Posts tonen met het label Boekbesprekingen: non-fictie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boekbesprekingen: non-fictie. Alle posts tonen

woensdag 26 oktober 2016

Een punt achter De Punt

Vorige week was het een headline: een oud-marinier die in 1977 betrokken was bij de beëindiging van de treinkaping bij De Punt zou hebben verklaard dat het de bedoeling was dat geen van de kapers het zou overleven.
  Merkwaardig dat dit als groot nieuws wordt gepresenteerd, want het valt al te lezen in De Molukse acties (2015) van Peter Bootsma. Tot drie keer toe zelfs.
  Op bladzijde 256 zegt een marinier, 'Ruud': 'De commandant had gezegd dat het goed zou zijn als ze allemaal werden neergeschoten, doodgeschoten.'
  Op pagina 270 is commandant Kommer van de precisieschutters aan het woord: 'De Molukkers hadden geen schijn van kans. Op de compartimenten waar zij zaten of sliepen, werd het vuur uitgebracht. De kans dat ze dat zouden overleven, was bij voorbaat nul, gezien de hoeveelheid munitie die wij er als eenheid al in pompten.' Het was 'absoluut kansloos om dat te overleven'.
  En op dezelfde bladzijde zegt schutter Jan Boekelmans: 'Als er zoveel vuur wordt afgegeven op een trein - er zijn foto's van - is het toch uitgesloten dat het niet de bedoeling was om ze te doden?'
  Ik las De Molukse acties met extra interesse nadat een artikel in NRC Handelsblad deze zomer voor commotie zorgde. De journalist meende de hedendaagse islamitische terreurdreiging te kunnen bagatelliseren door erop te wijzen dat het in de jaren zeventig veel erger was, toen de Molukkers het terrorisme verzorgden.
  Er is al veel geschreven over de ongelooflijke slechtheid van de vergelijking, zeker in het licht van de onvergelijkbare historische contexten. Als de Molukkers al zo nodig met een partij uit het huidige conflict vergeleken moeten worden, dan eerder met de Koerden. In de Eerste Wereldoorlog streden de Koerden aan de zijde van de geallieerden. Hun werd een onafhankelijk of autonoom Koerdistan in het vooruitzicht gesteld, bezegeld in de Vrede van Sèvres, maar die belofte werd rap gebroken en de Koerdische gebieden werden verdeeld over Turkije, Syrië en Irak.
  De Zuid-Molukkers hadden zich altijd sterk verbonden gevoeld met Nederland en ook een enigszins bevoorrechte positie bekleed in ons Indië. Na de dekolonisatie werden tijdens een conferentie afspraken gemaakt om Indonesië als een federatie in te richten, met onder meer autonomie voor de Zuid-Molukken, maar Soekarno lapte het akkoord al gauw aan zijn laars en stichtte een eenheidsstaat.
  Dit zorgde met name voor de Molukse KNIL-soldaten, die nog trouw tegen de Japanners hadden gevochten, voor grote problemen. Ze kregen tijdelijk de status van militair van de Landmacht, maar toen ze begrijpelijkerwijs weigerden af te vloeien naar Indonesië kregen ze een dienstbevel om naar Nederland te komen, al hield de regering lange tijd vol dat dit een vrijwillige keuze was.
  Willem Drees verklaarde later dat de Molukkers 'zeer royaal ontvangen' werden en dat er 'bijzonder goed voor ze gezorgd' was. (18) Een idiote uitspraak; bij aankomst werden de Molukkers onmiddellijk ontslagen, in troosteloze barakken ondergebracht en aan het lijntje gehouden wat betreft de belofte van een eigen staat. Ze mochten ook niet werken omdat ze toch weer terug zouden gaan.
  Hun kinderen, de tweede generatie, begonnen zich vanaf eind jaren zestig te roeren, uit boosheid en onmacht om het leed hun ouders aangedaan. Enkelen radicaliseerden en kozen voor geweld.
  De toedracht en het verloop van de zes gijzelingen en kapingen (Wassenaar 1970, Wijster en Amsterdam 1975, De Punt en Bovensmilde 1977 en Assen 1978) worden in De Molukse acties nauwgezet beschreven.
  De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de actie die de meeste doden tot gevolg had: De Punt. De kapers hadden een belangrijke les geleerd van de vorige treinkaping: geen executies van gegijzelden, want dat ondermijnt de onderhandelingspositie.
  In die onderhandelingen zijn door de overheid en de betrokken individuen grote fouten gemaakt. Er zijn toezeggingen gedaan die vervolgens niet werden nagekomen. Er werd een psychiater ingezet, nota bene, om met de kapers te onderhandelen. Hun werd een vrije aftocht beloofd, maar die belofte werd niet nagekomen, tot woede van kapers én gegijzelden. Er waren voorwaarden aan verbonden, maar dat had hij er niet bij verteld. De psychiater, Mulder, hierover: 'Een belofte is natuurlijk nooit sec een belofte. Dat is een primitief idee.' (227) Tja.
  Uiteindelijk besloten de vijf betrokken ministers tot een militaire aanval op de trein in de vroege ochtend van 11 juni. Minister-president Den Uyl en Harry van Doorn waren tegen, Dries van Agt, Max van der Stoel en Bas de Gaay Fortman voor.
  Zes van de negen kapers en twee gegijzelden kwamen om het leven, vier raakten er gewond.
  Waarom is de voor de hand liggende optie van een aftocht niet beproefd, al dan niet via een verplaatsing van de trein, zoals voorgesteld door een stafchef (230), al was het maar om de kapers naar een plaats te manoeuvreren waar ze met minder risico's overmeesterd konden worden?
  Vooral de rol van Van Agt, toen minister van Justitie, lijkt een dubieuze te zijn geweest. Hij schoffeerde de Molukse onderhandelaars en stond lijnrecht tegenover Den Uyl, die door wilde onderhandelen.
  Opmerkelijk is dat de besluitvorming op 10 juni 'in nevelen gehuld' is en dat er 'niets vastgelegd' is. (262) Het ligt voor de hand dat dit is gedaan om na afloop aansprakelijkheid te voorkomen, om rechtsvervolging te ontlopen.
  Ook de bewust vage term 'compartimentering' speelt hierbij een rol. Daarmee werd bedoeld dat moest worden voorkomen dat de kapers, die apart sliepen, zich tijdens de beschieting naar de gegijzelden in de coupés zouden kunnen begeven. Maar: 'Uit het in november 2014 gepubliceerde archiefonderzoek is wel komen vast te staan dat er meer gedeelten van de trein beschoten zijn dan alleen nodig was om gegijzelden en gijzelnemers van elkaar gescheiden te houden: álle gedeelten waar kapers vermoed werden, zijn immers intensief beschoten.' (342)
  Den Uyl sprak nog in 1987 van 'een executie'. Toen die uitspraak in 2000 opdook, noemde Van Agt dat desgevraagd 'volstrekt onjuist'. (262)
  Vandaag de dag is Van Agt binnen zijn partij, het CDA, een paria geworden, met zijn soms groteske inzet voor de 'Palestijnse zaak'. Eigenlijk is dat een bijzonder curieuze stellingname, bezien in het licht van zijn rol in de Molukse zaak. Die huidige strijd voor een Palestijnse staat, zou het een surrogaat zijn voor de strijd die hij in de jaren zeventig aan de verkeerde kant streed? Een vorm van boetedoening - het blijft toch een belijdende christen - voor een nooit uitgesproken maar wel degelijk knagend schuldgevoel? Misschien heeft Van Agt nooit een punt achter De Punt kunnen zetten.

woensdag 20 april 2016

Columbine en de tijd

Op 20 april 1999, vandaag alweer 17 jaar geleden, vond in Amerika het beruchte bloedbad op de Columbine High School plaats. Eric Harris (18) en Dylan Klebold (17) schoten op hun middelbare school twaalf medeleerlingen en een docent dood, verwondden er nog eens 24 en pleegden uiteindelijk zelfmoord. Ze hadden hun daad ongeveer een jaar op voorhand al gepland. Eigenlijk had het bloedbad nog vele malen groter moeten zijn; ze wilden de hele school opblazen, maar van de vele bommen die ze hadden gefabriceerd gingen er maar een paar af, met minimaal effect.
   Met Pearl Harbour, de moord op Kennedy en 9/11 behoort 'Columbine' tot de collectieve trauma's van de Verenigde Staten van Amerika - met als grote verschil dat hier twee op het oog doodnormale jongens hun verbijsterende aanslag konden plegen. Goede leerlingen, uit harmonieuze gezinnen, in een slaperig voorstadje van Denver. Het hoe en waarom van deze slachting heeft velen, inclusief schrijver dezes, zelf middelbare scholier toen het gebeurde, dan ook mateloos gefascineerd.
   Columbine is exhaustief en voorbeeldig beschreven door Tim Krabbé, in zijn lijvige studie Wij zijn maar wij zijn niet geschift (2012). Bij verschijning in 2012 leek het het essentiële boek over Columbine, het werd positief gerecenseerd en een vertaling zou een kwestie van tijd zijn. Die vertaling is er echter nooit gekomen, wat hoogst bevreemdend is. Hebben de Amerikanen misschien geen belangstelling voor een boek dat te veel mythes ontrafelt, hele leugens en halve waarheden ontmaskert? Bestsellers over de moorden daar zijn met name boeken van nabestaanden die de tragische dood van hun kind tot een instrument voor evangelische zendingsdrang hebben gemaakt. Dat geeft te denken.
   Vrij van pathetiek en zonder belerend te zijn geeft Krabbé in Wij zijn maar wij zijn niet geschift een reconstructie van de schietpartij en van de jaren voorafgaand aan 20 april 1999. Aan de hand van duizenden pagina's politieverslagen, persoonlijke documenten van de daders en andere bronnen werkt Krabbé omstandig maar nauwgezet toe naar die fatale dag, en toont hij zo wie Eric en Dylan waren, hoe zij leefden, wat zij schreven in hun dagboeken, in schoolwerkstukken en op internet, en hoe er over hen gedacht werd. Hij toont, met nadruk, hij wil niets aantonen - de conclusies laat hij aan de lezer over.
   De bekende 'redenen' en 'oorzaken' worden allemaal onderuitgehaald. Ze zouden gepest zijn. Ze zouden geïnspireerd zijn door gewelddadige videogames. Ze zouden de ochtend voor de moorden eerst nog zijn gaan bowlen. Eric en Dylan wilden naar eigen zeggen wraak nemen op de jocks, de populaire jongens en meisjes van de school die alle aandacht naar zich toe trokken en neerkeken op alternatievelingen zoals zij. Maar dat was het oppervlaktemotief, de haat lag dieper, tegen de 'moraal' van de samenleving, tegen het menselijk bestaan in het algemeen. Veeleer dan games waren lugubere films, met name Natural Born Killers van Stone en Tarantino, hun inspiratiebron; veelvuldig hebben ze het over 'to go NBK'. En ze waren juist níet gaan bowlen, dat fabeltje is de wereld in geholpen door Michael Moores Bowling for Columbine, 'een geestige maar valse film'.
   Na zijn minutieuze, feitelijke en zakelijke reconstructie komt Krabbé toch nog met een interpretatie. Eric was niet, zoals de gangbare visie wil, het meesterbrein dat zijn boezemvriend Dylan in zijn ziekelijke fantasie meesleepte, de twee stuwden elkaar op tot er geen weg terug meer was. Ze waren ieder op hun beurt tot op zekere hoogte gestoord, gefascineerd door pervers geweld, gekweld door gewelddadige fantasieën. Maar pas samen vormden ze een giftige verbinding, een dodelijke combinatie. Eric wilde een massamoord plegen en was bereid daarbij zelf te sterven, Dylan wilde dood en was bereid daarvoor een massamoord te begaan.
   Hoe overtuigend ook, je kunt je toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat Krabbé de literator in zichzelf niet helemaal heeft kunnen neutraliseren. Het romaneske element is onmiskenbaar in zijn interpretatie aanwezig. Het is en blijft dan ook een interpretatie, weliswaar een degelijk onderbouwde en bovendien een aanlokkelijke interpretatie, maar een gebeurtenis als Columbine kan, paradoxaal genoeg, uiteindelijk alleen 'begrepen' worden met verdiscontering van het onbegrijpelijke.
   Eric en Dylan waren raar maar geen psychopaten in de klassieke zin des woords - niet geschift -, in vele opzichten waren ze typische pubers. Emotionele stuiterballen, euforisch het ene moment, diep neerslachtig het volgende, hevig kampend met al die intense en verwarrende emoties - zoals alle pubers. En ze waren gefascineerd door geweld, door de verheerlijking van geweld in de populaire cultuur van hun tijd, ze genoten van dood en verderf in films en games - zoals, laten we eerlijk zijn, velen van ons, de pubers die wij tegelijk met hen waren daar eind jaren negentig. Ze fantaseerden over geweld, over wraak, over moord en zelfmoord - zoals, nog steeds, velen. En goed, ze konden gemakkelijk aan wapens komen daar in de VS. Maar de stap van fantasie naar concrete planning en voorbereiding, en veel meer nog, de stap van een concreet plan naar de daadwerkelijke volvoering ervan, tot de uiterste consequentie, daar raken we ze onherroepelijk kwijt.
   Columbine. Het is alweer zo lang geleden, inmiddels bijna langer dan Eric en Dylan geleefd hebben. Ze wilden een daad plegen die het hele land zou schokken. Tweeënhalf jaar later, op 11 september 2001 - Dylan zou uitgerekend die dag 20 jaar zijn geworden -, boorden zich de vliegtuigen in de Twin Towers en het Pentagon en was niet alleen het land maar de hele wereld in shock, en was er definitief een nieuw tijdperk aangebroken. Ze hebben het nooit geweten. Twee moeilijke jongens, pubers nog, als alle pubers worstelend met hun identiteit, hun omgeving, hun plek in de wereld, de rechtvaardiging van het bestaan. Je ziet ze bezig daar aan het eind van de twintigste eeuw, daar in dat tunneltje in de tijd waar ze nooit uit zijn geraakt - en met hen dertien anderen.

donderdag 2 oktober 2014

Willem Wilmink - Zelfportret in brieven

Willem Wilmink - Zelfportret in brieven. Samengesteld door Vic van de Reijt en Wobke Wilmink-Klein, met een inleiding van Elsbeth Etty en annotaties van Annemieke Peek. Nijgh & Van Ditmar, 2014, 528 blz.

Het indrukwekkendste nummer uit het indrukwekkendste cabaretprogramma van de laatste jaren, Na de pauze (2007) van Herman Finkers, is het lied ‘Lieve dode dichter’. Deze ode aan Willem Wilmink, de in 2003 gestorven huisvriend van Finkers, bevat de ontroerende regels ‘Je bleef altijd die jongen / met zijn arm tegen de muur / van die warme Twentse kerk / na het hete middaguur.’ Hierin staan vrij precies de elementen die Wilminks wezen bepaalden: een haat-liefdeverhouding met het katholicisme, een stevige verknochtheid aan zijn geboortegrond Twente en daarbovenop een onverwoestbare jongensachtigheid.

In de collectieve herinnering leeft Wilmink dan ook in de eerste plaats voort als auteur van kinder- en jeugdliteratuur. In Altijd weer vogels die nesten beginnen (2006), Hugo Brems’ literatuurgeschiedenis van de jaren 1945-2005, komt hij op een enkele uitzondering na alleen in die hoedanigheid voor. De veelzijdigheid van Wilminks schrijverschap komt gelukkig beter uit de verf in de uitgaven met verzameld werk die de laatste jaren verschijnen. Na de verzamelde liedjes en gedichten (2004), verhalen (2009) en sprookjes en vertellingen (2010) zijn er nu de verzamelde brieven, bezorgd door Vic van de Reijt en Wobke Wilmink-Klein en geannoteerd door Annemieke Peek. Elsbeth Etty is verantwoordelijk voor de inleiding.

Of Wilmink zelf blij zou zijn geweest met een uitgave van zijn brieven is overigens twijfelachtig. Toen Aad Meinderts (Letterkundig Museum) hem eens om toestemming vroeg een brief van zijn hand aan Karel Eykman tentoon te mogen stellen, reageerde hij afwijzend: ‘ik heb het liever niet. Er wordt tegenwoordig nogal wat gesold met correspondenties, ook in commercieel opzicht, en ik zou me enigszins bespied voelen als, via via, niet voor de openbaarheid bestemde dingen toch vertoond zouden worden.’

Zelfportret in brieven bevat een keuze uit Wilminks correspondentie. De selectiecriteria waren dat de brieven ‘ook voor niet-ingewijden helder’ moesten zijn en dat ze ‘iets moesten zeggen over Wilminks leven of werk’. Alleen brieven van Wilmink zelf zijn opgenomen, niet de aan hem gerichte correspondentie, die hij zelf bovendien al voor een deel had vernietigd. Eeuwig zonde is dat de brieven die hij in zijn studententijd vanuit Amsterdam naar het thuisfront in Enschede stuurde niet zijn teruggevonden. De brieven die hij omgekeerd van zijn ouders ontving zijn wel boven water gekomen, maar vanwege de keuze alleen Wilmink zelf aan het woord te laten zijn deze buiten de editie gelaten.

Dat is jammer, want vermoed kan worden dat ze – voor zover ze reageren op hetgeen Wilmink schreef – voor het zelfportret van deze ‘outsider met een niet te stillen heimwee naar de geborgenheid van zijn jeugd’ (Etty) misschien wel inzichtelijker zullen zijn dan menige brief aan collega’s, vrienden of bekenden die er nu in staat. Wilmink was, zeker naarmate hij ouder werd, namelijk geen open boek in zijn privé-correspondentie. Het zijn ‘brieven, waarin een kunstenaar zijn ziel blootlegt’, schrijft Etty in de inleiding, maar dat is nu juist niet de indruk die men krijgt bij de lectuur ervan.

Wilmink was een tobber, werd geplaagd door angsten en tegenslagen, maar het werkelijke drama in zijn leven – de hel van zijn eerste huwelijk, de sores op zijn werk aan het Instituut voor Neerlandistiek van de UvA, zijn depressies, de moeizame verstandhouding met de zoons uit zijn eerste huwelijk, de Enschedese vuurwerkramp, zijn kwakkelende gezondheid in de laatste jaren – stelt hij vrijwel nooit zo direct in zijn brieven aan de orde. Dat doet hij in de regel pas achteraf, als het alweer beter met hem gaat, of jaren later, als hij kan terugblikken met de nodige distantie.

Zelden zijn de brieven het toneel van een diepe gevoelsuitstorting. Alleen in zijn eerste Amsterdamse jaren is Wilmink af en toe openhartig. Hij raakt er hopeloos verliefd op medestudente Mieke Veldt, de latere hoofddocent historische letterkunde. Aan haar schrijft hij sympathieke briefjes met vleiende gedichtjes, maar, zo moet hij een paar jaar later met pijn in het hart constateren, ze betekende meer voor hem dan hij voor haar: ‘ze heeft me altijd erg aardig gevonden, maar zich nooit voor me geïnteresseerd’.

In het ellendige Amsterdam van de jaren zestig en zeventig zinkt hij steeds dieper weg. Hij verliest er zijn eerste vrouw aan het feminisme, zo omschrijft hij het later. Ze kan niet met zijn angsten omgaan en is hem ontrouw. Nog in 1986 maakt hij zich, in een brief aan kleinkunsthistoricus Frank Verhallen, kwaad over de vaagheid (‘niet aan jezelf toekomen, wat betekent dat toch?’) en vijandigheid van de tweede-golf-feministen. Die van het eerste uur waren tenminste nog ‘uit op het geluk van vrouwen, en niet op de erkenning van elkaars ongeluk.’

Ook in de academie kan hij zijn draai niet vinden. Hij ergert zich aan het ‘vage getheoretiseer’ over Chomsky en aan de universitaire hervormingsdrift. Inzichtelijk is een passage in een brief aan collega Enno Endt, waarin hij naar aanleiding van de ‘marxistische stukken’ die zijn verdwaasde instituutscollega’s in die tijd afscheiden een serieuze visie lijkt te ontvouwen op de maatschappelijke ontwikkelingen in relatie tot zijn eigen werk: ‘Voor mij valt een links standpunt wel te verenigen met bewondering voor een overdracht van puur-persoonlijke of puur-autonome literatuur en ik zou het een verraad aan mezelf en een verraad aan het vak vinden, om de kant van het grote maatschappelijke verbond van-alles-met-alles op te gaan.’ Maar hij is nog niet op weg of hij trapt alweer krachtig op de rem en haalt zijn zorgvuldig opgebouwde redenering met één dodelijk zinnetje onderuit: ‘Bovendien: weet ik veel.’

In 1988 zal Wilmink alsnog tot doctor in de letteren promoveren, ook al vinden zijn promotoren Kees Fens en W.P. Gerritsen zijn dissertatie eigenlijk niet goed. Zelf noemt hij het een van zijn dierbaarste werken: ‘Mij is dat boekje uit het hart gegrepen,’ schrijft hij vijf jaar later aan neerlandicus Harry Bekkering, ‘en wat de geleerde wereld er dan verder van vindt, daar heb ik schijt aan.’ Dat hij zijn proefschrift hier met ‘boekje’ aanduidt is wellicht veelzeggend; zoals in dichterlijk opzicht light verse zijn terrein was, zo was Wilminks wetenschappelijke ideaal light scholarship.

Met zijn geestige en virtuoze liedjes en gedichten heeft Wilmink wel succes, en vanaf 1979 richt hij zich fulltime op het schrijven. Amsterdam hakt er niettemin een leven lang in. Ook als hij er alweer jaren vertrokken is, is hij geestelijk niet in staat om nog eens naar de hoofdstad te gaan voor de bruiloft van zijn zoon uit zijn eerste huwelijk. Dit wordt hem kwalijk genomen, maar, zo schrijft hij aan zijn tandarts Ab Grevers, ‘’t was geen onwil, maar onmacht’. Aan zijn tandarts dus, niet aan de zoon zelf. Zo neemt hij altijd de omweg, laat hij in de intieme brieven nooit het achterste van zijn tong zien.

Terug in Enschede, gelukkig met zijn tweede vrouw, is Wilmink eindelijk thuis. Aan Fens, die zijn met W.P. Gerritsen samengestelde bloemlezing middeleeuwse poëzie Lyrische lente (2000) geestdriftig besprak, schrijft hij: ‘De menselijke conditie zoals enkele katholieke gedichten in Lyrische lente die weergeven, is de mijne, ik heb trouwens al van kinds af aan het gevoel dat ik het katholicisme niet afwijs, maar het katholicisme mij wel.’ In 1995 had hij al een kathedralentocht door Noord-Frankrijk gemaakt met Herman en Hetty Finkers. In de Mariakapel van Larchant werd hij hevig geraakt door dertiende-eeuwse borstbeelden van depressieve mensen: ‘En dat alles uit de steen gehouwen met zoveel begrip en zoveel deernis, dat er voor mij niets mooiers bestaat dan dat kerkje.’

In zijn laatste levensjaren wandelde Wilmink weer door zijn Twente, de geuren van zijn jeugd opsnuivend, kilometers makend als remedie tegen een dichtgeslibde ader in zijn been. ‘Ik heb mezelf gerepareerd’ schrijft hij triomfantelijk en niet alleen op dat been doelend, zo lijkt het. Ongetwijfeld zal hij tijdens een van die wandelingen op een zomerse dag gepauzeerd hebben bij een Twentse kerk, om even zijn arm tegen de warme steen te leggen.

Dit artikel verscheen eerder op www.textualscholarship.nl

donderdag 30 januari 2014

Lezen, lezen, lezen #35

A.H.J. Dautzenberg - Rafelranden van de moraal. Novelle (2013), 90 blz. (****)
Anton Dautzenberg geeft in zijn roman Samaritaan (2011) het relaas van een man die vrijwillig een nier doneert. In de media beweerde hij dat het verhaal autobiografisch was en dat hij in werkelijkheid echt een nier had afgestaan, al werd daar links en rechts aan getwijfeld. Dautzenberg zoekt immers steeds weer dat bedwelmende schemergebied op waar de grens tussen feit en fictie troebel wordt. Eerder publiceerde hij bijvoorbeeld al gefingeerde interviews. Onlangs berichtten de kranten dat het verhaal van de nierdonatie toch verzonnen bleek. Dat had de schrijver namelijk op de radio toegegeven. Toch kan men zich met recht de vraag stellen of die 'bekentenis' op haar beurt niet óók weer gelogen is. Dat is de logische uitkomst van een volgehouden spel met (autobiografische) waarheid en verdichting: oprechtheid wordt nooit meer een onproblematische categorie.
Nog het meest geloofwaardig rijst Dautzenberg op uit het boekje Rafelranden van de moraal, waarin hij terugblikt op een aantal affaires waarbij hij betrokken was. Er is de rel rond de 'Avond van de Polemiek', toen hij via een ad hominem op Tonio van der Heijden ogenschijnlijk de vloer aanveegde met A.F.Th.'s literaire uitbuiting van het overlijden van zijn zoon, maar bij nader inzien de hypocriete mores van de literaire wereld en de polemiekenavond in het bijzonder aan de kaak stelde. Verder de verzonnen interviews met Arnon Grunberg - geestverwant in de kunst van de volgehouden glibberigheid - en met Ronald de Boer en de zanger van Mötörhead over economische onderwerpen. En tot slot de grote ophef over zijn lidmaatschap van pedofielenvereniging Martijn, uit verontwaardiging over de heksenjacht op voorzitter Marthijn Uittenboogaard.
Hoe hard zulke belangenbehartigers nodig zijn, bleek vorig jaar maar weer eens toen een volksmenigte uit Deventer een klopjacht opende op Uittenboogaard, die er op bezoek was bij een kennis. Alsof er een Tristan met een machinegeweer door het dorp liep, zo groot was de paniek. In een beruchte uitzending van Pauw & Witteman deed een delegatie er nog een schepje bovenop - ze zouden hem het liefst vermoorden, daar wilden ze best voor brommen. Let wel: Uittenboogaard heeft geen strafblad, hij is pedofiel en geen kindermisbruiker. Kindermisbruikers zijn per definitie pedofielen, maar lang niet alle pedofielen zijn kindermisbruikers. Mijn kinderen waren doodsbang, zeiden de Deventer Housewives. Geen wonder, die werden wel bang gemáákt door alle hysterie. Wat zij feitelijk doen is tegen hun kind zeggen: er ligt inderdáád een enge man onder je bed.
Dautzenberg heft een fier J'accuse aan tegen een samenleving die de demonisering van Uittenboogaard cum suis laat voortduren. Hij argumenteert een tikje hooghartig, maar bovenal dwingend en overtuigend tegen deze en andere hedendaagse misstanden. 'Ik vind het heerlijk om mijn tanden niet alleen in een frikandel speciaal te zetten, maar ook in de tijdgeest', bekent hij, 'in de heersende normen en waarden, en bovenal in de als vochtige paddenstoelen uit de grond schietende taboes - giftig of niet.' Hij zegt te genieten 'van het verkennen en overschrijden van ogenschijnlijke grenzen. Verwarring zaaien, raadsels vergroten, ongemakkelijke vragen stellen, ik kan er geen genoeg van krijgen.' Het is Dautzenberg ernst, maar wel op zijn Dautzenbergs. Aan het eind kan hij het toch weer niet laten om zichzelf te ondermijnen, via een beschrijving van een vergadering van Martijn, die nogal uit de hand loopt. En het boekje heeft als genreaanduiding 'novelle', een fictioneel genre. 'Wat is werkelijkheid? Ik weet het werkelijk niet.'

Vittorio Busato - Weg met Piet Vroon. Een biografie (2004), 236 blz. (***)
Om professionele redenen op zoek naar geboorte- en sterfdata van Piet Vroon belandde ik op de Wikipedia-pagina over deze psycholoog en televisiepersoonlijkheid, waar mijn blik bleef hangen bij twee aldaar opgetekende anekdotes: Vroon zou in een uitzending van Kopspijkers woedend zijn uitgevallen tegen de kwakzalver Emile Ratelband omdat die zieke mensen zou belazeren met zijn sessies. En tegen het eind van zijn leven zou hij in Neerijnen 'lange gesprekken over zingeving en troost' hebben gevoerd met Jozef van den Berg. Vooral dat laatste trof me. Hij stond laatst nog in de krant, Van den Berg, hij hielp mee met de oogst. Over die gesprekken wilde ik meer weten, en ik besloot deze biografie uit de bibliotheek te lenen.
Wat bleek: Van den Berg komt er helemaal niet in voor. Geen spoor van gesprekken in Neerijnen, laat staan lange gesprekken. Aan de uitbarsting tegen Ratelband wordt wel veelvuldig gerefereerd, maar daarbij bleek Vroon niet de dappere wetenschapper te zijn geweest die een gevaarlijke beunhaas de wacht aanzegde, maar een verwarde en psychisch zieke man die zichzelf niet meer onder controle had. De internetencyclopedie meldde ook dat onduidelijk is of Vroon in 1998 zelfmoord pleegde of stierf aan 'een ongelukkige combinatie van pillen en drank'. Daar blijkt geen enkele twijfel over te bestaan: 'De doodsoorzaak bleek een acute alvleesklierontsteking, zo wees sectie uit.'
Dit alles is natuurlijk enigszins verontrustend, maar ergens ook wel weer vermakelijk als we er een bewijs van een van Vroons theorieën in herkennen. Een van de 'stokpaardjes' van Vroon, aldus zijn biograaf, was namelijk dat wetenschap 'geheugenverlies' is: 'We onthouden wat we moeten vergeten en we vergeten wat we moeten onthouden.' Het vergeten wordt in ons tijdsgewricht bespoedigd door de werking van de massamedia. De wetenschapper die zich inlaat met de massamedia ziet de prestatie die zijn degelijke oeuvre is onherroepelijk verdwijnen achter de herinnering aan zijn persoon. De Wikipedia-pagina bewijst dat: de rellerige persoonlijke anekdotiek blijft, de banale waarheid delft het onderspit.
Wie dus iets over Vroon wil weten leze beter dit boek. Compositorisch is het vrij zwak, de auteur herhaalt zichzelf nogal eens en citaten komen meermaals voor. Maar Busato schreef een betrokken en vlot geschreven biografie. Vroon was een bevlogen professor, maar Busato laat zien dat zijn meer persoonlijke stukken, zoals die over zijn ouders en zijn gereformeerde jeugd, hem tot een veelgelezen auteur maakten en pas in tweede instantie zijn wetenschappelijke verdiensten. Vroons wetenschappelijke ideeën worden tegenwoordig als achterhaald beschouwd, maar hij populariseerde in de jaren '70 en '80 zijn vakgebied en staat daarmee aan de basis van een traditie van mediagenieke psychologen en andere roosvonken.

Net niet verschenen boeken - samengesteld en ingeleid door Gummbah - (2010), 207 blz. (****)
In zijn twee onvolprezen Poelmo-voorstellingen (2000, 2001) stond Hans Teeuwen op de planken met Pieter Bouwman en Gertjan van Leeuwen. Een hilarisch nummer in deze shows is het voorlezen uit zogenaamde 'net niet verschenen boeken'. Van Leeuwen, de we beter kennen als de cartoonist Gummbah, is de geestelijk vader van dit idee. In 2010 bundelde hij er 100 in een boek: 'Naar schatting liggen er wereldwijd een miljoen net niet verschenen boeken opgeslagen. Puur op gevoel heb ik er daar een honderdtal van voor het nageslacht gered.' Aan elk net niet verschenen boek worden twee pagina's gewijd. Links zien we het voorplat van het boek, rechts een bladzijde uit het binnenwerk. Dat kan een pagina tekst zijn, een gedicht, een aanprijzing, een afbeelding, een collage, een cartoon of een strip. Alles uit het wonderlijke brein van Gummbah, uiteraard.
Het verzinnen van schrijversnamen en boektitels moet hem een immens plezier hebben bezorgd. De namen variëren van bestaanbaar (Piet Vos, Rudolf Kooistra) tot volstrekt absurd (Uwe Üü, Melchisedech F.R.T. Messersmidt) en alles daartussenin (Piet van Egypte, Yitzhak Weustpak, Jozias Aalmap, Korst Greugmokker, enz.). De boektitels vormen de spil van de humor. Uiteraard kunnen ze niet los worden gezien van de cover en de pagina uit het binnenwerk, maar sommige titels zijn ook op zichzelf al grappig: Ik dacht zelf aan nierbekkenontstekingMos en waar het groeit; Beste homo's van het waardetransport; Een blauw meer met 's avonds dieren en Waar ben je gebleven, kleine, stervende componist Eddie Hambeukers?
Veel is parodie: op genres als de streekroman en het designerboek, op clichématige flapteksten over de auteur en het werk, op de larmoyante of onzakelijke afbeeldingen op romans. Gummbah gebruikt ook opvallend vaak korrelige foto's van oude mensen, bij voorkeur in het decor van feesten en partijen van jaren her. Je weet dat die anonieme mensen al jaren dood zijn en volledig verzwolgen in de vergetelheid. Dat ze nu op deze boeken figureren is even morbide als komisch. Het pregnantst komt het tot uitdrukking in de afbeelding van een oude, Duits ogende vrouw met een witte badge. De titel: Zij droeg een naambordje met niks erop.
Van ene Oscar Punt zijn drie boeken met '500 verhalen van één zin' opgenomen. Daar zitten geniale verhalen bij: ''Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?!" informeerde Eddie.' Of: 'Met allebei zijn ouders in de gevangenis voor het doodrijden van letterlijk hónderden abortusartsen door heel Europa, kon Danny wel een potje breken bij de dames van het gospelkoor.' En: 'Harry zat niet, zoals de meeste andere jongens van het dorp, op voetbal, nee, meneer zat op ballet, als je het onderweg naar je allereerste balletles sterven aan een hersenbloeding al zo kunt noemen tenminste.' 
De visuele grappen met afbeeldingen en cartoons zijn op de beste momenten fraaie stalen absurdistische humor. Dat is merkwaardige humor, die drijft op een niet-volledig begrip. Terwijl je nog in verwondering bent, voel je je mond tot een grijnslach vertrekken. Je merkt dat je moet lachen, maar je kunt er niet precies de vinger op leggen waarom. Dat is fascinerend. Overigens is meestal wel overduidelijk waar de humor zit: in de situatie, in de combinatie van tekst en beeld. Vanzelfsprekend zijn niet alle honderd boeken even geslaagd, maar minstens de helft is zeer genietbaar. Bij voorkeur in kleine porties te consumeren.

vrijdag 27 december 2013

Domweg gelukkig bij Accrington Stanley

Vandaag ontsloeg Vincent Tan, de puissant rijke Maleisische eigenaar van Cardiff City, manager Malky Mackay. Sinds zijn komst veranderde Tan de clubkleuren van de Bluebirds van blauw naar rood, probeerde hij de clubnaam te veranderen in Cardiff Dragons omdat dat een Aziatische markt zou kunnen aanboren, verving hij de vogel in het logo alvast door een draak, en liet hij Mackay per e-mail weten dat hij moest opstappen, anders zou hij hem ontslaan. De Schot, populair bij spelers en fans, weigerde resoluut en werd afgelopen zaterdag bij Liverpool-Cardiff City hartstochtelijk toegezongen door uit- én thuispubliek. Tan liet het allemaal koud en vandaag kreeg Mackay dus de zak.

In 2003 maakte Tom Egbers de onsterfelijke documentaire That Final Day, over de degradatiestrijd in League Two, het vierde en laagste niveau van het Engelse profvoetbal. Swansea City en Exeter City vochten verwoed tegen degradatie. In de documentaire werden supporters gevolgd die met hart en ziel de doodsstrijd van hun club beleefden. De documentaire sloeg in menige huiskamer in Nederland in als een bom. Tot op de dag van vandaag kennen beide clubs - vooral Swansea - relatief veel Nederlandse fans als gevolg van deze indrukwekkende docu. Vooral de gepassioneerde, authentieke voetbalbeleving van de fans was hartverwarmend en kwam als geroepen in een tijd dat het grote geld zijn corrumperende invloed tentoon begon te spreiden.

In mijn bespreking van Kick & Rush van Tom van Hulsen schreef ik dat het jammer was dat de auteur maar weinig aandacht besteedde aan de marginale clubs uit de lower leagues. Jammer, maar wel begrijpelijk uit verkoopoogpunt. De massa is nu eenmaal vooral geïnteresseerd in de Premier League-reuzen en heeft weinig belangstelling voor het wel en wee van pakweg een Shrewsbury Town of een Stockport County. Joris van de Wier liep tegen dezelfde commerciële eis aan toen hij zijn boek Terraces & Floodlights bij een uitgever trachtte onder te brengen. Men was wel geïnteresseerd, maar wenste meer hoofdstukken over Chelsea, Manchester United, Liverpool, and the like.

Van de Wier bezoekt sinds januari 2004 wedstrijden in heel Groot-Brittannië. Bijna 200 heeft hij er al bijgewoond. Onlangs voltooide hij de '92', een begrip onder vinckers, zoals de groundhoppers ook wel genoemd worden: van alle 92 clubs uit de vier Engelse profdivisies heeft hij minstens één thuiswedstrijd bezocht. Op zijn site doet hij verslag van zijn trips en op zijn blog schrijft hij over de meest uiteenlopende onderwerpen die het Britse voetbal betreffen. Steeds toont hij zich daarbij een volbloed romanticus: het gaat hem om de sfeer, de cultuur, de verhalen, kortom: om de ware Engelse voetbalbeleving. Hij zal de eerste zijn om het te bagatelliseren, maar met zijn schrijfsels is hij een hedendaagse Robin Hood in de kruistocht tegen schaamteloze satans als Tan.

In Terraces & Floodlights, een selectie van 40 bezochte wedstrijden, moest de aandacht dan ook vooral uitgaan naar kleinere clubs waar de supporter nog geen nummer is, naar weggezakte traditieclubs, naar minder bekende maar daardoor niet minder beladen streekderby's, naar stokoude grounds met wankele maar nog fier overeind staande tribunes, liefst klassieke terraces met crush barriers, en beschenen door floodlights die nog niet gesloopt zijn om plaats te maken voor zo'n kille betonnen all seater met de verlichting in het dak verwerkt. Hij besloot het boek daarom dapper in eigen beheer uit te geven.

Dat is een wijze beslissing geweest. Zonder de bemoeienis van uitgevers en verkoopjongens ademt Terraces & Floodlights honderd procent de sfeer van zijn site en blog. Het is daardoor ook wel een beetje een boek voor insiders, vol jargon, niet alleen Engelstalig voetbaljargon (vincken, turnstiles, casuals) maar ook het particuliere jargon dat de schrijver kenmerkt en waaraan hij te allen tijde te herkennen is ('rouwmoment', 'homo-erotisch', 'kanaliseren', 'naar mannetje', 'meesteres Lucrezia' en zelfs een keer het intrigerende woord 'hobbykostend'). Vooraf was ik wel een beetje sceptisch over de eigenheid van het boek: zou het meer zijn dan simpelweg een bundeling van de op zichzelf al zeer lezenswaardige verslagen die hij op zijn site plaatst?

Die vrees bleek gelukkig ongegrond. Het boek is wel degelijk een afgerond geheel. Het leest als de Bildung van een vincker: van de ietwat bleue, naïeve liefhebber die zich in de begintijd vergaapt aan de stadions en de mensen, via de steeds handiger en routineuzer door Albion trekkende Engelandvaarder die zelfs voor de meest beladen derby's kaarten weet te regelen, tot de doorgewinterde groundhopper die bij een zorgvuldig uitgekiende gelegenheid de '92' volmaakt. Terraces & Floodlights is bovendien meer dan een best of. Van de Wier laat ook wedstrijden, clubs en stadions de revue passeren die hem weinig deden of die nogal tegenvielen.

Zo zijn we getuige van een knetterende derby tussen Blackburn Rovers en Burnley, de memorabele bekerwedstrijd Luton Town-Liverpool en een sensationele play off-ontmoeting tussen Rochdale en Darlington, maar ook van een doodsaaie pot in een ijskoud en leeg stadion tussen Notts County en Hereford United, het 'waardeloze schouwspel' bij Hartlepool United-Northampton Town en de tamme ambiance bij Manchester City-Manchester United. Ook bezoekt hij stadions die op de nominatie staan gesloopt te worden en vertelt hij met invoelbare pijn over verdwenen stadions die hij nooit in levenden lijve heeft mogen aanschouwen.

Het boek bestaat als gezegd uit 40 hoofdstukken over 40 wedstrijden, maar wie vooral 40 wedstrijdverslagen verwacht komt van een koude kermis thuis. De wedstrijden zijn bijzaak, het gaat Van de Wier om de club, het stadion, de stad, de geschiedenis, alles in de breedst denkbare zin. Een gemiddeld hoofdstuk bestaat uit twintig alinea's van 15 regels en vaak gaat alleen de laatste alinea over de wedstrijd zelf. Op dat moment weten we alles over de historie, de prijzenkast (of vaker het vergaarde stof daarin), de eigenaardigheden van de desbetreffende clubs, alsmede van de stad, de regio en de politieke, economische en sociale context. Alles even helder, boeiend en deskundig, geen moment te wijdlopig of niet ter zake doende. Elk hoofdstuk besluit met een 'Afterwards' waarin wordt beschreven hoe het de clubs sinds de visite van Van de Wier is vergaan en met een quizvraag. Die zijn veelal aartsmoeilijk, zelfs voor vaste volgers.

Van de Wier heeft duidelijk een voorkeur voor derby's, van bekende als Sheffield Wednesday-Sheffield United en Manchester City-Manchester United tot onbekendere als Bournemouth-Southampton en Swindon Town-Oxford United. Via een historische situering maakt hij inzichtelijk waarom wat voor voor buitenstaanders vaak nietszeggende ontmoetingen tussen marginale clubs zijn voor de betrokkenen zelf tweekampen vol haat en nijd zijn, bijvoorbeeld in het geval van Mansfield Town-Chesterfield, dat door de mijnwerkersstakingen onder Thatcher een zeer gevoelige burenruzie is geworden. Zelfs in het geschiedenisonderwijs op de middelbare school zou zo'n hoofdstuk niet misstaan, durf ik te beweren. Terraces & Floodlights is dus naast een voetbalboek ook een heerlijk boek over geschiedenis en cultuur van Engeland. In het 'voetballandschap' uit de ondertitel moet de nadruk misschien zelfs wel meer op 'landschap' liggen dan op 'voetbal', letterlijk zelfs, want we worden meegevoerd naar de stranden van Bournemouth, de akkers rond Norwich en Ipswich en de groene heuvels van East Lancashire.

Wonderschoon is ook het hoofdstuk over Macclesfield Town-Leeds United, waarin het tragische levensverhaal van Joy Division-zanger Ian Curtis, afkomstig uit naargeestig Macclesfield, verweven wordt met de geschiedenis van de plaatselijke club. Of de heerlijke anekdote over Fred Davies, de coracle man van Shrewsbury Town die de ballen die vanuit stadion Gay Meadow in de aangrenzende rivier de Severn werden geschoten met een gammel bootje uit het water moest opvissen. Ooit keerde hij niet terug en men vreesde het ergste, maar toen Davies uren later ineens opdook bleek hij in de dichte mist achter een zwaan aan te hebben gezeten waarvan hij dacht dat het de bal was. Zulke fascinerende anekdotes vind je in Terraces & Floodlights in overvloed.

Van alles en nog wat passeert zo de revue: dat Sir Arthur Conan Doyle ooit onder de lat stond bij een van de voorlopers van Portsmouth; dat het gebied tussen Peterborough en Boston is ingepolderd door een Nederlander en daarom de naam 'Parts of Holland' draagt; dat de bijnaam van Wycombe Wanderers The Chairboys luidt omdat de hele economie van High Wycombe op de stoelenindustrie leunde; dat de gewelddadige rivaliteit tussen Millwall en West Ham United geworteld is in het milieu van ruige dokwerkers waaruit beide clubs ontsproten zijn; dat Stevenage door het grote aantal tokkies dat er woont ook wel Chavenage wordt genoemd; dat zowel een Engelse tak van Al-Qaeda als het hoofdkwartier van de English Defense League in Luton gevestigd is; dat Nottingham Forest ooit het rood als clubkleur koos ter ere van Giuseppe Garibaldi en zijn roodhemden om zich zo af te zetten tegen het 'elitaire' Notts County; dat 'Bringing coal to Newcastle' de Engelse variant is op ons 'water naar de zee dragen', enzovoort, enzovoort, en zo verder.

Terraces & Floodlights is ook enorm grappig. Het is maar goed dat ik erg zuinig wilde zijn op dit boek en het daarom niet in de trein heb gelezen, want menigmaal barstte ik in een luid schaterlachen uit na weer een droogkomische anekdote, vergelijking of observatie. Werken de vaak doldrieste belevenissen van Van de Wier en zijn mede-vinckers al op de lachspieren, hij doet daar vaak nog een schepje bovenop met zijn scherpe, zo nu en dan alle registers open trekkende en daardoor onverwachte vergelijkingen. Over de lelijkheid van de stad Swindon in een verder mooie regio: 'Het is als een puist op het perfecte gezicht van Doutzen Kroes.' En over de knusheid van Luton Towns Kenilworth Road: 'De ruimte tussen je eigen stoeltje en dat van de buurmannen naast en voor je is zo klein dat je Roel van Velzen moet heten om daar goed te kunnen zitten.'

De auteur is een Tilburger en die lui hebben niet alleen humor maar ook een gezonde dosis zelfspot, zoals de fans van Willem II vaak genoeg bewijzen. Van de Wier vormt daarop geen uitzondering, bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe hij de nacht voor de bekendmaking van de fixtures van het nieuwe seizoen meestal niet kan slapen en zelfs de volgende dag vrij neemt van zijn werk om maar niets te hoeven missen: 'Het klinkt allemaal vrij Man Bijt Hond-achtig, en dat is het misschien ook wel, maar voor mij is het een van de mooiste dagen van het jaar.' Of na de pot bij Notts County: 'In de auto werd flink geklaagd over de wedstrijd en vooral de kou. Laffe kantoormannetjes als wij kunnen daar niet meer zo goed tegen.'

Een nadeel van publicatie in eigen beheer is dat er geen geld was om foto's in het boek op te nemen. Ter compensatie heeft Van de Wier op de flankerende website per hoofdstuk enige foto's geplaatst. Het werkt bijzonder aardig om om de zoveel hoofdstukken even naar de computer te lopen en de beelden die je je tijdens het lezen van het gebeurde hebt gevormd te toetsen aan de foto's. In het hoofdstuk over Rushden & Diamonds-Barnet wordt op hilarische wijze verhaald van een supporter van de uitclub, 'een zwarte, mongoloïde hindoedwerg die erg op soulzanger James Brown lijkt' en daarom 'James Down' wordt genoemd, die een individuele pitch invasion onderneemt. Als je hem dan vervolgens op de foto ziet kom je niet meer bij.

Maar het sterkste punt is toch wel dat Van de Wier met zijn boek een monument heeft neergezet voor de authentieke voetbalbeleving - en bij uitbreiding voor het niet meeheulen met de massa. Je wordt als voetbalromanticus vaak met de nek aangekeken, of toch op zijn minst enigszins meewarig als wereldvreemd weggezet, maar op volstrekt geloofwaardige wijze weet Van de Wier die buitenstaanderspositie te verheffen tot toevluchtsoord voor het klein geluk. Bijvoorbeeld in zijn verslag van een bezoek aan Accrington Stanley:

'Als je tegen een crush barrier hangt, het zwerk boven de Pennines langzaam donker ziet kleuren en je de herfst ruikt, word je vanzelf erg gelukkig. Op een gewone vrijdagavond stond ik gewoon bij Accrington Stanley een potje voetbal te kijken. Accrington Stanley, die naam moet je eens hardop zeggen. Engelser kan een naam bijna niet. Normale mensen zitten op vrijdagavond talentenshows te kijken. Ik besefte dat tijdens die wedstrijd in Accrington en was ineens volkomen gelukkig.'

Niet als een zombie naar The Voice of Holland kijken omdat iedereen dat doet, maar domweg gelukkig op een terrace in de Crown Ground van Accrington Stanley staan: Joris van de Wier is een zielsverwant.

Zoals in 2004 bij 50 jaar betaald voetbal in Nederland de must read niet de 'officiële' publicatie was, het steriele koffietafelboek 50 jaar betaald voetbal. De complete geschiedenis van Matty Verkamman en Frans van den Nieuwenhof, maar een meer obscure uitgave, het melancholische Verdwenen maar niet vergeten. 50 jaar betaald voetbal van Martijn Schwillens, zo overtreft ook Terraces & Floodlights alle 'serieuze' boekpublicaties van vaderlandse bodem over Engels voetbal. Ik zou het nog sterker wil stellen: het sportboek maakt recentelijk een hausse mee door het succes van VI's eigen boekentak, maar het beste exemplaar van de populatie is dit zelfstandig uitgegeven juweeltje.

Met That Final Day werd in 2003 iets losgewoeld in menig voetbalvolger met een beginnende identiteitscrisis. Een hunkering, een verlangen, een zoektocht naar de pure passie van weleer. Een vriendelijke maar verbeten rebellie tegen de verwording van de belangrijkste bijzaak van het leven tot een speeltje van de commercie en de nouveaux riches. Het is dan ook volkomen juist dat uitgerekend Tom Egbers - belangeloos! - het voorwoord heeft geschreven. Een machtig mooi voorwoord, van iemand die het snapt en die dus precies de kern van dit boek weet te treffen: sfeer wordt niet bepaald door succes, maar door 'alles wat de wedstrijd omgeeft', tot aan de 'ontroerende kansloosheid' van een immer ploeterende club toe. Van de Wiers blog is onder volgers uitgegroeid tot 'een anker, een richtpunt, een bijna heilig medium.'

'Bij deze,' besluit Egbers, 'draag ik de heer Joris van de Wier, vanwege zijn verdiensten voor de internationale verspreiding van zuiver voetbalgeluk dat zijn oorsprong heeft op de Britse velden, voor als Member of the British Empire (MBE).' Graag zet ik, mocht het de Queen kunnen vermurwen, hierbij vol overgave mijn handtekening onder deze voordracht.

Joris van de Wier - Terraces & Floodlights. Een reis door het Engelse voetballandschap | eigen beheer | 2013 | 264 blz. 

vrijdag 4 oktober 2013

Dijkshoorn en de kijk op kunst

Sinds augustus schrijft Nico Dijkshoorn wekelijks in het Volkskrant Magazine een tekst bij een kunstwerk. Coen Peppelenbos van Tzum protesteerde reeds bij aanvang: 'Nico Dijkshoorn heeft weer eens een nieuwe column. Vanaf vandaag mag hij wekelijks een kunstwerk afbranden in het Volkskrant Magazine.' De column zou volgens Peppelenbos 'een verhaalvariant van "dat kan mijn kleine broertje ook"' zijn. Ook op Twitter wordt Dijkshoorn sindsdien bestookt met afkeurende tweets, vooral van mensen uit de kunstwereld. Waarom de afzeiker Dijkshoorn en niet een 'echte', serieuze kunstkenner? Dat is zo'n beetje de teneur.

In 2011 was Dijkshoorn ook al eens in zo'n discussie over kunstbeschouwing verzeild geraakt, maar het curieuze is dat hij toen juist aan de andere kant van het spectrum stond en zélf het 'dat kan mijn zoontje/dochtertje/kind ook'-argument gebruikte. Hij kraakte toen in een column medecolumnist Bert Brussen af om diens in zijn ogen bekrompen en barbaarse kijk op kunst, die ingegeven zou zijn door angst: 'Bert staat in het Stedelijk Museum voor een varkentje met een gele bezem en twee meloenen aan een touw en spreekt dan de klassieke woorden van doodsbange mensen: dat kan een kind van 4.'

In New York had Dijkshoorn een museum bezocht waarin een merkwaardig object als kunst tentoongesteld werd: 'In het Museum of Modern Art stond meteen in zaal 1 een enorme baal hooi midden in de ruimte. Ik heb daar lang naar staan kijken. Vooral hoe de bezoekers er op reageerden. Ze voelden er aan. Er werd gelachen. Verliefde stelletjes leunden er een beetje tegen aan en dan kwam een suppoost ze waarschuwen. Die berg stro maakte nogal wat emoties los. Ook woede. Maar het maakte iets los.'

Op Twitter polemiseerden Brussen en Dijkshoorn nog een zondagochtend verder. De baal hooi wekte ook de woede van Brussen, die een spervuur van tweets besloot met de mededeling dat hij de rest van de dag naar een berg stro ging staren. Hoe zit dat nu, is Nico Dijkshoorn een snobistische kunstpaus of een populistische cultuurbarbaar?

De nieuwe column in VKMag is het gevolg van het in 2012 verschenen Dijkshoorn kijkt kunst, een boek met teksten (gedichten, verhalen, brieven) bij kunstwerken uit het Kröller-Müller Museum te Otterlo. Wie het doorbladert merkt al snel dat de spreekwoordelijke schijtlolligheid maar een klein deel van het boek uitmaakt. Bovendien verwoorden de op de lachlust van de lezer gerichte gedichtjes vaak de manier van kijken van een voor kunst immune jan-met-de-pet, waardoor dat perspectief juist geridiculiseerd wordt in plaats van gecultiveerd.

Veel indruk maken voorts de melancholische verhalen, waarbij een kunstwerk de aanleiding is voor een weemoedige jeugdherinnering of verstilde overpeinzing. Maar ook de directe persoonlijke impressies van wat er te zien is op een schilderij zijn vaak allesbehalve flauw of denigrerend. Bij Jan Toorops prachtige 'Jongens met duif' raakt hij de kern van waarom het schilderij ontroering kan wekken bij de kijker: omdat de jongens zitten. 'Zouden ze hebben gestaan, dan zou het een ander verhaal zijn geweest. Klaar om de duif los te laten, om weg te lopen en boerendingen te doen. Nu ze zitten, is er rust.' Zo'n impressie zet je als lezer weer verder aan het denken: daarom kan de voorste jongen de duif ook met één hand vasthouden: er is een transcendente rust in het tafereel, iedereen is op zijn gemak, zelfs de duif.

De beeldvorming rond Dijkshoorn speelt natuurlijke een grote rol, werkt bij voorbaat sturend. Toen Dijkshoorn kijkt kunst verscheen mocht hij bij De Wereld Draait Door eruit komen voorlezen. Uiteraard lag het zwaartepunt, het ijzeren format van Dieuwke de Eindredactrice en Matthijs de Positivo indachtig, bij de quasi-lollige 'gedichtjes'. Maar ook de tekst bij 'Jongens met duif' las Dijkshoorn voor, en er gebeurde iets geks: ergens halverwege begon Matthijs ineens te lachen, en het publiek volgde, en ook Dijkshoorn veranderde van de weeromstuit zijn intonatie. Het is een effect van perceptie: blijkbaar verwacht het publiek van Dijkshoorn-bij-DWDD een cabareteske of satirische insteek, en wanneer die er een keer niet is, dan wordt die er zelf wel in gelegd door dat publiek.

Dijkshoorn probeert elk kunstwerk met open vizier tegemoet te treden. In zijn column van 2011 heette het: 'Het hele idee van theater, moderne kunst, fotografie, muziek of welke kunstuiting dan ook is dat je je overgeeft en je durft te laten ontroeren. Dat je ergens op inloopt en weet: ik ga iets nieuws voelen of zien. Niets is fijner dan je hoofd om de hoek steken van alweer een nieuwe zaal vol kunstwerken. Eindelijk eens 30 meter lopen en niet weten wat er gebeurt.' De ene keer betekent dat dat een baal hooi hem diep raakt terwijl een volgende keer een rij stenen zijn spotlust opwekt.

Volgens mij is het precies die voorgenomen onafhankelijkheid en de eruit voortvloeiende onpeilbaarheid die schuurt. Menigeen reageert als het over kunst gaat immers vanuit een normatief kader met strakke ongeschreven regels en beperkte bewegingsvrijheid, variërend van kunst is voor elitaire snobs en linkse hobbyisten en dus verderfelijk tot kunst is voor kenners en intimi uit het vak en dus verheven. Eigenlijk verschillen de standpunten niet eens zo veel, aan beide gevallen ligt de overtuiging ten grondslag dat kunst voor een kleine groep mensen is, maar de vertegenwoordiger van het eerste standpunt behoort niet tot de incrowd en verwerpt de kunst en haar 'deelnemers' daardoor, terwijl de ander er op de een of andere manier - vaak 'professioneel' - wel toe behoort en de kunst(beschouwing) daardoor angstvallig tracht af te schermen van buitenstaanders. Nico Dijkshoorn is niet in een van beide kampen onder te brengen, zodat het kan gebeuren dat hij nu eens voor elitair, dan weer voor populistisch wordt uitgemaakt.

Je hebt weleens een politicus die door 'links' als te rechts wordt gezien en door 'rechts' als te links. Dat zijn de beste politici, omdat ze zich niets aantrekken van de starre tweedeling, niet hun standpunten aanpassen aan hun signatuur, maar elk geval apart bezien. Het zijn overigens ook vaak de politici die als eerste uit de fractie geknikkerd worden. Zo ongeveer kijkt Dijkshoorn naar kunst. De ene keer als een 'populist', de andere keer als een 'snob'. Maar altijd als Nico Dijkshoorn.

donderdag 26 september 2013

Hafid Bouazza's prikkelende stekeligheden

In de donkere dagen van juli, toen Hans Teeuwen bij Zomergasten toegaf aan zelfcensuur te doen uit angst voor islamitisch geweld en de publiciste Monique Samuel bij Knevel & Van de Brink excuses aanbood aan haar doodsbedreigers, toen was Hafid Bouazza (1970), schrijver van Marokkaanse origine, de enige die klare wijn schonk. In een ingezonden stuk in nrc.next verhief Bouazza zijn anders zo zoetgevooisde stem tot een bulderende bas:

'Moslims, ik respecteer jullie religie niet; ik heb niet eens een atoom van eerbied voor de dagelijkse en jaarlijkse rituelen, voor de verboden en geboden van jullie godsdienst. Ik heb geen respect voor de mythe van Mohammed. Ik vind Allah een armoedig verzinsel. De hoeri’s zijn een lachertje. Geweld is voor mietjes. Dreigen is voor leeghoofden (ga toch werken).' Een anti-credo ter bezinning.

Het was niet de eerste keer dat Bouazza zich zo fel uitsprak. Toch is Bouazza bij mijn weten geen object van doodsbedreigingen. Is dat omdat hij nooit aanschuift in de praatprogramma's, geen talking head is? Omdat hij zijn engagement in goedgeschreven boeken verpakt en bontkraagjes geen boeken lezen? Twee jaar geleden verscheen van zijn hand het dikke Heidense vreugde. Gepeins en gezang, een bundeling van beschouwende en opiniërende teksten die hij de voorgaande vijftien jaar in diverse kranten en tijdschriften publiceerde. De afdeling 'Verstekeling van de emigratie' bevat zijn islamkritische bijdragen.

Bouazza's recensie van Hans Jansens biografie De historische Mohammed (2005-2007, twee delen) begint al meteen zeer uitgesproken: 'De interesse voor de islam en de islamitische cultuur heeft vaak, om niet te zeggen altijd, een politieke en gewelddadige oorzaak.' (262) Net als Jansen is Bouazza dan ook niet een islamcriticus zonder meer. Hij hekelt de hedendaagse verdorvenheid van een tot ideologie verworden religie die ooit culturele hoogtijdagen vierde - en in die hekeling is spijt om wat voorgoed voorbij is inbegrepen. Oprechte interesse en betrokkenheid geven hem de aanleiding een beunhaas als Kader Abdolah te kapittelen. In diens geromantiseerde Mohammed-biografie De boodschapper (2010) ergert hij zich aan het gegoochel met epitheta ('Zo weinig eerbied voor semantiek is stuitend', 273) en Abdolah's Koranvertaling is niet het gevolg van authentieke belangstelling maar van pure 'eerzucht'. (274)

Je hoort vaak dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen 'politieke' islam en 'gematigde' islam. Bouazza pleit vooral voor een demarcatie tussen islam 'toen' en islam 'nu'. Retorisch is Bouazza hier beresterk. Let eens op de slimme correctie aan het eind van deze zin: 'Dat de islamitische cultuur in zijn langvervlogen goede tijden, alle interesse en nieuwsgierigheid verdient, staat buiten kijf: de islamitische hoogtijdagen hebben superieure dichters, schrijvers, denkers, wetenschappers en filosofen voortgebracht - nee, eigenlijk moet ik zeggen dat grote, individuele geesten de islam aan zijn bloeitijd hebben geholpen.' (262) De expliciete omkering maakt de bewering veel overtuigender dan wanneer de correctie simpelweg de eerste bewering had vervangen. Zo wordt en passant afgerekend met een cliché.

Het meest citerenswaardig is het essay 'Oriëntalisme'. Geen spaan laat Bouazza hierin heel van de Palestijnse literatuurwetenschapper Edward Said. Diens 'studie' Orientalism (1978) stond aan de wieg van de Westerse zelfhaat die het aandrijvingsmechanisme is geworden waarmee al decennialang iedere vorm van islamkritiek in de hoek van racisme en xenofobie wordt gedreven. De 'Oriënt', een aanduiding voor het Oosten, komt al eeuwenlang voor in verhalen en verslagen, en in diverse functies: als stimulans van de verbeelding, als object van nieuwsgierigheid, als toevluchtsoord voor escapisme, om de eigen zeden en gewoonten in te spiegelen, etc. Maar dat hadden de oude schrijvers niet mogen doen van Said, tot ergernis van Bouazza: 'Deze mannen in retrospectie betichten van islamofobie of van oriëntalisme is zottigheid ten top'. (279)

De term oriëntalisme is dan ook 'bezoedeld' geraakt door de 'overschatte' Edward Said, wiens drijfveer niet wetenschappelijke nieuwsgierigheid was, maar desillusie door de Zesdaagse Oorlog en 'een geloof in de grootheid van een Arabische wereld die een fata morgana bleek te zijn.' Zijn populariteit kan verklaard worden uit de postkoloniale tijdgeest: het Westen moest in het reine komen met zijn koloniale verleden, het Oosten zocht een zondebok voor het eigen falen: 'Saïd zag in de oriëntalisten wegbereiders voor en collaborateurs van het westers imperialisme (vreemd dat het islamitisch imperialisme nooit zo heftig bekritiseerd is). Dat er oprechte interesse was in de archeologische, culturele, linguïstische, antropologische, sociologische aspecten van het oosten kon hij zich simpelweg niet voorstellen.' Eerder is het omgekeerde het geval: aandacht uit het Westen voor de Oriënt was juist gegrond in - niet zelden wetenschappelijke - nieuwsgierigheid, aandacht van Arabieren voor het Westen is slechts ingegeven door expansiedrift. (280)

Dat was zo en is nog altijd zo: 'Het enige wat het Oosten ons nu brengt, op een monomanische en nietsontziende manier, is een fenomeen dat we kunnen missen als een natuurramp: de islam.' Een tsunami van islamisering noemen we dat nu, met dank aan de semantiek van een andere, iets minder literair formulerende islamcriticus. Bouazza verzorgt overigens wel vaker een welbespraakt alternatief voor verfoeide leuzen. Eigen volk eerst, als holle schreeuw uit schuimbekkende monden verderfelijk, maar met beeldende onderbouwing opeens een poging tot rechtvaardiging: 'Wanneer is een land van een bepaald bevolkingsdeel? Als het generaties lang een opbouwende bijdrage levert, een economische groei, een verbreding van de einders. Wanneer de wortels endemisch zijn geworden en niet overgeplant.' (283)

Hoe ziet die islamisering eruit? Zij neemt de vorm aan van 'moskeeën en iftars en congressen en haat en megafoongeschreeuw en gedreig en geweld en agressie en een verlangen naar de sharia en... (verder zelf invullen).' De achterliggende ideologie waarmee de islam inmenging in de westerse consumptiemaatschappij denkt te rechtvaardigen berust op een gevaarlijk misverstand: 'De islam denkt een eindfase te zijn die een ethisch reveil in het Westen kan teweegbrengen. De islam is echter een wankel stadium tot een ethisch en cultureel reveil dat het Westen allang heeft doorgemaakt en achter zich heeft gelaten. En als de islam - o nachtmerrie - het eindstation is, dan zou ik zeggen: sauve qui peut!' (282-283)

Het voornemen om moskeeën te bouwen op de puinhopen van Ground Zero wekt Bouazza's woede op: het is allesbehalve een handreiking, veeleer 'twee triomfantelijk opgeheven middelvingers'. (283) Die metaforiek werd ook in Bouazza's roman Paravion (2003) gebruikt, waar een visioen wordt geschetst van een toekomstig Nederland dat van minaretten vergeven is: 'Ze rijzen fier als opgeheven middelvingers zenitwaarts, streven de deemoedige kerktorens voorbij. Nog hogere minaretten stonden in de steigers en de allerhoogste werden ontworpen. Nog even, zo ging het gerucht in het theehuis, en ook alle kerken zouden moskeeën worden.' Geen wonder dat Bouazza het door de bevolking afgedwongen minarettenverbod in Zwitserland toejuicht: weliswaar is het een symbolisch besluit, maar daardoor niet minder belangrijk: de symbolische expansie van de islam is op dit punt even een halt toegeroepen. (303)

Als islamcriticus is Bouazza niet slechts kritisch op de islam, hij is minstens zo fel op de masochistische Nederlandse elites die zich alles laten aanleunen en het bedje spreiden voor de islam. In 'Na de moord op Theo van Gogh' noemt hij de krampachtige reacties van autochtone intellectuelen al te voorspelbaar: 'zo'n onoverkomelijk obstakel als gewetensbevraging en introspectie onder vele moslims lijken, zo exhibitionistisch bleek de bereidheid tot zelfbevraging en zelfkastijding van de Nederlandse kant.' (284) Het is een gotspe om te denken dat Nederland of Hirsi Ali of Van Gogh verantwoordelijk is voor de terreur van radicale islam, de islam heeft in Nederland eenvoudigweg een vrijplaats gevonden: 'Het is niet de schuld van vruchtbare grond dat hij onkruid voortbrengt.' (286) Ook dit doet denken aan een citaat uit een andere publicatie van Bouazza, het 'hoveniers'-citaat in de briefwisseling met Komrij: 'Ik denk dat de islam hier gewoon vruchtbare grond heeft gevonden en gewillige, onderkruiperige hoveniers.'

Een ander motief is het verschil tussen personen en abstracties, tussen mensen en dingen. Dreigen met vernietiging van levenloze zaken spreekt minder tot de verbeelding dan aanslagen op bekende figuren, maar de achterliggende ideologie is in beide gevallen gelijk: 'De doelen die Samir A., een vriend van Mohammed B., voor ogen had, waren geen individuen, maar gebouwen. Een moord op een bekende persoonlijkheid is alleen zo intiem, maar het doet niets af aan de beginselen waarop de daad gepleegd is.' (285) Het is goed om dit te beseffen met de vrijlating van Samir A. nog vers in het geheugen. En wat te denken van de hypocrisie van moslimorganisaties die elke keer dat de islam negatief in het nieuws komt zeggen dat 'de' islam en 'de' moslim niet bestaan, maar wel de rechtszaak tegen Wilders toejuichten omdat de politicus de islam zou beledigen: 'Waarom ziet men het geklaag van moslims als trouw aan een religie en de verdediging van westerse waarden als racistisch?' vraagt Bouazza ten tijde van het proces. (297)

Ook Hirsi Ali komt voorbij. We zijn haar alweer bijna vergeten, maar het is goed om ons te blijven herinneren dat haar gepeperde teksten over het huwelijk van de profeet Mohammed met een 9-jarig meisje door Femke Halsema 'smakeloos' werden genoemd. Het was een wrang voorbeeld van de politieke reflex die we nog elke dag in Den Haag zien: veroordeling van de vorm om het maar niet over de inhoud te hoeven hebben. 'Pas als we in een maatschappij leven waarin een vrouw zich vrij kan uitspreken over het geloof zonder het schuim en de moordzucht van moslims over zich heen te krijgen, kunnen we het over Hirsi Ali's "smakeloosheid" hebben.' (290) De doodsbedreigingen aan het adres van Ebru Umar - ook al in juli, wat was dat toch voor een duistere maand? - laten zien dat het nog lang niet zo ver is.

Het moge duidelijk zijn dat Bouazza niet terugschrikt voor een keiharde toon. Daarbij vloeien ook zwaarbeladen termen uit zijn pen: 'Zachtmoedig omgaan met de geestelijke tirannie van islamieten is collaboratie'. (290) Wat de islam volgens Bouazza in Nederland hoofdzakelijk doet is 'de grondslagen van de democratie bestrijden en bestoken'. (298) Het gevaar van begeesterde kritiek op een dogmatische, aan de collectieve geestelijke gezondheid schade toebrengende ideologie, is dat die kritiek van de weeromstuit zelf verwordt tot een nieuw dogma. Bouazza blijft daar verre van: passie voor individuele vrijheid en nieuwsgierigheid in de breedste zin van het woord blijven te allen tijde de drijfveren die hem allesbehalve kortzichtig en bekrompen maken, zoals ook Hans Demeyer constateert in zijn recensie van Heidense vreugde. Gepeins en gezang.

Misschien zou het aardig zijn om 'Verstekeling van de emigratie' als een apart boekje uit te geven. Het is een schier onuitputtelijke bron van prikkelende constateringen en stekelige citaten die, hoewel ze vaak reageerden op actuele voorvallen, ook vandaag de dag nog dikwijls hoogst actueel en behartigenswaardig zijn.

Hafid Bouazza, 'Verstekeling van de emigratie', in: Heidense vreugde. Gepeins en gezang (2011), p. 251-323.

woensdag 19 juni 2013

Lezen, lezen, lezen #34

Stijn Fens - De nieuwe paus. Intriges in het Vaticaan (2013), 112 blz. (****)
Toen de kersverse paus Franciscus in de vroege avond van 13 maart jongstleden voor het eerst op het balkon van de Sint-Pieter verscheen, dacht ik verschrikt: o jee, hij gaat nu al van zijn stokje. Plotseling verscheen er echter een glimlach op zijn gelaat en sprak hij het warme 'buona sera'. Een memorabel moment. Ook Vaticaanvolger Stijn Fens ervoer dat zo. 'Hij lijkt overdonderd door het moment en kijkt als een konijn in de koplampen' was zijn eerste indruk, maar een uur later zei hij tegen RKK-collega Wilfred Kemp: 'Wat een debuut'.
In De nieuwe paus doet Fens op persoonlijke wijze verslag van de hectische Roomse dagen vanaf de abdicatie van Benedictus tot en met de eerste weken van het pontificaat van Franciscus. Hij geeft een heldere reconstructie van het conclaaf, een interessante inkijk in dat besloten ritueel. Het boekje staat bovendien vol wetenswaardigheden - Benedictus was niet de eerste paus die aftrad: 'Zo'n tien voorgangers hielden er, min of meer vrijwillig, mee op' - en Fens bedient zich van amusante vergelijkingen om zaken te verhelderen. Bijvoorbeeld dat het raar is dat Benedictus in het Vaticaan blijft wonen: 'Nu is het een beetje alsof op het moment dat Willem-Alexander als koning Huis ten Bosch betrekt, Beatrix besluit om in het tuinhuis te gaan wonen.' Fens is heerlijk snedig in zijn commentaar. Over de witwaspraktijken door de Vaticaanse bank: 'Het Instituut voor Religieuze Werken (wat een prachtige naam voor een ordinaire bank)'. Over kardinaal O'Brien, verdacht van misbruik van jonge seminaristen, die kritiek heeft op David Camerons plan het homohuwelijk toe te staan: hij 'moet toch weten hoe het is om als man van een andere man te houden'. Soms gedraagt hij zich zelfs picaresk. Met collega Christian van der Heijden gaat hij in de aanloop naar het conclaaf op zoek naar kardinaal Wim Eijk om te zien wat die doet op zijn laatste vrije zondag. Ze mogen de kerk binnengaan waar Eijk preekt, als ze de boel maar niet verstoren: 'Christian en ik overwegen nog even ter plekke een sirene te huren, om de boel eens lekker op stelten te zetten'.
Toch is hij ook ernstig als het gaat om kritiek op het wel en wee in het Vaticaan, op de corruptie, de wereldvreemdheid, de mantel der liefde waarmee alles wordt bedekt. Zijn oordeel over Benedictus' pontificaat is vernietigend. Diens meest rampzalige beslissing was de benoeming van de malafide Tarcisio Bertone tot camerlengo. Bij alle affaires waarin Benedictus een pleefiguur sloeg speelde Bertone een kwalijke rol: het Mohammed-citaat in Regensburg, de flirt met de holocaustontkenner Williamson, de slechte communicatie rond het misbruikschandaal, de ruzies binnen het bestuursapparaat. Benedictus had bovendien een centralistisch kerkbeeld en een monarchale bestuursopvatting. Zijn pontificaat was dus 'tragisch', maar gelukkig was daar 'dat grandioze slotakkoord': zijn abdicatie.
Hoe oordeelt Fens over de nieuwe paus? Hij noemt hem 'een intellectueel, maar een die het goed verbergt', een 'doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-kardinaal'. Zijn wittebroodsweken waren veelbelovend, zo heeft iedereen kunnen constateren. Franciscus begon al meteen een 'vriendelijke oorlog' met de Curie. Hij legt de voor hem geschreven preken vaak terzijde en improviseert liever. Hij is een 'onvoorspelbare paus die de eenvoud als wapen hanteert'. Leuk relativerend feitje daarbij is dat zijn eenvoudige schoeisel geen teken van soberheid is maar medische noodzaak: hij heeft 'moeilijke voeten'. Wel gaat Fens noodgedwongen in op de laster die Bergoglio meteen na zijn verkiezing te verwerken kreeg: hij zou twee jezuïeten hebben uitgeleverd aan Videla. De ene is dood, maar de andere heeft juist laten weten dat Bergoglio zich met een list toegang verschafte tot Videla om juist hun vrijlating te bepleiten. Toch was hij vooral een zwijgende geestelijke, die zijn stem niet verhief tegen de misstanden maar te lang bleef zwijgen, zoals ook later het geval was toen het seksueel misbruik-schandaal in de Kerk woedde. Fens brengt alles tot menselijke proporties terug: hij was 'geen held en geen boef'. Fens besluit met een brief aan Franciscus. Hij spreekt de hoop uit dat de paus mensen weet te binden en zijn hervormingsagenda kan doorzetten. Toch is hij, terecht, ook sceptisch: 'Ik heb met Obama mijn lesje verwachtingsmanagement wel geleerd.' En: 'Onder dat pantser van een dorpspastoor zit iemand met keiharde, en voor ons vaak ongemakkelijke, opvattingen over leven en moraal.' Dit hebben we onlangs nog gezien met zijn standpunt omtrent het homohuwelijk. Zijn soberheid acht Fens evenwel geen gimmick, maar een manier om te overleven in het web van machinaties. Zijn advies luidt dan ook: 'Blijf jezelf, Jorge Mario. Blijf jezelf!'

Tom van Hulsen - Kick & Rush. Verhalen over Engels voetbal (2013), 318 blz. (***)
Tom van Hulsen is een van de opvolgers van Johan Derksen als hoofdredacteur van Voetbal International. Hij schrijft verhalen over Engels voetbal in het blad en columns voor op de website. Een selectie is nu gebundeld in Kick & Rush. Ik ben een groot liefhebber van Engels voetbal, met name van de lagere divisies, waar de voetbalbeleving vaak nog relatief puur en onbedorven is. Ik ben dol op nostalgische verhalen over de vroege jaren, smakelijke anekdotes over historische wedstrijden, heroïsche hagiografieën van de helden van toen en allerlei fantastische statistieken en trivia. Tegelijk voel ik steeds meer afkeer van de moloch genaamd Premier League, met al die steenrijke eigenaars zonder enige affiniteit met voetbal, laat staan met de club die ze zich als een speeltje toe-eigenen. 
Toch gaan de meeste van de verhalen in Kick & Rush over de grotere clubs, of zelfs alleen over die eigenaren. Dat is ergens ook wel logisch, de meeste mensen lezen nu eenmaal liever over clubs als Arsenal, Manchester City en Liverpool dan over Oldham Athletic, Bury of Grimsby Town, om maar eens drie traditieclubs uit de lower leagues te noemen. Soms, vooral in de korte columns, besteedt Van Hulsen wel aandacht aan zulke clubs, Southend United en Brentford bijvoorbeeld. De stukjes over de gekte van het moderne topvoetbal zijn bovendien stille protesten tegen de afbraak en de verplatting. Hij schrijft meewarig over al die idiote eigenaren die trainers ontslaan alsof het lopendebandwerkers zijn ('Eeuwige roem voor ontslagen trainers'), maar zo nu en dan ook wel met merkbare ergernis, bijvoorbeeld als er weer ergens een megalomane zakkenvuller opduikt die tradities van meer dan honderd jaar oud om zeep helpt. 
Van Hulsen probeert steeds een lichte, ironische toon te treffen, maar daarin is hij toch duidelijk de mindere van Michel van Egmond. Hij schrijft in ieder geval wel met kennis van zaken. Eén keer gaat het mis. In een opsomming van de twaalf founding members van de football league noemt hij Accrington FC 'het latere Accrington Stanley', maar dat klopt niet. (Accrington FC hield al in 1896 op te bestaan; Accrington Stanley bestond toen al vijf jaar, maar ook die club is niet het huidige Accrington Stanley: ze speelde tussen 1921 en 1962 in de League, maar ging in 1966 failliet. Het huidige Accrington Stanley werd in 1968 opgericht en speelt sinds 2006 in de League.) De zwakte van Kick & Rush, een manco dat het gemeen heeft met al die boeken met verzamelde columns uit de VI-bibliotheek, is uiteindelijk dat de columns in de regel gaan over iets wat actueel was toen ze verschenen, waardoor ze nu bij bundeling al gauw verouderd of achterhaald aandoen.

Ronald Prud'homme van Reine - Moordenaars van Jan de Witt. De zwartste bladzijde van de Gouden Eeuw (2013), 230 blz. (****)
Op de basisschool kreeg ik op een mooie dag de mogelijkheid aangeboden in te tekenen op Van Nul tot Nu, een vierdelige geschiedenis van Nederland in stripvorm, geschreven door Co Loerakker en getekend door Thom Roep. Dat leek me wel wat en gelukkig vonden mijn ouders het goed. Vele, vele malen heb ik die stripboeken gelezen. Grote indruk maakte de verstripping van de moord op de Johan en Cornelis de Witt, op 20 augustus 1672 in Den Haag. Op het plaatje zag je hoe de broers, nadat ze uit de Gevangenpoort waren gesleept, bruut werden doodgeknuppeld door gedegenereerde sujetten. Het gezicht van Johan was vertrokken van pijn en doodsangst. De moord werd een van de zwartste bladzijden uit onze geschiedenis genoemd, ook vanwege de gruwelijke verminkingen van de lijken.
Historicus Ronald Prud'homme van Reine verbaasde zich erover dat er nooit serieus onderzoek was gedaan naar de moordenaars en de precieze achtergronden bij de moord. Dat het 'het volk' was, later gespecificeerd tot leden van diverse schuttersgilden, is lang als voldoende verklaring beschouwd. Prud'homme werpt nu op basis van archief- en bronnenonderzoek nieuw licht op de moord en op de dubieuze rol die de Prins van Oranje hoogstwaarschijnlijk heeft gespeeld. Zijn boek drijft op een strakke opbouw, die vaart en zelfs enige suspense in het verhaal brengt. Eerst schetst hij kort de historische context en de gebeurtenissen voorafgaand aan de moord. Vervolgens beschrijft hij aan de hand van verschillende ooggetuigenverslagen de dag van de moord van uur tot uur. Hierna staat hij langer stil bij de moordenaars en de 'complotteurs', oftewel de daders en de samenzweerders. Na een beknopt overzicht van ongeveer 350 jaar historisch onderzoek naar de moord gaat hij tot slot nog in op de schilderkunstige verbeeldingen ervan.
Moordenaars van Jan de Witt lijdt aan een euvel waar veel van dit soort boeken last van hebben: er wordt te veel informatie over de lezer uitgestort. Elke zin bevat drie nieuwe feitjes, twee nuanceringen en nog een vermoeden toe. Ook de vele personen en hun onderlinge relaties passeren aan het begin de revue met een achteloosheid die de oningewijde lezer doet duizelen. De inspanning is het echter waard, want de auteur haalt veel boven. Een luitenant-ter-zee, een herbergier en een slager blijken de moordenaars te zijn geweest van Johan, en ook Cornelis is niet door schutters of het grauw, maar door diverse middenstanders gedood. Prud'homme concludeert bovendien dat Zuijlesteijn en Odijck, een oom en een achterneef van prins Willem III, het masterplan bedachten. Ook zeeheld Cornelis Tromp en de Haagse schepen Johan van Banchem speelden hierbij een kwalijke rol. En Willem III? Zijn rol 'zal wel altijd in nevelen gehuld blijven', besluit Prud'homme. Dat lijkt te ver doorgedreven wetenschappelijke voorzichtigheid, want de feiten zijn er blijkbaar: 'Omdat we weten dat hij erover is ingelicht, kan hij niet van zijn aandeel worden vrijgepleit. [...] Hij was op de hoogte en heeft niet ingegrepen om de moord te voorkomen.' Een zwarte bladzijde met oranje rafelranden.

woensdag 17 april 2013

Lezen, lezen, lezen #33

Thierry Baudet & Michel Visser (red.), Conservatieve vooruitgang (2010), 414 blz. (****)
Voor hij zijn begeesterde boeken over de natiestaat en de EU (2012) publiceerde redigeerde Thierry Baudet in 2010, samen met Michel Visser, al een bundel over moderne conservatieve denkers die niet onopgemerkt bleef. Ik zou mezelf denk ik wel gematigd conservatief kunnen noemen. Volbloed progressief zijn in Nederland heeft vaak veel weg van achter een grote, van een helling af stuiterende sneeuwbal aanrennen om die nog een extra zet proberen te geven. De wereld verandert toch wel, en razendsnel ook; aandacht voor en verzorging van wat het waard is te behouden en verzet tegen de kwalijke elementen van de vooruitgang verdient dan extra toewijding. Toch staat conservatisme vaak in een kwade reuk. Ten onrechte, zo constateren ook de samenstellers in hun lezenswaardige en behartigenswaardige inleiding op deze bundel. Het zou 'gelijkstaan aan simpele behoudzucht, "rechts" zijn, of het tegenovergestelde zijn van "progressief".' Het conservatisme is 'veeleer een manier van kijken dan een strikte leer'. Een conservatief is zeker niet iemand 'die tegen alle verandering is, of terug wil in de tijd', dat is conservatief verwarren met 'regressief'. Of met 'reactionair', zou ik daar nog aan toe willen voegen. Dit sluit ook aan bij wat Antoine Bodar schrijft in zijn Klokkenluider van Sint Jan (2004, p. 40): 'De echte conservatief verlangt niet terug naar het verleden, als zou vroeger zonder meer alles beter zijn dan nu. Zo naïef is hij niet. De conservatief is traditionalist. Hij houdt rekening met de traditie waarin het voorgeslacht zich met het nageslacht verbindt. De conservatief kent zich als schakel in die verbinding.' Ware woorden. Conservatief staat voor een keuze voor 'een bepaalde methode van voortgaan in de tijd, een type progressie: niet met grote sprongen, maar stapje voor stapje'. Ook geloven conservatieven in het 'liefde en begrip voor het bestaande' en zijn zij sceptisch over de maakbaarheid van de samenleving: 'de condition humaine van de samenleving blijft eeuwig hetzelfde', er is sprake van een 'eeuwig menselijk tekort'. Conservatieven pleiten tot slot voor 'bescheidenheid met betrekking tot hervormingen', 'het belang van gezag voor het functioneren van een samenleving' en behoud van 'kleinschaligheid' en 'het platteland'.
In Conservatieve vooruitgang worden 20 twintigste-eeuwse denkers gepresenteerd die, ieder op hun eigen manier, hebben bijgedragen aan dit conservatieve perspectief. Daarbij zijn usual suspects als Huizinga, Ortega y Gasset, C.S. Lewis, Wilhelm Röpke en Leo Strauss, maar ook uiteenlopende figuren als Ludwig Wittgenstein, T.S. Eliot, Michael Oakeshott en de Nederlandsers Herman Dooyeweerd en W. Aalders. Ontbrekende cracks zijn Spengler en Miguel de Unamuno, maar daar staat tegenover dat ik kennismaakte met andere, voor mij onbekende filosofen. Wat voorts opvalt is dat alle twintig man zijn; zijn vrouwen niet ontvankelijk voor conservatieve ideeën? Iedere denker wordt door een andere kenner behandeld. Steeds volgt na een korte biografische schets een overzicht van de belangrijkste aspecten van zijn gedachtegoed, met als conclusie een overweging over wat nu het specifiek conservatieve van deze denker uitmaakt. Het knappe is dat de samenstellers erin geslaagd zijn de bundel een uniforme toon te geven - alleen Roger Scruton detoneert met een particuliere kritiek op progressieven -, het redigeerwerk van Baudet en Visser verdient dus alle lof. Jammer is dat soms te veel de nadruk ligt op economie en minder op een algemeen mens- en wereldbeeld. De auteurs presenteren de filosofen bovendien vaak op basis van citaten die profetisch zijn gebleken, zoals bij Ortega over de frivoliteit van de massamens die wel rechten wil maar geen plichten: 'Volgens Ortega uit die frivoliteit zich op allerlei manieren: een gebrek aan romantiek in de omgang met vrouwen, en een obsessie met het lichaam en het uiterlijk, extreme emoties rondom sporten, en een "half belachelijke en half schaamteloze" obsessie met jong zijn en jeugd'. Ook konden niet alle filosofen mijn aandacht vasthouden, maar dat is inherent aan zulke overzichtswerken. Deze kleine bezwaren mogen echter niet in de weg staan van een gunstige beoordeling. Conservatieve vooruitgang biedt een helder, nuttig en urgent overzicht van modern conservatisme en, misschien wel belangrijker nog, maakt korte metten met heersende vooroordelen over de wat het betekent om conservatief te zijn.

Tom Knipping & Iwan van Duren - Voetbal & Maffia. 'We schieten je kapot' (2012), 356 blz. (***)
De tijdschriftenmarkt kampt met sterk teruglopende advertentie-inkomsten. Johan Derksen van Voetbal International heeft echter een gat in de markt ontdekt door een eigen boekenuitgeverij te beginnen. Te midden van de bestsellende documentaires over René van der Gijp, Gert Jakobs en Andy van der Meijde, de autobiografie van Kees Jansma en de verzamelde columns van Dijkshoorn, Johan Derksen en Wilfred Genee, is de monografie Voetbal & Maffia van Tom Knipping en Iwan van Duren waarschijnlijk tegelijk de publicatie met de laagste verkoopcijfers en de hoogste impact. De twee onderzoeksjournalisten van VI hebben zich in de criminele kringen van de voetbalwereld begeven en troffen er een gigantische beerput aan. Voetbal is feitelijk nooit onschuldig vermaak geweest, maar sinds het grote geld van de commercie de sport is gaan gijzelen hebben in het kielzog criminelen, van kruimeldieven en beunhazen tot de echte zware jongens, de touwtjes langzaam maar ferm in handen genomen. Er is sprake van omkoping, corruptie, zwartgeldcircuits, witwaspraktijken en natuurlijk matchfixing, het probleem dat door Knipping en Van Duren op de agenda van de media en zelfs de politiek is gezet. In 25 hoofdstukken passeren diverse maffiose praktijken in het internationale voetbal de revue, variërend van curieus (een WK-scheidsrechter bleek ook drugssmokkelaar) tot schokkend (9 op de 10 wedstrijden in China is verkocht). Natuurlijk zijn er de bekende schandalen als de affaire-Hoytzer en de, veelal Oost-Europese, nieuwe rijken die clubs opkopen en ze tot witwasmachines omturnen. Maar ook minder bekende doch even boeiende voorbeelden zijn opgetekend, zoals de in Finland spelende Zambianen die marionetten van de gokmaffia bleken te zijn en de vele individuele spelers die hun carrière en soms ook hun leven beëindigd zagen door de krachten van de onderwereld.
Storend en soms zelfs ergerlijk is evenwel de stijl van Knipping en Van Duren. Eind 2009 brak ik al eens de staf over het pathetische taalgebruik van de heren, hun 'overdramatische formulering', zoals ik het toen, zelf ook wat overdreven, uitdrukte. Misschien liggen er literaire ambities aan ten grondslag, maar het resultaat doet toch eerder denken aan een clichématige driestuiverroman dan aan bellettrie: 'Lege kannen koffie onder een flikkerend peertje. Een asbak vol uitgedrukte peuken. Stapels papieren kriskras door de hele tot redactieruimte omgevormde garage. [...] Rechts de doorgewerkte dossiers. Links de aangeschafte wereldkaart waarin weer een paar nieuwe speldjes kunnen worden geprikt. We blazen eens uit van onze ontdekkingsreis in de sporen van de voetbalmaffia.' (326) Uitentreuren bedienen ze zich van de 'vergelijking met als', en niet altijd even functioneel. Ik heb weer eens verzuimd met het potlood in de hand te lezen, maar een paar steekproeven leveren al een treffend lijstje op:
- 'De lijntjes lopen ondergronds als oude telefoonkabels.' (15)
- 'De Aziatische ziekte waait als de vogelgriep over naar Europa.' (17)
- 'De Chinese competitie is zo betrouwbaar als een Griekse bank.' (29)
- 'Zoals zalmen de rivier opzwemmen, zoekt Schnitzler de casino's.' (67)
- 'Als paddenstoelen uit rottende grond verrijzen de vreemdste clubs.' (118)
- 'Als sprinkhanen vliegen de nieuwe rijken over het oude Europa.' (120)
- 'Als een atheïst die het licht heeft gezien gelooft hij er nu heilig in dat de wedmaffiosi [...] in het topvoetbal zijn geïnfiltreerd.' (317)
- 'Als kankercellen verspreidt zich de ziekte in het sportieve lichaam van het voetbal.' (329)
Uiteindelijk is die stilistische armoede natuurlijk ondergeschikt aan de urgentie van Voetbal & Maffia, aan het probleem dat het boek aankaart. De maffia vreet het voetbal van binnenuit kapot. Van bonden als de UEFA en de KNVB is weinig heil te verwachten, gezien de aard van de criminaliteit is het ook eerder een zaak van politiek en justitie. Alleen PvdA-parlementariër Tjeerd van Dekken bijt zich erin vast, minister Schippers heeft nog niet zo'n haast.

Raymond Gradus, George Harinck, Karin Hoentjen, Alexander van Kessel, Hans-Martien ten Napel (red.), Canon van de christendemocratie (2012), 92 blz. (****)
Dat ik de christendemocratie in principe de meest aantrekkelijke politieke ideologie vind, heb ik al eens eerder toegegeven. Het liberalisme is me te veel gefixeerd op vrijheid en individualisme, de sociaaldemocratie op radicale gelijkheid. De christendemocratie verbindt beide waarden via de norm van de broederschap of de gemeenschapszin. Dat alles in theorie natuurlijk, de praktijk is vaak weerbarstiger. Toch is de christendemocratie ook een schizofrene ideologie, waarbinnen dienstbaarheid aan de gemeenschap soms conflicteert met, of ondergeschikt wordt gemaakt aan dienstbaarheid aan een godheid. Daarbovenop komt de historisch gezien hoogst problematische combinatie van katholieken en protestanten. Dat die allesbehalve harmonieus gegroeid is komt goed naar voren in de Canon van de christendemocratie, verzorgd door een redactie van historici en politicologen. De canon bestaat uit 40 luiken. Elk luik verwijst naar een historisch moment uit de geschiedenis van de christendemocratie, met steeds op de linkerpagina een treffende afbeelding en op de rechter een driekolomstekst waarin de betreffende gebeurtenis beschreven en in een bredere context geplaatst wordt.
De canon opent met de publicatie van Ongeloof en Revolutie (1847) van Guillaume Groen van Prinsterer. Katholieke en antirevolutionaire kiesverenigingen - partijen bestonden nog niet - voeren indertijd een verschillende koers. Waren de katholieken in de prakijkt vaak conservatieven, de antirevolutionairen verzetten zich tegen zowel liberalen als conservatieven. 'Verschil en gelijkheid' zou je zo een eerste thematische lijn in deze canon kunnen noemen. Met bijvoorbeeld in 1894 de scheuring in de ARP toen Abraham Kuyper een uitbreiding van het kiesrecht wenste voor zijn 'kleine luyden', terwijl de elitaire 'dubbele namen' politieke participatie van het volk niet zo zagen zitten en zich verenigden in het CHU. Ook het voortdurende proces van aantrekking en afstoting tussen katholieken en protestanten valt hieronder, met bijvoorbeeld de kabinetscrisis van 1925 toen een amendement om het vaste gezantschap in het Vaticaan af te schaffen gesteund werd door de hervormden, tot woede van de katholieken, maar ook de befaamde 'Bergrede' van Aantjes in 1975, waarin hij het evangelie als richtsnoer voor de christendemocratische politieke bepleitte.
Een tweede lijn is het sociale en emanciperende gezicht dat de christendemocratie altijd weer heeft geprobeerd te tonen: de Arbeidswet-1889 van het kabinet-Mackay; het Christelijk-Sociaal congres en de invloed van de encycliek Rerum Novarum; de ethische politiek van Minister van Koloniën Idenburg, die met de trefwoorden 'pacificatie' en 'educatie' in de hand de inlanders wilde verheffen maar daarmee tegelijk de revolutionaire geest deed ontwaken; Marga Klompé (KVP) als eerste vrouwelijke minister in 1956; de voortrekkersrol van de christendemocraten bij de ontwikkelingshulp en Europese samenwerking; de publicatie van Nieuwe wegen, vaste waarden in 1995 van coming men Ab Klink en Jan Peter Balkenende van het WI.
Een derde lijn is dat er, het sociale gezicht ten spijt, altijd een moeizame verhouding heeft bestaan met de socialisten. De leer van 'de uiterste noodzaak' van monseigneur Nolens in 1922, die politieke samenwerking met de socialisten beperkte tot 'alleen als het echt niet anders kan', is een treffende uiting hiervan. Een ander voorbeeld is de positie van de confessionelen in het kabinet-Den Uyl, die daarin niks te zeggen hadden, en Van Agt die toen dwars ging liggen en een pas de deux met Wiegel begon, en natuurlijk het meest recente voorbeeld: de uiterst moeizame verstandhouding tussen CDA en PvdA in Balkenende-III. Het laatste luik beschrijft het beruchte formatiecongres van 2010, waarbij weer die de christendemocratie eigen lijkende januskop zich vertoonde: de helft was voor regeringsdeelname, de andere helft niet.
De gereformeerden van de ARP en hervormden van de CHU zijn altijd veel steiler in de leer geweest dan de katholieken van de KVP en voorgangers. Het CDA is en blijft een kunstmatig conglomeraat, en in tijden van crisis steekt dat steeds weer de kop op. De katholieke emancipator Schaepman zette in zijn Proeve van een program (1883) prachtig uiteen hoe het volgens hem moest: 'Deze "proeve van een program" is inderdaad niet meer dan een proeve. Het leven alleen, het historische leven met al zijn worstelingen en ontwikkelingen kan hier den vollen vorm geven'. De tekst wordt 'zoekend van toon' genoemd en bepleit pragmatische politiek die niet vertrekt vanuit bestaande aangenomen waarheden maar altijd op zoek blijft naar bijdetijdse antwoorden op eigentijdse problemen. 130 jaar later heeft die boodschap nog niets aan relevantie ingeboet.

donderdag 31 januari 2013

Lezen, lezen, lezen #32

Auke Kok, De verrader. Leven en dood van Anton van der Waals (2005) [1995], 364 blz. (*****)
Nederlands grootste landverrader in de Tweede Wereldoorlog was Anton van der Waals. Tientallen verzetsstrijders werden door deze meedogenloze Rotterdammer in de armen van de bezetter gedreven. Auke Kok heeft het levensverhaal van Van der Waals als een spannende roman op papier gezet. Dat is niet eens zozeer het resultaat van zijn insteek, een chronologische vertelling van de levensfeiten leidt automatisch tot zo'n verhaal. Want wat een man en wat een leven! Met kosmische bluf, de nodige slinksheid en een stevige portie geluk wist Van der Waals zich in de bezettingstijd op te werken tot de belangrijkste 'V-Mann' van de Duitsers. Hij werd een belangrijke pion in het 'Englandspiel', de controle van de Duitse contraspionage over geallieerde geheime zenders, waardoor vele geheim agenten meteen na landing gevangen konden worden genomen. Als 'Ringeltaube' van SD-commandant Schreieder wist Van der Waals in vele verzetsgroepen te infiltreren, onder diverse schuilnamen, het vertrouwen van de verzetsstrijders te winnen, om ze vervolgens een voor een over te dragen aan zijn baas.
Tussen al die jongensboekachtige verhalen door vergeet Kok weleens op de rem te trappen en te zoeken naar een verklaring, naar een overzicht, naar een analyse. Hij doet dat eigenlijk maar één keer: 'Hadden al die [...] verzetsmensen beter kunnen weten? Waarop was het vertrouwen, casu quo wantrouwen in Van der Waals eigenlijk gebaseerd?' Ook Kok heeft geen echt antwoord en gooit het op de totale chaos die de oorlog was: 'Zekerheden bestonden in oorlogstijd niet; beweringen lieten zich in zeer beperkte mate natrekken. Er was geen vrijheid van informatie - Nederland lag in een permanente mist waarin iedereen zich op de tast een weg moest banen. Men viel daardoor terug op algemene inzichten. De scheidslijn tussen goedkeuren en afkeuren liet zich nauwelijks rationaliseren.' Van der Waals' pose van 'de zwijgende agent op de achtergrond' kon op twee manieren worden uitgelegd: 'dat hij iets verborg' of 'dat hij zich als een echte, want verstandige spion opstelde'. In 'het schimmenrijk van de oorlog' gold dan: 'Het was maar wat men geloven wilde.' Na zijn arrestatie beriep Van der Waals zich op een Britse spion, ene Verhagen, van wie hij alle instructies zou hebben ontvangen. Het verhaal van Van der Waals inspireerde W.F. Hermans voor zijn roman De donkere kamer van Damokles. Kok verwijst daar impliciet naar in deze alinea: 'Het aanhoudende onvermogen om het bestaan van de Britse geheim agent aan te tonen, hing als een zwaard van Damocles boven Van der Waals' hoofd. Talloze keren had hij inmiddels beweerd dat Verhagen een legitimatie-foto had overlegd, maar in de donkere kamer van het onderzoek bleef diens beeltenis onzichtbaar.' Kort voor zijn executie gaf Van der Waals toe dat Verhagen een verzinsel was.
Van diezelfde W.F. Hermans staat op de achterflap een aanprijzing: 'Ik begon aan De verrader op een middag om halfvier. Zonder in staat te zijn geweest een tussentijds slaapje te doen, had ik het de volgende morgen om halfzes uit.' Ik was niet in de gelegenheid een nacht door te halen, maar ik las het op twee zondagmiddagen, ademloos en met bonzend hart. Het is vooral die mist van onwetendheid waarin alles zich voltrok die, vanuit het perspectief van vandaag, met al onze moderne communicatiemiddelen, zo oubollig en primitief, ja: zo puur en onbedorven aandoet. Toch stemt dat ook tot nadenken: dit is dus wat er uiteindelijk van die oorlog overblijft, een razend spannend verhaal over helden en boeven, spionnen en infiltranten.

Nop Maas - Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven, 3: De late jaren (1975-2006) (2012), 783 blz. (***)
Na de eerste twee delen van Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven (2009, 2010) moesten we wat langer wachten op deel drie omdat Reves laatste partner Joop 'matroos Vos' Schafthuizen publicatie enige tijd tegen wist te houden. Deel één vond ik geweldig, deel twee al een stuk minder boeiend. In het derde en laatste deel beschrijft Maas de 'late jaren' van Reve: 1975-2006. Net als in het tweede deel heeft Maas zich hoofdzakelijk toegelegd op het aan elkaar schrijven van de vele lange briefcitaten van Reve. Toch treedt hij in dit deel ook af en toe met enig tromgeroffel naar de voorgrond, bijvoorbeeld in de interjectie 'terecht' in deze zin: 'Hanny Michaelis beschouwde Bezorgde ouders - terecht - als een meesterwerk.' Ook Mulisch is daarbij weer schietschijf. Vergat Maas in deel 1 al heel freudiaans Mulisch in het register op te nemen en verloor hij in deel 2 zijn beheersing bij de bespreking van de Reve-Mulisch-polemiek, in deel 3 laakt hij eerst Mulisch' ironische reactie op Reves overlijden - hij was nu De Grote Eén - om vervolgens diens wél piëteitsvolle reactie dat Schafthuizen Reve in zijn nadagen goed had verzorgd smalend af te doen als de opmerking van een 'deskundige'. Kortom: het is ook nooit goed.
Aan het begin van hoofdstuk 14 vindt er een merkwaardige breuk in de vertelling plaats als Maas ineens in de ik-vorm begint te schrijven: 'Samen met mijn partner Joep Jaspers bracht ik een aantal weekends door in Machelen, bij welke gelegenheden Joop Schafthuizen zijn gastvrijheid en royaliteit telkenmale demonstreerde.' Diezelfde Schafthuizen heeft dit deel niettemin behoorlijk versjteert: als schrijversweduwnaar mocht hij schrappen wat hem niet aanstond; drie sterretjes markeren de tekstplaatsen waar deze censuur heeft plaatsgevonden. De matroos heeft daarbij rare keuzes gemaakt. Veelal gaat het om geldbedragen die geschrapt zijn, terwijl schokkende mededelingen over bijvoorbeeld zijn pedofiele neigingen zijn blijven staan. (Zie hierover mijn uitgebreide bespreking op textualscholarship.nl) Ik heb getracht qua primaire literatuur van Reve 'mee te lezen' met de biografie, maar dat viel voor de laatste twee delen niet erg mee, zo vervelend waren bijvoorbeeld boeken als Lieve jongens en Moeder en zoon. Meer en meer vrees ik dat Reve na Nader tot U (1966) weinig beklijvends meer heeft geschreven. De interessantste stukken gaan in dit deel dan ook niet over de boeken van Reve maar over zijn publieke manifestatie en zijn katholicisme, waarover Reve nog wel af en toe wat zinnigs te melden had. Verder is het weer een aaneenschakeling van drank, ruzie en onvermogen. Hoewel Maas misschien beter de laatste 45 jaar in één deel had kunnen beschrijven, was er toch iets weemoedigs bij het omslaan van de laatste bladzijde: door die minutieuze levensbeschrijving word je als lezer enorm met je neus op het feit van de vluchtigheid van het leven gedrukt.

Arnon Grunberg - Voetnoot. Eerste verzameling (2012), 144 blz. (**)
Sinds 29 maart 2010 schrijft Arnon Grunberg elke dag een kleine column op de voorpagina van de Volkskrant, onder de koepeltitel 'Voetnoot'. Deze 'eerste verzameling' is feitelijk een bloemlezing uit de voetnoten die tussen maart 2010 en november 2011 in de krant zijn verschenen. De selectie is gemaakt door Bob Polak, die bijna wekelijks is te vinden op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Polaks keuze is niet altijd even gelukkig. Nu is het natuurlijk op zich al een hele prestatie om elke dag een column in te leveren. Om dan elke dag iets zinnigs of scherpzinnigs te zeggen over een actueel onderwerp is bijkans onmogelijk. Op zulke dagen schrijft Grunberg iets over zijn moeder. Het voordeel van bloemlezen is dat zulke marginalia weggelaten kunnen worden. Polak heeft echter toch een flink aantal van die wezenloze stukjes in deze verzameling opgenomen. Uit zijn verantwoording wordt niet echt duidelijk waarom. De criteria van Polak: 'Tijdloos is het sleutelwoord, kwaliteit het kenmerk, schaamte de constante.' Die constante blijkt te schuilen in een merkwaardige historische parallel. De ouders van Grunberg kwamen in de jaren dertig naar Nederland maar kregen pas in de jaren vijftig de Nederlandse nationaliteit. 'In de tussentijd', schrijft Polak, werden zij 'aan hun lot overgelaten en dat lot lag in de onderduik en in deportatie naar Westerbork en Auschwitz. Zo gaan wij hier met asielzoekers om. Toen en nu. Niets veranderd.' Helaas licht Polak niet toe wie 'wij' dan tegenwoordig allemaal naar Westerbork en Auschwitz deporteren.
Polak heeft Grunberg ook een vragenlijst voorgelegd met een aantal meerkeuzevragen, onder meer over zijn werkwijze, onderwerpen, voorbeelden, et cetera. Op de vraag over welk onderwerp hij de meeste lezersreacties heeft ontvangen antwoordt Grunberg: 'Anders, namelijk: Marc-Marie Huijbregts'. In de betreffende voetnoot reageerde Grunberg op de Zomergasten-aflevering waarin een huilende Huijbregts vertelde hoe zijn vader hem aan het sterfbed van zijn moeder twee dagen lang straal negeerde. Grunberg verbindt dit echter moedwillig met een andere opmerking van Huijbregts in dat programma: dat zijn vader hem niet grappig vindt, en schrijft dan: 'Mijn sympathie voor de vader van de heer Huijbregts nam met de minuut toe.' Het is feitelijk de enige column die ophefmakend genoemd kan worden. Verder zijn het vooral typische Grunberg-teksten: vol onlogische overgangen, inwisselbare aforismen en quasi-diepzinnigheid.