus Jos van Rey (VVD), zondagochtend bij Geen Eva Jinek op Zondag. Van Rey de sjoemelaar, de nepotist, die zich begin 2012 van een behaaglijk plekje in gedeputeerde staten van Limburg dacht te hebben verzekerd, tot hij in juni plotseling in opspraak raakte omdat een politieke partij had ontdekt dat Van Rey iets te close was geweest met bepaalde projectontwikkelaars. Die partij was het CDA.

In oktober ging de beerput open en moest us Joske het veld ruimen. Zondag zei Van Rey dat hij is 'vermoord door justitie', maar voor een dode had hij opvallend veel noten op zijn zang. Typisch CDA, zei hij dus, met een blik alsof hij de integriteit zelve was. Nee Jos, typisch politiek: het CDA maakt typisch het geluid van een oppositiepartij. Een oppositiepoliticus spreekt zich bijna per definitie tegen kabinetsplannen uit, en omdat hij zijn media-aandacht moet verdienen doet hij dat in de regel in de vorm van gepeperde uitspraken en vooral niet te veel nuance.

Elke oppositiepartij van enige importantie schuift per pijnpunt een ter zake kundig mannetje of vrouwtje naar voren om onbeperkt kritiek te spuien. Dat was zo bij Teeven en Dolmatov (SP: Gesthuizen; D66: Schouw; CDA: Van Hijum), dat was zo bij Weekers en de Bulgraaiers (SP: Bashir; D66: Koolmees; CDA: Omtzigt) en dat is nu zo bij het Fyra-debacle (SP: weeral Bashir; D66: Stientje; CDA: De Rouwe).

Het is de eeuwige politieke balans van coalitie en oppositie: de coalitie heeft de macht, maar moet wel moeilijke maatregelen zien te verkopen en constant aan damage control doen; de oppositie kan vrijuit schieten op de plannen en blunders, maar heeft geen werkelijke macht iets te veranderen.

Buma brengt de nieuwe partijlijn in de praktijk, die van het 'radicale midden', een voortreffelijk concept. Dat 'midden' van het CDA is niet alleen een horizontale kwestie, van een middenpositie tussen links en rechts, tussen allesbeheersende overheid en doorgeschoten marktdenken, maar wat mij betreft ook een verticale: de partij als belangenbehartiger van de middeninkomens. In zijn paniekerige streven de eigen achterbannen te ontzien is dit kabinet radicaal middeninkomens aan het kaalplukken. Die enorme groep heeft behoefte aan een belangenbehartiger in Den Haag. Dat dit vooralsnog geen zetelwinst oplevert is misschien wel een zegen. Dat is meer iets voor PVV-achtige partijen, die uiteindelijk weer even hard vallen als ze gestegen zijn.

Laat het CDA eerst maar eens een paar jaar zaaien, opnieuw wortel schieten in de maatschappij, en als dan de tijd is gekomen om te oogsten, dan kan Jos van Rey ook meteen mee onder de zeis.

woensdag 17 april 2013

Lezen, lezen, lezen #33

Thierry Baudet & Michel Visser (red.), Conservatieve vooruitgang (2010), 414 blz. (****)
Voor hij zijn begeesterde boeken over de natiestaat en de EU (2012) publiceerde redigeerde Thierry Baudet in 2010, samen met Michel Visser, al een bundel over moderne conservatieve denkers die niet onopgemerkt bleef. Ik zou mezelf denk ik wel gematigd conservatief kunnen noemen. Volbloed progressief zijn in Nederland heeft vaak veel weg van achter een grote, van een helling af stuiterende sneeuwbal aanrennen om die nog een extra zet proberen te geven. De wereld verandert toch wel, en razendsnel ook; aandacht voor en verzorging van wat het waard is te behouden en verzet tegen de kwalijke elementen van de vooruitgang verdient dan extra toewijding. Toch staat conservatisme vaak in een kwade reuk. Ten onrechte, zo constateren ook de samenstellers in hun lezenswaardige en behartigenswaardige inleiding op deze bundel. Het zou 'gelijkstaan aan simpele behoudzucht, "rechts" zijn, of het tegenovergestelde zijn van "progressief".' Het conservatisme is 'veeleer een manier van kijken dan een strikte leer'. Een conservatief is zeker niet iemand 'die tegen alle verandering is, of terug wil in de tijd', dat is conservatief verwarren met 'regressief'. Of met 'reactionair', zou ik daar nog aan toe willen voegen. Dit sluit ook aan bij wat Antoine Bodar schrijft in zijn Klokkenluider van Sint Jan (2004, p. 40): 'De echte conservatief verlangt niet terug naar het verleden, als zou vroeger zonder meer alles beter zijn dan nu. Zo naïef is hij niet. De conservatief is traditionalist. Hij houdt rekening met de traditie waarin het voorgeslacht zich met het nageslacht verbindt. De conservatief kent zich als schakel in die verbinding.' Ware woorden. Conservatief staat voor een keuze voor 'een bepaalde methode van voortgaan in de tijd, een type progressie: niet met grote sprongen, maar stapje voor stapje'. Ook geloven conservatieven in het 'liefde en begrip voor het bestaande' en zijn zij sceptisch over de maakbaarheid van de samenleving: 'de condition humaine van de samenleving blijft eeuwig hetzelfde', er is sprake van een 'eeuwig menselijk tekort'. Conservatieven pleiten tot slot voor 'bescheidenheid met betrekking tot hervormingen', 'het belang van gezag voor het functioneren van een samenleving' en behoud van 'kleinschaligheid' en 'het platteland'.
In Conservatieve vooruitgang worden 20 twintigste-eeuwse denkers gepresenteerd die, ieder op hun eigen manier, hebben bijgedragen aan dit conservatieve perspectief. Daarbij zijn usual suspects als Huizinga, Ortega y Gasset, C.S. Lewis, Wilhelm Röpke en Leo Strauss, maar ook uiteenlopende figuren als Ludwig Wittgenstein, T.S. Eliot, Michael Oakeshott en de Nederlandsers Herman Dooyeweerd en W. Aalders. Ontbrekende cracks zijn Spengler en Miguel de Unamuno, maar daar staat tegenover dat ik kennismaakte met andere, voor mij onbekende filosofen. Wat voorts opvalt is dat alle twintig man zijn; zijn vrouwen niet ontvankelijk voor conservatieve ideeën? Iedere denker wordt door een andere kenner behandeld. Steeds volgt na een korte biografische schets een overzicht van de belangrijkste aspecten van zijn gedachtegoed, met als conclusie een overweging over wat nu het specifiek conservatieve van deze denker uitmaakt. Het knappe is dat de samenstellers erin geslaagd zijn de bundel een uniforme toon te geven - alleen Roger Scruton detoneert met een particuliere kritiek op progressieven -, het redigeerwerk van Baudet en Visser verdient dus alle lof. Jammer is dat soms te veel de nadruk ligt op economie en minder op een algemeen mens- en wereldbeeld. De auteurs presenteren de filosofen bovendien vaak op basis van citaten die profetisch zijn gebleken, zoals bij Ortega over de frivoliteit van de massamens die wel rechten wil maar geen plichten: 'Volgens Ortega uit die frivoliteit zich op allerlei manieren: een gebrek aan romantiek in de omgang met vrouwen, en een obsessie met het lichaam en het uiterlijk, extreme emoties rondom sporten, en een "half belachelijke en half schaamteloze" obsessie met jong zijn en jeugd'. Ook konden niet alle filosofen mijn aandacht vasthouden, maar dat is inherent aan zulke overzichtswerken. Deze kleine bezwaren mogen echter niet in de weg staan van een gunstige beoordeling. Conservatieve vooruitgang biedt een helder, nuttig en urgent overzicht van modern conservatisme en, misschien wel belangrijker nog, maakt korte metten met heersende vooroordelen over de wat het betekent om conservatief te zijn.

Tom Knipping & Iwan van Duren - Voetbal & Maffia. 'We schieten je kapot' (2012), 356 blz. (***)
De tijdschriftenmarkt kampt met sterk teruglopende advertentie-inkomsten. Johan Derksen van Voetbal International heeft echter een gat in de markt ontdekt door een eigen boekenuitgeverij te beginnen. Te midden van de bestsellende documentaires over René van der Gijp, Gert Jakobs en Andy van der Meijde, de autobiografie van Kees Jansma en de verzamelde columns van Dijkshoorn, Johan Derksen en Wilfred Genee, is de monografie Voetbal & Maffia van Tom Knipping en Iwan van Duren waarschijnlijk tegelijk de publicatie met de laagste verkoopcijfers en de hoogste impact. De twee onderzoeksjournalisten van VI hebben zich in de criminele kringen van de voetbalwereld begeven en troffen er een gigantische beerput aan. Voetbal is feitelijk nooit onschuldig vermaak geweest, maar sinds het grote geld van de commercie de sport is gaan gijzelen hebben in het kielzog criminelen, van kruimeldieven en beunhazen tot de echte zware jongens, de touwtjes langzaam maar ferm in handen genomen. Er is sprake van omkoping, corruptie, zwartgeldcircuits, witwaspraktijken en natuurlijk matchfixing, het probleem dat door Knipping en Van Duren op de agenda van de media en zelfs de politiek is gezet. In 25 hoofdstukken passeren diverse maffiose praktijken in het internationale voetbal de revue, variërend van curieus (een WK-scheidsrechter bleek ook drugssmokkelaar) tot schokkend (9 op de 10 wedstrijden in China is verkocht). Natuurlijk zijn er de bekende schandalen als de affaire-Hoytzer en de, veelal Oost-Europese, nieuwe rijken die clubs opkopen en ze tot witwasmachines omturnen. Maar ook minder bekende doch even boeiende voorbeelden zijn opgetekend, zoals de in Finland spelende Zambianen die marionetten van de gokmaffia bleken te zijn en de vele individuele spelers die hun carrière en soms ook hun leven beëindigd zagen door de krachten van de onderwereld.
Storend en soms zelfs ergerlijk is evenwel de stijl van Knipping en Van Duren. Eind 2009 brak ik al eens de staf over het pathetische taalgebruik van de heren, hun 'overdramatische formulering', zoals ik het toen, zelf ook wat overdreven, uitdrukte. Misschien liggen er literaire ambities aan ten grondslag, maar het resultaat doet toch eerder denken aan een clichématige driestuiverroman dan aan bellettrie: 'Lege kannen koffie onder een flikkerend peertje. Een asbak vol uitgedrukte peuken. Stapels papieren kriskras door de hele tot redactieruimte omgevormde garage. [...] Rechts de doorgewerkte dossiers. Links de aangeschafte wereldkaart waarin weer een paar nieuwe speldjes kunnen worden geprikt. We blazen eens uit van onze ontdekkingsreis in de sporen van de voetbalmaffia.' (326) Uitentreuren bedienen ze zich van de 'vergelijking met als', en niet altijd even functioneel. Ik heb weer eens verzuimd met het potlood in de hand te lezen, maar een paar steekproeven leveren al een treffend lijstje op:
- 'De lijntjes lopen ondergronds als oude telefoonkabels.' (15)
- 'De Aziatische ziekte waait als de vogelgriep over naar Europa.' (17)
- 'De Chinese competitie is zo betrouwbaar als een Griekse bank.' (29)
- 'Zoals zalmen de rivier opzwemmen, zoekt Schnitzler de casino's.' (67)
- 'Als paddenstoelen uit rottende grond verrijzen de vreemdste clubs.' (118)
- 'Als sprinkhanen vliegen de nieuwe rijken over het oude Europa.' (120)
- 'Als een atheïst die het licht heeft gezien gelooft hij er nu heilig in dat de wedmaffiosi [...] in het topvoetbal zijn geïnfiltreerd.' (317)
- 'Als kankercellen verspreidt zich de ziekte in het sportieve lichaam van het voetbal.' (329)
Uiteindelijk is die stilistische armoede natuurlijk ondergeschikt aan de urgentie van Voetbal & Maffia, aan het probleem dat het boek aankaart. De maffia vreet het voetbal van binnenuit kapot. Van bonden als de UEFA en de KNVB is weinig heil te verwachten, gezien de aard van de criminaliteit is het ook eerder een zaak van politiek en justitie. Alleen PvdA-parlementariër Tjeerd van Dekken bijt zich erin vast, minister Schippers heeft nog niet zo'n haast.

Raymond Gradus, George Harinck, Karin Hoentjen, Alexander van Kessel, Hans-Martien ten Napel (red.), Canon van de christendemocratie (2012), 92 blz. (****)
Dat ik de christendemocratie in principe de meest aantrekkelijke politieke ideologie vind, heb ik al eens eerder toegegeven. Het liberalisme is me te veel gefixeerd op vrijheid en individualisme, de sociaaldemocratie op radicale gelijkheid. De christendemocratie verbindt beide waarden via de norm van de broederschap of de gemeenschapszin. Dat alles in theorie natuurlijk, de praktijk is vaak weerbarstiger. Toch is de christendemocratie ook een schizofrene ideologie, waarbinnen dienstbaarheid aan de gemeenschap soms conflicteert met, of ondergeschikt wordt gemaakt aan dienstbaarheid aan een godheid. Daarbovenop komt de historisch gezien hoogst problematische combinatie van katholieken en protestanten. Dat die allesbehalve harmonieus gegroeid is komt goed naar voren in de Canon van de christendemocratie, verzorgd door een redactie van historici en politicologen. De canon bestaat uit 40 luiken. Elk luik verwijst naar een historisch moment uit de geschiedenis van de christendemocratie, met steeds op de linkerpagina een treffende afbeelding en op de rechter een driekolomstekst waarin de betreffende gebeurtenis beschreven en in een bredere context geplaatst wordt.
De canon opent met de publicatie van Ongeloof en Revolutie (1847) van Guillaume Groen van Prinsterer. Katholieke en antirevolutionaire kiesverenigingen - partijen bestonden nog niet - voeren indertijd een verschillende koers. Waren de katholieken in de prakijkt vaak conservatieven, de antirevolutionairen verzetten zich tegen zowel liberalen als conservatieven. 'Verschil en gelijkheid' zou je zo een eerste thematische lijn in deze canon kunnen noemen. Met bijvoorbeeld in 1894 de scheuring in de ARP toen Abraham Kuyper een uitbreiding van het kiesrecht wenste voor zijn 'kleine luyden', terwijl de elitaire 'dubbele namen' politieke participatie van het volk niet zo zagen zitten en zich verenigden in het CHU. Ook het voortdurende proces van aantrekking en afstoting tussen katholieken en protestanten valt hieronder, met bijvoorbeeld de kabinetscrisis van 1925 toen een amendement om het vaste gezantschap in het Vaticaan af te schaffen gesteund werd door de hervormden, tot woede van de katholieken, maar ook de befaamde 'Bergrede' van Aantjes in 1975, waarin hij het evangelie als richtsnoer voor de christendemocratische politieke bepleitte.
Een tweede lijn is het sociale en emanciperende gezicht dat de christendemocratie altijd weer heeft geprobeerd te tonen: de Arbeidswet-1889 van het kabinet-Mackay; het Christelijk-Sociaal congres en de invloed van de encycliek Rerum Novarum; de ethische politiek van Minister van Koloniën Idenburg, die met de trefwoorden 'pacificatie' en 'educatie' in de hand de inlanders wilde verheffen maar daarmee tegelijk de revolutionaire geest deed ontwaken; Marga Klompé (KVP) als eerste vrouwelijke minister in 1956; de voortrekkersrol van de christendemocraten bij de ontwikkelingshulp en Europese samenwerking; de publicatie van Nieuwe wegen, vaste waarden in 1995 van coming men Ab Klink en Jan Peter Balkenende van het WI.
Een derde lijn is dat er, het sociale gezicht ten spijt, altijd een moeizame verhouding heeft bestaan met de socialisten. De leer van 'de uiterste noodzaak' van monseigneur Nolens in 1922, die politieke samenwerking met de socialisten beperkte tot 'alleen als het echt niet anders kan', is een treffende uiting hiervan. Een ander voorbeeld is de positie van de confessionelen in het kabinet-Den Uyl, die daarin niks te zeggen hadden, en Van Agt die toen dwars ging liggen en een pas de deux met Wiegel begon, en natuurlijk het meest recente voorbeeld: de uiterst moeizame verstandhouding tussen CDA en PvdA in Balkenende-III. Het laatste luik beschrijft het beruchte formatiecongres van 2010, waarbij weer die de christendemocratie eigen lijkende januskop zich vertoonde: de helft was voor regeringsdeelname, de andere helft niet.
De gereformeerden van de ARP en hervormden van de CHU zijn altijd veel steiler in de leer geweest dan de katholieken van de KVP en voorgangers. Het CDA is en blijft een kunstmatig conglomeraat, en in tijden van crisis steekt dat steeds weer de kop op. De katholieke emancipator Schaepman zette in zijn Proeve van een program (1883) prachtig uiteen hoe het volgens hem moest: 'Deze "proeve van een program" is inderdaad niet meer dan een proeve. Het leven alleen, het historische leven met al zijn worstelingen en ontwikkelingen kan hier den vollen vorm geven'. De tekst wordt 'zoekend van toon' genoemd en bepleit pragmatische politiek die niet vertrekt vanuit bestaande aangenomen waarheden maar altijd op zoek blijft naar bijdetijdse antwoorden op eigentijdse problemen. 130 jaar later heeft die boodschap nog niets aan relevantie ingeboet.

maandag 3 september 2012

Boerenomelet

'En de boer hij ploegde voort', dichtte Werumeus Buning ooit.
Nu de boer door kijkcijferhit Boer zoekt vrouw weer in het middelpunt van de belangstelling staat, zou je verwachten dat de traditionele boerenpartij het CDA hiervan profiteert en meelift op het succes. Maar omgekeerd evenredig aan de zegetocht van het KRO-programma voltrekt zich de neergang van de christendemocraten.
Alleen boer Bleker vond nog net op tijd een jonge, wulpse vrouw.
Uit wat ik over het programma las leek Boer zoekt vrouw me een soort idylle van het plattelandsleven te presenteren, Oudhollandse gezelligheid, rurale gemoedelijkheid, verlegen boeren die goedmoedig aan de vrouw worden geholpen, kortom: het ultieme feelgoodprogramma. Het arcadische programmadeuntje en de agitprop van Yvon Jaspers hebben me echter op een dwaalspoor gebracht.
Gisteravond keek ik Boer zoekt vrouw en ik was verbijsterd. Het bleek een keihard programma. Kansloze boeren werden alleen maar meer met de neus op het feit van hun eigen minkukeligheid gedrukt: als ze te weinig brieven hadden ontvangen vielen ze rücksichtslos af.
Nog zo'n scène: Jaspers met een stapeltje brieven bij een boerentweeling aan de keukentafel. Tweelingboer één had er 3, tweelingboer twee 27. Nummer één wist niet waar hij moest kijken. En Jaspers zweeg, liet hem langzaam stikken in zijn ellende, zijn marginaliteit werd er zwijgend ingewreven.
Het CDA wordt volgende week woensdag ook gemarginaliseerd, zoveel is zeker. De partij stak zijn nek naar rechts uit door deel te nemen aan het gedoogkabinet om zo het gevaar-Wilders te bezweren. Die tactiek is succesvol gebleken - de PVV heeft zich vooral belachelijk gemaakt en speelt de komende verkiezingen nauwelijks nog een rol van betekenis -, maar het CDA moet daar nu paradoxaal genoeg voor boeten, terwijl de VVD fier aan kop blijft.
De heren van Koefnoen lieten afgelopen zaterdag perfect de onmogelijkheid van de situatie zien. Ze lieten Sybrand van Haersma Buma deelnemen aan het SBS 6-gedrocht Sterren springen. Buma voerde zijn sprong perfect uit maar viel toch af. Owen-Schumacher-als-Gerard-Joling zei het ronduit: de uitvoering kan nog zo goed zijn, als je de 'gunfactor' niet hebt houdt alles op.
Buma heeft nu eenmaal het imago van een doodsaaie houten klaas. En imago is alles. Het grootste deel van het electoraat heeft simpelweg niet de tijd, de zin, de belangstelling om voorbij de eerste indruk, voorbij het geijkte beeld te kijken.
Dat geldt overigens voor alle partijen.
Studenten strijden massaal tegen het afschaffen van de studiefinanciering. Weet u welke twee partijen volledig naar een leenstelsel willen? D66 en GroenLinks. Inderdaad de twee partijen waar studenten massaal op stemmen. Weten de studenten dat? Ik betwijfel het ten zeerste. Ze zullen gewoon weer stemmen op hun partij, dezelfde partij die bepleit waar zij de volgende dag weer tegen protesteren.
Te midden van al die onomkeerbaarheden is de plotselinge opkomst van Diederik Samsom merkwaardig. In de laatste peilingen is de PvdA de SP al genaderd of zelfs al voorbij. In de Politieke Barometer staan de sociaaldemocraten zelfs al zes zetels voor op de socialisten - 30 tegen 24.
Waar gaat dit eindigen?
Ik zie het spook al opdoemen: Paars III. VVD, PvdA en D66 staan nu op 79 zetels. Na de Fortuyn-retoriek van de Paarse puinhopen is er al geruime tijd een tegengeluid te horen: onder Paars maakte Nederland een ongekende economische groei door. Dat kan wel zo zijn, maar dan vergeten we één ding: Paars had de wereldeconomie volop mee, Paars III zal moeten opereren in een economische crisis. Dat gaat erg interessant worden.
Het CDA, teruggedraaid naar het politieke midden, zal na tien jaar weer oppositie moeten gaan voeren.
'En de kwaden gingen hem links voorbij / En de goeden rechts voorbij', dichtte Werumeus Buning over de boer. Zo verging het ook het CDA.
Gewoon volhouden nu, is het devies. Vertrouwen op het boerenverstand en voortgaan met de ploeg. En dan maar hopen dat Yvon Jaspers niet langskomt met de zeis.

maandag 14 mei 2012

Besmettingsgevaar

Nu het CDA een imagoprobleem heeft en de partij er in de peilingen bedroevend slecht voor staat is het leedvermaak niet van de lucht. Voorop natuurlijk die oude clown die elke maandagavond tafelheer speelt op Nederland 3. Het CDA moest kapot, zijn missie is geslaagd. Dat zijn eigen favoriete partij wel een 'Lenteakkoord' heeft gesloten met onder meer datzelfde CDA - en er 'groene' maatregelen heeft doorgedrukt waar in crisistijd niemand op zit te wachten, een parlementaire enquête waard -, daar gaat Mulder schaamteloos aan voorbij.

Maxime Verhagen ruimt nu het veld en er moet een nieuwe lijsttrekker komen. Henk Bleker, Sybrand van Haersma Buma, Mona Keijzer, Liesbeth Spies, Madeleine van Toorenburg en Marcel Wintels zijn de zes kandidaten. Ook daar heeft Mulder - en in zijn kielzog vele anderen - wel een moreel hoogstaand oordeel over. Van Haersma Buma, Bleker en Spies zouden niet mee mogen doen omdat ze voor samenwerking met de PVV waren en ook daadwerkelijk hebben geparticipeerd in een door Wilders gedoogde regering. Ze zijn 'besmet', heet het. Werkelijk waar, die term wordt gebezigd: 'besmet'.

Alsof Wilders een enge ziekte is. Een leproos die je niet mag aanraken en die maar het beste met een bordje: pas op, besmettelijk! om zijn nek kan gaan lopen. Het is natuurlijk een sinistere manier om maar weer eens een rechte lijn van de oorlog naar Wilders te trekken. Want, zoals op het beschaafde weblog Joop te lezen is: 'Bleker is, net als Spies en Buma, natuurlijk zwaar besmet met het recente regeerverleden met de fascistoïde Wilders.' Het zijn collaborateurs, het staat er nog net niet. (Oprichter Francisco van Jole: 'Joop is een site waarop niet iedereen met een afwijkende mening wordt afgebrand en uitgemaakt voor rotte vis.' Waarvan akte.)

Wat iedereen lijkt te vergeten is dat die regering met Wilders er simpelweg moest komen. Want pas op hoor: als de PVV na de verkiezingswinst van 2010 buiten de macht was gehouden, dan had Wilders zijn martelaarsrol alleen maar meer gecultiveerd. Dan had het riedeltje dat 'de' elite de PVV en haar kiezers weer overal buiten hield niet opgehouden te klinken. Dan was de PVV alleen maar groter geworden.

Zoals Ronald Havenaar in zijn pamflet Te licht bevonden (2011) al schreef, p. 10: 'In dat geval was de verkiezingsoverwinnaar, de PVV, in een isolement gedreven dat de anti-establishmentwoede van een op drift geraakt electoraat nog groter had gemaakt. Als oppositieleider had Wilders waarschijnlijk binnen afzienbare tijd kunnen doorgroeien [...] en was er een goede kans geweest dat hij na de eerstvolgende verkiezingen aanspraak had kunnen maken op het premierschap. VVD-leider Rutte en meer nog CDA-leider Verhagen - die een onwillige partij moest overreden - komt het compliment toe dat zij dit gevaar voorlopig hebben gekeerd.'

Havenaars pamflet was zeer kritisch over de PVV, maar wel kritisch op pragmatische en weldoordachte wijze. Daarmee vormde het een uitzondering te midden van alle kortzichtigheid en bangmakerij. De regeringsconstructie met de PVV was nu eenmaal iets waar men doorheen moest. Alleen zo konden de kiezers inzien dat er inderdaad niet samen te werken valt met de PVV. Dat ook Wilders niet het landsbelang voorop stelt, dat ook de PVV niet de partij is die de belangen van de burgers behartigt. Nu is het aan diezelfde burgers om de conclusie te trekken dat de PVV een ideeënarme partij is met incapabele mensen die allesbehalve de oplossingen biedt voor hun problemen en zorgen.

Verhagen is nu geslachtofferd. Hem resten de complimenten van Havenaar. Wie moet het nu worden voor de christendemocraten? Bleker niet, dat ben ik met Mulder eens - al is het om betere redenen. Bleker is geen bindende factor, heeft zijn imago tegen door een aantal oliedomme acties. Maar Henk is verliefd, dan doe je onbezonnen dingen. Spies heeft geen uitstraling, backbencher Van Toorenburg ontbreekt het ook aan charisma. (Overigens: Van Toorenburg heeft de voorbije 20 maanden ook namens het CDA in de Kamer gezeten, maar die wordt nooit 'besmet' genoemd - ze is natuurlijk te onbeduidend, over haar rug kan Jan niet scoren.) Van Haersma Buma lijkt me ook niet de nieuwe inspirator. Maar hij heeft al twee geslaagde grappen gemaakt op televisie, dan stijg je tegenwoordig meteen gigantisch in populariteit.

Blijven de twee nieuwkomers over. Marcel Wintels maakte al meteen geen goede beurt met zijn misplaatst stoere uitspraak 'Onder mijn leiding zal het CDA niet samenwerken met de PVV', een nogal gratuite belofte; het zal geheel wederzijds zijn. U merkt, ik eindig bij Mona Keijzer. Keijzer kan haar ideeën helder verwoorden, laat zich niet snel van de wijs brengen, is noch halfzacht noch hardvochtig. Solide en sociaal, in de woorden van Aart Jan de Geus. Ze heeft twee nadelen: ze komt uit Volendam en ze wil de christelijke grondslag van de partij meer benadrukken. Maar zolang ze niet gaat zingen is het eerste geen onoverkomelijk probleem. Dat het CDA zich meer moet profileren als seculiere middenpartij heb ik al eerder bepleit, maar je kunt niet alles hebben.

Vrijdag wordt de uitslag van de eerste stemronde bekendgemaakt. Het lijkt een strijd te worden tussen Van Haersma Buma en Keijzer. Ik hoop dat Keijzer het wint. Ook voor Jan Mulder. Hij is immers al oud, zijn weerstand is niet meer zo hoog. Als Buma wint kan het besmettingsgevaar kan hem weleens fataal worden.

donderdag 9 juni 2011

Lezen, lezen, lezen #24

Gerrit Voerman (red.) - De conjunctuur van de macht. Het Christen Democratisch Appèl 1980-2010 (2011), 252 blz.
Vorig jaar bestond het CDA dertig jaar. Het was echter allesbehalve een feestelijk jaar voor de christendemocraten. Na de historisch zware verkiezingsnederlaag waren doemgedachten over het einde van de partij niet van de lucht. Dat blijkt echter vaker het geval te zijn geweest in de voorbije dertig jaar, zelfs al vóór de partij goed en wel bestond. In De conjunctuur van de macht bestuderen politicologen en historici, onder wie bekende namen als James Kennedy, Ruud Koole en Marcel ten Hooven, vanuit verschillende invalshoeken de ontwikkeling van het CDA sinds 1980. Zo blijkt dat het CDA pas (of al?) onder Lubbers de richting van het sociaalconservatisme insloeg en dat Balkenende een grote rol heeft gespeeld in de bestendiging van deze profilering, als premier maar vooral in zijn tijd bij het Wetenschappelijk Bureau.
De interessantste bijdragen onderzoeken de vraag of het CDA inderdaad, zoals de gangbare mening luidt, een ruk naar rechts heeft gemaakt. Kennedy en Hans-Martien ten Napel concluderen van niet. Hoewel de onderzoekers feitelijk onderzocht hebben of de partij conservatiever is geworden, wat ik niet hetzelfde vind als rechtser, blijkt dat niet zozeer het CDA als wel de Nederlandse politiek als geheel conservatiever is geworden en dat het CDA zich in die zin slechts heeft aangepast aan de tijdgeest. Het electoraat is echter wel verschoven naar (gematigd) rechts, met een sterke voorkeur voor de VVD en steeds minder voor de PvdA, zo concluderen Joop van Holsteyn en Galen Irwin uit empirisch onderzoek. Die wetenschap stemt somber, omdat mijn idee toch was en is dat het CDA zich meer moet inspannen een echte middenpartij te blijven, wil het zijn toekomst garanderen. De appeasementpolitiek ten opzichte van de PVV is hierbij vanzelfsprekend een belangrijk punt, maar persoonlijk acht ik de verinniging van de band met de neoliberale VVD en de steeds wijder wordende kloof met de PvdA veel gevaarlijker. Hier is overigens ook de koers binnen de PvdA debet aan. Als het CDA steeds meer een slap aftreksel van de VVD wordt, verliest het zijn bestaansrecht. De enige eigenheid zit dan nog in de, historisch bepaalde, confessionele signatuur.
Ook daar is echter verandering noodzakelijk. De immer voortdurende secularisering van de maatschappij maakt het echt bittere noodzaak dat de partij definitief de religieuze banden losser maakt. Ik haal graag nogmaals Bert Ramakers aan, die pleit voor een verruiming van de grondslag van het CDA, zodat 'ook mensen met een niet-christelijke geloofs- of levensovertuiging zich thuis kunnen voelen bij de partij'. Tot slot nog dit: dit boek is feitelijk een bundel wetenschappelijke artikelen. Dat het 'gewoon' te vinden is in de reguliere boekhandel op het tafeltje politieke boeken bewijst evenwel dat het CDA nog steeds een partij is die ertoe doet en waar nog veel belangstelling voor bestaat.

Multatuli, een zelfportret. Het leven van Eduard Douwes Dekker, door Multatuli verteld. Samengesteld door Dik van der Meulen, Cees Fasseur en Hans van den Bergh (2010), 360 blz.
Van Multatuli las ik alleen Max Havelaar en her en der wat Ideen. De man heeft echter nog veel en veel meer geschreven, van fictioneel en non-fictioneel werk tot massa's brieven. De vijfentwintig dundrukdelen Volledige Werken hebben me niettemin altijd eerder afgeschrikt dan verleid tot meer lezen. Multatuli, een zelfportret biedt nu een ruimhartig overzicht van de veelzijdige productie van Multatuli. Grondthema is het autobiografische aspect, 'alles wat hem in het dagelijks leven en in zijn ideeënwereld bezighield'. De samenstellers, de usual suspects Dik van der Meulen, Cees Fasseur en Hans van den Bergh - de biograaf, de monarchist en de republikein -, hebben echter ook bekende teksten als het Saïdja-en-Adinda-verhaaltje en grote gedeelten uit Woutertje Pieterse opgenomen, zodat dit boek veeleer een traditionele bloemlezing is dan een zelfportret of autobiografie.
Hoewel de heren met dit boek hebben gepoogd 'oude en nieuwe lezers [te] verleiden de weg (terug) te vinden naar de meesterwerken' van Multatuli, moest ik naar het einde toe toch constateren dat de auteur er meer en meer uit oprijst als een ongelooflijke druktemaker, een wervelwind die zowel inhoudelijk als stilistisch kortstondige oplichtingen van briljantie afwisselde met onverteerbare woordenvloeden en kronkelredeneringen. Aan het eind van zijn leven was Multatuli zelfs verworden tot een soort goeroe, een negentiende-eeuwse Emile Ratelband die zichzelf bovendien verloren had in gokschulden en zelfverheerlijking. De afstand in de tijd speelt hier vast ook een rol, maar te zelden zijn de geselecteerde fragmenten nog leesbaar of onderhoudend genoeg dat ze het verlangen in me wakker roepen de volledige tekst te willen lezen. Dat is toch de paradoxale en ietwat wrange conclusie na lectuur van dit boek: hoezeer ik me er ook mee vermaakt heb, ik weet nu zeker dat ik me niet verder ga verdiepen in het oeuvre van Multatuli. Deze bloemlezing is precies genoeg.

Herman Pleij - 'Moet kunnen.' Een kleine mentaliteitsgeschiedenis van de Nederlander (2011), 128 blz.
Met 'moet kunnen' duidt cultuurhistoricus en mediëvist Herman Pleij het misschien wel succesvolste Nederlandse identiteitsaspect aan: de gedoogcultuur die een economische oorsprong heeft en inmiddels ook het culturele en politieke leven beheerst. Naast de gedoogcultuur ligt het poldermodel, al eeuwenlang het tweede basiselement van de vaderlandse vooruitgang: 'Zelden is een gemeenschap zo lang getraind in ruziemaken om vooruit te komen.' Pleij strooit kwistig met voorbeelden en typeringen van de mentaliteit van de Nederlander, zonder veel mitsen en maren en daardoor met een amusante toon en in een prettig tempo. Twee bedenkingen hierbij: Pleij gaat ten eerste dikwijls voorbij aan de vraag voor wie een bepaald aspect eigenlijk evident is. Zo noemt hij de spreekwoordelijke 'gierigheid' van de Nederlander in de ogen van de Belgen en hun 'domheid' in onze ogen, twee overbekende clichés. Hier voegt hij dan echter aan toe dat Nederlanders 'grossieren [...] in anekdoten over de gierigheid van Schotten'. Dit was echter totaal nieuw voor mij. Pleij veronachtzaamt zo soms de cultuur-, tijd- en persoonsgebondenheid van bepaalde typeringen. Een tweede bezwaar is dat Pleij in de valkuil valt waar iedereen in lijkt te vallen die iets beweert over 'de' Nederlander, en zeker zij die negatieve eigenschappen signaleren: ze pretenderen iets algemeen geldigs te beweren over Nederlanders, maar die bewering is impliciet niet op henzelf van toepassing. Ja, dit is typisch Nederlands, maar neen, ikzelf maak me er niet schuldig aan, die houding.
Uit dit boekje komen eigenlijk twee Herman Pleijen naar voren. De ene een luchtig generaliserende en vrij associerende causeur, de ander een kundige en erudiete kenner van de laat-middeleeuwse (volks)cultuur. Je merkt het zelfs aan de stijl, die wordt ineens veel bedaarder en doorwrochter wanneer de volkscultuur en burgermoraal aan de orde komen. Interessant is dat Pleij veelvuldig gebruikmaakt van reisverslagen van buitenlanders die in vroeger eeuwen ons land bezochten. Hij verliest echter nooit de actualiteit uit het oog. Nederland is tegenwoordig 'het land van Sinterklaas en de Rijdende Rechter. Met een flinke scheut Paul de Leeuw.'

woensdag 16 maart 2011

Lezen, lezen, lezen #23: Balkenende-special

Het prachtboek Onze premiers (1901-2002) van Han van der Horst eindigt met Wim Kok. Nu het tijdperk Jan Peter Balkenende definitief ten einde is, is het tijd om ook de 22ste premier sinds Abraham Kuyper op waarde te schatten. Drie boeken geven gezamenlijk een overzicht van de wederwaardigheden van JP als MP.

Rien Fraanje & Jouke de Vries - Gepland toeval. Hoe Balkenende in het CDA aan de macht kwam (2010), 156 blz.
Balkenende is vóór 2001 nooit de gedoodverfde nieuwe leider van het CDA geweest. In oktober 2001 werd hij op het oog vanuit het niets tot politiek leider van de christendemocraten gebombardeerd. Toch was zijn promotie zorgvuldig voorbereid, zij het achter de schermen. In Gepland toeval speelt Balkenende, de ondertitel van het boek ten spijt, een marginale rol. Fraanje en De Vries concentreren zich grotendeels op de machtsstrijd binnen de partij de week voorafgaand aan de troonsbestijging van Balkenende. Jaap de Hoop Scheffer en Marnix van Rij betwistten elkaar toen het fractievoorzitterschap.
De auteurs lijken erg op de hand van Van Rij, wat een gevolg is van hun intentie een stukje geschiedvervalsing te willen rechtzetten. De geijkte opvatting is immers dat partijvoorzitter Van Rij de amokmaker was die aan de stoelpoten van fractieleider De Hoop Scheffer zaagde in zijn blinde ijver zelf eerste man te worden. Van Rij komt echter naar voren als de integere man met de ideeën die niets anders wilde dan de partij weer nieuw elan bezorgen. Een verfrissende herdefiniëring die van de stoffige, defensieve De Hoop Scheffer niet te verwachten viel.
Balkenende was eerder, mede door de invloed van een groepje machtige partijtijgers, op de belangrijke derde plek op de lijst voor de Kamerverkiezingen van 2002 geplaatst - de nummer 2 is altijd een vrouw, de nummer 3 is in principe kroonprins - en stond die niet meer af, ook niet toen het compromisvoorstel om Van Rij op plek drie te zetten aan hem werd voorgelegd. Toen De Hoop Scheffer uiteindelijk murw gebeukt van alle interne tegenstand aftrad en Van Rij besefte door de ontstane beeldvorming nooit diens positie te kunnen overnemen, kwam Balkenende plots in beeld. Nummer twee Maria van der Hoeven had binnen de partij veel goodwill verspeeld nadat ze in het geniep een deal met Van Rij had proberen te sluiten. Balkenende was van onbesproken gedrag.
Gepland toeval laat mooi zien hoe ambitie, beeldvorming en zuivere ideeën en onzuivere belangen een partij intern kunnen verscheuren. De week van 27-9 tot 2-10-2001 speelde zich binnen het CDA een schimmig politiek spel af van conflicten, vriendjespolitiek, binnenbrandjes, gekonkel, lange tenen, korte lontjes en korte lijntjes. Minpunt is dat de reconstructie wel erg gedetailleerd is en soms lastig te volgen met alle instituties en functies die een rol spelen, zoals dagelijks bestuur, partijbestuur, fractievoorzitter, partijvoorzitter, en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Je krijgt van de weeromstuit bijna sympathie voor Geert Wilders die meent dat een democratisch doorontwikkelde ledenpartij alleen maar problemen kan opleveren.

Thijs Broer & Max van Weezel - De geroepene. Het wonderlijke premierschap van Jan Peter Balkenende (2007), 208 blz.
Dit boek uit 2007 bestaat uit een verzameling politieke artikelen uit Vrij Nederland over Balkenende. De auteurs hebben deze weliswaar herschreven om er een lopend verhaal van te maken, maar dat heeft niet kunnen verhinderen dat de verzameling soms - met name naar het einde toe - een wat onevenwichtige indruk maakt en dat er enkele storende doublures in staan.
De geroepene sluit van de drie boeken wel het dichtst aan bij de opzet van de beschouwingen van Van der Horst in Onze premiers, waar immers niet zozeer het premierschap van de premiers als wel hun leven voordat zij MP werden belicht wordt. De eerste negen hoofdstukken van De geroepene beschrijven achtereenvolgens Balkenendes Zeeuwse jeugd, Amsterdamse studententijd, gemeenteraadslidmaatschap van Amstelveen en carrière aan het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, waar hij harmonieus samenwerkte met Ab Klink.
Broer en Van Weezel halen hun informatie grotendeels uit gesprekken met direct betrokkenen, zoals, onder vele anderen, Doekle Terpstra, Herman Wijffels, Gerrit Zalm, Jan Schinkelshoek, Wim van de Donk, Jacques Tichelaar, Lodewijk de Waal en René Paas. Uit dit mozaïek van stemmen ontstaat een veelzijdig en redelijk compleet beeld van de houding en manier van werken van Balkenende.
De geroepene verscheen al in 2007 en eindigt met de installatie van Balkenende IV. De auteurs lieten zich leiden door de vraag hoe de brekebeen Balkenende er toch steeds weer in slaagde sterker uit de strijd te komen en de verkiezingen te winnen. De teneur van het boek is dan ook van negatief naar bijzonder positief. Van de eerste drie kabinetten worden vooral de hindernissen en de feilen besproken, zoals de chaotische samenwerking tussen de coalitiepartijen en de verstoorde verhoudingen met het maatschappelijk middenveld. Bij aanvang van de coalitie CDA-PvdA-CU is echter alle kou uit de lucht. De vakbonden zien het weer zitten, intern binnen het CDA is men vol vertrouwen en tussen CDA en PvdA is alles weer pais en vree. De auteurs spreken zelfs lyrisch van 'Het Wonder van Beetsterzwaag', de Friese negorij waar de onderhandelingen plaatsvonden onder bezielende leiding van informateur Herman Wijffels. Balkenende IV zou echter het begin van het einde inluiden voor Balkenende, zo blijkt uit het boek van Wilco Boom.

Wilco Boom - De val van Balkenende. Wat ging er fout? (2010), 156 blz.
De geroepene eindigt behoorlijk euforisch met een soevereine Balkenende die na vier moeizame jaren met de VVD nu met de PvdA eindelijk de polderconsensus heeft bereikt die zo lang had ontbroken: van partijgenoten tot vakbondsleiders en van werkgevers tot coryfeeën: iedereen had er weer vertrouwen in. In De val van Balkenende toont Wilco Boom echter een diametraal beeld van de drie volgende jaren: Balkenende zélf kon nooit echt afscheid nemen van de VVD. De sociaal-economische hervormingsagenda die hij samen met de liberalen doortastend aan het uitvoeren was, stokte nu hij rekening diende te houden met Bos en Rouvoet. En daar kon Balkenende niet mee omgaan.
Fraanje en De Vries bespreken in de epiloog van hun boek nog summier de periode dat Balkenende aan de macht was. Ze concluderen dat de strategie die hem binnen de partij aan de macht had gebracht, namelijk het om zich heen verzamelen van loyale geestverwanten, uiteindelijk zijn ondergang betekende. Loyaliteit was in 8 jaar langzaam maar gestaag verworden tot kritiekloos jaknikken waardoor Balkenende het contact met de partij verloor. Dat is ook de conclusie van Boom. De premier liet zich omringen door een parasitaire hofhouding. Toen hij voor zijn laatste kabinet bovendien alle Balkenendianen en toptalenten uit de partij haalde om ze in het kabinet te installeren, raakte het evenwicht tussen fractie en partij zoek.
Dat was de interne reden voor de val van Balkenende. Extern was de val van zijn laatste kabinet voor de verandering eens niet alleen maar de schuld van de coalitiepartner(s), zoals dat voorheen met achtereenvolgens de LPF en D66 wel het geval was geweest volgens de publieke opinie. Nu droeg ook de PvdA weliswaar een deel van de schuld door uit electoraal oogpunt de coalitie pootje te lichten met Uruzgan als legitimatie, maar de kiezer had het gedoe rond het onderzoek van de commissie-Davids naar de Irak-besluitvorming nog vers in het geheugen. De samenwerking tussen CDA en PvdA was bovendien een wassen neus gebleken. Balkenende regeerde alsof hij nog steeds met de VVD samenwerkte. De conclusie van Boom is dan ook dat Balkenende niet de juiste minister-president was voor een kabinet met de christendemocraten en de sociaaldemocraten.
Pijnlijk is ook dat zowel Balkenende zelf als een groot deel van de CDA'ers liever had gezien dat Camiel Eurlings het stokje had overgenomen na de val van Balkenende III. Die inmiddels bekende onthulling is de verdienste van Boom. Zijn heldere, met veel vaart geschreven boek is een absolute aanrader.

Conclusie
De drie besproken boeken belichten uiteenlopende aspecten en periodes van Jan Peter Balkenende, maar over één ding zijn de auteurs het roerend eens: op de cruciale momenten was Balkenende (te) afwezig, toonde hij niet het leiderschap dat zijn functie vereist, miste hij het charismatische vermogen om boven de partijen uit te stijgen en de neuzen dezelfde kant uit te krijgen of een moeilijke knoop door te hakken. Balkenende was een harde werker, in de beste calvinistische traditie, een intellectueel met welomlijnde ideeën over staatsinrichting en -hervorming, maar van de leider van het land mag iets meer verwacht worden.
Ik was 16 toen Balkenende premier werd, ik was 24 toen hij afscheid nam. Mijn jaren van politieke bewustwording en oriëntatie zijn dus voor een belangrijk deel bepaald door Balkenende. Gedurende die jaren heeft zich één overtuiging rotsvast in mij verankerd: dat Balkenende altijd te goeder trouw was. Hoeveel fouten hij ook maakte, hoe stuntelig hij ook overkwam, ik had nooit het gevoel met een volksverlakker, met een non-valeur van doen te hebben. In De geroepene staat een illustratief citaat van Ferd Crone (PvdA) over de mislukte onderhandelingen van 2003 tussen CDA en PvdA: '[Balkenende] had het er zichtbaar moeilijk mee. Zijn stem brak, zijn ogen werden vochtig. Het was duidelijk wie de hardliners waren: Verhagen en Wijn. Ze zaten die avond ontzettend stoer te doen - als corpsballen die er lol in hadden dat wij door de mangel werden gehaald. Maxime en Joop zien de politiek als één groot spel. Zo zit Jan Peter niet in elkaar.'
Een belangrijk bezwaar tegen Balkenende is niet eens zozeer zijn gebrek aan charisma, maar zijn economische ideeënontwikkeling. In De geroepene is mooi de geleidelijke overgang aan te wijzen. Bij het WI was Balkenende voortdurend op zoek naar een duurzaam evenwicht tussen staatsbemoeienis en vrije markteconomie, maar onder invloed van de VVD werd hij meer en meer een omarmer van de privatiseringspolitiek.
Balkenende miste de typisch katholieke elasticiteit waarover bijvoorbeeld een Lubbers wel beschikte. Het katholieke element van de christendemocratie - balans vinden tussen vrijheid en gelijkheid vanuit het oogpunt van broederschap en gemeenschapszin - is onder Balkenende ondergesneeuwd geraakt. Samenwerkingen tussen CDA en PvdA zijn feitelijk altijd problematisch geweest (Van Agt II, Lubbers III) en Balkendende IV is daar de trieste bevestiging van. Blijkbaar neigt het CDA altijd weer naar de VVD, de opmerking van Jan Schinkelshoek dat het CDA uiteindelijk altijd bewust én onbewust het midden opzoekt ten spijt.

woensdag 15 december 2010

Ben ik eigenlijk wel links en rechts genoeg? (2)

Wat vooraf ging: Deel 1

Ben ik eigenlijk wel links en rechts genoeg? Met je linkerbeen uit bed stappen en 's avonds met je rechter er weer in. Makkelijk gezegd, maar hoe ernaar te handelen?

V

Het is geen geheim dat politiek nogal conjunctuurgevoelig is. Na een regeerperiode van links wint rechts veelal de eerstvolgende verkiezingen en vice versa. Het gaat dus niet alleen om synchroon links en rechts zijn, ook in diachrone zin - door de tijd heen - is het belangrijk. Links kiezen als het allemaal wat te rechts wordt. Rechts tegenwicht bieden als links de verstenende zijde is.

Ik geloof dat we ons nu weer zo'n beetje op een kantelpunt bevinden. Rechts heeft pakweg een decennium vrij kunnen schieten - grotendeels terecht - op de verstarring, de zelfgenoegzaamheid en de incompetentie van links. Nu mag rechts het dan een tijdje laten zien. Vol goede moed en overtuigd van zijn 'oplossingen', maar gedoemd om te hoop te lopen tegen financiële beperkingen, de Senaat, een dwarse gedoogpartner, Brussel en te hoge verwachtingen. Daar zal vooral de VVD op middellange termijn de rekening voor gaan betalen. De PVV is ideologisch zo flexibel (of: gefragmenteerd) dat de partij vrij eenvoudig haar zwaartepunt kan verleggen van rechtse veiligheidsthema's naar linkse sociaal-economische intenties. Ik geloof dan ook niet dat de PVV, zoals tot nu toe alle populistische bewegingen is overkomen, na een hevige opleving weer even snel verdwijnt als ze aan het firmament verschenen is.

VI

Links en rechts, liefst tegelijk. Maar je kunt niet op twee partijen stemmen. Er moet dus gekozen worden. Waar sta ik anno nu? Of beter: waar zweef ik? De marginale onzinpartijen Trots op Nederland, SGP en Partij voor de Dieren laat ik buiten beschouwing. Zoals ik er nu over denk, zou ik nooit op een liberale partij kunnen stemmen. Geen VVD dus, geen GroenLinks, en helaas ook niet het D66 van nu. Ik koester een permanente vage angst voor het economische liberalisme. Het is uiteindelijke het individualisme tot de uiterste consequentie doorgevoerd, het recht van de sterkste, de wetten van de jungle.

Privatisering, ik word steevast misselijk van dat woord. Ik geloof dat er een fundamentele denkfout zit in de gedachte dat privatisering uiteindelijk gunstig is voor de burger omdat hij door de marktconcurrentie meer keuzevrijheid heeft, wat de prijs van diensten omlaag drijft. Ik denk dat dit slechts tot een bepaalde hoogte het geval is. Al snel weegt het financiële voordeel niet meer op tegen de administratieve chaos en het verdwijnen van service en dienstverlening. Er komt een moment waarop de consument ervoor kiest liever iets meer te betalen in ruil voor minder gezeik en meer gemoedsrust, daar ben ik van overtuigd.

Bovendien worden vaak de verkeerde sectoren geprivatiseerd. De spoorwegen zijn een treffend voorbeeld. Het idee van concurrentie gaat uit van verschillende aanbieders die naar de gunst van de consument dingen. Maar die vlieger gaat niet op voor de spoorwegen. Kun je als consument qua telefonie, energie, internet, etc. nog kiezen voor een andere leverancier, bij de spoorwegen kun je niet zeggen: ik ben ontevreden over het product, ik kies een ander spoorwegnetwerk. Je bent afhankelijk van die ene maatschappij die op jouw traject rijdt. Alleen in de aanbesteding is er daadwerkelijk sprake van concurrentie, maar daar merk je als klant weinig van, wellicht zelfs alleen in negatieve zin: de 'winnende' aanbieder wentelt de hoge aanbestedingskosten af op de klant.

VII

Blijven over: SP, PvdA, CDA, ChristenUnie en PVV. De PVV is een nuttige partij om in het bestel te hebben, een partij die zaken agendeert, die roert waar het stinkt, die de gevestigde orde wakker en bij vlagen uit haar slaap houdt. Ik heb echter absoluut geen fiducie in de bindende, laat staan pragmatische competenties van Wilders c.s. Het is allemaat te veel van dik hout zaagt men planken, te veel revolutie en te weinig democratie. Te veel persoon en gebeurtenis en te weinig idee. Eerder schreef ik dat de andere partijen de PVV moeten gebruiken als Wittgensteins ladder en dat vind ik nog steeds wel een aardige metafoor. De PVV en haar achterban serieus nemen om tot een inzicht in de werkelijke problematiek te geraken, maar vervolgens daar zelf een beter alternatief voor formuleren.

Houden we de sociaaldemocratie en de christendemocratie over. De SP is een sympathieke partij. De laatste die nog ouderwets strijdt voor de werkman, de ambachtslui, de loonslaven. Het klein geluk boven het grote geld. Maar zoals de PVV een boel Nutteloze Idioten aanzuigt, zo sleept de SP met haar nivelleringsideaal een hele troep uitvreters en profiteurs achter zich aan. De PvdA is sociaal ingehaald door de SP en hopeloos hypocriet en pijnlijk ongeloofwaardig geworden. De sociale idealen zijn onder Paars vakkundig verkwanseld door figuren als Melkert, Netelenbos (o gruwel), Vermeend en Herfkens. De PvdA van nu is Bos, Marcouch en Eberhard van der Laan, maar ook Cohen, Samsom, Elatik en een gros lokale schuinsmarcheerders. De PvdA is een schizofrene partij met een imagoprobleem.

Stemwijzers leiden mij niet zelden naar de ChristenUnie. Inderdaad een partij die mij met haar pleidooi voor gezin, fatsoen en samenleving wel aanspreekt. Maar hoe correct ze sociaal en economisch ook zijn, ethisch blijven het enge gereformeerden. Het grote pluspunt van liberalen is dan ook dat ze niet zo middeleeuws tegenover homoseksualiteit en euthanasie staan als de Unie. Ook het CDA wordt op dat gebied nog niet genoeg verlicht door moderniserende tendenzen. Ontzettend zonde is het dan ook dat jeugdige hemelbestormers voortijdig hebben afgehaakt. Eurlings heeft de politiek verlaten, zoals eerder al Joop Wijn deed. Alleen Jan Kees de Jager is over, en die ligt dan ook goed bij links en rechts. Jammer, want de partij heeft het in principe in zich het beste van links en rechts te verenigen.

Ik merk dat dit exposé onontkoombaar naar een bekentenis leidt: ik heb de laatste keren steeds CDA gestemd.

VIII

Misschien moet ik de waarheid onder ogen zien: ik ben katholieker dan ik meende te zijn. En dan niet zozeer in religieuze zin als wel qua mentaliteit en denkwereld. Ik ben gedoopt en heb mijn eerste communie gedaan, maar ik kan niet zeggen dat ik katholiek opgevoed ben. Een mis woon ik zelden bij, de paus vind ik een enge man en ik geloof niet in God. En toch heb ik, zo meen ik meer en meer, een katholieke kop. Ik vergelijk het met Maarten 't Harts geval. 't Hart is een afvallige gereformeerde, iemand die volledig afstand heeft genomen van het geloof waarin hij is grootgebracht en die bij verschillende gelegenheden meedogenloos is uitgevaren tegen dat geloof. Maar toch is hij mentaal nog op en top gereformeerd. De zuinigheid, de koppigheid, de rechtlijnigheid, de afkeer van elke vorm van vertier en opsmuk (op oudjaarsavond om 21 uur onder de wol): door en door calvinistisch. Het geloof mag weg zijn, de habitus is hardnekkig.

De neiging, de innerlijke drang om links én rechts te zijn noem ik katholiek. Ik citeer Wim van de Donk, de huidige commissaris van de koningin voor Noord-Brabant: 'In het katholieke denken wordt de mens gezien als individu én als lid van de gemeenschap. Dat vraagt om een benadering die niet alleen het accent legt op vrijheid of gelijkheid, maar die beide waarden verbindt in een perspectief van broederschap.'* Beter kan ik het niet verwoorden. Vrijheid én gelijkheid, liberaal én sociaal, maar alles vanuit het streven naar een communiteit. Het is zoeken naar een nieuwe gemeenschap, een soort van post-christelijke samenleving op katholieke leest, met behoud van waarden en normen en los van institutionele en oneigentijdse ballast. Zo, en alleen zo, noem ik mij katholiek.

IX

Auteurs die over een modern katholicisme hebben geschreven, Kellendonk, Otten, Joosten, ik bespeur bij mezelf dat ik hun teksten over dit onderwerp met een gretigheid lees die boekdelen spreekt. Blijkbaar is het niet tegen te houden. En daarom ben ik tot op heden steeds weer uitgekomen bij het CDA. Daarom stond ik vierkant achter Balkenende IV (CDA, PvdA, ChristenUnie). Daarom was ik zo boos toen Bos het kabinet opblies. Daarom stoort mij de nog altijd overheersende religieuze inslag van het CDA. Daarom volg ik Syp Wynia in zijn vermoeden dat het verlies van het CDA in Brabant en Limburg deels te wijten is aan de in toenemende mate gereformeerde signatuur van de partij. Daarom steun ik de Eindhovense CDA'er Bert Ramakers, die ervoor pleit dat de partij middels een grondslagwijziging ook niet-gelovigen aan zich weet te binden. Daarom stoort mij de economisch steeds liberalere koers van de partij.

Daarom twijfel ik of ik lid moet worden. Daarom moet ik misschien juist nu lid worden. Ben ik eigenlijk wel CDA genoeg?

* Broer, Van Weezel, De geroepene (2007), p. 158

maandag 15 november 2010

Vragen

Vier variaties

Kraken is bij wet verboden. Verboden volgens de Wet Kraken en Leegstand, maar laat de kraker nou net met de wet niet zoveel ophebben. 'Jullie wetten, niet de onze' stond er vorige week dan ook op een spandoek van protesterende krakers te lezen. Een gekraakt pand is een vrijstaat. Bepaalde woonwagenkampen en gekraakt onroerend goed, daar houdt de rechtstaat blijkbaar op. Behalve als de wet in het voordeel van de overtreders is, dan zijn onze wetten ineens wel de hunne. De krakers hebben ontdekt dat ze niet naar de rechter kunnen stappen wanneer tot ontruiming wordt overgegaan, en dat is in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De overheid moet nu de wet gaan aanpassen. Ze moet eerst even vragen of ze alsjeblieft weg willen gaan. Waarop de krakers aan de rechter mogen gaan vragen de terugvordering van het pand te dwarsbomen. Wie vraagt, wordt overgeslagen.

Het is een schrijnend voorbeeld van de toenemende onmacht van de nationale regering om te besluiten en te besturen. Wordt er eindelijk beleid gemaakt waar een grote meerderheid mee instemt, komt het verre Brussel er een stokje voor steken. Dat dit verdrag strikt gezien weinig met EU-beleid te maken heeft, is dan niet meer relevant voor het gevolg: de anti-Europa-partijen krijgen er weer een paar duizend aanhangers bij. Burgers die vrezen dat 'Brussel' alles zal bepalen voor Nederland, worden in hun angstige vermoeden gesterkt. Immigratiepolitiek, nog zoiets. Wordt er een streng vreemdelingenbeleid op poten gezet, blijkt een oude regering ooit vergeten te zijn net als Denemarken een opt-out aan te vragen waardoor we nu met handen en voeten gebonden zijn aan wat Europa ons oplegt. Wie niet vraagt, wordt overgeslagen.

Waarom zou ik nog gaan stemmen? wordt dan een welhaast serieuze vraag die de boze burger zichzelf stelt. En de partij die het allemaal moet oplossen heeft het al druk genoeg de eigen zaakjes op orde te brengen. Hero Brinkman had last van losse handjes, Marcial Hernandez hield zijn handen keurig thuis maar vergat zijn kop erbij te houden en Eric Lucassen hield handen en hoofd in bedwang maar verloor dan weer de controle over andere lichaamsdelen. Hij mag blijven. Oké, hij had misschien aan Wilders moeten melden dat hij ooit veroordeeld is en dat hij de straatterrorist van de buurt was, maar aan de andere kant: hem is niet gevraagd of zijn kerfstok nog voor problemen zou kunnen zorgen. Wie niet gevraagd wordt, wordt niet overgeslagen.

VVD en CDA zien de commotie met lede ogen aan. Uit het CDA stijgt echter ook een collectieve zucht van opluchting op, want de grote kale knikker van Lucassen bedekt een beetje het nieuws van de analyse van de verkiezingsnederlaag. Het CDA moet diep door het stof. Wat blijkt? Jan Peter Balkenende vond het wel welletjes na acht jaar en gaf intern aan niet nog een keer eerste man te willen zijn. De partijleiding deed echter toch weer een beroep op de aimabele Zeeuw, want er was geen competente vervanger voorhanden. Ja, Camiel Eurlings, maar die wilde niet, aldus de voorzitter. Die het weer van Balkenende had. Een belletje naar Valkenburg om de afwijzing van Eurlings te verifiëren werd overbodig geacht. Maar Eurlings had, zo blijkt nu, best wel heel graag gewild. Wie niet gevraagd wordt, wordt overgeslagen.

dinsdag 31 augustus 2010

Quiz


1. Waar staat de afkorting CDA voor?
a) Chaotisch Democratisch Appel
b) Crisis Dankzij v. Agt
c) Crazy Doekle Actionhero
d) Christelijk-Democratisch Afhaken

2. Wat betekent het oude Antwerpse spreekwoord 'Klink trekken'?
a) Zijn woord terugnemen
b) Zich niet houden aan wat men eerst beloofd heeft
c) Onaangenaam verrast worden
d) a, b en c

3. Wat ziet partijvoorzitter Henk Bleker vanavond?
a) Nog bleker
b) Het niet meer zitten
c) Sterretjes
d) Zijn bed niet

4. Wie volgt Maxime Verhagen op?a) Jan Kees de J.
b) Piet Hein D.
c) Ernst Hirsch B.
d) Maxime gaat nergens heen

5. Wat vindt Wilders?
a) Schande!
b) Dhimmi's!
c) Zeurpieten!
d) Total Freaks!

6. Wie kan het CDA nog redden?
a) Balkenende
b) Piet de Jong (95)
c) God
d) Crazy Doekle Actionhero

7. Is dit gedoe goed voor het land?
a) Geen mening
b) Wel mening, nl.:

zondag 18 mei 2008

Het volgende kabinet is een zakenkabinet

In dictaturen werden en worden dissidenten dikwijls van hun bed gelicht. Ook kunstenaars zijn daarbij vaak de pineut als zij zich in woord en beeld kritisch uitlaten over de maatschappelijke verhoudingen. Vrijheid van meningsuiting mag de (partij)ideologie niet in de weg staan. Ook Nederland kan er wat van, zo is gebleken. Hier is het echter niet de AIVD, maar het OM, met als eindverantwoordelijke Minister Ernst Hirsch Ballin, dat het debat over de vrijheid van meningsuiting verder op scherp heeft gezet door cartoonist Gregorius Nekschot door een pelotonnetje politie van zijn bed te laten lichten.

Nekschots cartoons zijn messcherp, uitdagend, vaak op en soms over het randje. Maar dat mag, dat is wat kunst soms doet. Kunst is een bijzondere module in de werkelijkheid. Zij stelt zaken aan de orde die bij andere gelegenheden zoals politiek en journalistiek om uiteenlopende redenen niet aan de orde mogen en kunnen komen. Een kunstuiting is herkenbaar als een kunstuiting door haar vorm en presentatie. In je hoofd word je mentaal getriggerd om deze uiting vervolgens als zodanig te bezien, te overdenken en er een oordeel over te vormen. Dat bij fanatici en waanzinnigen door permanente kortsluiting de knop niet wordt omgezet, is bekend. Dat echter ook de Nederlandse regering nog immer besmet is met een mentaal virus, is zorgwekkend. Misschien is dit hèt moment om de kunst los te koppelen van de vrijheid van meningsuiting en een aparte vrijheid van kunstuiting in de grondwet op te nemen.

De verantwoordelijken voor de arrestatie hebben de mond vol van politiek correct handelen door het OM. 'Politiek correct', een kwalijk begrip, want in feite een contradictio in terminis. Politiek is per definitie incorrect, draait om macht en geld, om partij A behagen en daarmee partij B teleurstellen. In deze zaak wordt het begrip gebruikt om de werkelijkheid te ontkennen. In Denemarken werd cartoonist Kurt Westergaard dapper in woord en daad in bescherming genomen tegen de barbaren, in Nederland wordt de cartoonist omstandig in het gevang gegooid. Een private dagvaarding was blijkbaar niet mogelijk. Men vond het nodig de grootst mogelijke ruchtbaarheid aan de zaak te geven. Gevolg is dat de internationale gemeenschap, inclusief de Arabische, nu bekend is met de zaak. Nederland is laf en ziek, zo wordt wijd en zijd gediagnosticeerd. In Islamitische landen zal het rood-wit-blauw tevoorschijn komen, en niet vanwege het naderende EK voetbal.

Het CDA beweegt zich richting een vrije val door deze zaak. Hirsch Ballin toont zich een lafhartige minister en ook de grote leider verliest langzaamaan mijn vertrouwen. Stemde ik bij de vorige verkiezingen nog zeer bewust op het fatsoenlijke, bedachtzame CDA en de steeds beter wordende Balkenende, nu moet ik tot mijn grote spijt op mijn schreden terugkeren. In een toespraak voor alle kameradski's op de als 'familiedag' gelabelde partijdag van de SP noemde Jan Marijnissen hem een onzichtbare leider. En daar heeft Marijnissen wel gelijk in. Collega Sarkozy is overal, is bij de gebeurtenissen aanwezig, geeft leiderschap een gezicht. Balkenende is vooral afwezig en is nu zelfs kandidaat om af te vloeien naar de onontwarbare bestuurlijke kluwen die Europa/Brussel heet.

Maatschappelijke problemen zijn groter dan ooit. De samenleving bestialiseert, mensen staan elkaar naar het leven. Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van geloof zitten elkaar steeds meer in de weg. Economie en milieu vormen groeiende probleemgebieden die ook nog eens met elkáár collideren. De handelsconcurrentie neemt toe, maar een zuchtende planeet vraagt om even grote aandacht. Echter, nog immer hebben ideologie, fanatisme en partijpolitiek de touwtjes in handen. De neiging is sterk om Rita Verdonk de regie te geven. Zij wil daadkracht en actie, maar heeft nog geen concrete oplossingen gepresenteerd. De gevestigde orde zegt oplossingen te hebben, maar mist de daadkracht om deze te verwezenlijken. (De 'daadkracht' die tentoongespreid werd bij de arrestatie van Nekschot verdient dit label niet.) Wanneer Verdonk de kans krijgt om haar stevige taal waar te maken, weten we meteen hoeveel realisme erin schuilt. Het beste zou zijn om haar en haar 'beweging' te accepteren en te tolereren. Dus niet onschadelijk proberen te maken en de mens Verdonk 'demoniseren', maar de kans op verandering met het volle verstand benutten. Wie zou daartoe in staat zijn? Misschien één man.

Een andere hype is Alexander Pechtold, de retoricus die het hersendode D66 weer heeft doen herademen. Pechtold praat makkelijk, presenteert zich als een intellectueel met een scherp inzicht in de zwakke en rotte plekken bij alle andere partijen. Maar heeft hij wél oplossingen? Wat betekent D66 in de veranderende constellatie? De partij kampte jarenlang met het fundamentele probleem van een kleine middenpartij: zij helde dan eens naar links en kreeg een klap van rechts, kantelde berouwvol weer naar rechts en kreeg een schop van links. D66 was een klaploper in het spel en daar loopt het slecht mee af. Met Pechtold lijkt de partij definitief voor links te kiezen en dat is misschien wel een gouden greep. Links heeft tegenwoordig immers veel weg van een kermis op een kerkhof, met de terminale PvdA (Pal voor de Afgrond) als begraafplaats waarop het Sociabel Populisme van de SP en het wezenloze GL (GááááápLinks) respectievelijk als opwindende maar gevaarlijke en veilige maar inspiratieloze attractie fungeren. D66 heeft daar veel speelruimte, kan de verdorde grond weer vruchtbaar maken en nieuwe bezoekers (lees: potentieel electoraat) aantrekken.

Wat zou het opleveren als Pechtold en Verdonk eens ophielden elkaar te bestrijden en in plaats daarvan toenadering zochten tot elkaar? Niet meer een crashtest van botsende ego's, maar een stevige samenwerking waarbij de twee elkaar in evenwicht houden en zo ervoor zorgen dat de scherpe kanten aan beide kanten geen kans krijgen etterende snijwonden te veroorzaken. Een zakenkabinet Pechtold-Verdonk met op het ene gebied een 'linkse' aanpak, op het andere een 'rechtse', maar altijd een daadkrachtige. Niet altijd dat voortbroddelende pappen en nathouden, veroorzaakt door een structurele politieke onbalans, maar rationele beslissingen door onafhankelijke deskundigen. Een zakenkabinet met bestuurders aan het roer die niet gehinderd worden door zaken als partijpolitiek en -ideologie. Die de concrete plannen meteen aan de Tweede Kamer presenteren, alwaar Pechtold en Verdonk de democratische gang van zaken bewaken en voorkomen dat elk voorstel bij voorbaat stukloopt op partijpolitieke tegenstellingen.

Daadkrachtig links en daadkrachtig rechts in balans. Met als nettoresultaat het pragmatische midden. En dan niet meer dat traditionele midden als optelsom van alle middenposities en bijbehorende logge besluitvorming, maar een midden als optelsom van daadkrachtige handelingen. Misschien is het ondoenlijk door de te grote ego's, maar geef het een kans. Want zoals Herman Finkers al wist: 'ondoenlijk is ook doenlijk, want onweer is ook weer.'