Dezer dagen zitten Mark Rutte en Diederik Samsom druk te formeren. Ze doen hard hun best vooral niet de indruk te wekken dat dit proces een spelletje mens-erger-je-niet is. Als we Rutte en Samsom en de formateurs Bos en Kamp - niet te verwarren met Jan Boskamp, die wel voor twee kan eten maar niet formeren - op hun woord moeten geloven is het eerder een vlot spelletje kwartetten: Mag ik van jou de huisarts in het eigen risico? vraagt Mark. Mag ik dan van jou de afschaffing van de forenzentaks, repliceert Diederik. Net zo lang tot ze allebei triomfantelijk kwartet! kunnen roepen naar de achterban.
In werkelijkheid zal het formeren toch veeleer neerkomen op een moeizaam potje stratego. Behoedzaam manoeuvreren, soms een drieste vlucht vooruit, soms een terugtrekkende beweging. En dan maar hopen niet op een bom te trappen. Wel een potje stratego met heel wat minder stukken op het bord trouwens, want de afbraak van defensie kent geen grenzen. Daarbij komt ook de Joint Strike Fighter weer op tafel. De VVD wil verder met het project, de PvdA wil er uitstappen. Dan gaan de gedachten onwillekeurig terug naar Pim Fortuyn.
In 2001 had de Nederlandse regering tot deelname aan de ontwikkeling van de Joint Strike Fighter besloten. Begin 2002 komt dit echter op losse schroeven te staan, met de PvdA als splijtzwam: het kabinet - mét PvdA - spreekt zich uit voor de JSF, maar de Kamerfractie van de sociaaldemocraten is verdeeld. Zo stelt parlementariër Frans Timmermans expliciet de deelname van Nederland aan het project ter discussie (saillant detail: Timmermans wordt nu genoemd als toekomstig minister van BuZa!). Fractieleider Ad Melkert laat echter weten dat de PvdA voorstander is van participatie, waarna Timmermans zich loyaal verklaart aan Melkert. Maar loyaliteit is blijkbaar wind, want kort daarna is Timmermans toch weer tegen. Prompt verklaart nu ook Melkert dat de PvdA-fractie tegen zal stemmen. Zoveel gedraai duizelt het kabinet, dat dan maar besluit een definitieve beslissing over de verkiezingen heen te tillen.
De mythe wil dat Pim Fortuyn pertinent uit het JSF-project wilde stappen. Na zijn dood stemde de LPF echter voor participatie. Al op 4 juni 2002, nog geen drie weken na de verkiezingen, gaat de nieuwe Tweede Kamer akkoord met het reeds door Paars II voorbereide besluit tot deelname. Van de 93 Kamerleden van VVD, CDA en LPF stemmen er 84 voor - waarvan 25 van de 26 LPF'ers -, ruim voldoende voor de meerderheid. Op 17 juni, ruim een maand vóór Balkenende-I geïnstalleerd wordt, schrijft Nederland zich officieel in voor het project en een bijdrage van 800 miljoen dollar aan de ontwikkelingskosten. Al gauw wordt de rol van Mat Herben, defensiewoordvoerder en na de moord tijdelijk partijleider, met wantrouwen bekeken; er zou een geur van beïnvloeding hangen rond de als vliegtuigspotter hobbyende Herben. Een marionet van de vliegtuigindustrie wordt hij genoemd.
Vooral de populaire cultuur is met deze versie van de geschiedenis aan de haal gegaan, natuurlijk vanwege de complottheorieën die eraan gelinkt konden worden: omdat Fortuyn tegen de JSF was moest hij uit de weg worden geruimd. In de film 06/05 (2004) van Theo van Gogh speelt een lobbygroep voor de JSF een grote rol in de moord. Die film was gebaseerd op de thriller De zesde mei (2003) van Tomas Ross. In beide werken wordt aan Herben een dubieuze rol toegekend. Ook in De koning van Nederland (2002), Bert van der Veers in recordtempo geschreven 'true fiction' over Fortuyn, kwam deze complottheorie al voor.
Maar ook serieuzere scribenten opteren voor die versie van de geschiedenis. Zo schrijft Joost Zwagerman eind 2002 dat Herben 'het door hem zo geheiligde gedachtegoed van Pim Fortuyn nu al met voeten treedt', bijvoorbeeld met de 'nu mede dankzij de LPF gesloten deal over de Joint Strike Fighters', die lijnrecht in zou gaan tegen de wil van Pim: 'Fortuyn was in de verkiezingstijd tegen het over de balk gooien van die achthonderdvijftig miljoen euro die het JSF-project opslokt. Bovendien was hij voor radicale inkrimping en zelfs opheffing van de landmacht. Het is wel erg onwaarschijnlijk dat Fortuyn met de besparing die die opheffing zou opleveren, vervolgens de luchtmacht had willen spekken.' (Het wilde westen. Nederland 2001-2003, 2003, p. 121)
Hoe zat het nu? In De puinhopen van acht jaar Paars (2002), Fortuyns laatste boek en het officieuze verkiezingsprogramma van de LPF, komt de hele JSF niet voor. Wel had hij al als lijsttrekker van Leefbaar Nederland deelname aan het project al verspilling van belastinggeld genoemd. In De puinhopen neemt Fortuyn op het gebied van defensie nog steeds enkele zeer radicale standpunten in: 'Opheffing van de Koninklijke Landmacht'; 'Opheffing van de Koninklijke Luchtmacht'. Met dat tweede standpunt ben je ook automatisch tegen de aanschaf van de JSF. Zelfs voorstander Herben lijkt daar niets aan te kunnen veranderen.
Kort voor de verkiezingen wordt Herben benaderd door officieren van de luchtmacht, die hem voorrekenen dat een deel van de ontwikkelingskosten binnen de bestaande begroting van defensie gedekt kan worden, namelijk door de aanschaf van nieuwe artilleriewapens uit te stellen. Herben was echter altijd al voorstander en hoeft dus niet overtuigd te worden. De krantenberichten laten niettemin zien dat Fortuyn zelf kort voor de moordaanslag zijn standpunt met betrekking tot de JSF weldegelijk heeft gewijzigd.
'VS pleit bij Fortuyn voor JSF' kopt de Haagsche Courant op 4 mei, twee dagen voor de moord dus. Fortuyn zou de Amerikaanse ambassadeur in Nederland over de vloer hebben gehad. Fortuyn wordt dan geciteerd: '"Als je de centen hebt mag je wel een gokje wagen. Want je onderneemt als je meedoet met de bouw van de JSF. Ik wil dit project niet financieren ten koste van de staatsschuld, maar als het binnen de begroting van defensie kan, wordt het een ander verhaal", aldus Fortuyn.' Ook zegt hij nog: 'Ik hecht aan een goede relatie met de VS, ook al omdat Nederland daar de tweede investeerder is. We zullen de JSF uiteindelijk ook wel nodig hebben.'
Fortuyn wás dus al honderdtachtig graden gedraaid, een na 6 mei 'het gedachtegoed van Fortuyn met voeten tredende' Herben, zoals Zwagerman het deed voorkomen, is onzin: Herben voerde de meest recente wil van Fortuyn uit. Wel een wil die hem zelf heel goed uit kwam, maar toch. De thrillerschrijvers hadden hun complot echter al te pakken. En ook Theo van Gogh was niet te beroerd het vuurtje nog eens verder op te poken. Nota bene tegenover Harry Mens, in de eerste aflevering van Business Class na de moord, beweerde Van Gogh doodleuk dat Herben steekpenningen zou hebben aangenomen. Zo kon het gebeuren dat ook de vredesbeweging al kort na de moord een citaat van, naar eigen zeggen, Mat Herben uit de Haagsche Courant van 4 mei weet te vissen: 'Als je de centen hebt mag je wel een gokje wagen. Want je onderneemt als je meedoet met de bouw van de JSF.' Maar dat was dus een citaat van Fortuyn.
En Fransje Timmermans? Die is de voorbije tien jaar gewoon door blijven draaien. WikiLeaks-documenten onthulden dat Timmermans in 2007 de Amerikaanse ambassadeur had verzekerd dat de PvdA zou instemmen met de aanschaf van de inmiddels ontwikkelde JSF-toestellen. Maar eerder dit jaar, met nieuwe verkiezingen in het verschiet, was de partij toch weer tegen. Benieuwd wat Timmermans straks als kabinetslid gaat doen. Als hij een consequente draaier is, zijn hij en de PvdA dan weer vóór. Formeren is levend stratego, benieuwd of Timmermans straks met de vlag gaat zwaaien...
Posts tonen met het label Pim Fortuyn 2002-2012 (2012). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pim Fortuyn 2002-2012 (2012). Alle posts tonen
donderdag 11 oktober 2012
donderdag 19 juli 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Gerrit Komrij 2002-2012
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media hebben de tiende verjaardag van Fortuyns dood niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Donderdag 5 juli jongstleden overleed Gerrit Komrij op 68-jarige leeftijd. Komrij was dichter, romanschrijver, bloemlezer, columnist, essayist, vertaler en polemist. Tussen 2000 en 2004 was Komrij Dichter des Vaderlands, een periode waarin Nederland drastisch veranderde en dus een een dankbaar tijdvak om die erefunctie te bekleden. In tegenstelling tot onze huidige Dichter des Vaderlands misbruikte Komrij zijn positie als poet laureate niet om in hoogdravende opiniestukken de Nederlander een collectieve depressie aan te praten en een particuliere wereldpolitieke agenda te voeren.
Op 8 mei 2002, twee dagen na de moord op Fortuyn, publiceerde Komrij in NRC Handelsblad het gedicht 'De zittende politicus':
Een gedicht dat de tongen los maakte. In de 'hij' in dit gedicht, de zittende politicus uit de titel, werd al gauw Ad Melkert herkend, al dan niet als pars pro toto voor de Paarse gevestigde orde. Met de 'vale klerkensmoel' waarop nooit een spontaan een lach was verschenen vatte Komrij de chagrijnige facie van Melkert tijdens het debat na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart op werkelijk geniale wijze in woorden. Tegelijk was het gedicht niet pro-Fortuyn, integendeel: de vermoorde politicus was slechts 'de nar' van het verhaal.
Desalniettemin reageerden andere opiniemakers als door een wesp gestoken. Erik van Muiswinkel, begenadigd cabaretier maar ook parttime activist en boycot-roeper, droeg enkele dagen later - waarschijnlijk was het op 14 mei - bij Barend & Van Dorp zijn tegengedicht 'De pittende satiricus' voor, een rammelend vers vol krakkemikkige regels als 'Er plooit zich op zijn fraaie dichterssmoel / Zowaar een lach inenen' en 'En HIJ schaart zich ineens onder de schapen / Die dertig ongekozenen gaan kiezen, morgen'. Opmerkelijk is voorts dat Van Muiswinkel het gedicht als een aanval op Wim Kok las: 'Heeft hij het mes in Kok zijn rug gezet'.
Van Muiswinkel meende dus dat Komrij zich in dit gedicht niet alleen tegen Paars keerde maar zich ook engageerde met Fortuyn en op de LPF zou gaan stemmen. Dat is een gevolgtrekking die lichtelijk absurd mag worden genoemd, ten eerste omdat Komrij Fortuyn zoals gezegd een 'nar' noemde en ten tweede omdat niets in het gedicht in die richting wijst. De slotregel biedt zelfs voer voor een tegengestelde interpretatie. Want wat bedoelde Komrij met 'het echte monster'? Die regel zorgt ervoor dat een verder kraakhelder en begrijpelijk gedicht toch meerduidig en voor tegenovergestelde interpretaties vatbaar blijft.
Na de moord werd 'De zittende politicus' dankbaar geadopteerd door de Fortuynisten. In de bloemenzeeën in Rotterdam en Driehuis lagen afdrukken van het gedicht en bij herdenkingen van Fortuyn in later jaren werd het voorgelezen. Maar ook dubieuze clubjes gingen ermee aan de haal. Zowel het extreemrechtse Stormfront als het extreemlinkse Indymedia plaatsten het gedicht op hun websites als vermeende steun voor hun verderfelijke ideologieën, waarbij 'het echte monster' zou staan voor respectievelijk buitenlanders en skinheads.
Komrij zelf bleef lang vaag over de betekenis van 'het echte monster'. In 2004 verscheen zijn roman Hercules. Enkele critici meenden in de hoofdfiguur trekken van Pim Fortuyn te bespeuren, maar het was eerder het wereldbeeld van de roman dat als een commentaar op het Nederland na Fortuyn kon worden gelezen, iets wat Komrij in interviews overigens niet naliet te bevestigen. Tegenover Lies Schut van De Telegraaf (26 maart 2004) bijvoorbeeld: 'Iedereen doet wel vrolijk, maar we dansen op een vulkaan. [...] Met Pim Fortuyn werd gezegd: Nederland is wakker geschud. Nu is het twee jaar later en ligt iedereen weer te snurken.'
Een bepaalde geestverwantschap tussen Fortuyn en Komrij was ook geen gekke gedachte. In de tijd dat Fortuyn met Tegen de islamisering van onze cultuur (1997) zijn zorg uitsprak over de scheiding tussen kerk en staat en de positie van de vrouw door de toenemende islamisering was ook Komrij al uitermate kritisch over de slappe houding tegenover de intolerante kanten van de islam, bijvoorbeeld in het boekenweekessay Niet te geloven (1997), waarin hij zijn alter ego Boksvoet laat uitvaren tegen de religie van de 'besnorde en betheedoekte jihadroepers, het zand nog achter de oren', die een regelrechte bedreiging zou gaan vormen voor de zwaarbevochten westerse waarden. En nog in 2010 rekende Komrij in Morgen heten we allemaal Ali af met de erfenis van zijn generatie, de babyboomers, in woorden die aan de Fortuyn van De verweesde samenleving doen denken: 'Ik maak deel uit van een generatie die, voor het eerst in eeuwen, de wereld lelijker achterlaat dan ze haar heeft aangetroffen. Niets van allure, niets van stijl, niets van een groot gebaar bracht ze tot stand.'
Komrij heeft echter voor zijn dood nog opheldering verschaft over de betekenis van de slotregel. In een interview met Mark Schaevers voor Vrij Nederland (3 maart 2012) is Komrij aanvankelijk niet van plan zich uit te spreken - 'Ik wil met mijn interpretatie al die mensen hun gedicht niet ontnemen' -, maar na aandringen van Schaevers - 'Komaan, tien jaar later mogen we het wel weten: wie is het echte monster?' - komt Komrij over de brug: 'Als je mij kent, kun je wel bedenken dat ik het populisme het echte monster vind. Ik ben altijd erg bang geweest voor een zwijgende meerderheid die ineens een stem krijgt, en daar zitten we nu middenin.'
Donderdag 5 juli jongstleden overleed Gerrit Komrij op 68-jarige leeftijd. Komrij was dichter, romanschrijver, bloemlezer, columnist, essayist, vertaler en polemist. Tussen 2000 en 2004 was Komrij Dichter des Vaderlands, een periode waarin Nederland drastisch veranderde en dus een een dankbaar tijdvak om die erefunctie te bekleden. In tegenstelling tot onze huidige Dichter des Vaderlands misbruikte Komrij zijn positie als poet laureate niet om in hoogdravende opiniestukken de Nederlander een collectieve depressie aan te praten en een particuliere wereldpolitieke agenda te voeren.
Op 8 mei 2002, twee dagen na de moord op Fortuyn, publiceerde Komrij in NRC Handelsblad het gedicht 'De zittende politicus':
Hij heeft nog nooit gedanst. Hij kent zijn doel.
Nog nooit is op zijn vale klerkensmoel
Zomaar een lach verschenen, maar die nacht,
Nadat de gek de nar had omgebracht,
Kroop hij zijn bed uit, glimmend van de pret,
En maakte hij onbespied een pirouette.
Dank, dank, riep hij, het monster is geveld.
Hij oefende het woord 'geschokt' voor morgen
En sliep als twintig ossen kunnen slapen.
Straks is hij, voor de camera, vol zorgen.
Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld.
Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied.
Hij loopt op straat, ondragelijk rechtschapen,
En ziet nog steeds het echte monster niet.
Een gedicht dat de tongen los maakte. In de 'hij' in dit gedicht, de zittende politicus uit de titel, werd al gauw Ad Melkert herkend, al dan niet als pars pro toto voor de Paarse gevestigde orde. Met de 'vale klerkensmoel' waarop nooit een spontaan een lach was verschenen vatte Komrij de chagrijnige facie van Melkert tijdens het debat na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart op werkelijk geniale wijze in woorden. Tegelijk was het gedicht niet pro-Fortuyn, integendeel: de vermoorde politicus was slechts 'de nar' van het verhaal.
Desalniettemin reageerden andere opiniemakers als door een wesp gestoken. Erik van Muiswinkel, begenadigd cabaretier maar ook parttime activist en boycot-roeper, droeg enkele dagen later - waarschijnlijk was het op 14 mei - bij Barend & Van Dorp zijn tegengedicht 'De pittende satiricus' voor, een rammelend vers vol krakkemikkige regels als 'Er plooit zich op zijn fraaie dichterssmoel / Zowaar een lach inenen' en 'En HIJ schaart zich ineens onder de schapen / Die dertig ongekozenen gaan kiezen, morgen'. Opmerkelijk is voorts dat Van Muiswinkel het gedicht als een aanval op Wim Kok las: 'Heeft hij het mes in Kok zijn rug gezet'.
Van Muiswinkel meende dus dat Komrij zich in dit gedicht niet alleen tegen Paars keerde maar zich ook engageerde met Fortuyn en op de LPF zou gaan stemmen. Dat is een gevolgtrekking die lichtelijk absurd mag worden genoemd, ten eerste omdat Komrij Fortuyn zoals gezegd een 'nar' noemde en ten tweede omdat niets in het gedicht in die richting wijst. De slotregel biedt zelfs voer voor een tegengestelde interpretatie. Want wat bedoelde Komrij met 'het echte monster'? Die regel zorgt ervoor dat een verder kraakhelder en begrijpelijk gedicht toch meerduidig en voor tegenovergestelde interpretaties vatbaar blijft.
Na de moord werd 'De zittende politicus' dankbaar geadopteerd door de Fortuynisten. In de bloemenzeeën in Rotterdam en Driehuis lagen afdrukken van het gedicht en bij herdenkingen van Fortuyn in later jaren werd het voorgelezen. Maar ook dubieuze clubjes gingen ermee aan de haal. Zowel het extreemrechtse Stormfront als het extreemlinkse Indymedia plaatsten het gedicht op hun websites als vermeende steun voor hun verderfelijke ideologieën, waarbij 'het echte monster' zou staan voor respectievelijk buitenlanders en skinheads.
Komrij zelf bleef lang vaag over de betekenis van 'het echte monster'. In 2004 verscheen zijn roman Hercules. Enkele critici meenden in de hoofdfiguur trekken van Pim Fortuyn te bespeuren, maar het was eerder het wereldbeeld van de roman dat als een commentaar op het Nederland na Fortuyn kon worden gelezen, iets wat Komrij in interviews overigens niet naliet te bevestigen. Tegenover Lies Schut van De Telegraaf (26 maart 2004) bijvoorbeeld: 'Iedereen doet wel vrolijk, maar we dansen op een vulkaan. [...] Met Pim Fortuyn werd gezegd: Nederland is wakker geschud. Nu is het twee jaar later en ligt iedereen weer te snurken.'
Een bepaalde geestverwantschap tussen Fortuyn en Komrij was ook geen gekke gedachte. In de tijd dat Fortuyn met Tegen de islamisering van onze cultuur (1997) zijn zorg uitsprak over de scheiding tussen kerk en staat en de positie van de vrouw door de toenemende islamisering was ook Komrij al uitermate kritisch over de slappe houding tegenover de intolerante kanten van de islam, bijvoorbeeld in het boekenweekessay Niet te geloven (1997), waarin hij zijn alter ego Boksvoet laat uitvaren tegen de religie van de 'besnorde en betheedoekte jihadroepers, het zand nog achter de oren', die een regelrechte bedreiging zou gaan vormen voor de zwaarbevochten westerse waarden. En nog in 2010 rekende Komrij in Morgen heten we allemaal Ali af met de erfenis van zijn generatie, de babyboomers, in woorden die aan de Fortuyn van De verweesde samenleving doen denken: 'Ik maak deel uit van een generatie die, voor het eerst in eeuwen, de wereld lelijker achterlaat dan ze haar heeft aangetroffen. Niets van allure, niets van stijl, niets van een groot gebaar bracht ze tot stand.'
Komrij heeft echter voor zijn dood nog opheldering verschaft over de betekenis van de slotregel. In een interview met Mark Schaevers voor Vrij Nederland (3 maart 2012) is Komrij aanvankelijk niet van plan zich uit te spreken - 'Ik wil met mijn interpretatie al die mensen hun gedicht niet ontnemen' -, maar na aandringen van Schaevers - 'Komaan, tien jaar later mogen we het wel weten: wie is het echte monster?' - komt Komrij over de brug: 'Als je mij kent, kun je wel bedenken dat ik het populisme het echte monster vind. Ik ben altijd erg bang geweest voor een zwijgende meerderheid die ineens een stem krijgt, en daar zitten we nu middenin.'
dinsdag 22 mei 2012
[Pims achtertuin 2002-2012:] De verweesde samenleving
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media hebben de tiende verjaardag van Fortuyns dood niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Bij het grote publiek is De puinhopen van acht jaar Paars het bekendste boek van Pim Fortuyn. Met dit polemische pamflet en partijprogramma ineen voorzag Fortuyn zijn campagne van 2001-2002 van inhoudelijke fundering. Tegelijk verscheen ook een heruitgave van De verweesde samenleving uit 1995, het boek dat intimi, kenners en zeker ook Fortuyn zelf als zijn werkelijke magnum opus beschouwen. Dit 'religieus-sociologisch traktaat' werd door Fortuyn 'de spil in - de ontwikkeling van - mijn denken' genoemd. Het is een vervolg - of een aanvulling - op Aan het volk van Nederland (1984), waarin Fortuyn de contouren van een 'contractmaatschappij' schetste: 'Toch vond men over het algemeen een dergelijke maatschappelijke omgang te kil en te mager'. Wat nog ontbrak was een door 'een bewust en collectief beleefd stelsel van normen en waarden' gedefinieerde gemeenschap. Hoe zo'n gemeenschap eruit zou moeten zien is het thema van De verweesde samenleving.
I
Het is een merkwaardig boek, dat qua doelgroep een beetje tussen wal en schip valt. Voor een academisch publiek is het niet zo interessant omdat het geen wetenschappelijke bijdrage is, wat bijvoorbeeld al blijkt uit het ontbreken van noten en een literatuuropgave. Fortuyn verwijst sowieso nergens naar voorgangers of gelijkgestemden - op een incidentele mention van Max Weber na - die als inspiratiebron zouden kunnen hebben gediend. Hij schreef De verweesde samenleving dan ook nadrukkelijk voor een groter publiek - zoals vrijwel al zijn boeken 'aan het volk van Nederland' gerichte traktaten waren -, wat bijvoorbeeld blijkt uit de manier waarop hij in deel I met zevenmijlslaarzen een paar eeuwen westerse cultuurgeschiedenis samenvat. Toch zullen deze en vele andere bladzijden de niet-gestudeerde lezer al gauw boven de pet gaan.
Interessant en invloedrijk is het boek vooral om zijn hoofdmetafoor: die van de verweesde samenleving: 'We leven in een tijd zonder richting, zonder ideologieën, zonder aansprekende ideeën, zonder vaders en moeders, kortom in een samenleving van wezen.' (14) Vele eeuwen lang was het gezin de 'hoeksteen van de samenleving', een samenlevingsverband dat bovendien in getransponeerde vorm ook in 'andere maatschappelijke verbanden als kerken, scholen, verenigingen, politieke partijen en dergelijke' functioneerde. (23) Een algemeen geldend 'basismechanisme' was hier actief: moeder geeft aandacht, vader stelt de Wet, 'het kind' heeft baat bij bestendiging van deze situatie, alles ook in metaforische zin uiteraard. (37)
Omdat Nederland na de oorlog 'een relatief achterlijke economische structuur' had (28) is in de jaren '50 en '60 een radicale modernisering doorgevoerd. Met de sociaal-economische hervorming is echter ook de sociaal-culturele component van de maatschappij op de schop gegaan. Twee ontwikkelingen hierbij hebben de beproefde maatschappelijke 'gezinsstructuur' aangetast: 'emancipatie' en 'individualisering'. Positief gevolg is dat de genoemde 'zorgfunctie' en 'wetfunctie' niet meer per se respectievelijk door de moeder en de vader moeten worden vervuld - niet meer biologisch begrensd zijn -, maar het negatieve gevolg is dat de functies vaak helemáál niet meer worden vervuld, en dat geldt zeker ook 'voor de maatschappij in haar geheel'. (37)
Fortuyn uit forse kritiek op de generatie die volgens hem hoofdverantwoordelijk is voor de aldus ontstane verweesde samenleving: de babyboomers. De 'culturele omwenteling in de jaren zestig' heeft letterlijk 'het patriarchale gezag onttroond' door het 'collectieve stelsel van normen en waarden ter discussie' te stellen waardoor 'de overdrachts-, vormings- en handhavingsmechanismen van dit bestel ten minste zwaar beschadigd zo niet vrijwel volledig vernietigd' zijn. (100) Uiteraard is Fortuyn zelf ook babyboomer; hij steekt de hand dan ook deels in eigen boezem: 'We hebben een wereld gecreëerd van ongekende overvloed en milieubelasting, maar we hebben vooral erg goed voor onszelf gezorgd.' (16) Hierdoor is een schier onoverbrugbare kloof ontstaan tussen de generaties: 'De oude vaders trekken zich verbitterd terug en de zonen laten de maatschappij aan haar lot over. Dat is de erfzonde van de babyboomers, mijn generatie dus!' (33)
De babyboomers hebben hun schaapjes op het droge en pretenderen ook de welvaart voor hun kinderen en kleinkinderen te hebben veiliggesteld, maar die zullen de wrange vruchten plukken van de afbraak van de onbetaalbaar geworden verzorgingsstaat: 'Wij, de gevestigden, koesteren ons met het arbeidscontract voor onbeperkte duur, de riante VUT-, afvloeiings- en wachtgeldregelingen en niet te vergeten de welvaartsvaste pensioensregeling. Hen wacht de deeltijdarbeid, het wegwerparbeidscontract, geen of een mager pensioen, een uitgeklede WAO en straks een dito AOW.' (17) Zo'n onheilstijding werd anno 1995, toen de bomen nog tot de hemel reikten, tamelijk belachelijk gevonden, maar ze kan nu met terugwerkende kracht visionair worden genoemd.
II
Het komt er volgens Fortuyn dus op aan de gemeenschap waar mogelijk te herstellen, maar vooral ook op zoek te gaan naar nieuwe vormen van gemeenschapszin die rekenschap geven van de veranderde wereld, die er een is zonder ideologie en hiërarchie. We zijn daardoor 'in ons soort samenlevingen op een punt aanbeland, waarop gemeenschapsstructuren niet min of meer gegeven zijn, maar gedacht moeten worden.' (223) Fortuyn zag hierbij zeker ook een rol weggelegd voor de multiculturele samenleving, omdat daarin de dominante cultuur zich tot minder dominante verhoudt in zowel 'spanning' als 'symbiose' (43) en daardoor gedwongen wordt zich te vernieuwen en te herijken. De kernvraag daarbij luidt: 'hoe houden we een herbergzame wereld?' (225)
De 'vervreemding' die het uiteenvallen van traditionele gemeenschapsstructuren teweeg heeft gebracht is gelukkig niet totaal: 'het vele vrijwilligerswerk' (79) dat Nederlanders doen toont aan dat het sociale kapitaal van ons land onverminderd groot is - iets wat overigens recent nog door Marjolijn Februari werd aangehaald in een behartigenswaardig weerwoord op de ondermijnende, extreem negatieve vermaningen van Ramsey Nasr aan het volk van Nederland. Fortuyn somt als 'instituties in de moderne maatschappij waar het collectieve normen- en waardensysteem mede tot ontwikkeling kan komen' achtereenvolgens op: 'het gezin, andere intieme samenlevingsverbanden, de school, de politiek, de instelling of het bedrijf, en meer in het algemeen instituties die voortvloeien uit het zelforganiserende vermogen van de burgerij.' (86) Dat zelforganiserende is een 'traditie die als het ware in de genen van de bevolking zit.' (93) De volksaard van de Nederlanders volgens Fortuyn, met zelfkennis 'enigszins pathetisch gesteld': 'de Nederlander is uitgerust met een democratisch karakter, is individualistisch georiënteerd, maar dan wel in groepsverband en heeft een hang naar lichte vormen van anarchisme'. (94)
In zijn aanbevelingen is het kernidee de 'terugkeer naar de menselijke maat'. We zagen al dat de insiders die terugblikten op '10 jaar zonder Pim' dit pleidooi als misschien wel de grootste erfenis of de belangrijkste les van Fortuyn beschouwden. In alle lagen van de maatschappij was volgens Fortuyn een technocratische 'professionaliteit' in de plaats van 'het culturele en vormende aspect' (104) gekomen. De uitkleding van het onderwijs was hiervoor symptomatisch. Een terugkeer naar de menselijke maat zou dan ook in de eerste plaats hier moeten beginnen. Een 'herstel van de school als gemeenschap' was nodig (140), in plaats van de huidige 'scholengemeenschap' waarin de leerling een nummer is en die feitelijk dus het tegendeel van gemeenschapszin uitstraalt. In het onderwijs moet vorming i.p.v. kennisoverdracht weer leidend zijn. (133) Maar ook in de zorg en het openbaar bestuur is een terugkeer naar de menselijke maat dringend gewenst: 'de keizer die dicht bij het volk staat, regelgeving die eenduidig en overzichtelijk is, herstel van gemeenschapsbesef, koestering van de kleine gemeenschappen en creatie van nieuwe'. (231)
De verweesde samenleving is zoals gezegd een vervollediging van de visie die in Aan het volk van Nederland tentoongespreid werd, een welwillend antwoord op de door critici geopperde twijfel of de door Fortuyn geschetste contractmaatschappij nog wel het predikaat 'maatschappij' waard was. 'Het antwoord is nee.' (213) Fortuyn voorziet nog steeds het ontstaan van een contractmaatschappij: 'Mensen zullen steeds meer de ondernemer moeten worden van hun eigen arbeid'. (109) Maar dat betekent niet dat het land één grote onderneming wordt. In De Telegraaf staan vandaag de dag vaak amusante ingezonden brieven van boze burgers over 'de teloorgang van de BV Nederland'. Fortuyn blijkt een hekel te hebben gehad aan die term: 'Als Nederland iets niét is, dan is het wel een BV. [...] Het is een samenleving van mensen die daarin werken, wonen en leven, verbonden door een gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur en taal.' (115)
Het traktaat is voor het grootste deel zakelijk en bedachtzaam van toon, maar soms laat Fortuyn zich gaan, bijvoorbeeld in zijn kritiek op 'Mr. H.A.F.M.O. van Mierlo', die zich te groot voelde om zich nog Nederlander te noemen: hij was 'Europeaan'. 'Aldus onze nationale politieke filosoof', smaalt Fortuyn, die voorts spreekt van 'cultuurrelativisme in optima forma'. Hij noemt dat cultuurrelativisme volkomen terecht 'een luxe standpunt, van in luxueuze omstandigheden levende mensen [...] die het contact met een wat rauwere werkelijkheid volstrekt hebben verloren'. (175) Cultuurrelativisme en een gebrek aan (onderwijs in) identiteitsbesef zijn volgens Fortuyn dan ook de voornaamste veroorzakers van de afbraak van het stelsel van collectieve normen en waarden. (176)
III
In hoeverre is Fortuyns analyse nu overtuigend? In hoeverre zijn de door hem voorgestelde oplossingen de moeite waard? Deel I en II van het boek, waarin 'het probleem gesteld' wordt aan de hand van 'actuele vraagstukken', zijn erg sterk, omdat er op heldere, systematische wijze een probleemstelling uiteengezet wordt. Deel III, 'op weg naar vader en moeder', waarin de oplossingen geformuleerd worden, is daarentegen lichtelijk teleurstellend. Het blijft vaak bij globale, abstracte aanbevelingen zonder concrete wenken. Hoe de gezinsmetafoor bijvoorbeeld concreet toegepast moet worden op de gemeenschap blijft vaag: 'De vader is de filosoof' die ervoor zorgt 'dat de gemeenschap een gemeenschap blijft', de moeder 'houdt de vader in toom' door de neiging tot 'fundamentalisme en scherpslijperij' (213) te onderdrukken. Ook blijft het de vraag hoe Fortuyn deze twee functies wilde combineren met de idee van een leidersfiguur die de samenleving volgens hem nodig had. Een uitzondering is Fortuyns geloof in de mogelijkheden van ICT als tegelijk globaliserend en gemeenschapsvormend middel - een visie dus van nog voor het internettijdperk en ver voor social media. Volgens Fortuyn maakt 'de technologische ontwikkeling, met name de telecommunicatie' het mogelijk terug te keren naar kleine gemeenschappen (210). ICT en moderne technologie stellen ons 'in staat om de kleine gemeenschap opnieuw uit te vinden, zonder haar op te sluiten in haar kleinheid' van eng nationalisme. (216) Niet verrassend benadrukt Fortuyn dan ook vooral dit element in zijn voorwoord bij de heruitgave.
Eind maart 2002 zei Fortuyn tegen Marcel van Roosmalen van HP/De Tijd: 'Ik ga werken. Mijn boek De verweesde samenleving komt binnenkort opnieuw uit. Dat is het grote moederboek. Dat betekent nogal wat, hoor. Ik moet een manuscript van 300 pagina's opnieuw doornemen.' (Marcel van Roosmalen, Op pad met Pim, 2002, p. 81) Uit een vluchtige vergelijking van de versie-1995 met de versie-2002 blijkt echter dat Fortuyn het boek nauwelijks meer herzien heeft, een fout als 'het kerkelijke leergezang' is bijvoorbeeld niet verbeterd tot het correcte 'leergezag'. Wel heeft Fortuyn op enkele plaatsen een verwijzing ingevoegd naar nadere uitwerking van het betreffende thema in De puinhopen van acht jaar Paars. Het zou interessant zijn eens systematisch te onderzoeken wat nu de parallellen maar zeker ook de discrepanties zijn tussen De verweesde samenleving en De puinhopen van acht jaar Paars.
De metafoor van de verweesde samenleving en een behoefte aan een religieus - niet per se kerkelijk - geïnspireerde gemeenschapszin van vader, moeder en zoon verraden Fortuyns katholieke achtergrond en geloofsafval. Bovendien roept het 'vader-idee' ook het begrip 'vadertje Drees' in herinnering, en daarmee een terugverlangen naar de veilige, overzichtelijke jaren vijftig van voor de culturele omwenteling van de jaren zestig. Merk ook op dat het veelvuldige voorkomen van 'normen en waarden' in dit traktaat de lezer van nu wellicht nog nauwelijks zal frapperen, maar dat dit anno 1995 nog geen staande uitdrukking was. Balkenende en het CDA zijn overduidelijk aan de haal gegaan met dit idee. Begrijpelijk, aangezien het bij uitstek een christelijk thema is.
'Laatdunkend is er genoeg over mijn werk gesproken, een nieuwe en wellicht betere poging is evenwel door geen van de vele critici ondernomen' (8) schrijft Fortuyn in het voorwoord. Op meer plaatsen is een lichte irritatie te bespeuren over de miskenning die hem in zijn ogen ten deel is gevallen, bijvoorbeeld wanneer hij plotseling uitvalt tegen 'de horde misverstaanders die mij nu al jaren hinderlijk volgt' (225). Fortuyn had een roeping, dat blijkt eens te meer uit De verweesde samenleving. Die hernieuwde vaderrol kon alleen door een buitenstaander worden ingenomen wiens heilige missie is: 'het goedschiks of kwaadschiks openbreken van dit gesloten politieke circuit, opdat er weer leiding kan worden gegeven aan belangrijke processen in de samenleving en opdat de vaderrol op het gebied van normen en waarden weer tot gelding kan worden gebracht. Dat openbreken zal niet door de zittende politieke kaste gebeuren, maar - zo leert de geschiedenis - door buitenstaanders. Het zal van de maatschappelijke omstandigheden afhangen, ook in internationaal, Europees verband, of dit een stille of hete revolutie zal zijn. Zeker is dat het een omwenteling zal zijn met heel grote gevolgen voor het functioneren van ons soort samenlevingen.' (120)
Die buitenstaander die het systeem zou openbreken moest natuurlijk Fortuyn zelf zijn. De 'vaderrol' kreeg hij na zijn dood in ieder geval in symbolische zin toegekend toen hij in 2004 Willem van Oranje versloeg als 'Grootste Nederlander', wat bewijst dat de situatie toen eerder naar een 'hete' revolutie neigde. Of door de dood van Fortuyn de samenleving opnieuw verweesd is geraakt of dat zijn verschijning juist de gewenste omwenteling in gang heeft gezet zal altijd voer voor discussie blijven.
Bij het grote publiek is De puinhopen van acht jaar Paars het bekendste boek van Pim Fortuyn. Met dit polemische pamflet en partijprogramma ineen voorzag Fortuyn zijn campagne van 2001-2002 van inhoudelijke fundering. Tegelijk verscheen ook een heruitgave van De verweesde samenleving uit 1995, het boek dat intimi, kenners en zeker ook Fortuyn zelf als zijn werkelijke magnum opus beschouwen. Dit 'religieus-sociologisch traktaat' werd door Fortuyn 'de spil in - de ontwikkeling van - mijn denken' genoemd. Het is een vervolg - of een aanvulling - op Aan het volk van Nederland (1984), waarin Fortuyn de contouren van een 'contractmaatschappij' schetste: 'Toch vond men over het algemeen een dergelijke maatschappelijke omgang te kil en te mager'. Wat nog ontbrak was een door 'een bewust en collectief beleefd stelsel van normen en waarden' gedefinieerde gemeenschap. Hoe zo'n gemeenschap eruit zou moeten zien is het thema van De verweesde samenleving.
I
Het is een merkwaardig boek, dat qua doelgroep een beetje tussen wal en schip valt. Voor een academisch publiek is het niet zo interessant omdat het geen wetenschappelijke bijdrage is, wat bijvoorbeeld al blijkt uit het ontbreken van noten en een literatuuropgave. Fortuyn verwijst sowieso nergens naar voorgangers of gelijkgestemden - op een incidentele mention van Max Weber na - die als inspiratiebron zouden kunnen hebben gediend. Hij schreef De verweesde samenleving dan ook nadrukkelijk voor een groter publiek - zoals vrijwel al zijn boeken 'aan het volk van Nederland' gerichte traktaten waren -, wat bijvoorbeeld blijkt uit de manier waarop hij in deel I met zevenmijlslaarzen een paar eeuwen westerse cultuurgeschiedenis samenvat. Toch zullen deze en vele andere bladzijden de niet-gestudeerde lezer al gauw boven de pet gaan.
Interessant en invloedrijk is het boek vooral om zijn hoofdmetafoor: die van de verweesde samenleving: 'We leven in een tijd zonder richting, zonder ideologieën, zonder aansprekende ideeën, zonder vaders en moeders, kortom in een samenleving van wezen.' (14) Vele eeuwen lang was het gezin de 'hoeksteen van de samenleving', een samenlevingsverband dat bovendien in getransponeerde vorm ook in 'andere maatschappelijke verbanden als kerken, scholen, verenigingen, politieke partijen en dergelijke' functioneerde. (23) Een algemeen geldend 'basismechanisme' was hier actief: moeder geeft aandacht, vader stelt de Wet, 'het kind' heeft baat bij bestendiging van deze situatie, alles ook in metaforische zin uiteraard. (37)
Omdat Nederland na de oorlog 'een relatief achterlijke economische structuur' had (28) is in de jaren '50 en '60 een radicale modernisering doorgevoerd. Met de sociaal-economische hervorming is echter ook de sociaal-culturele component van de maatschappij op de schop gegaan. Twee ontwikkelingen hierbij hebben de beproefde maatschappelijke 'gezinsstructuur' aangetast: 'emancipatie' en 'individualisering'. Positief gevolg is dat de genoemde 'zorgfunctie' en 'wetfunctie' niet meer per se respectievelijk door de moeder en de vader moeten worden vervuld - niet meer biologisch begrensd zijn -, maar het negatieve gevolg is dat de functies vaak helemáál niet meer worden vervuld, en dat geldt zeker ook 'voor de maatschappij in haar geheel'. (37)
Fortuyn uit forse kritiek op de generatie die volgens hem hoofdverantwoordelijk is voor de aldus ontstane verweesde samenleving: de babyboomers. De 'culturele omwenteling in de jaren zestig' heeft letterlijk 'het patriarchale gezag onttroond' door het 'collectieve stelsel van normen en waarden ter discussie' te stellen waardoor 'de overdrachts-, vormings- en handhavingsmechanismen van dit bestel ten minste zwaar beschadigd zo niet vrijwel volledig vernietigd' zijn. (100) Uiteraard is Fortuyn zelf ook babyboomer; hij steekt de hand dan ook deels in eigen boezem: 'We hebben een wereld gecreëerd van ongekende overvloed en milieubelasting, maar we hebben vooral erg goed voor onszelf gezorgd.' (16) Hierdoor is een schier onoverbrugbare kloof ontstaan tussen de generaties: 'De oude vaders trekken zich verbitterd terug en de zonen laten de maatschappij aan haar lot over. Dat is de erfzonde van de babyboomers, mijn generatie dus!' (33)
De babyboomers hebben hun schaapjes op het droge en pretenderen ook de welvaart voor hun kinderen en kleinkinderen te hebben veiliggesteld, maar die zullen de wrange vruchten plukken van de afbraak van de onbetaalbaar geworden verzorgingsstaat: 'Wij, de gevestigden, koesteren ons met het arbeidscontract voor onbeperkte duur, de riante VUT-, afvloeiings- en wachtgeldregelingen en niet te vergeten de welvaartsvaste pensioensregeling. Hen wacht de deeltijdarbeid, het wegwerparbeidscontract, geen of een mager pensioen, een uitgeklede WAO en straks een dito AOW.' (17) Zo'n onheilstijding werd anno 1995, toen de bomen nog tot de hemel reikten, tamelijk belachelijk gevonden, maar ze kan nu met terugwerkende kracht visionair worden genoemd.
II
Het komt er volgens Fortuyn dus op aan de gemeenschap waar mogelijk te herstellen, maar vooral ook op zoek te gaan naar nieuwe vormen van gemeenschapszin die rekenschap geven van de veranderde wereld, die er een is zonder ideologie en hiërarchie. We zijn daardoor 'in ons soort samenlevingen op een punt aanbeland, waarop gemeenschapsstructuren niet min of meer gegeven zijn, maar gedacht moeten worden.' (223) Fortuyn zag hierbij zeker ook een rol weggelegd voor de multiculturele samenleving, omdat daarin de dominante cultuur zich tot minder dominante verhoudt in zowel 'spanning' als 'symbiose' (43) en daardoor gedwongen wordt zich te vernieuwen en te herijken. De kernvraag daarbij luidt: 'hoe houden we een herbergzame wereld?' (225)
De 'vervreemding' die het uiteenvallen van traditionele gemeenschapsstructuren teweeg heeft gebracht is gelukkig niet totaal: 'het vele vrijwilligerswerk' (79) dat Nederlanders doen toont aan dat het sociale kapitaal van ons land onverminderd groot is - iets wat overigens recent nog door Marjolijn Februari werd aangehaald in een behartigenswaardig weerwoord op de ondermijnende, extreem negatieve vermaningen van Ramsey Nasr aan het volk van Nederland. Fortuyn somt als 'instituties in de moderne maatschappij waar het collectieve normen- en waardensysteem mede tot ontwikkeling kan komen' achtereenvolgens op: 'het gezin, andere intieme samenlevingsverbanden, de school, de politiek, de instelling of het bedrijf, en meer in het algemeen instituties die voortvloeien uit het zelforganiserende vermogen van de burgerij.' (86) Dat zelforganiserende is een 'traditie die als het ware in de genen van de bevolking zit.' (93) De volksaard van de Nederlanders volgens Fortuyn, met zelfkennis 'enigszins pathetisch gesteld': 'de Nederlander is uitgerust met een democratisch karakter, is individualistisch georiënteerd, maar dan wel in groepsverband en heeft een hang naar lichte vormen van anarchisme'. (94)
In zijn aanbevelingen is het kernidee de 'terugkeer naar de menselijke maat'. We zagen al dat de insiders die terugblikten op '10 jaar zonder Pim' dit pleidooi als misschien wel de grootste erfenis of de belangrijkste les van Fortuyn beschouwden. In alle lagen van de maatschappij was volgens Fortuyn een technocratische 'professionaliteit' in de plaats van 'het culturele en vormende aspect' (104) gekomen. De uitkleding van het onderwijs was hiervoor symptomatisch. Een terugkeer naar de menselijke maat zou dan ook in de eerste plaats hier moeten beginnen. Een 'herstel van de school als gemeenschap' was nodig (140), in plaats van de huidige 'scholengemeenschap' waarin de leerling een nummer is en die feitelijk dus het tegendeel van gemeenschapszin uitstraalt. In het onderwijs moet vorming i.p.v. kennisoverdracht weer leidend zijn. (133) Maar ook in de zorg en het openbaar bestuur is een terugkeer naar de menselijke maat dringend gewenst: 'de keizer die dicht bij het volk staat, regelgeving die eenduidig en overzichtelijk is, herstel van gemeenschapsbesef, koestering van de kleine gemeenschappen en creatie van nieuwe'. (231)
De verweesde samenleving is zoals gezegd een vervollediging van de visie die in Aan het volk van Nederland tentoongespreid werd, een welwillend antwoord op de door critici geopperde twijfel of de door Fortuyn geschetste contractmaatschappij nog wel het predikaat 'maatschappij' waard was. 'Het antwoord is nee.' (213) Fortuyn voorziet nog steeds het ontstaan van een contractmaatschappij: 'Mensen zullen steeds meer de ondernemer moeten worden van hun eigen arbeid'. (109) Maar dat betekent niet dat het land één grote onderneming wordt. In De Telegraaf staan vandaag de dag vaak amusante ingezonden brieven van boze burgers over 'de teloorgang van de BV Nederland'. Fortuyn blijkt een hekel te hebben gehad aan die term: 'Als Nederland iets niét is, dan is het wel een BV. [...] Het is een samenleving van mensen die daarin werken, wonen en leven, verbonden door een gemeenschappelijke geschiedenis, cultuur en taal.' (115)
Het traktaat is voor het grootste deel zakelijk en bedachtzaam van toon, maar soms laat Fortuyn zich gaan, bijvoorbeeld in zijn kritiek op 'Mr. H.A.F.M.O. van Mierlo', die zich te groot voelde om zich nog Nederlander te noemen: hij was 'Europeaan'. 'Aldus onze nationale politieke filosoof', smaalt Fortuyn, die voorts spreekt van 'cultuurrelativisme in optima forma'. Hij noemt dat cultuurrelativisme volkomen terecht 'een luxe standpunt, van in luxueuze omstandigheden levende mensen [...] die het contact met een wat rauwere werkelijkheid volstrekt hebben verloren'. (175) Cultuurrelativisme en een gebrek aan (onderwijs in) identiteitsbesef zijn volgens Fortuyn dan ook de voornaamste veroorzakers van de afbraak van het stelsel van collectieve normen en waarden. (176)
III
In hoeverre is Fortuyns analyse nu overtuigend? In hoeverre zijn de door hem voorgestelde oplossingen de moeite waard? Deel I en II van het boek, waarin 'het probleem gesteld' wordt aan de hand van 'actuele vraagstukken', zijn erg sterk, omdat er op heldere, systematische wijze een probleemstelling uiteengezet wordt. Deel III, 'op weg naar vader en moeder', waarin de oplossingen geformuleerd worden, is daarentegen lichtelijk teleurstellend. Het blijft vaak bij globale, abstracte aanbevelingen zonder concrete wenken. Hoe de gezinsmetafoor bijvoorbeeld concreet toegepast moet worden op de gemeenschap blijft vaag: 'De vader is de filosoof' die ervoor zorgt 'dat de gemeenschap een gemeenschap blijft', de moeder 'houdt de vader in toom' door de neiging tot 'fundamentalisme en scherpslijperij' (213) te onderdrukken. Ook blijft het de vraag hoe Fortuyn deze twee functies wilde combineren met de idee van een leidersfiguur die de samenleving volgens hem nodig had. Een uitzondering is Fortuyns geloof in de mogelijkheden van ICT als tegelijk globaliserend en gemeenschapsvormend middel - een visie dus van nog voor het internettijdperk en ver voor social media. Volgens Fortuyn maakt 'de technologische ontwikkeling, met name de telecommunicatie' het mogelijk terug te keren naar kleine gemeenschappen (210). ICT en moderne technologie stellen ons 'in staat om de kleine gemeenschap opnieuw uit te vinden, zonder haar op te sluiten in haar kleinheid' van eng nationalisme. (216) Niet verrassend benadrukt Fortuyn dan ook vooral dit element in zijn voorwoord bij de heruitgave.
Eind maart 2002 zei Fortuyn tegen Marcel van Roosmalen van HP/De Tijd: 'Ik ga werken. Mijn boek De verweesde samenleving komt binnenkort opnieuw uit. Dat is het grote moederboek. Dat betekent nogal wat, hoor. Ik moet een manuscript van 300 pagina's opnieuw doornemen.' (Marcel van Roosmalen, Op pad met Pim, 2002, p. 81) Uit een vluchtige vergelijking van de versie-1995 met de versie-2002 blijkt echter dat Fortuyn het boek nauwelijks meer herzien heeft, een fout als 'het kerkelijke leergezang' is bijvoorbeeld niet verbeterd tot het correcte 'leergezag'. Wel heeft Fortuyn op enkele plaatsen een verwijzing ingevoegd naar nadere uitwerking van het betreffende thema in De puinhopen van acht jaar Paars. Het zou interessant zijn eens systematisch te onderzoeken wat nu de parallellen maar zeker ook de discrepanties zijn tussen De verweesde samenleving en De puinhopen van acht jaar Paars.
De metafoor van de verweesde samenleving en een behoefte aan een religieus - niet per se kerkelijk - geïnspireerde gemeenschapszin van vader, moeder en zoon verraden Fortuyns katholieke achtergrond en geloofsafval. Bovendien roept het 'vader-idee' ook het begrip 'vadertje Drees' in herinnering, en daarmee een terugverlangen naar de veilige, overzichtelijke jaren vijftig van voor de culturele omwenteling van de jaren zestig. Merk ook op dat het veelvuldige voorkomen van 'normen en waarden' in dit traktaat de lezer van nu wellicht nog nauwelijks zal frapperen, maar dat dit anno 1995 nog geen staande uitdrukking was. Balkenende en het CDA zijn overduidelijk aan de haal gegaan met dit idee. Begrijpelijk, aangezien het bij uitstek een christelijk thema is.
'Laatdunkend is er genoeg over mijn werk gesproken, een nieuwe en wellicht betere poging is evenwel door geen van de vele critici ondernomen' (8) schrijft Fortuyn in het voorwoord. Op meer plaatsen is een lichte irritatie te bespeuren over de miskenning die hem in zijn ogen ten deel is gevallen, bijvoorbeeld wanneer hij plotseling uitvalt tegen 'de horde misverstaanders die mij nu al jaren hinderlijk volgt' (225). Fortuyn had een roeping, dat blijkt eens te meer uit De verweesde samenleving. Die hernieuwde vaderrol kon alleen door een buitenstaander worden ingenomen wiens heilige missie is: 'het goedschiks of kwaadschiks openbreken van dit gesloten politieke circuit, opdat er weer leiding kan worden gegeven aan belangrijke processen in de samenleving en opdat de vaderrol op het gebied van normen en waarden weer tot gelding kan worden gebracht. Dat openbreken zal niet door de zittende politieke kaste gebeuren, maar - zo leert de geschiedenis - door buitenstaanders. Het zal van de maatschappelijke omstandigheden afhangen, ook in internationaal, Europees verband, of dit een stille of hete revolutie zal zijn. Zeker is dat het een omwenteling zal zijn met heel grote gevolgen voor het functioneren van ons soort samenlevingen.' (120)
Die buitenstaander die het systeem zou openbreken moest natuurlijk Fortuyn zelf zijn. De 'vaderrol' kreeg hij na zijn dood in ieder geval in symbolische zin toegekend toen hij in 2004 Willem van Oranje versloeg als 'Grootste Nederlander', wat bewijst dat de situatie toen eerder naar een 'hete' revolutie neigde. Of door de dood van Fortuyn de samenleving opnieuw verweesd is geraakt of dat zijn verschijning juist de gewenste omwenteling in gang heeft gezet zal altijd voer voor discussie blijven.
zondag 6 mei 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: 6 mei
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Vandaag was het precies tien jaar geleden dat Pim Fortuyn werd vermoord. In de media werd zoals verwacht uitgebreid stilgestaan bij die gebeurtenis. Bij de herdenkingsmis vanochtend had broer Simon Fortuyn al gezegd blij te zijn dat de opinie over Fortuyn in tien jaar zo veranderd is. Dat is zeker het geval, het is zelfs wonderlijk hoe er her en der met weemoed wordt verteld over Fortuyn. Het zal de ervaring van tien jaar Wilders zijn. Alleen het groene deel der natie - GroenLinks en De Groene - is de ontgroeningsfase nog niet voorbij. Hoezeer de ratio en de bedachtzaamheid het daarbuiten hebben gewonnen van de domheid en de angst als het gaat om de plaatsing en duiding van Fortuyn bleek bijvoorbeeld uit enkele nieuws-, achtergrond- en opinieprogramma's die gisteren aandacht besteedden aan de tiende verjaardag van de zesde mei 2002.
Andere tijden blikte met vier buitenlandse correspondenten die destijds in Nederland werkten terug op de opkomst van Fortuyn en de moord: 'Fortuyn - The Dutch dandy'. Was Fortuyn al niet erg te spreken over de bejegening van mede-politici en de vaderlandse media, van de verslaggeving van de buitenlandse pers werd hij helemaal onpasselijk. Vergelijkingen met Haider, Le Pen en zelfs Mussolini waren niet van de lucht, Fortuyn werd zonder pardon extreem-rechts en een racist genoemd, en hier en daar werd zelfs van neonazi gesproken (Wallonië).
Het is bizar hoe achteloos er met de term 'racist' werd gesmeten. Volgens Kirsty Lang van de BBC was dat nu eenmaal een makkelijk label om op politici te plakken die een anti-immigratiestandpunt voerden. We zien Fortuyn in abominabel Engels de BBC-verslaggever John Simpson aan het verstand proberen te brengen dat het 'stupid' is een religie eenzijdig te vereenzelvigen met een ras, maar tevergeefs. Ook de Belgische correspondente, Goedele Devroy, heeft een op zijn zachtst gezegd merkwaardig verhaal. Met glimmende pretoogjes verwoordt ze de stemming die in België heerste toen Fortuyn doorbrak: ahá, jullie doen altijd wel meewarig over het extreemrechtse Vlaams Blok bij ons, maar nu hebben jullie ook een extreemrechtse politicus. Zelf had ze wel 'een beetje' geprobeerd de vergelijking De Winter-Fortuyn te nuanceren, 'ook al had Fortuyn racistische uitspraken gedaan.' Maar welke racistische uitspraken dat dan waren geweest bleef onopgehelderd. En hoe zou het ook anders kunnen.
De Franse en de Duitse correspondent hebben naar eigen zeggen van meet af aan geprobeerd de eigenheid van Fortuyn ten opzichte van respectievelijk Le Pen en Haider te benadrukken. De Franse correspondent Jean Pierre Stroobants - heel typisch met zwarte coltrui en moeilijke bril - somt op: Le Pen verdedigde de nazicollaboratie, bagatelliseerde de concentratiekampen, maakte grappen over die kampen, identificeerde zich openlijk met nazisme en extreemrechts, enzovoorts, allemaal zaken die een vergelijking met Fortuyn des te navranter en onbegrijpelijker maken. Ook de Duitse correspondent, Helmut Hetzel, ijverde van meet af aan voor een van vooroordelen en onzinnige vergelijkingen ontdane beeldvorming van Fortuyn. Hij bekent zelfs dat hem na het uittypen van zijn commentaar bij de moord de tranen over de wangen rolden.
Opvallend was dat alle vier zo'n beetje van mening waren dat de pers in hun land Fortuyn ten onrechte had afgeschilderd als racist, extreem-rechts, enzovoort. Dat bevreemdt me wel enigszins: het zijn toch juist deze correspondenten zélf die in die media over Fortuyn hebben geschreven? Zíj hebben toentertijd toch verslag gedaan van de situatie in Nederland? Wast men de handen dan nu, tien jaar later, in onschuld? Voor de aimabele Hetzel geldt dat ieder geval niet. Hij schreef op 25 maart 2002 al in Die Welt: 'Ist Pim Fortuyn der Jörg Haider der Niederlande? Er ist es nicht. Wer ihn zuhört und seine Bücher liest (es sind inzwischen elf), kommt zu dem Schluss: Der Provokateur ist ein Ordoliberaler [...] und ein Rechts-Populist.' Het is vrees ik eerder zo dat het correspondentschap een ondankbare baan is. Omdat je als insider weliswaar je vaderland werkelijk kunt voorlichten, de vooroordelen kunt bijstellen en de broodnodige nuanceringen kunt aanbrengen, maar je toch een roepende in de woestijn bent omdat de pers in je land toch de eigen opinie doordrukt en er steeds minder plaats is voor nuancering en diepgang.
Eerder vandaag besteedden Buitenhof en Eva Jinek op Zondag enige aandacht aan Fortuyn door terug te blikken met betrokkenen van toen. Te gast bij Pieter Jan Hagens was Ronald Sörensen, indertijd een van de voormannen van Leefbaar Rotterdam ('"We zouden toch advertenties zetten Pim," klinkt het plotseling uit de gang. Het is Ronald Sörensen, de nummer twee van Leefbaar Rotterdam. Hij drinkt een blikje Palm-bier en heeft meegeluisterd. Pim: "Rot op jij! Doe je eigen interviews."' - Marcel van Roosmalen, Op pad met Pim, 2002, p. 80). Sörensen kwam met de 'primeur' dat hij tien jaar geleden gedwongen werd zijn baan als leraar neer te leggen vanwege zijn politieke gezindheid. 'Een Berufsverbot,' zei Hagens ironisch. Sörensen zat nog steeds vol woede over 'de elite' en de islam en noemde voorts 'rancune' als een belangrijke drijfveer om voor de PVV actief te blijven - hij zit tegenwoordig in de Senaat voor de PVV -, waarmee hij maar weer eens onbedoeld maar haarscherp het verschil tussen Fortuyn en Wilders aangaf.
Bij Eva Jinek op de bank zaten Joost Eerdmans en Mat Herben, niet toevallig zo'n beetje de enige twee ex-LPF'ers die je nog met goed fatsoen op je verjaardag zou kunnen uitnodigen. Eerdmans had eens gekeken welke van Fortuyns aanbevelingen uit De puinhopen nu na tien jaar gerealiseerd waren en kwam tot een treurig stemmende conclusie: de wachtlijsten zijn iets korter geworden en 'we hebben iets aan de grenzen gedaan', maar verder is er weinig veranderd: de menselijke maat is nog steeds niet terug in het onderwijs en de zorg, integendeel: de schaalvergroting heeft onverminderd doorgezet.
Herben citeerde de openingszin van De verweesde samenleving: 'Ik houd mij sinds 1990 bezig met de omgang van Nederland met de moderniteit', en stak vervolgens een gloedvol betoog af over de imperatief van Fortuyn: 'Wat heeft Nederland welvarend gemaakt, wat moeten wij bewaren, wat moeten wij doorgeven aan onze kinderen, wat moeten wij doorgeven aan nieuwkomers? Dat maakt de discussie explosief. Waarom 1990? In 1989 was de Muur gevallen, het oude socialisme was dood, dachten wij in 1990, de secularisatie, de ontkerkelijking, de opkomst van de islam, het was nodig in de jaren '90 dat mensen een visie ontwikkelden: hoe gaan we verder. Maar wat is er nu aan de hand: men deelt de wereld weer in: je bent links of je bent rechts. Dan heb je er niets van begrepen, de wereld zit veel complexer in elkaar, het gaat om problemen oplossen, los van ideologische vooroordelen.' Jinek: 'Meneer Herben, u moet weer campagne gaan voeren, u bent helemaal opgewonden hier op zondagochtend.'
Vandaag was het precies tien jaar geleden dat Pim Fortuyn werd vermoord. In de media werd zoals verwacht uitgebreid stilgestaan bij die gebeurtenis. Bij de herdenkingsmis vanochtend had broer Simon Fortuyn al gezegd blij te zijn dat de opinie over Fortuyn in tien jaar zo veranderd is. Dat is zeker het geval, het is zelfs wonderlijk hoe er her en der met weemoed wordt verteld over Fortuyn. Het zal de ervaring van tien jaar Wilders zijn. Alleen het groene deel der natie - GroenLinks en De Groene - is de ontgroeningsfase nog niet voorbij. Hoezeer de ratio en de bedachtzaamheid het daarbuiten hebben gewonnen van de domheid en de angst als het gaat om de plaatsing en duiding van Fortuyn bleek bijvoorbeeld uit enkele nieuws-, achtergrond- en opinieprogramma's die gisteren aandacht besteedden aan de tiende verjaardag van de zesde mei 2002.
Andere tijden blikte met vier buitenlandse correspondenten die destijds in Nederland werkten terug op de opkomst van Fortuyn en de moord: 'Fortuyn - The Dutch dandy'. Was Fortuyn al niet erg te spreken over de bejegening van mede-politici en de vaderlandse media, van de verslaggeving van de buitenlandse pers werd hij helemaal onpasselijk. Vergelijkingen met Haider, Le Pen en zelfs Mussolini waren niet van de lucht, Fortuyn werd zonder pardon extreem-rechts en een racist genoemd, en hier en daar werd zelfs van neonazi gesproken (Wallonië).
Het is bizar hoe achteloos er met de term 'racist' werd gesmeten. Volgens Kirsty Lang van de BBC was dat nu eenmaal een makkelijk label om op politici te plakken die een anti-immigratiestandpunt voerden. We zien Fortuyn in abominabel Engels de BBC-verslaggever John Simpson aan het verstand proberen te brengen dat het 'stupid' is een religie eenzijdig te vereenzelvigen met een ras, maar tevergeefs. Ook de Belgische correspondente, Goedele Devroy, heeft een op zijn zachtst gezegd merkwaardig verhaal. Met glimmende pretoogjes verwoordt ze de stemming die in België heerste toen Fortuyn doorbrak: ahá, jullie doen altijd wel meewarig over het extreemrechtse Vlaams Blok bij ons, maar nu hebben jullie ook een extreemrechtse politicus. Zelf had ze wel 'een beetje' geprobeerd de vergelijking De Winter-Fortuyn te nuanceren, 'ook al had Fortuyn racistische uitspraken gedaan.' Maar welke racistische uitspraken dat dan waren geweest bleef onopgehelderd. En hoe zou het ook anders kunnen.
De Franse en de Duitse correspondent hebben naar eigen zeggen van meet af aan geprobeerd de eigenheid van Fortuyn ten opzichte van respectievelijk Le Pen en Haider te benadrukken. De Franse correspondent Jean Pierre Stroobants - heel typisch met zwarte coltrui en moeilijke bril - somt op: Le Pen verdedigde de nazicollaboratie, bagatelliseerde de concentratiekampen, maakte grappen over die kampen, identificeerde zich openlijk met nazisme en extreemrechts, enzovoorts, allemaal zaken die een vergelijking met Fortuyn des te navranter en onbegrijpelijker maken. Ook de Duitse correspondent, Helmut Hetzel, ijverde van meet af aan voor een van vooroordelen en onzinnige vergelijkingen ontdane beeldvorming van Fortuyn. Hij bekent zelfs dat hem na het uittypen van zijn commentaar bij de moord de tranen over de wangen rolden.
Opvallend was dat alle vier zo'n beetje van mening waren dat de pers in hun land Fortuyn ten onrechte had afgeschilderd als racist, extreem-rechts, enzovoort. Dat bevreemdt me wel enigszins: het zijn toch juist deze correspondenten zélf die in die media over Fortuyn hebben geschreven? Zíj hebben toentertijd toch verslag gedaan van de situatie in Nederland? Wast men de handen dan nu, tien jaar later, in onschuld? Voor de aimabele Hetzel geldt dat ieder geval niet. Hij schreef op 25 maart 2002 al in Die Welt: 'Ist Pim Fortuyn der Jörg Haider der Niederlande? Er ist es nicht. Wer ihn zuhört und seine Bücher liest (es sind inzwischen elf), kommt zu dem Schluss: Der Provokateur ist ein Ordoliberaler [...] und ein Rechts-Populist.' Het is vrees ik eerder zo dat het correspondentschap een ondankbare baan is. Omdat je als insider weliswaar je vaderland werkelijk kunt voorlichten, de vooroordelen kunt bijstellen en de broodnodige nuanceringen kunt aanbrengen, maar je toch een roepende in de woestijn bent omdat de pers in je land toch de eigen opinie doordrukt en er steeds minder plaats is voor nuancering en diepgang.
Eerder vandaag besteedden Buitenhof en Eva Jinek op Zondag enige aandacht aan Fortuyn door terug te blikken met betrokkenen van toen. Te gast bij Pieter Jan Hagens was Ronald Sörensen, indertijd een van de voormannen van Leefbaar Rotterdam ('"We zouden toch advertenties zetten Pim," klinkt het plotseling uit de gang. Het is Ronald Sörensen, de nummer twee van Leefbaar Rotterdam. Hij drinkt een blikje Palm-bier en heeft meegeluisterd. Pim: "Rot op jij! Doe je eigen interviews."' - Marcel van Roosmalen, Op pad met Pim, 2002, p. 80). Sörensen kwam met de 'primeur' dat hij tien jaar geleden gedwongen werd zijn baan als leraar neer te leggen vanwege zijn politieke gezindheid. 'Een Berufsverbot,' zei Hagens ironisch. Sörensen zat nog steeds vol woede over 'de elite' en de islam en noemde voorts 'rancune' als een belangrijke drijfveer om voor de PVV actief te blijven - hij zit tegenwoordig in de Senaat voor de PVV -, waarmee hij maar weer eens onbedoeld maar haarscherp het verschil tussen Fortuyn en Wilders aangaf.
Bij Eva Jinek op de bank zaten Joost Eerdmans en Mat Herben, niet toevallig zo'n beetje de enige twee ex-LPF'ers die je nog met goed fatsoen op je verjaardag zou kunnen uitnodigen. Eerdmans had eens gekeken welke van Fortuyns aanbevelingen uit De puinhopen nu na tien jaar gerealiseerd waren en kwam tot een treurig stemmende conclusie: de wachtlijsten zijn iets korter geworden en 'we hebben iets aan de grenzen gedaan', maar verder is er weinig veranderd: de menselijke maat is nog steeds niet terug in het onderwijs en de zorg, integendeel: de schaalvergroting heeft onverminderd doorgezet.
Herben citeerde de openingszin van De verweesde samenleving: 'Ik houd mij sinds 1990 bezig met de omgang van Nederland met de moderniteit', en stak vervolgens een gloedvol betoog af over de imperatief van Fortuyn: 'Wat heeft Nederland welvarend gemaakt, wat moeten wij bewaren, wat moeten wij doorgeven aan onze kinderen, wat moeten wij doorgeven aan nieuwkomers? Dat maakt de discussie explosief. Waarom 1990? In 1989 was de Muur gevallen, het oude socialisme was dood, dachten wij in 1990, de secularisatie, de ontkerkelijking, de opkomst van de islam, het was nodig in de jaren '90 dat mensen een visie ontwikkelden: hoe gaan we verder. Maar wat is er nu aan de hand: men deelt de wereld weer in: je bent links of je bent rechts. Dan heb je er niets van begrepen, de wereld zit veel complexer in elkaar, het gaat om problemen oplossen, los van ideologische vooroordelen.' Jinek: 'Meneer Herben, u moet weer campagne gaan voeren, u bent helemaal opgewonden hier op zondagochtend.'
dinsdag 1 mei 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: 10 jaar zonder Pim
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
De tiende verjaardag van de moord op Fortuyn nadert nu met rasse schreden en dat is te merken aan de stijgende media-aandacht. Zo kwam Hans Wiegel deze week in Nieuwsuur naar buiten met zijn 'scoop' dat Fortuyn hem als premier wilde als de LPF in de regering was gekomen. Maar ook buiten het scherm neemt de aandacht toe. In Den Haag vindt komende zondag een wetenschappelijk symposium 'De verweesde samenleving: Pim Fortuyn tien jaar later' plaats over de invloed van Fortuyn op het Nederland van vandaag. Sprekers zijn o.a. Paul Scheffer, Paul Schnabel en biograaf Leonard Ornstein. Ornstein publiceerde inmiddels ook het eerste deel van zijn Fortuyn-biografie, De jonge Fortuyn.
Afgelopen week verscheen voorts, onder redactie van Joost Eerdmans en Martijn van Winkelhof ('nabije buurtgenoot'), 10 jaar zonder Pim. 12 hoofdrolspelers over de erfenis van Fortuyn, een bundel interviews met betrokkenen van toen, te weten Harry Mens, Wouke van Scherrenburg, Paul Schnabel, Mat Herben, Lidy Nicolasen, Herman Heinsbroek, Marco Pastors, Felix Rottenberg, Marten Fortuyn, Hans Wiegel, Marcel van Dam en Ivo Opstelten. Vooraf gaat een al te ronkend voorwoord van Eerdmans, een zakelijke epiloog van professor Henri Beunders en diens pupil Chris Aalbers besluit het boek. De twaalf 'hoofdrolspelers' gaan in op tien vragen die tezamen de erfenis van Fortuyn bestrijken.
De vraag Welke lessen heeft de politiek na 2002 ter harte genomen? wordt behoorlijk eensluidend beantwoord. Volgens Mens hebben Fortuyns ideeën 'direct of indirect een plek binnen andere politieke partijen gekregen'. Uiteraard gaat het dan om het thema 'integratie en immigratie', waarop vooral in Rotterdam flinke progressie is geboekt (Schnabel, Pastors). Ook Rottenberg vindt de agendering van problemen met allochtonen een positief punt, maar hij wijst er wel op dat Fortuyn doorsloeg en dat zijn plannen weinig 'realisatiewaarde' hadden. Van Dam is als enige negatief: hij meent dat de huidige politici de problemen met allochtonen impliciet op het 'ras' van de allochtonen schuiven, maar dat feitelijk maatschappelijke achterstelling de oorzaak is. Behalve dit thema wordt ook de 'terugkeer naar de menselijke maat' meermaals als erfstuk genoemd (Mens, Van Scherrenburg, Herben). Toch vinden sommigen ook dat er juist weinig veranderd is. Nicolasen meent dat het politieke systeem nauwelijks verbeterd is, en Heinsbroek ziet alleen Wouter Bos als kortstondige erfgenaam. Wiegel daarentegen tovert een artikel uit het FD (25-3-2012) tevoorschijn, getiteld: 'Zelden heeft een politicus zo succesvol over zijn graf geregeerd als Fortuyn'.
De tweede vraag peilt of de terugkeer van de polarisatie in de politiek sinds Fortuyn als een goede zaak wordt ervaren. Opvallend genoeg vindt Mens dat Fortuyn veel te ver ging: 'Je mag alles zeggen wat je denkt, maar je hóeft niet alles te zeggen,' citeert hij de moeder van Theo van Gogh. Van Scherrenburg wijst er terecht op dat de huidige polarisatie veel meer economisch gemotiveerd is: mensen vrezen weer echt voor hun baan, hun huis, hun pensioen. Meerdere geïnterviewden hekelen het links-rechts-karakter van de polarisering. Schnabel herinnert eraan dat Paars door links, rechts én internationaal geroemd werd. 'Wat er mis was, was eerder ontkenning van ongenoegen dan slecht beleid.' Ook Van Scherrenburg benadrukt dat links én rechts verantwoordelijk waren voor de maatschappelijke problemen van de uitgedijde verzorgingsstaat, maar dat alleen links er de schuld van kreeg. Volgens Heinsbroek, Rottenberg, Schnabel en Nicolasen waren politici als Melkert en Dijkstal evenwel de wereldvreemde technocratie in hoogsteigen persoon, terwijl Fortuyn de moderne tijd verpersoonlijkte. Rottenberg: 'Je zag daar eigenlijk de 20e en 21e eeuw tegenover elkaar aan tafel zitten.' En Schnabel komt met een interessante constatering: 'Niemand heeft ooit in de gaten gehad dat Fortuyn acht of negen jaar ouder was dan Melkert. [...] Het ging dus niet om jong zijn maar om uitstraling'.
Als Fortuyn nog zou leven zou hij volgens recent onderzoek nog altijd op zo'n 30% van de stemmen kunnen rekenen. Wat zegt dit? Volgens Opstelten is dit pure emotie en dus geen serieus te nemen cijfer. Ook Schnabel gelooft het onderzoeksresultaat niet. Van Dam vindt het zelfs beangstigend: 'De islamisering van onze cultuur is sociologisch gezien gewoon onmogelijk. [...] Tegen beter weten in kweekte Fortuyn ongefundeerde angst en dat vond ik het ergste van Fortuyn.' Marten Fortuyn legt de oorzaak bij de onder het volk vigerende opinie dat er sinds 2002 weinig veranderd is, Pastors stelt dat mensen nog steeds behoefte hebben aan een leider en Heinsbroek voert het ontbreken van een charismatische politicus anno 2012 als verklaring op. Van Scherrenburg oppert - ik denk terecht - dat Fortuyn door zijn voortijdige dood een mythe is gebleven: 'hij heeft nooit kunnen tegenvallen en zo blijf je lichtelijk heilig'.
Hebben de media geleerd van de moord? is een heikele vraag. Mens verrast opnieuw met zijn afkeer van de nieuwe 'rechtse' media als WNL: 'Je kunt het nieuws 's morgens wel door twee lekkere wijven laten presenteren, maar daarmee bedrijf je nog geen rechtse journalistiek.' Insiders Van Scherrenburg en Nicolasen beantwoorden de vraag positief. Er is nu het besef dat het weldegelijk van belang is om vinger aan de pols van de samenleving te houden. Nicolasen prijst voorts de vernieuwingsimpuls van De Pers en GeenStijl. Beiden wijzen wel op het hysterische element, alsof de kritische Clairy Polak een afgezant van de linkse kerk zou zijn. Nicolasen biedt nog een verhelderende kijk op de praktijken van de Volkskrant: 'Er waren in 2002 bij de Volkskrant mensen die vonden dat Fortuyn moest worden bestreden.' Leer ons de Volkskrant kennen... Schnabel, Herben en Van Dam ontwaren eveneens een verandering in benadering van de media, maar zij achten de komst van de commerciële media een belangrijkere oorzaak hiervoor dan de invloed van Fortuyn. Alleen Pastors en Marten Fortuyn zijn negatief. Volgens de laatste bewijzen programma's als DWDD 'lippendiensten aan linkse partijen'.
De belangrijke vraag of Geert Wilders de erfgenaam is van Fortuyn wordt door de meesten met zowel ja als neen beantwoord. Met zijn nadruk op thema's als immigratie en de menselijke maat heeft Wilders het stokje van Fortuyn overgenomen, maar inhoudelijk, kwalitatief, haalt Wilders het bij lange na niet bij Fortuyn. Marten Fortuyn noemt het zelfs 'volkomen onterecht' dat Wilders als opvolger van Pim wordt gezien: 'Hij is lomp en bruut; het is echt ongepast hoe hij Job Cohen heeft beschadigd.' Fortuyn was breder dan Wilders (Van Dam), had wél een coherente visie (Herben), ging wél de dialoog aan (Rottenberg) en dacht wél oplossingsgericht (Van Scherrenburg). Bijna iedereen wijst op het grote verschil in eruditie. Heinsbroek: 'Bovendien bezat Fortuyn in tegenstelling tot Wilders het vermogen om zaken in een breder verband te zien en daarbij rekening te houden met de globalisering. [...] Er komt een storm aan waarbij onze verouderde sociale wetgeving en welvaart ter discussie staan. Dan heb je weinig aan een rapport dat zegt: "De gulden moet terug."' Alleen Pastors volgt Wilders hierin. Opvallend is nog dat Van Dam zichzelf in een bepaald opzicht als voorloper van Fortuyn ziet: 'Hij pleitte net als ik voor een decentralisatie van het overheidsbestuur om het bestuur dichter bij de mensen te brengen'.
De meest markante herinnering aan Fortuyn is afhankelijk van de mate waarin de geïnterviewden Fortuyn persoonlijk kenden. Afgezien van broer Marten kende Pastors Fortuyn het langst - ze werkten samen aan het OV-jaarkaart-project. Heinsbroek heeft Fortuyn nooit ontmoet - het andere uiterste. Mens lepelt een verzameling nogal gênante anekdotes op, Herben is het taartincident het meest bijgebleven. Interessant zijn de reacties van Van Scherrenburg en Van Dam, van wie je respectievelijk het 'Ach mens, ga lekker naar huis, koken'-moment en de 'U bent een minderwaardig mens'-uitspraak zou verwachten. Van Scherrenburg koestert geen enkele wrok, ze noemt die uitval van Fortuyn zelfs 'gewoon oprecht'. Van Dams uitspraak was uit 1997 - ik denk dat velen menen dat het tijdens de 2002-campagne gebeurde. Van Dam verwijt Fortuyn dan ook nog steeds dat hij die uitspraak vijf jaar later weer oprakelde terwijl ze het al hadden bijgelegd, bovendien zegt hij spijt te hebben van de uitspraak. 'Later maakte hij er Untermensch van,' vult Van Dam nog aan, 'terwijl ik dat woord nooit over mijn lippen zou krijgen.' Dit is dan weer nogal schijnheilig. Iemand een minderwaardig mens noemen roept automatisch de beladenheid van het Untermensch-begrip op, dat zou Van Dam toch moeten weten.
Wat is de grootste fout van Fortuyn geweest? is een minder geslaagde vraagstelling. De meesten wijzen erop dat Fortuyn simpelweg te kort aan het firmament stond om grote fouten te kunnen maken. Wel worden genoemd: hij was te eerlijk voor een politicus (Herben, Pastors), hij was te emotioneel (Van Scherrenburg, Schnabel) en hij wist niet de juiste mensen om zich heen te verzamelen (Nicolasen, Heinsbroek). Wiegel 'zou niet weten wat Fortuyn fout zou hebben gedaan'. Ook de vraag wat men ervan vindt dat de moordenaar over een jaar 'weer' op vrije voeten komt maakt de tongen niet los. Niemand durft zich hier echt aan te branden, men 'doet geen uitspraak'. 'De straf is een realiteit, daar moet je je bij neerleggen,' vindt Herben. 'De twee van Breda zijn uiteindelijk ook vrijgelaten,' zegt Mens. Alleen Heinsbroek spreekt volop schande van de lage straf. Pastors is de enige die een complot niet uitsluit.
Bij de vraag of populisme een zorg of een zegen is voor het land wordt door oudgedienden Wiegel en Van Dam ferm voor 'een zorg' gekozen. 'Ik ben voor een behoorlijke afstand tussen de gekozene en de kiezer,' zegt Wiegel. En volgens Van Dam ligt 'de u-vraagt-wij-draaien-consensus als een verstikkende deken over de Nederlandse politiek'. Pastors kiest voor 'een zegen', terwijl ook Van Scherrenburg de positieve effecten benadrukt. Heinsbroek en Opstelten merken terecht op dat Fortuyn geen eenvormige populist was: hij combineerde een populistische stijl met eruditie en flexibiliteit. Herben voelt zich aangevallen: 'Populisme is een misplaatst etiket dat wordt opgeplakt door partijen die morele superioriteit claimen.' Marten Fortuyn laakt de negatieve beeldvorming rond populisme, gesymboliseerd door de pejoratieve term 'onderbuik': 'Waarom zo minachtend? De onderbuik is een ander woord voor intuïtie en dat is weer gebaseerd op kennis en ervaring. Ik ben er heilig van overtuigd dat die onvrede weer terugkomt als die minachting niet verdwijnt.' Het antwoord van Rottenberg is even raadselachtig als verbijsterend: 'De opkomst van Fortuyn, de moord en daarna ook het populisme van de LPF hebben een enorme turbulentie teweeggebracht. Daarmee is hij een voetnoot geweest in de geschiedenis. Niet méér dan dat, maar een voetnoot in de geschiedenis is ook niet niks.'
De slotvraag mikt op balansopmaking: Pim Fortuyn, een politieke aardschok of een storm in een glas water? Geen van de betrokkenen kiest echter expliciet voor een van de twee opties. Van Scherrenburg en Wiegel wijzen er nogmaals op dat de andere partijen Fortuyns ideeën hebben overgenomen. Pastors en Opstelten menen dat Fortuyn in Rotterdam voor revolutie heeft gezorgd, maar landelijk daar niet de kans voor heeft gekregen. Heinsbroek vindt dat Fortuyns politieke invloed op het gebied van immigratie en integratie na tien jaar 'nog voelbaar' is. Van Dam hoopt juist dat er iemand opstaat 'met de gaven van Pim Fortuyn, zonder zijn aberraties' die dit thema weer marginaliseert. Schnabel en Nicolasen wijzen het revolutie-idee af. Schnabel: 'Dit land is ontzettend goed georganiseerd en het systeem is erop gericht dergelijke schokken op te vangen.' Volgens Nicolasen 'is veel nog bij het oude gebleven'. Dat is ook de mening van Mens, die vervolgens toch nog filosofisch wordt: 'Nooit is iets voor niks geweest. [...] Het huidige economische klimaat dwingt ons wellicht om meer met zijn ideeën te doen. De economie heeft meer macht dan tien "Pimmen" Fortuyn.'
De tiende verjaardag van de moord op Fortuyn nadert nu met rasse schreden en dat is te merken aan de stijgende media-aandacht. Zo kwam Hans Wiegel deze week in Nieuwsuur naar buiten met zijn 'scoop' dat Fortuyn hem als premier wilde als de LPF in de regering was gekomen. Maar ook buiten het scherm neemt de aandacht toe. In Den Haag vindt komende zondag een wetenschappelijk symposium 'De verweesde samenleving: Pim Fortuyn tien jaar later' plaats over de invloed van Fortuyn op het Nederland van vandaag. Sprekers zijn o.a. Paul Scheffer, Paul Schnabel en biograaf Leonard Ornstein. Ornstein publiceerde inmiddels ook het eerste deel van zijn Fortuyn-biografie, De jonge Fortuyn.
Afgelopen week verscheen voorts, onder redactie van Joost Eerdmans en Martijn van Winkelhof ('nabije buurtgenoot'), 10 jaar zonder Pim. 12 hoofdrolspelers over de erfenis van Fortuyn, een bundel interviews met betrokkenen van toen, te weten Harry Mens, Wouke van Scherrenburg, Paul Schnabel, Mat Herben, Lidy Nicolasen, Herman Heinsbroek, Marco Pastors, Felix Rottenberg, Marten Fortuyn, Hans Wiegel, Marcel van Dam en Ivo Opstelten. Vooraf gaat een al te ronkend voorwoord van Eerdmans, een zakelijke epiloog van professor Henri Beunders en diens pupil Chris Aalbers besluit het boek. De twaalf 'hoofdrolspelers' gaan in op tien vragen die tezamen de erfenis van Fortuyn bestrijken.
De vraag Welke lessen heeft de politiek na 2002 ter harte genomen? wordt behoorlijk eensluidend beantwoord. Volgens Mens hebben Fortuyns ideeën 'direct of indirect een plek binnen andere politieke partijen gekregen'. Uiteraard gaat het dan om het thema 'integratie en immigratie', waarop vooral in Rotterdam flinke progressie is geboekt (Schnabel, Pastors). Ook Rottenberg vindt de agendering van problemen met allochtonen een positief punt, maar hij wijst er wel op dat Fortuyn doorsloeg en dat zijn plannen weinig 'realisatiewaarde' hadden. Van Dam is als enige negatief: hij meent dat de huidige politici de problemen met allochtonen impliciet op het 'ras' van de allochtonen schuiven, maar dat feitelijk maatschappelijke achterstelling de oorzaak is. Behalve dit thema wordt ook de 'terugkeer naar de menselijke maat' meermaals als erfstuk genoemd (Mens, Van Scherrenburg, Herben). Toch vinden sommigen ook dat er juist weinig veranderd is. Nicolasen meent dat het politieke systeem nauwelijks verbeterd is, en Heinsbroek ziet alleen Wouter Bos als kortstondige erfgenaam. Wiegel daarentegen tovert een artikel uit het FD (25-3-2012) tevoorschijn, getiteld: 'Zelden heeft een politicus zo succesvol over zijn graf geregeerd als Fortuyn'.
De tweede vraag peilt of de terugkeer van de polarisatie in de politiek sinds Fortuyn als een goede zaak wordt ervaren. Opvallend genoeg vindt Mens dat Fortuyn veel te ver ging: 'Je mag alles zeggen wat je denkt, maar je hóeft niet alles te zeggen,' citeert hij de moeder van Theo van Gogh. Van Scherrenburg wijst er terecht op dat de huidige polarisatie veel meer economisch gemotiveerd is: mensen vrezen weer echt voor hun baan, hun huis, hun pensioen. Meerdere geïnterviewden hekelen het links-rechts-karakter van de polarisering. Schnabel herinnert eraan dat Paars door links, rechts én internationaal geroemd werd. 'Wat er mis was, was eerder ontkenning van ongenoegen dan slecht beleid.' Ook Van Scherrenburg benadrukt dat links én rechts verantwoordelijk waren voor de maatschappelijke problemen van de uitgedijde verzorgingsstaat, maar dat alleen links er de schuld van kreeg. Volgens Heinsbroek, Rottenberg, Schnabel en Nicolasen waren politici als Melkert en Dijkstal evenwel de wereldvreemde technocratie in hoogsteigen persoon, terwijl Fortuyn de moderne tijd verpersoonlijkte. Rottenberg: 'Je zag daar eigenlijk de 20e en 21e eeuw tegenover elkaar aan tafel zitten.' En Schnabel komt met een interessante constatering: 'Niemand heeft ooit in de gaten gehad dat Fortuyn acht of negen jaar ouder was dan Melkert. [...] Het ging dus niet om jong zijn maar om uitstraling'.
Als Fortuyn nog zou leven zou hij volgens recent onderzoek nog altijd op zo'n 30% van de stemmen kunnen rekenen. Wat zegt dit? Volgens Opstelten is dit pure emotie en dus geen serieus te nemen cijfer. Ook Schnabel gelooft het onderzoeksresultaat niet. Van Dam vindt het zelfs beangstigend: 'De islamisering van onze cultuur is sociologisch gezien gewoon onmogelijk. [...] Tegen beter weten in kweekte Fortuyn ongefundeerde angst en dat vond ik het ergste van Fortuyn.' Marten Fortuyn legt de oorzaak bij de onder het volk vigerende opinie dat er sinds 2002 weinig veranderd is, Pastors stelt dat mensen nog steeds behoefte hebben aan een leider en Heinsbroek voert het ontbreken van een charismatische politicus anno 2012 als verklaring op. Van Scherrenburg oppert - ik denk terecht - dat Fortuyn door zijn voortijdige dood een mythe is gebleven: 'hij heeft nooit kunnen tegenvallen en zo blijf je lichtelijk heilig'.
Hebben de media geleerd van de moord? is een heikele vraag. Mens verrast opnieuw met zijn afkeer van de nieuwe 'rechtse' media als WNL: 'Je kunt het nieuws 's morgens wel door twee lekkere wijven laten presenteren, maar daarmee bedrijf je nog geen rechtse journalistiek.' Insiders Van Scherrenburg en Nicolasen beantwoorden de vraag positief. Er is nu het besef dat het weldegelijk van belang is om vinger aan de pols van de samenleving te houden. Nicolasen prijst voorts de vernieuwingsimpuls van De Pers en GeenStijl. Beiden wijzen wel op het hysterische element, alsof de kritische Clairy Polak een afgezant van de linkse kerk zou zijn. Nicolasen biedt nog een verhelderende kijk op de praktijken van de Volkskrant: 'Er waren in 2002 bij de Volkskrant mensen die vonden dat Fortuyn moest worden bestreden.' Leer ons de Volkskrant kennen... Schnabel, Herben en Van Dam ontwaren eveneens een verandering in benadering van de media, maar zij achten de komst van de commerciële media een belangrijkere oorzaak hiervoor dan de invloed van Fortuyn. Alleen Pastors en Marten Fortuyn zijn negatief. Volgens de laatste bewijzen programma's als DWDD 'lippendiensten aan linkse partijen'.
De belangrijke vraag of Geert Wilders de erfgenaam is van Fortuyn wordt door de meesten met zowel ja als neen beantwoord. Met zijn nadruk op thema's als immigratie en de menselijke maat heeft Wilders het stokje van Fortuyn overgenomen, maar inhoudelijk, kwalitatief, haalt Wilders het bij lange na niet bij Fortuyn. Marten Fortuyn noemt het zelfs 'volkomen onterecht' dat Wilders als opvolger van Pim wordt gezien: 'Hij is lomp en bruut; het is echt ongepast hoe hij Job Cohen heeft beschadigd.' Fortuyn was breder dan Wilders (Van Dam), had wél een coherente visie (Herben), ging wél de dialoog aan (Rottenberg) en dacht wél oplossingsgericht (Van Scherrenburg). Bijna iedereen wijst op het grote verschil in eruditie. Heinsbroek: 'Bovendien bezat Fortuyn in tegenstelling tot Wilders het vermogen om zaken in een breder verband te zien en daarbij rekening te houden met de globalisering. [...] Er komt een storm aan waarbij onze verouderde sociale wetgeving en welvaart ter discussie staan. Dan heb je weinig aan een rapport dat zegt: "De gulden moet terug."' Alleen Pastors volgt Wilders hierin. Opvallend is nog dat Van Dam zichzelf in een bepaald opzicht als voorloper van Fortuyn ziet: 'Hij pleitte net als ik voor een decentralisatie van het overheidsbestuur om het bestuur dichter bij de mensen te brengen'.
De meest markante herinnering aan Fortuyn is afhankelijk van de mate waarin de geïnterviewden Fortuyn persoonlijk kenden. Afgezien van broer Marten kende Pastors Fortuyn het langst - ze werkten samen aan het OV-jaarkaart-project. Heinsbroek heeft Fortuyn nooit ontmoet - het andere uiterste. Mens lepelt een verzameling nogal gênante anekdotes op, Herben is het taartincident het meest bijgebleven. Interessant zijn de reacties van Van Scherrenburg en Van Dam, van wie je respectievelijk het 'Ach mens, ga lekker naar huis, koken'-moment en de 'U bent een minderwaardig mens'-uitspraak zou verwachten. Van Scherrenburg koestert geen enkele wrok, ze noemt die uitval van Fortuyn zelfs 'gewoon oprecht'. Van Dams uitspraak was uit 1997 - ik denk dat velen menen dat het tijdens de 2002-campagne gebeurde. Van Dam verwijt Fortuyn dan ook nog steeds dat hij die uitspraak vijf jaar later weer oprakelde terwijl ze het al hadden bijgelegd, bovendien zegt hij spijt te hebben van de uitspraak. 'Later maakte hij er Untermensch van,' vult Van Dam nog aan, 'terwijl ik dat woord nooit over mijn lippen zou krijgen.' Dit is dan weer nogal schijnheilig. Iemand een minderwaardig mens noemen roept automatisch de beladenheid van het Untermensch-begrip op, dat zou Van Dam toch moeten weten.
Wat is de grootste fout van Fortuyn geweest? is een minder geslaagde vraagstelling. De meesten wijzen erop dat Fortuyn simpelweg te kort aan het firmament stond om grote fouten te kunnen maken. Wel worden genoemd: hij was te eerlijk voor een politicus (Herben, Pastors), hij was te emotioneel (Van Scherrenburg, Schnabel) en hij wist niet de juiste mensen om zich heen te verzamelen (Nicolasen, Heinsbroek). Wiegel 'zou niet weten wat Fortuyn fout zou hebben gedaan'. Ook de vraag wat men ervan vindt dat de moordenaar over een jaar 'weer' op vrije voeten komt maakt de tongen niet los. Niemand durft zich hier echt aan te branden, men 'doet geen uitspraak'. 'De straf is een realiteit, daar moet je je bij neerleggen,' vindt Herben. 'De twee van Breda zijn uiteindelijk ook vrijgelaten,' zegt Mens. Alleen Heinsbroek spreekt volop schande van de lage straf. Pastors is de enige die een complot niet uitsluit.
Bij de vraag of populisme een zorg of een zegen is voor het land wordt door oudgedienden Wiegel en Van Dam ferm voor 'een zorg' gekozen. 'Ik ben voor een behoorlijke afstand tussen de gekozene en de kiezer,' zegt Wiegel. En volgens Van Dam ligt 'de u-vraagt-wij-draaien-consensus als een verstikkende deken over de Nederlandse politiek'. Pastors kiest voor 'een zegen', terwijl ook Van Scherrenburg de positieve effecten benadrukt. Heinsbroek en Opstelten merken terecht op dat Fortuyn geen eenvormige populist was: hij combineerde een populistische stijl met eruditie en flexibiliteit. Herben voelt zich aangevallen: 'Populisme is een misplaatst etiket dat wordt opgeplakt door partijen die morele superioriteit claimen.' Marten Fortuyn laakt de negatieve beeldvorming rond populisme, gesymboliseerd door de pejoratieve term 'onderbuik': 'Waarom zo minachtend? De onderbuik is een ander woord voor intuïtie en dat is weer gebaseerd op kennis en ervaring. Ik ben er heilig van overtuigd dat die onvrede weer terugkomt als die minachting niet verdwijnt.' Het antwoord van Rottenberg is even raadselachtig als verbijsterend: 'De opkomst van Fortuyn, de moord en daarna ook het populisme van de LPF hebben een enorme turbulentie teweeggebracht. Daarmee is hij een voetnoot geweest in de geschiedenis. Niet méér dan dat, maar een voetnoot in de geschiedenis is ook niet niks.'
De slotvraag mikt op balansopmaking: Pim Fortuyn, een politieke aardschok of een storm in een glas water? Geen van de betrokkenen kiest echter expliciet voor een van de twee opties. Van Scherrenburg en Wiegel wijzen er nogmaals op dat de andere partijen Fortuyns ideeën hebben overgenomen. Pastors en Opstelten menen dat Fortuyn in Rotterdam voor revolutie heeft gezorgd, maar landelijk daar niet de kans voor heeft gekregen. Heinsbroek vindt dat Fortuyns politieke invloed op het gebied van immigratie en integratie na tien jaar 'nog voelbaar' is. Van Dam hoopt juist dat er iemand opstaat 'met de gaven van Pim Fortuyn, zonder zijn aberraties' die dit thema weer marginaliseert. Schnabel en Nicolasen wijzen het revolutie-idee af. Schnabel: 'Dit land is ontzettend goed georganiseerd en het systeem is erop gericht dergelijke schokken op te vangen.' Volgens Nicolasen 'is veel nog bij het oude gebleven'. Dat is ook de mening van Mens, die vervolgens toch nog filosofisch wordt: 'Nooit is iets voor niks geweest. [...] Het huidige economische klimaat dwingt ons wellicht om meer met zijn ideeën te doen. De economie heeft meer macht dan tien "Pimmen" Fortuyn.'
vrijdag 20 april 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Fortuyn en 'het' populisme
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Onlosmakelijk verbonden met Pim Fortuyn is het populisme. Sinds Fortuyn is populisme niet meer weg te denken, het is alomtegenwoordig als verschijningsvorm én als twistpunt, in de politiek, in de wetenschap en niet in de laatste plaats in de publieke ruimte. Met Fortuyn lijkt het populisme zich dus definitief gevestigd te hebben als nationaal gespreksonderwerp. Zoals ik ergens - ik ben helaas vergeten waar - een recensent zag opmerken: Het debat over het populisme is populairder dan het populisme zelf.
Populisme is met name als term, als dé term om het onderliggende, diffuse fenomeen te benoemen een succes. Want het fenomeen zelf bestaat natuurlijk al langer. Joost Zwagerman beschouwde Leefbaar Nederland al ogenblikkelijk als 'revival van de Boerenpartij, met die types uit de wereld van de truckers. Cabaretpartij!' (Algemeen Dagblad, 25-01-2002) Wie de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek doorzoekt op het trefwoord 'populisme' ziet dat van de 68 gevonden publicaties er maar liefst 43 na 2002 zijn verschenen. Van de 25 oudere publicaties zijn er bovendien slechts twee Nederlandstalig, waarvan er een ook nog handelt over populisme in Zuid-Amerika.
Het eerste belangwekkende boek na 6 mei 2002 was De uitdaging van het populisme (2003) van Arie van der Zwan. Volgens deze PvdA-ideoloog was met Fortuyn de derde fase van het populisme aangebroken. De eerste golf was het neoliberale bewind van Thatcher en Reagan geweest, de tweede fase werd gedomineerd door de 'Derde Weg' die onder meer in Engeland als redding van het socialisme werd gebombardeerd. Beide vormen appelleerden aan de genegeerde noden van de lagere middenklasse. Het gemediatiseerde populisme van Berlusconi en Fortuyn nu zou naadloos in die traditie passen. In een interview over zijn boek (de Volkskrant, 12-04-2003) definieert Van der Zwan populisme heel mooi als 'een correctie op hetgeen de politiek heeft laten liggen'.
Noemenswaardig is een bijdrage uit Duitsland. Daar verscheen, ook in 2003, van Frank Eckardt Pim Fortuyn und die Niederlande. Populismus als Reaktion auf die Globalisierung. Eckardt doet een interessante poging het revolutiekarakter van de 'Fortuyn-shock' te nuanceren door hem in een politieke traditie te plaatsen. Daarbij verwijst hij allereerst naar boer Koekoek als Fortuyns voorloper, maar opvallend genoeg ook naar 'die AOV von Nijpels', het Algemeen Ouderen Verbond onder leiding van Jet Nijpels. Een derde voorganger is volgens Eckardt Frits Bolkestein, wiens pleidooi: 'Großbritannien und die USA müssten den Niederlanden helfen, gegen die deutsche Dominanz anzukämpfen' als een populistisch idee wordt voorgesteld. Ook in hun zelfpositionering als intellectueel die niettemin oog heeft voor de noden van het volk ziet Eckardt - terecht - een overeenkomst. Waarom wist Fortuyn dan wel de massa te overtuigen en Bolkestein niet? 'Fortuyn hingegen nutzte seinen Ruf als Intellektueller, ohne in der Blasiertheit Bolkesteins gefangen zu sein.'
Een boek dat een bijzonder boeiende invalshoek heeft die evenwel teleurstellend uitgewerkt wordt is het kloeke In de greep van de angst. De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme (2005) van Rinke van den Brink. In dit boek wordt Fortuyn vergeleken met populistische bewegingen in België, Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken en Zweden. De auteur is expert in het fenomeen extreem-rechts en die achtergrond vertroebelt echter de blik op de eigenheid van het populisme. In plaats van dat Fortuyn reliëf krijgt tegen figuren als De Winter, Le Pen en Haider probeert Van den Brink hem juist geforceerd in dit rijtje in te kapselen, vanzelfsprekend met dat even nietszeggende als clichématige woord 'poldervariant'.
In de tweede helft van de voorbije tien jaar worden Fortuyn en populisme vaker losgekoppeld en wordt de aandacht verlegd naar hedendaagse verschijningsvormen als Verdonk en Wilders. In David van Reybroucks mooie Pleidooi voor populisme (2008) komt Fortuyn niet of nauwelijks voor. En Populisme als politiek drijfzand van Anton Zijderveld is weliswaar een begeesterd pleidooi tégen populisme, maar over Fortuyn is Zijderveld relatief mild. Fortuyn kon 'lachen zonder uit te lachen', iets wat van Verdonk en vooral Wilders niet gezegd kan worden. En de verdienste van Fortuyn is voorts dat hij problemen benoemde die voor boosheid zorgden onder brede lagen van de bevolking maar door de politieke elite genegeerd werden. Toch ziet Zijderveld het populisme als een heilloze weg.
In 2011 was er een ware hausse in studies en essays over het populisme. Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie van Dick Pels, Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed van Bas Heijne en Paniek in de polder. Populisme en polytiek in Nederland van Jos de Mul zijn de prominentste publicaties. Heijne heeft de mosterd duidelijk bij Pels gehaald, dat wil zeggen de Pels van De geest van Pim (2003). Heijnes opvatting dat met de 'felle, geschokte afwijzing' van het populisme 'het kind met het badwater [werd] weggegooid' is regelrecht in de lijn van Pels.
Heijne vult 'het nieuwe populisme' in als een verhaal 'over identiteit en gemeenschap in tijden van globalisering en immigratie', 'twee fenomenen die de progressieve politiek nooit goed in een verhaal heeft weten te vatten'. Hij meent dat het populisme bij uitstek een 'onredelijk' fenomeen is en dus niet, zoals Van Reybrouck denkt, op een rationele manier tegemoet kan worden getreden. Heijne meent dat de geloofsartikelen van de Verlichting in de handen van de progressieve elite tot dogma's verwerden die tot zelfgenoegzaamheid en hypocrisie bij die elite leidden. De excessen van globalisering en immigratie 'pasten eenvoudig niet in het progressieve wereldbeeld'. Het populisme ziet Heijne dan ook als een tegenbeweging binnen de Moderniteit: 'Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere'. Beide vormen van moderniteit moeten worden aanvaard én idealiter verenigd.
Jos de Mul tot slot pleit voor een terugkeer naar het oer-Nederlandse polderen, maar zonder het populisme daarmee af te serveren. In zijn optimistische betoog wordt de opkomst van Fortuyn verklaard met behulp van massapsychologie en met een beroep op Slavoj Zizek - in zekere zin de populist onder de hedendaagse filosofen. Volgens De Mul is de paradox van Fortuyn dat zijn kiezers stemden op 'een leider wiens leefwijze, belangen en opvattingen voor een belangrijk deel ingingen tegen die van henzelf'. Zijn verklaring is dat Fortuyn 'de eeuwige terugkeer van de oervader' symboliseert. De moord was dan ook onvermijdelijk, want de oervader wordt altijd gedood door zijn zonen. Zijn zonen? En Volkertje dan? Fortuyn werd al gedood toen hij bij Leefbaar Nederland werd afgezet, aldus De Mul. De echte moord was '"slechts" een (barbaarse) herbevestiging van de symbolische moord die reeds had plaatsgevonden'.
Of hiermee de conclusie moet zijn dat men over het onderwerp 'Fortuyn en het populisme' na tien jaar wel is uitgeschreven of juist dat men er nog lang niet over is uitgeschreven laat ik maar in het midden...
Onlosmakelijk verbonden met Pim Fortuyn is het populisme. Sinds Fortuyn is populisme niet meer weg te denken, het is alomtegenwoordig als verschijningsvorm én als twistpunt, in de politiek, in de wetenschap en niet in de laatste plaats in de publieke ruimte. Met Fortuyn lijkt het populisme zich dus definitief gevestigd te hebben als nationaal gespreksonderwerp. Zoals ik ergens - ik ben helaas vergeten waar - een recensent zag opmerken: Het debat over het populisme is populairder dan het populisme zelf.
Populisme is met name als term, als dé term om het onderliggende, diffuse fenomeen te benoemen een succes. Want het fenomeen zelf bestaat natuurlijk al langer. Joost Zwagerman beschouwde Leefbaar Nederland al ogenblikkelijk als 'revival van de Boerenpartij, met die types uit de wereld van de truckers. Cabaretpartij!' (Algemeen Dagblad, 25-01-2002) Wie de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek doorzoekt op het trefwoord 'populisme' ziet dat van de 68 gevonden publicaties er maar liefst 43 na 2002 zijn verschenen. Van de 25 oudere publicaties zijn er bovendien slechts twee Nederlandstalig, waarvan er een ook nog handelt over populisme in Zuid-Amerika.
Het eerste belangwekkende boek na 6 mei 2002 was De uitdaging van het populisme (2003) van Arie van der Zwan. Volgens deze PvdA-ideoloog was met Fortuyn de derde fase van het populisme aangebroken. De eerste golf was het neoliberale bewind van Thatcher en Reagan geweest, de tweede fase werd gedomineerd door de 'Derde Weg' die onder meer in Engeland als redding van het socialisme werd gebombardeerd. Beide vormen appelleerden aan de genegeerde noden van de lagere middenklasse. Het gemediatiseerde populisme van Berlusconi en Fortuyn nu zou naadloos in die traditie passen. In een interview over zijn boek (de Volkskrant, 12-04-2003) definieert Van der Zwan populisme heel mooi als 'een correctie op hetgeen de politiek heeft laten liggen'.
Noemenswaardig is een bijdrage uit Duitsland. Daar verscheen, ook in 2003, van Frank Eckardt Pim Fortuyn und die Niederlande. Populismus als Reaktion auf die Globalisierung. Eckardt doet een interessante poging het revolutiekarakter van de 'Fortuyn-shock' te nuanceren door hem in een politieke traditie te plaatsen. Daarbij verwijst hij allereerst naar boer Koekoek als Fortuyns voorloper, maar opvallend genoeg ook naar 'die AOV von Nijpels', het Algemeen Ouderen Verbond onder leiding van Jet Nijpels. Een derde voorganger is volgens Eckardt Frits Bolkestein, wiens pleidooi: 'Großbritannien und die USA müssten den Niederlanden helfen, gegen die deutsche Dominanz anzukämpfen' als een populistisch idee wordt voorgesteld. Ook in hun zelfpositionering als intellectueel die niettemin oog heeft voor de noden van het volk ziet Eckardt - terecht - een overeenkomst. Waarom wist Fortuyn dan wel de massa te overtuigen en Bolkestein niet? 'Fortuyn hingegen nutzte seinen Ruf als Intellektueller, ohne in der Blasiertheit Bolkesteins gefangen zu sein.'
Een boek dat een bijzonder boeiende invalshoek heeft die evenwel teleurstellend uitgewerkt wordt is het kloeke In de greep van de angst. De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme (2005) van Rinke van den Brink. In dit boek wordt Fortuyn vergeleken met populistische bewegingen in België, Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken en Zweden. De auteur is expert in het fenomeen extreem-rechts en die achtergrond vertroebelt echter de blik op de eigenheid van het populisme. In plaats van dat Fortuyn reliëf krijgt tegen figuren als De Winter, Le Pen en Haider probeert Van den Brink hem juist geforceerd in dit rijtje in te kapselen, vanzelfsprekend met dat even nietszeggende als clichématige woord 'poldervariant'.
In de tweede helft van de voorbije tien jaar worden Fortuyn en populisme vaker losgekoppeld en wordt de aandacht verlegd naar hedendaagse verschijningsvormen als Verdonk en Wilders. In David van Reybroucks mooie Pleidooi voor populisme (2008) komt Fortuyn niet of nauwelijks voor. En Populisme als politiek drijfzand van Anton Zijderveld is weliswaar een begeesterd pleidooi tégen populisme, maar over Fortuyn is Zijderveld relatief mild. Fortuyn kon 'lachen zonder uit te lachen', iets wat van Verdonk en vooral Wilders niet gezegd kan worden. En de verdienste van Fortuyn is voorts dat hij problemen benoemde die voor boosheid zorgden onder brede lagen van de bevolking maar door de politieke elite genegeerd werden. Toch ziet Zijderveld het populisme als een heilloze weg.
In 2011 was er een ware hausse in studies en essays over het populisme. Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie van Dick Pels, Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed van Bas Heijne en Paniek in de polder. Populisme en polytiek in Nederland van Jos de Mul zijn de prominentste publicaties. Heijne heeft de mosterd duidelijk bij Pels gehaald, dat wil zeggen de Pels van De geest van Pim (2003). Heijnes opvatting dat met de 'felle, geschokte afwijzing' van het populisme 'het kind met het badwater [werd] weggegooid' is regelrecht in de lijn van Pels.
Heijne vult 'het nieuwe populisme' in als een verhaal 'over identiteit en gemeenschap in tijden van globalisering en immigratie', 'twee fenomenen die de progressieve politiek nooit goed in een verhaal heeft weten te vatten'. Hij meent dat het populisme bij uitstek een 'onredelijk' fenomeen is en dus niet, zoals Van Reybrouck denkt, op een rationele manier tegemoet kan worden getreden. Heijne meent dat de geloofsartikelen van de Verlichting in de handen van de progressieve elite tot dogma's verwerden die tot zelfgenoegzaamheid en hypocrisie bij die elite leidden. De excessen van globalisering en immigratie 'pasten eenvoudig niet in het progressieve wereldbeeld'. Het populisme ziet Heijne dan ook als een tegenbeweging binnen de Moderniteit: 'Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere'. Beide vormen van moderniteit moeten worden aanvaard én idealiter verenigd.
Jos de Mul tot slot pleit voor een terugkeer naar het oer-Nederlandse polderen, maar zonder het populisme daarmee af te serveren. In zijn optimistische betoog wordt de opkomst van Fortuyn verklaard met behulp van massapsychologie en met een beroep op Slavoj Zizek - in zekere zin de populist onder de hedendaagse filosofen. Volgens De Mul is de paradox van Fortuyn dat zijn kiezers stemden op 'een leider wiens leefwijze, belangen en opvattingen voor een belangrijk deel ingingen tegen die van henzelf'. Zijn verklaring is dat Fortuyn 'de eeuwige terugkeer van de oervader' symboliseert. De moord was dan ook onvermijdelijk, want de oervader wordt altijd gedood door zijn zonen. Zijn zonen? En Volkertje dan? Fortuyn werd al gedood toen hij bij Leefbaar Nederland werd afgezet, aldus De Mul. De echte moord was '"slechts" een (barbaarse) herbevestiging van de symbolische moord die reeds had plaatsgevonden'.
Of hiermee de conclusie moet zijn dat men over het onderwerp 'Fortuyn en het populisme' na tien jaar wel is uitgeschreven of juist dat men er nog lang niet over is uitgeschreven laat ik maar in het midden...
woensdag 11 april 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Lezen, lezen, lezen #28: drie thrillers
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Rond de uitreiking van de AKO-literatuurprijs in oktober 2003 sprak Sander Pleij (De Groene Amsterdammer) zijn verbazing uit over het feit dat de politieke schokgolf die Fortuyn had veroorzaakt nauwelijks sporen had nagelaten in de recentste literatuur. Inderdaad was (en is) literaire verwerking van de turbulente gebeurtenissen grotendeels uitgebleven. Wél als de kippen erbij waren drie misdaadauteurs, die binnen een jaar na de moord hun Fortuyn-thriller uitbrachten.
Bert van der Veer - De koning van Nederland. True fiction (2002), 240 blz.
De eerste was Bert van der Veer. De man die we tegenwoordig kennen als het hautaine zelfbenoemde televisiegenie van Nederland. In de jaren tachtig had Van der Veer al een paar thrillers voor uitgeverij Bruna geschreven. Een krappe drie maanden (!) na de moord op Fortuyn verscheen bij Vassallucci reeds zijn 240 pagina's tellende De koning van Nederland. Ondertitel: 'True fiction'. De term 'Faction' was blijkbaar niet voorhanden. Van der Veer gooit het op de complottheorie die ook na 2002 nog eindeloos is blijven rondzingen: Fortuyn is vermoord door de CIA, want hij wilde het JSF-project stopzetten. En Herben zit ook in het complot. Volkert van der G. heet hier merkwaardigerwijs Thorwald van der H. en is een vooruitgeschoven pion van de CIA zonder dat hij dat weet. Een hele stoet bekenden trekt voorbij, van Harry Mens tot Berlusconi en van de paus tot Katja Schuurman. Van der Veer heeft zich kunnen uitleven in de beschrijvingen van de televisieoptredens van Fortuyn. Hij etaleert hier duidelijk zijn kennis van het metier, waardoor deze 'true' gedeelten nog het aardigst zijn om te lezen. De 'fiction'-verhaallijn over het complot is flinterdun, pas tegen het eind komt er enige suspense in De koning van Nederland.
Tomas Ross - De zesde mei (2003), 296 blz.
Ongeveer een jaar na de moord verscheen De zesde mei van misschien wel Nederlands bekendste misdaadschrijver, Tomas Ross. Ook Ross heeft gekozen voor een flinke dosis realisme aangelengd met een complottheorie. Hier is het de Binnenlandse Veiligheidsdienst die vuile handen heeft. Volkert - hier wel gewoon Volkert geheten - is opnieuw eerder een marionet dan een alleen opererende moordenaar. Wel heeft Ross enkele fictieve personages gecreëerd en vallen er meer doden. De nooit opgeloste moord op milieuambtenaar Chris van der Werken - waarbij de Vereniging Milieu Offensief mogelijk een rol heeft gespeeld - krijgt bijzondere aandacht. Toch ontkomt ook Ross wat mij betreft niet aan enkele clichés van het genre, zoals karikaturale personages en een ongeloofwaardig perspectief. Zo is de persfotograaf Jim de typische verbitterde journalist en wanneer we de gedachten van Fortuyn en Wim Kok gepresenteerd krijgen gebeurt dit op vrijwel dezelfde hyperactieve, smeuïge toon. De zesde mei wordt na een taaie eerste helft gelukkig wel iets spannender naar het einde toe, maar een echte pageturner wordt het nooit.
René Appel - Doorgeschoten (2003), 296 blz.
Doorgeschoten van René Appel verscheen gelijktijdig met De zesde mei en is opvallend genoeg precies even dik. De aanpak van Appel verschilt echter van die van Ross en Van der Veer. Doorgeschoten is meer een sleutelroman, die bovendien hier en daar behoorlijk van de werkelijkheid afwijkt. De hoofdpersoon is niet Pim Fortuyn maar Tom Hordijk, een biseksuele blonde krullenbol, leider van de Echt Nederlandse Partij (ENP). De Volkert heet hier Ronald Arends en is lid van het Politiek Actie Front (PAF). De moord is in Doorgeschoten niet de climax van het verhaal; hij vindt al halverwege plaats. De focus ligt in het tweede deel op de reacties, de afwikkeling en het ontrafelen van de motieven en achtergronden van de moordenaar. Ook hier blijken er meer mensen en instanties aan de touwtjes te hebben getrokken. In dit tweede deel ontwikkelt Doorgeschoten zich meer tot een psychologische thriller, veel verfijnder dan de oppervlakkige thrillers van Van der Veer en Ross. Appel schrijft ook beter, van de drie thrillers maakt de zijne de meeste aanspraak op het predikaat 'literair'.
Rond de uitreiking van de AKO-literatuurprijs in oktober 2003 sprak Sander Pleij (De Groene Amsterdammer) zijn verbazing uit over het feit dat de politieke schokgolf die Fortuyn had veroorzaakt nauwelijks sporen had nagelaten in de recentste literatuur. Inderdaad was (en is) literaire verwerking van de turbulente gebeurtenissen grotendeels uitgebleven. Wél als de kippen erbij waren drie misdaadauteurs, die binnen een jaar na de moord hun Fortuyn-thriller uitbrachten.
Bert van der Veer - De koning van Nederland. True fiction (2002), 240 blz.
De eerste was Bert van der Veer. De man die we tegenwoordig kennen als het hautaine zelfbenoemde televisiegenie van Nederland. In de jaren tachtig had Van der Veer al een paar thrillers voor uitgeverij Bruna geschreven. Een krappe drie maanden (!) na de moord op Fortuyn verscheen bij Vassallucci reeds zijn 240 pagina's tellende De koning van Nederland. Ondertitel: 'True fiction'. De term 'Faction' was blijkbaar niet voorhanden. Van der Veer gooit het op de complottheorie die ook na 2002 nog eindeloos is blijven rondzingen: Fortuyn is vermoord door de CIA, want hij wilde het JSF-project stopzetten. En Herben zit ook in het complot. Volkert van der G. heet hier merkwaardigerwijs Thorwald van der H. en is een vooruitgeschoven pion van de CIA zonder dat hij dat weet. Een hele stoet bekenden trekt voorbij, van Harry Mens tot Berlusconi en van de paus tot Katja Schuurman. Van der Veer heeft zich kunnen uitleven in de beschrijvingen van de televisieoptredens van Fortuyn. Hij etaleert hier duidelijk zijn kennis van het metier, waardoor deze 'true' gedeelten nog het aardigst zijn om te lezen. De 'fiction'-verhaallijn over het complot is flinterdun, pas tegen het eind komt er enige suspense in De koning van Nederland.
Tomas Ross - De zesde mei (2003), 296 blz.
Ongeveer een jaar na de moord verscheen De zesde mei van misschien wel Nederlands bekendste misdaadschrijver, Tomas Ross. Ook Ross heeft gekozen voor een flinke dosis realisme aangelengd met een complottheorie. Hier is het de Binnenlandse Veiligheidsdienst die vuile handen heeft. Volkert - hier wel gewoon Volkert geheten - is opnieuw eerder een marionet dan een alleen opererende moordenaar. Wel heeft Ross enkele fictieve personages gecreëerd en vallen er meer doden. De nooit opgeloste moord op milieuambtenaar Chris van der Werken - waarbij de Vereniging Milieu Offensief mogelijk een rol heeft gespeeld - krijgt bijzondere aandacht. Toch ontkomt ook Ross wat mij betreft niet aan enkele clichés van het genre, zoals karikaturale personages en een ongeloofwaardig perspectief. Zo is de persfotograaf Jim de typische verbitterde journalist en wanneer we de gedachten van Fortuyn en Wim Kok gepresenteerd krijgen gebeurt dit op vrijwel dezelfde hyperactieve, smeuïge toon. De zesde mei wordt na een taaie eerste helft gelukkig wel iets spannender naar het einde toe, maar een echte pageturner wordt het nooit.
René Appel - Doorgeschoten (2003), 296 blz.
Doorgeschoten van René Appel verscheen gelijktijdig met De zesde mei en is opvallend genoeg precies even dik. De aanpak van Appel verschilt echter van die van Ross en Van der Veer. Doorgeschoten is meer een sleutelroman, die bovendien hier en daar behoorlijk van de werkelijkheid afwijkt. De hoofdpersoon is niet Pim Fortuyn maar Tom Hordijk, een biseksuele blonde krullenbol, leider van de Echt Nederlandse Partij (ENP). De Volkert heet hier Ronald Arends en is lid van het Politiek Actie Front (PAF). De moord is in Doorgeschoten niet de climax van het verhaal; hij vindt al halverwege plaats. De focus ligt in het tweede deel op de reacties, de afwikkeling en het ontrafelen van de motieven en achtergronden van de moordenaar. Ook hier blijken er meer mensen en instanties aan de touwtjes te hebben getrokken. In dit tweede deel ontwikkelt Doorgeschoten zich meer tot een psychologische thriller, veel verfijnder dan de oppervlakkige thrillers van Van der Veer en Ross. Appel schrijft ook beter, van de drie thrillers maakt de zijne de meeste aanspraak op het predikaat 'literair'.
vrijdag 6 april 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Fortuyn, Leers en de illegalen
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Minister Gerd Leers (Immigratie en Asiel) is de minst te benijden bewindsman van het huidige kabinet. Niet alleen is hij binnen de coalitie een marionet van gedoogpartner PVV, hij moet zich ook buiten die samenwerking soms machteloos en zinloos voelen. Om iets aan de binnenlandse immigratiewetgeving te veranderen moet hij op Europees niveau gaan lobbyen. En als hij eindelijk daadkracht wil tonen met zijn illegalenbeleid liggen de ondergeschikte burgemeesters weer dwars. Naast hem, boven hem, onder hem, van alle kanten wordt Leers tegengewerkt.
'Waarom verdedigt Leers niet gewoon het kabinetsbeleid? Waarom zegt hij niet: "[...] Dat kun je onplezierig vinden, maar het is wel exact het beleid dat we nu eenmaal via een democratische meerderheid hebben gekozen. Dit is wat de meeste Nederlanders willen. Zoals we ook bij meerderheid besloten om die Afghaan uit Giessenlanden met een enkeltje op het vliegtuig te zetten, en geen beleid laten bepalen door mensen die dreigen met zelfmoord. Dat kan wat worden, als we elke vervelende beleidsmaatregel gaan intrekken zodra een of andere gek met zelfmoord dreigt! [...] Als u dat niet bevalt, dan moet u mij wegstemmen en met ander beleid komen, en anders voor eeuwig zwijgen."' Aldus Christiaan Weijts in een even confronterende als realistische column.
Een strenger immigratie- en integratiebeleid wordt over het algemeen als een erfenis van Fortuyn beschouwd. Fortuyn agendeerde 'de multiculturele samenleving' op de politieke agenda, tot op de dag van vandaag een veelbesproken onderwerp en katalysator van veel retoriek en emotie maar ook van politieke betrokkenheid van de burger. De immigratieparagraaf van Wilders en de PVV is niet denkbaar zonder het voorwerk van Fortuyn, maar Wilders vult zijn stokpaardjes 'islamisering' en 'massa-immigratie' toch veel radicaler in.
De PVV wil een permanente immigratiestop uit islamitische landen en criminele moslims hun Nederlanderschap ontnemen en ze het liefst 'terug' sturen. Van Fortuyn is de bekende uitspraak dat de Marokkaanse 'rotjongens' ons probleem zijn, 'daar kunnen we koning Hassan niet mee opschepen'. Dat was in hetzelfde Volkskrant-interview waarin hij de islam een 'achterlijke cultuur' noemde, nog dezelfde dag op Radio 1 gecorrigeerd tot 'achterlopend', wat precies hetzelfde betekent maar een andere gevoelswaarde heeft. Die correctie lijkt het collectieve geheugen overigens niet gehaald te hebben.
In Fortuyn-Wilders-vergelijkingen is meestal een belangrijk argument ten gunste van Fortuyn diens opvatting over illegalen. Fortuyn zou voor een generaal pardon zijn geweest. Inderdaad pleitte Fortuyn op 3 mei 2002 - drie dagen voor zijn dood - in een interview in de GPD-bladen voor een verblijfsvergunning voor illegalen die langer dan vijf jaar in Nederland waren en de Nederlandse taal beheersten. Deze ruimhartige opstelling moet echter wel in de context van de verkiezingen worden gezien.
In De puinhopen van acht jaar Paars (2002) - het officieuze LPF-verkiezingsprogramma - is er namelijk geen woord over te vinden. En in De islamisering van onze cultuur (heruitgave uit 2002 van Tegen de islamisering van onze cultuur uit 1997) schrijft Fortuyn (p. 99): 'De zorgwekkende problematiek van de hier illegaal verblijvende buitenlanders moet hier ondertussen geheel buiten beschouwing blijven. Het kwantitatieve en kwalitatieve inzicht in deze problematiek ontbreekt ons ten enen male.'
Het generaal pardon lijkt dan ook eerder een campagne-gerelateerd idee van Fortuyn te zijn geweest. In het betreffende interview maakt hij daar zelfs geen geheim van: 'Het is een deal: een streng beleid én een generaal pardon. [...] Het is gelijk oversteken. Blijft het asielbeleid bij het oude, dan geen generaal pardon.' Fortuyns generaal pardon was dus premature ruilhandel, een vorm van onderhandelen vóór de verkiezingen.
De LPF werd na de verkiezingen overigens wel in de problemen gebracht door Fortuyns overhaaste idee. Herben wilde een generaal pardon voor alle illegalen, maar dat zou niet alleen van toepassing zijn op maar liefst 100 000 illegalen in plaats van de door Fortuyn beoogde 6000, maar ook een gigantische aanzuigende werking hebben. Alle partijen - tot GroenLinks aan toe - spraken schande van het LPF-voorstel en ook LPF-stemmers reageerden woedend; hiervoor hadden ze niet op de LPF gestemd. Herben perkte daarop rap het pardon in tot uitgeprocedeerde asielzoekers die Nederlands spraken, werkten en geen strafblad hadden. Ook de terminologie zorgde voor verwarring. Een illegaal is niet per se hetzelfde als een uitgeprocedeerde asielzoeker - hij kan ook nooit een asielaanvraag hebben ingediend. Bovendien speelde toen de kwestie van de zgn. 'witte' illegalen - vreemdelingen zonder verblijfsvergunning maar mét sofinummer en belastingafdracht.
Gerd Leers moet nu volgens kabinetsbeleid 4800 illegalen oppakken. PvdA-burgemeesters als Wolfsen (Utrecht), Els Boot (Giessenlanden) en Van der Laan (Amsterdam) weigeren evenwel hun medewerking. De Telegraaf toonde echter aan dat onder PvdA-staatssecretaris Albayrak méér illegalen zijn opgepakt dan het kabinet-Rutte van plan is (10% meer). Het zijn verwarrende tijden. Helemaal voor Arend Jan Boekestijn: 'De ene dag wordt Fortuyn geeerd, de volgende dag is het geen probleem meer dat er illegalen zijn. NL is geen serieus land'.
Minister Gerd Leers (Immigratie en Asiel) is de minst te benijden bewindsman van het huidige kabinet. Niet alleen is hij binnen de coalitie een marionet van gedoogpartner PVV, hij moet zich ook buiten die samenwerking soms machteloos en zinloos voelen. Om iets aan de binnenlandse immigratiewetgeving te veranderen moet hij op Europees niveau gaan lobbyen. En als hij eindelijk daadkracht wil tonen met zijn illegalenbeleid liggen de ondergeschikte burgemeesters weer dwars. Naast hem, boven hem, onder hem, van alle kanten wordt Leers tegengewerkt.
'Waarom verdedigt Leers niet gewoon het kabinetsbeleid? Waarom zegt hij niet: "[...] Dat kun je onplezierig vinden, maar het is wel exact het beleid dat we nu eenmaal via een democratische meerderheid hebben gekozen. Dit is wat de meeste Nederlanders willen. Zoals we ook bij meerderheid besloten om die Afghaan uit Giessenlanden met een enkeltje op het vliegtuig te zetten, en geen beleid laten bepalen door mensen die dreigen met zelfmoord. Dat kan wat worden, als we elke vervelende beleidsmaatregel gaan intrekken zodra een of andere gek met zelfmoord dreigt! [...] Als u dat niet bevalt, dan moet u mij wegstemmen en met ander beleid komen, en anders voor eeuwig zwijgen."' Aldus Christiaan Weijts in een even confronterende als realistische column.
Een strenger immigratie- en integratiebeleid wordt over het algemeen als een erfenis van Fortuyn beschouwd. Fortuyn agendeerde 'de multiculturele samenleving' op de politieke agenda, tot op de dag van vandaag een veelbesproken onderwerp en katalysator van veel retoriek en emotie maar ook van politieke betrokkenheid van de burger. De immigratieparagraaf van Wilders en de PVV is niet denkbaar zonder het voorwerk van Fortuyn, maar Wilders vult zijn stokpaardjes 'islamisering' en 'massa-immigratie' toch veel radicaler in.
De PVV wil een permanente immigratiestop uit islamitische landen en criminele moslims hun Nederlanderschap ontnemen en ze het liefst 'terug' sturen. Van Fortuyn is de bekende uitspraak dat de Marokkaanse 'rotjongens' ons probleem zijn, 'daar kunnen we koning Hassan niet mee opschepen'. Dat was in hetzelfde Volkskrant-interview waarin hij de islam een 'achterlijke cultuur' noemde, nog dezelfde dag op Radio 1 gecorrigeerd tot 'achterlopend', wat precies hetzelfde betekent maar een andere gevoelswaarde heeft. Die correctie lijkt het collectieve geheugen overigens niet gehaald te hebben.
In Fortuyn-Wilders-vergelijkingen is meestal een belangrijk argument ten gunste van Fortuyn diens opvatting over illegalen. Fortuyn zou voor een generaal pardon zijn geweest. Inderdaad pleitte Fortuyn op 3 mei 2002 - drie dagen voor zijn dood - in een interview in de GPD-bladen voor een verblijfsvergunning voor illegalen die langer dan vijf jaar in Nederland waren en de Nederlandse taal beheersten. Deze ruimhartige opstelling moet echter wel in de context van de verkiezingen worden gezien.
In De puinhopen van acht jaar Paars (2002) - het officieuze LPF-verkiezingsprogramma - is er namelijk geen woord over te vinden. En in De islamisering van onze cultuur (heruitgave uit 2002 van Tegen de islamisering van onze cultuur uit 1997) schrijft Fortuyn (p. 99): 'De zorgwekkende problematiek van de hier illegaal verblijvende buitenlanders moet hier ondertussen geheel buiten beschouwing blijven. Het kwantitatieve en kwalitatieve inzicht in deze problematiek ontbreekt ons ten enen male.'
Het generaal pardon lijkt dan ook eerder een campagne-gerelateerd idee van Fortuyn te zijn geweest. In het betreffende interview maakt hij daar zelfs geen geheim van: 'Het is een deal: een streng beleid én een generaal pardon. [...] Het is gelijk oversteken. Blijft het asielbeleid bij het oude, dan geen generaal pardon.' Fortuyns generaal pardon was dus premature ruilhandel, een vorm van onderhandelen vóór de verkiezingen.
De LPF werd na de verkiezingen overigens wel in de problemen gebracht door Fortuyns overhaaste idee. Herben wilde een generaal pardon voor alle illegalen, maar dat zou niet alleen van toepassing zijn op maar liefst 100 000 illegalen in plaats van de door Fortuyn beoogde 6000, maar ook een gigantische aanzuigende werking hebben. Alle partijen - tot GroenLinks aan toe - spraken schande van het LPF-voorstel en ook LPF-stemmers reageerden woedend; hiervoor hadden ze niet op de LPF gestemd. Herben perkte daarop rap het pardon in tot uitgeprocedeerde asielzoekers die Nederlands spraken, werkten en geen strafblad hadden. Ook de terminologie zorgde voor verwarring. Een illegaal is niet per se hetzelfde als een uitgeprocedeerde asielzoeker - hij kan ook nooit een asielaanvraag hebben ingediend. Bovendien speelde toen de kwestie van de zgn. 'witte' illegalen - vreemdelingen zonder verblijfsvergunning maar mét sofinummer en belastingafdracht.
Gerd Leers moet nu volgens kabinetsbeleid 4800 illegalen oppakken. PvdA-burgemeesters als Wolfsen (Utrecht), Els Boot (Giessenlanden) en Van der Laan (Amsterdam) weigeren evenwel hun medewerking. De Telegraaf toonde echter aan dat onder PvdA-staatssecretaris Albayrak méér illegalen zijn opgepakt dan het kabinet-Rutte van plan is (10% meer). Het zijn verwarrende tijden. Helemaal voor Arend Jan Boekestijn: 'De ene dag wordt Fortuyn geeerd, de volgende dag is het geen probleem meer dat er illegalen zijn. NL is geen serieus land'.
vrijdag 30 maart 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Vergane glorie #15: De LPF
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com de komende maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Na 6 mei 2002 werd 'gedachtegoed' al snel het dominante woord in politiek en media als het over de ideeën en navolging van de Goddelijke Kale ging. Van de tien jaar die inmiddels zijn verstreken sinds de dood van Fortuyn werd de eerste helft daarvan gedomineerd door de LPF, de officiële behartigers van het gedachtegoed. De partij wist regeringsdeelname af te dwingen maar ontpopte zich al snel tot een club onverbeterbare ruziemakers, ongeleide projectielen, onbeschaamde machtswellustelingen, geestelijk labielen en andere Vollidioten. Dit overigens geheel volgens verwachting van Fortuyn, die ervan doordrongen was dat een groep capabele, betrouwbare mensen verzamelen een onmogelijke opdracht was.
De wederwaardigheden van de LPF zijn in enkele boeken smaakvol beschreven, bijvoorbeeld in Marcel van Roosmalens tweeluik Op pad met Pim (2002) en De Pimmels, de apostelen van Fortuyn (2003), en in de uitgebreide herdruk van Jutta Chorus, Menno de Galan, In de ban van Fortuyn (2006). Die boeken beschrijven echter de 'gloriejaren' van de partij en haar vertegenwoordigers - voor zover 'glorie' hierop van toepassing is. De jaren in de schijnwerpers dus. Na 2007 hield de LPF echter op te bestaan. Op vijf jaar bekendheid (beruchtheid?) zijn inmiddels vijf jaar vergetelheid gevolgd. Waar zijn ze anno 2012 gebleven?
De LPF leverde vier ministers aan Balkenende-I. De diep van binnen altijd VVD'er gebleven Roelf de Boer (Verkeer) werd in 2006 nog havenwethouder in Rotterdam, maar moest zijn functie binnen een half jaar al neerleggen wegens gezondheidsproblemen. Hij is 62 en houdt zich thans onledig met een zevental bestuurlijke 'nevenfuncties'. De uit de PvdA geplukte intellectueel Eduard Bomhoff (Volksgezondheid) keerde na zijn politieke avontuur rap terug in de academische moederschoot. Hij werd hoogleraar in Bahrein en vervolgens Maleisië, waar hij in 2010 met emeritaat ging. Hij is 67.
De transfervrij van het CDA overgenomen Hilbrand Nawijn (Vreemdelingenzaken) is van de vier nog het langst in de schijnwerpers gebleven. Hij richtte een eigen lijst op, ging de jumpstyle in, bracht een plaatje uit. Hij kwam bijtijds tot bezinning. Nawijn (63) zit sinds 2006 met vijf zetels in de gemeenteraad van Zoetermeer en sinds 2010 zelfs in het college; daarnaast runt hij een adviesbureau. Herman Heinsbroek (Economische Zaken) tenslotte probeerde het in 2003 nog kortstondig met een Lijst Nieuwe Politiek, maar nadat dat geen succes werd, verdween hij van het publieke toneel. En waarom ook het risico lopen nog eens de neus te stoten? Hij is 61 en multimiljonair...
De staatssecretarissen laat ik maar buiten beschouwing. Hun namen doen niet of nauwelijks een belletje rinkelen, toch een voorwaarde voor Vergane Glorie. Jan Odijk, Rob Hessing, Steven van Eijck, Khee Liang Phoa, Cees van Leeuwen, ze zijn de vergetelheid nooit ontstegen. Ja, Philomena Bijlhout wel, maar alleen omdat ze maar liefst 8 uur staatssecretaris was. Toen bleek dat ze weldegelijk onder Desi's vleugels had geopereerd en was het einde oefening. Ze kreeg niettemin wel gewoon tweeënhalf jaar wachtgeld! Meer dan een dag heten dan ook haar in 2008 verschenen memoires.
De overige kopstukken dan. Allereerst natuurlijk Mat Herben. Onze Mat. Oogstte vrijwel unanieme bewondering om zijn deskundige en bedachtzame optreden en kritiek vanuit de eigen partij omdat hij te inschikkelijk zou zijn. Beide lijken mij in het voordeel van Herben te spreken. Na zijn vertrek eind 2006 richtte hij een adviesbureau media & politiek op en werd hij senior adviseur bij de branchevereniging voor defensiebedrijven. Misschien schrijft Herben (59) nog een vervolg op zijn boek Vrij denken. Over politiek, religie en vrijmetselarij uit 2005.
Herbens vertrek in 2006 betekende al zijn derde voortijdig beëindigde partijleiderschap. Twee keer eerder was hij aan de kant geschoven. In augustus 2002 werd Harry Wijnschenk de nieuwe leider. Wie kent hem nog? In oktober werd Wijnschenk alweer van de troon gestoten. Hij zou zijn bedreigd met een pistool, zo vertelde hij Maxime Verhagen. Die nam contact op met Zalm en even later was het kabinet gevallen. Wijnschenk werd Groep-Wijnschenk, encanailleerde zich nog even met Heinsbroeks LNP en verdween toen uit beeld. Wijnschenk (48) is nu uitgever van enkele horlogetijdschriften. Ook mooi.
De tweede revolutionair was Gerard van As. De zonnebankbruine Van As was partijleider tussen 2004 en 2006. Hij ging korte tijd verder met Nawijn en vervolgens als Groep Van As. Wikipedia - dat niet alleen encyclopedisch maar ook als bewaarder van van het net verwijderde en dus in principe voorgoed verduisterde informatie een goudmijn is - meldt: 'Op zijn eigen website laat Van As weten dat hij zich momenteel bezighoudt met vastgoedbemiddeling en met genealogisch onderzoek naar de familie Van Assche.' Dat was dus in 2006. De voorvaderen zijn inmiddels blijkbaar gelokaliseerd, want sinds 2010 politiekt Van As (67) weer. Zijn partij Nieuw Elan veroverde drie zetels in de Alphen aan den Rijnse raad.
De Kamerleden van 'toen' kunnen we verdelen in vier categorieën: niet in de vergetelheid want nooit bekend geworden; overleden; nog steeds in de schijnwerpers; in de vergetelheid. De eerste categorie laten we vanzelfsprekend buiten beschouwing. In de tweede categorie vallen Wien van den Brink en Jim Janssen van Raaij. Beiden overleden in 2010. Nog steeds regelmatig in beeld - met wisselend succes - zijn Joost Eerdmans en Hans Smolders. Eerdmans (41) bleef een actief baasje. Hij begon met Marco Pastors EenNL, werd wethouder in Capelle aan den IJssel, presenteert radio- en televisieprogramma's, werkt bij Deloitte en richtte het Burgercomité tegen Onrecht op. Ook Smolders (51) blijft het nieuws halen, eerst als grotemondige politicus in Tilburg en tegenwoordig als petitionist tegen de vervroegde vrijlating van Volkert van der Graaf.
De vierde categorie is hier het interessantst: de uit het oog verlorenen. João Varela, #2 op de eerste LPF-lijst en #1 in de verkiezing 'Slechtste Politicus van 2003', ging anoniem het accountantsbestaan in. Overigens schijnt Varela (37) nog iets te doen in De Financiële Telegraaf, maar dat katern laat ik op vakantie steevast ongelezen, uiteraard. Ferry Hoogendijk tikte al bijna de 70 aan toen hij in 2002 politicus werd en wacht tegenwoordig vermoedelijk rustig de 80 af. Bij hem denk ik toch in de eerste plaats aan een regel van Paul Groot als Herman Heinsbroek in Kopspijkers over een LPF-barbecue: 'Ferry Hoogendijk komt naar me toe met twee verbrande kippenpootjes. Ik zeg: "Ferry, trek dan ook geen korte broek aan."'
Wie nog meer? Winny de Jong! Hè, lééft die nog? Naar het schijnt wel (53). Maar wat ze precies doet is niet zo eenvoudig te achterhalen. Ze begon ooit een vertaalbureautje Duits-Nederlands, wellicht dat ze daar nog iets mee doet. Parlement.com meldt heel droog: 'hobby's: verzamelen van Alfa Romeo's'. En nu we het toch over maanzieke Mädel hebben: Gonny van Oudenallen. Naar verluidt was ze nog niet zo stom, maar zodra ze ging praten ging het mis. Het zou hilarisch zijn geweest als het allemaal niet zo treurig was voor een volksvertegenwoordiger. Van Oudenallen (55) werkt nu voor Verkeersgroepen Amsterdam als... woordvoerder. Ze doet het erom.
Nog één naam dan: Olaf Stuger. Wie? Olaf Stuger, LPF-lijsttrekker voor de verkiezingen van 2006. Hij is het echt geweest, dat is historisch aantoonbaar juist. Ik moest echter heel diep graven. Een 'oh ja!'-ervaring bleef al helemaal uit. De LPF heette toen trouwens al geen LPF meer maar Lijst Vijf Fortuyn. Ik kende nog wel Pims broers Marten Fortuyn en Simon Fortuyn, maar Vijf Fortuyn? Neen.
Stuger behaalde geen enkele zetel; de PVV kwam met negen de Kamer binnen.
Karl Marx zei ooit dat historische gebeurtenissen zich tweemaal voordoen: eerst als tragedie en vervolgens als klucht. De LPF heeft dit merkwaardigerwijs weten om te draaien. De historische actualiteit was één grote klucht, nu, tien jaar later, maken al die halfvergeten namen, al die vergeefse inspanningen toch vooral een tragische indruk.
Een deel van de informatie werd ontleend aan parlement.com.
Na 6 mei 2002 werd 'gedachtegoed' al snel het dominante woord in politiek en media als het over de ideeën en navolging van de Goddelijke Kale ging. Van de tien jaar die inmiddels zijn verstreken sinds de dood van Fortuyn werd de eerste helft daarvan gedomineerd door de LPF, de officiële behartigers van het gedachtegoed. De partij wist regeringsdeelname af te dwingen maar ontpopte zich al snel tot een club onverbeterbare ruziemakers, ongeleide projectielen, onbeschaamde machtswellustelingen, geestelijk labielen en andere Vollidioten. Dit overigens geheel volgens verwachting van Fortuyn, die ervan doordrongen was dat een groep capabele, betrouwbare mensen verzamelen een onmogelijke opdracht was.
De wederwaardigheden van de LPF zijn in enkele boeken smaakvol beschreven, bijvoorbeeld in Marcel van Roosmalens tweeluik Op pad met Pim (2002) en De Pimmels, de apostelen van Fortuyn (2003), en in de uitgebreide herdruk van Jutta Chorus, Menno de Galan, In de ban van Fortuyn (2006). Die boeken beschrijven echter de 'gloriejaren' van de partij en haar vertegenwoordigers - voor zover 'glorie' hierop van toepassing is. De jaren in de schijnwerpers dus. Na 2007 hield de LPF echter op te bestaan. Op vijf jaar bekendheid (beruchtheid?) zijn inmiddels vijf jaar vergetelheid gevolgd. Waar zijn ze anno 2012 gebleven?
De LPF leverde vier ministers aan Balkenende-I. De diep van binnen altijd VVD'er gebleven Roelf de Boer (Verkeer) werd in 2006 nog havenwethouder in Rotterdam, maar moest zijn functie binnen een half jaar al neerleggen wegens gezondheidsproblemen. Hij is 62 en houdt zich thans onledig met een zevental bestuurlijke 'nevenfuncties'. De uit de PvdA geplukte intellectueel Eduard Bomhoff (Volksgezondheid) keerde na zijn politieke avontuur rap terug in de academische moederschoot. Hij werd hoogleraar in Bahrein en vervolgens Maleisië, waar hij in 2010 met emeritaat ging. Hij is 67.
De transfervrij van het CDA overgenomen Hilbrand Nawijn (Vreemdelingenzaken) is van de vier nog het langst in de schijnwerpers gebleven. Hij richtte een eigen lijst op, ging de jumpstyle in, bracht een plaatje uit. Hij kwam bijtijds tot bezinning. Nawijn (63) zit sinds 2006 met vijf zetels in de gemeenteraad van Zoetermeer en sinds 2010 zelfs in het college; daarnaast runt hij een adviesbureau. Herman Heinsbroek (Economische Zaken) tenslotte probeerde het in 2003 nog kortstondig met een Lijst Nieuwe Politiek, maar nadat dat geen succes werd, verdween hij van het publieke toneel. En waarom ook het risico lopen nog eens de neus te stoten? Hij is 61 en multimiljonair...
De staatssecretarissen laat ik maar buiten beschouwing. Hun namen doen niet of nauwelijks een belletje rinkelen, toch een voorwaarde voor Vergane Glorie. Jan Odijk, Rob Hessing, Steven van Eijck, Khee Liang Phoa, Cees van Leeuwen, ze zijn de vergetelheid nooit ontstegen. Ja, Philomena Bijlhout wel, maar alleen omdat ze maar liefst 8 uur staatssecretaris was. Toen bleek dat ze weldegelijk onder Desi's vleugels had geopereerd en was het einde oefening. Ze kreeg niettemin wel gewoon tweeënhalf jaar wachtgeld! Meer dan een dag heten dan ook haar in 2008 verschenen memoires.
De overige kopstukken dan. Allereerst natuurlijk Mat Herben. Onze Mat. Oogstte vrijwel unanieme bewondering om zijn deskundige en bedachtzame optreden en kritiek vanuit de eigen partij omdat hij te inschikkelijk zou zijn. Beide lijken mij in het voordeel van Herben te spreken. Na zijn vertrek eind 2006 richtte hij een adviesbureau media & politiek op en werd hij senior adviseur bij de branchevereniging voor defensiebedrijven. Misschien schrijft Herben (59) nog een vervolg op zijn boek Vrij denken. Over politiek, religie en vrijmetselarij uit 2005.
Herbens vertrek in 2006 betekende al zijn derde voortijdig beëindigde partijleiderschap. Twee keer eerder was hij aan de kant geschoven. In augustus 2002 werd Harry Wijnschenk de nieuwe leider. Wie kent hem nog? In oktober werd Wijnschenk alweer van de troon gestoten. Hij zou zijn bedreigd met een pistool, zo vertelde hij Maxime Verhagen. Die nam contact op met Zalm en even later was het kabinet gevallen. Wijnschenk werd Groep-Wijnschenk, encanailleerde zich nog even met Heinsbroeks LNP en verdween toen uit beeld. Wijnschenk (48) is nu uitgever van enkele horlogetijdschriften. Ook mooi.
De tweede revolutionair was Gerard van As. De zonnebankbruine Van As was partijleider tussen 2004 en 2006. Hij ging korte tijd verder met Nawijn en vervolgens als Groep Van As. Wikipedia - dat niet alleen encyclopedisch maar ook als bewaarder van van het net verwijderde en dus in principe voorgoed verduisterde informatie een goudmijn is - meldt: 'Op zijn eigen website laat Van As weten dat hij zich momenteel bezighoudt met vastgoedbemiddeling en met genealogisch onderzoek naar de familie Van Assche.' Dat was dus in 2006. De voorvaderen zijn inmiddels blijkbaar gelokaliseerd, want sinds 2010 politiekt Van As (67) weer. Zijn partij Nieuw Elan veroverde drie zetels in de Alphen aan den Rijnse raad.
De Kamerleden van 'toen' kunnen we verdelen in vier categorieën: niet in de vergetelheid want nooit bekend geworden; overleden; nog steeds in de schijnwerpers; in de vergetelheid. De eerste categorie laten we vanzelfsprekend buiten beschouwing. In de tweede categorie vallen Wien van den Brink en Jim Janssen van Raaij. Beiden overleden in 2010. Nog steeds regelmatig in beeld - met wisselend succes - zijn Joost Eerdmans en Hans Smolders. Eerdmans (41) bleef een actief baasje. Hij begon met Marco Pastors EenNL, werd wethouder in Capelle aan den IJssel, presenteert radio- en televisieprogramma's, werkt bij Deloitte en richtte het Burgercomité tegen Onrecht op. Ook Smolders (51) blijft het nieuws halen, eerst als grotemondige politicus in Tilburg en tegenwoordig als petitionist tegen de vervroegde vrijlating van Volkert van der Graaf.
De vierde categorie is hier het interessantst: de uit het oog verlorenen. João Varela, #2 op de eerste LPF-lijst en #1 in de verkiezing 'Slechtste Politicus van 2003', ging anoniem het accountantsbestaan in. Overigens schijnt Varela (37) nog iets te doen in De Financiële Telegraaf, maar dat katern laat ik op vakantie steevast ongelezen, uiteraard. Ferry Hoogendijk tikte al bijna de 70 aan toen hij in 2002 politicus werd en wacht tegenwoordig vermoedelijk rustig de 80 af. Bij hem denk ik toch in de eerste plaats aan een regel van Paul Groot als Herman Heinsbroek in Kopspijkers over een LPF-barbecue: 'Ferry Hoogendijk komt naar me toe met twee verbrande kippenpootjes. Ik zeg: "Ferry, trek dan ook geen korte broek aan."'
Wie nog meer? Winny de Jong! Hè, lééft die nog? Naar het schijnt wel (53). Maar wat ze precies doet is niet zo eenvoudig te achterhalen. Ze begon ooit een vertaalbureautje Duits-Nederlands, wellicht dat ze daar nog iets mee doet. Parlement.com meldt heel droog: 'hobby's: verzamelen van Alfa Romeo's'. En nu we het toch over maanzieke Mädel hebben: Gonny van Oudenallen. Naar verluidt was ze nog niet zo stom, maar zodra ze ging praten ging het mis. Het zou hilarisch zijn geweest als het allemaal niet zo treurig was voor een volksvertegenwoordiger. Van Oudenallen (55) werkt nu voor Verkeersgroepen Amsterdam als... woordvoerder. Ze doet het erom.
Nog één naam dan: Olaf Stuger. Wie? Olaf Stuger, LPF-lijsttrekker voor de verkiezingen van 2006. Hij is het echt geweest, dat is historisch aantoonbaar juist. Ik moest echter heel diep graven. Een 'oh ja!'-ervaring bleef al helemaal uit. De LPF heette toen trouwens al geen LPF meer maar Lijst Vijf Fortuyn. Ik kende nog wel Pims broers Marten Fortuyn en Simon Fortuyn, maar Vijf Fortuyn? Neen.
Stuger behaalde geen enkele zetel; de PVV kwam met negen de Kamer binnen.
Karl Marx zei ooit dat historische gebeurtenissen zich tweemaal voordoen: eerst als tragedie en vervolgens als klucht. De LPF heeft dit merkwaardigerwijs weten om te draaien. De historische actualiteit was één grote klucht, nu, tien jaar later, maken al die halfvergeten namen, al die vergeefse inspanningen toch vooral een tragische indruk.
Een deel van de informatie werd ontleend aan parlement.com.
zaterdag 24 maart 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Spoorwegprivatisering
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com de komende maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
We hebben vorige week gezien dat Fortuyn op het gebied van openbaar vervoer een evolutie doormaakte van voorstander tot felle tegenstander. In De puinhopen van acht jaar Paars (2002) schreef hij: 'NS niet privatiseren en zeker niet naar de beurs, bovendien de scheiding tussen NS-reizigers en railinfrabeheer opheffen, er moet één aanspreekpunt zijn voor een punctueel treinenverloop en niet twee die elkaar de bal kunnen toespelen, zoals nu het geval is.'
Maar dit stond in zijn boek dat als officieus beginsel- annex verkiezingsprogramma werd gebruikt. We onderzoeken hier echter ook wat er sinds 2002 is gebeurd. Na Fortuyns dood kwam de LPF in de regering terecht. Vier ministersposten kreeg de partij toebedeeld: Economische Zaken, Volksgezondheid, Verkeer en Waterstaat en Vreemdelingenzaken en Integratie. Op Verkeer kwam Roelf de Boer, ongetwijfeld toen en zeker nu de minst bekende van de vier. De elkaar in de haren vliegende Herman Heinsbroek en Eduard Bomhoff en de proefballonvaarder Hilbrand Nawijn hebben immers een blijvende indruk achtergelaten, zij het geen onverdeeld positieve. Wat is de invloed van Roelf de Boer op de spoorwegen geweest?
Op parlement.com staat een handig overzicht. De Boers ministeriële activiteiten zijn opgesplitst in 'beleid' en 'wetgeving'. Beleidsmatig schreef hij met Donner (Justitie) en Remkes (Binnenlandse Zaken) onder andere een 'aanvalsplan' om de veiligheid in het openbaar vervoer te verbeteren en op het gebied van wetgeving wist hij 'in het laatste uur van zijn ministerschap' een wetsvoorstel om hoofdwegen met spoed te verbreden door de Senaat te loodsen. Zijn tweede succes was de nieuwe Spoorwegwet - waar het ons hier om te doen is. Ik citeer:
Overigens is de verzelfstandiging van de NS al in 1993 in gang gezet, nog vóór Paars dus. Maar de daadwerkelijke uitvoering is uiteraard wel onder Paars geschied, zij het onder druk van Europese regelgeving. Op 1 januari 1995 werd de splitsing tussen een 'taaksector' (infrastructuur) en een 'marktsector' (vervoer) officieel; Kok-I was toen net een paar maanden bezig. Dit wijst m.i. in de eerste plaats op twee 'voldongen feiten van de politiek': een nieuwe regering belooft altijd verandering, maar feitelijk voert zij eerst nog een groot deel van de plannen van de vorige regering uit, en Europa bepaalt alles.
Nu heet het dat in 2002 de in 1995 ingezette splitsing (deels) teruggedraaid werd. In 2002, dus op basis van spoorwegwet van De Boer? Dat blijkt toch niet uit het hierboven geciteerde; ik herhaal: 'De wet regelt een strikte scheiding tussen enerzijds de zorg voor de infrastructuur en anderzijds het leveren van vervoersproducten op die infrastructuur; dat vervoer wordt verzorgd door de marktpartijen in concurrentie.' Het terugdraaien zou anderzijds wel weer in lijn liggen van De puinhopen (p. 126-127):
'De NS privatiseren en het spoor liberaliseren, het slaat allemaal nergens op. Zoiets werkt alleen als je naast de bestaande rails ten minste nog een concurrerende rails kunt leggen, zoals dat in Japan is gebeurd. Welnu, dat is te kostbaar en kan niet in een overvol land als het onze. Zonder meerdere spoorlijnen naast elkaar is er ook geen concurrentie mogelijk en moeten we er niet aan beginnen. [...] We hebben het geprobeerd en dat is goed, maar het is ons over het algemeen matig tot niet bevallen. Welnu, we trekken onze lessen, verbeteren waar mogelijk en draaien terug waar nodig onder het motto: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald!'
Het gebrek aan concurrentie was inderdaad de voornaamste reden om de splitsing terug te draaien. In het goederenvervoer trad er wel enige concurrentievorming op, maar niet in het reizigersvervoer. Daar verhoogde de NS meteen de prijs van een treinkaartje met 6% (zie Arie van der Zwan, Handelaars in onrust, 2010).
Het blijft voor mij toch onduidelijk wat nu de rol van de LPF, van Roelf de Boer, is geweest in dit proces van privatisering, van splisting en (gedeeltelijk) herstel van de oude situatie. Van der Zwan geeft hier wellicht nog een hint in die richting: '[Den Besten, directeur sinds 1992] ging verder dan de regering, die alleen de infrastructuur wilde scheiden van de exploitatie. Den Besten wilde ook het reizigersbedrijf opsplitsen waarbij zelfstandige onderdelen elkaar rekeningen sturen.'
Zo bezien zou de situatie als volgt kunnen zijn: onder Jorritsma en Netelenbos kreeg de privatisering van de spoorwegen, in de vorm van een splitsing van de NS, gestalte; vervolgens voerde de directie van de NS gedurende de jaren negentig de marktwerking te ver door, waardoor De Boers spoorwegwet in 2002 feitelijk neerkwam op herstel van de aanvankelijke splitsingsgedachte en de daaronder vallende Concessiewet de verdeel-en-heers-gedachte van de NS moest beteugelen.
We hebben vorige week gezien dat Fortuyn op het gebied van openbaar vervoer een evolutie doormaakte van voorstander tot felle tegenstander. In De puinhopen van acht jaar Paars (2002) schreef hij: 'NS niet privatiseren en zeker niet naar de beurs, bovendien de scheiding tussen NS-reizigers en railinfrabeheer opheffen, er moet één aanspreekpunt zijn voor een punctueel treinenverloop en niet twee die elkaar de bal kunnen toespelen, zoals nu het geval is.'
Maar dit stond in zijn boek dat als officieus beginsel- annex verkiezingsprogramma werd gebruikt. We onderzoeken hier echter ook wat er sinds 2002 is gebeurd. Na Fortuyns dood kwam de LPF in de regering terecht. Vier ministersposten kreeg de partij toebedeeld: Economische Zaken, Volksgezondheid, Verkeer en Waterstaat en Vreemdelingenzaken en Integratie. Op Verkeer kwam Roelf de Boer, ongetwijfeld toen en zeker nu de minst bekende van de vier. De elkaar in de haren vliegende Herman Heinsbroek en Eduard Bomhoff en de proefballonvaarder Hilbrand Nawijn hebben immers een blijvende indruk achtergelaten, zij het geen onverdeeld positieve. Wat is de invloed van Roelf de Boer op de spoorwegen geweest?
Op parlement.com staat een handig overzicht. De Boers ministeriële activiteiten zijn opgesplitst in 'beleid' en 'wetgeving'. Beleidsmatig schreef hij met Donner (Justitie) en Remkes (Binnenlandse Zaken) onder andere een 'aanvalsplan' om de veiligheid in het openbaar vervoer te verbeteren en op het gebied van wetgeving wist hij 'in het laatste uur van zijn ministerschap' een wetsvoorstel om hoofdwegen met spoed te verbreden door de Senaat te loodsen. Zijn tweede succes was de nieuwe Spoorwegwet - waar het ons hier om te doen is. Ik citeer:
Deze wet wijzigt de gehele spoorwegwetgeving door bestaande wetten te vervangen door één nieuwe wet. Hiermee worden de publiekrechtelijke verantwoordelijkheden en verplichtingen van de minister, de uitvoeringsorganisaties, de vervoerders en andere betrokkenen geregeld. De wet regelt een strikte scheiding tussen enerzijds de zorg voor de infrastructuur en anderzijds het leveren van vervoersproducten op die infrastructuur; dat vervoer wordt verzorgd door de marktpartijen in concurrentie. De zorg voor de infrastructuur, het verdelen van de capaciteit ervan, de randvoorwaarden voor het gebruik en de veiligheid is de verantwoordelijkheid van de overheid. De uitvoerende overheidstaken zullen worden opgedragen aan een zelfstandige uitvoeringsorganisatie. Voor een overgangsperiode zullen deze taken worden uitgevoerd door voormalige onderdelen van het NS-concern. Een Concessiewet (Stb. 265) voert een concessiestelsel voor het personenvervoer per trein en het hogesnelheidsvervoer in. De wet bevat bepalingen voor het verlenen van meerjarige rechten met betrekking tot de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit.Er volgt echter nog een zin die op zijn minst frappeert: 'De wetsvoorstellen waren in 2000 ingediend door zijn voorganger Netelenbos.' Heeft De Boer dus het Paarse beleid voortgezet? Men bedenke dat De Boer lid van de VVD was toen hij juli 2002 minister namens de LPF werd - op het laatste nippertje (zie Jutta Chorus, Menno de Galan, In de ban van Fortuyn, 20063, p. 308-309), en bovendien nog tot september officieel VVD'er bleef. Nu was Netelenbos weliswaar van de PvdA, maar in het licht van de privatiseringsagenda van Paars niet onderdoend voor de meest economisch-liberale VVD'ers.
Overigens is de verzelfstandiging van de NS al in 1993 in gang gezet, nog vóór Paars dus. Maar de daadwerkelijke uitvoering is uiteraard wel onder Paars geschied, zij het onder druk van Europese regelgeving. Op 1 januari 1995 werd de splitsing tussen een 'taaksector' (infrastructuur) en een 'marktsector' (vervoer) officieel; Kok-I was toen net een paar maanden bezig. Dit wijst m.i. in de eerste plaats op twee 'voldongen feiten van de politiek': een nieuwe regering belooft altijd verandering, maar feitelijk voert zij eerst nog een groot deel van de plannen van de vorige regering uit, en Europa bepaalt alles.
Nu heet het dat in 2002 de in 1995 ingezette splitsing (deels) teruggedraaid werd. In 2002, dus op basis van spoorwegwet van De Boer? Dat blijkt toch niet uit het hierboven geciteerde; ik herhaal: 'De wet regelt een strikte scheiding tussen enerzijds de zorg voor de infrastructuur en anderzijds het leveren van vervoersproducten op die infrastructuur; dat vervoer wordt verzorgd door de marktpartijen in concurrentie.' Het terugdraaien zou anderzijds wel weer in lijn liggen van De puinhopen (p. 126-127):
'De NS privatiseren en het spoor liberaliseren, het slaat allemaal nergens op. Zoiets werkt alleen als je naast de bestaande rails ten minste nog een concurrerende rails kunt leggen, zoals dat in Japan is gebeurd. Welnu, dat is te kostbaar en kan niet in een overvol land als het onze. Zonder meerdere spoorlijnen naast elkaar is er ook geen concurrentie mogelijk en moeten we er niet aan beginnen. [...] We hebben het geprobeerd en dat is goed, maar het is ons over het algemeen matig tot niet bevallen. Welnu, we trekken onze lessen, verbeteren waar mogelijk en draaien terug waar nodig onder het motto: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald!'
Het gebrek aan concurrentie was inderdaad de voornaamste reden om de splitsing terug te draaien. In het goederenvervoer trad er wel enige concurrentievorming op, maar niet in het reizigersvervoer. Daar verhoogde de NS meteen de prijs van een treinkaartje met 6% (zie Arie van der Zwan, Handelaars in onrust, 2010).
Het blijft voor mij toch onduidelijk wat nu de rol van de LPF, van Roelf de Boer, is geweest in dit proces van privatisering, van splisting en (gedeeltelijk) herstel van de oude situatie. Van der Zwan geeft hier wellicht nog een hint in die richting: '[Den Besten, directeur sinds 1992] ging verder dan de regering, die alleen de infrastructuur wilde scheiden van de exploitatie. Den Besten wilde ook het reizigersbedrijf opsplitsen waarbij zelfstandige onderdelen elkaar rekeningen sturen.'
Zo bezien zou de situatie als volgt kunnen zijn: onder Jorritsma en Netelenbos kreeg de privatisering van de spoorwegen, in de vorm van een splitsing van de NS, gestalte; vervolgens voerde de directie van de NS gedurende de jaren negentig de marktwerking te ver door, waardoor De Boers spoorwegwet in 2002 feitelijk neerkwam op herstel van de aanvankelijke splitsingsgedachte en de daaronder vallende Concessiewet de verdeel-en-heers-gedachte van de NS moest beteugelen.
donderdag 15 maart 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Was Fortuyn nu voor of tegen privatisering?
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com de komende maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
De 'multiculturele samenleving' is de geschiedenisboeken ingegaan als hét stokpaardje van Fortuyn. Maar 'privatisering' was feitelijk zijn eerste grote thema, als wetenschapper, als columnist en ook nog als politicus. Boektitels als De overheid als ondernemer (1992) en in het bijzonder Zonder ambtenaren (1997) wijzen al op een preoccupatie met de functie die de overheid zou moeten vervullen in de moderne, verregaand geïndividualiseerde samenleving.
Maar wat was eigenlijk zijn standpunt in deze kwestie? Was Fortuyn nu vóór of juist tegen privatisering? Aangezien Fortuyn zich afzette tegen Paars zou men toch het laatste verwachten. Als de Paarse heerschappij immers met één woord gekenschetst moet worden, dan is ‘privatisering’ de grootste kandidaat. PvdA, maar vooral VVD en zeker D66 hebben in acht jaar tijd de marktwerking in alle sectoren van de maatschappij doorgevoerd. Energie, vervoer, telecommunicatie, zorg, geen sector was veilig voor Netelenbos, Jorritsma, Els Borst, Hans Wijers en andere spoken uit het verleden. Fortuyn vatte de Paarse jaren in de pakkende metafoor van de puinhopen.
Toch lijkt het erop dat Fortuyn vandaag de dag juist als pro privatisering wordt gezien. Jan Marijnissen sprak recent in de uitzending van Pauw & Witteman over het legendarische nachtelijke debat nog zijn afschuw uit over de vermeende privatiseringszucht van Fortuyn: ‘hij wilde alles vermarkten,’ zei Jan. En zelfs op het weblog JAAP, tegenhanger van het meerderwaardigemensenweblog JOOP, viel te lezen dat Fortuyn voor privatisering was.
Het is verhelderend om De puinhopen van acht jaar Paars (2002) weer eens op te slaan, die klassieker die het inmiddels zelfs tot de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL) heeft geschopt en daar integraal te lezen is. Deze zin op pagina 123 laat aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Ik heb aan de wieg gestaan van het bedrijfsmatiger werken bij de overheid en die van het idee van privatisering van overheidsdiensten.' Fortuyn erkent echter dat de privatisering geen onverdeeld succes is gebleken, integendeel. Bijvoorbeeld in de telecomsector: 'Ik was een hartelijk voorstander van de privatisering van de PTT en de omvorming daarvan tot KPN en ten slotte tot de beursgang van dit bedrijf. Maar ook daar kunnen we van leren. Achteraf gezien hadden we wel het bedrijf moeten privatiseren en naar de beurs laten gaan, maar hadden we dit niet moeten doen met al het onroerende goed en het vaste net en die mooie telefooncentrales.' (125)
Fortuyn concludeert: 'nutsbedrijven (energie- en waterleveranciers en energie- en waterproducenten) niet privatiseren; terugdraaien van de liberalisering van de stroommarkt als we geen stroom willen die door kernenergie wordt opgewekt en anders wel liberaliseren, maar dan blijft onze kerncentrale in Borsele open en studeren we op een tweede; NS niet privatiseren en zeker niet naar de beurs, bovendien de scheiding tussen NS-reizigers en railinfrabeheer opheffen, er moet één aanspreekpunt zijn voor een punctueel treinenverloop en niet twee die elkaar de bal kunnen toespelen, zoals nu het geval is; Schiphol en het Rotterdams havenbedrijf niet privatiseren en absoluut niet naar de beurs.' (125) Merk op dat het gesignaleerde elkaar-de-bal-toespelen van NS en ProRail inmiddels zo destructief is geworden dat de splitsing als dé oorzaak voor de huidige spoorchaos wordt beschouwd.
In de genoemde sectoren was Fortuyn dus na aanvankelijke instemming - en zelfs medewerking - uiteindelijk mordicus tegen verdere privatisering. In deze conclusie is echter nog niets gezegd over de gezondheidszorg: daar lijkt Fortuyn toch wel voor marktwerking te zijn geweest om de torenhoge kosten en dodelijke wachtlijsten te bestrijden. Een van de 'aanbevelingen' in De puinhopen luidt: 'De zorgaanbieder stelt op basis van volledige concurrentie met andere zorgaanbieders, private aanbieders en ondernemingen, alsmede de klassieke semi-statelijke instellingen, zelf zijn prijs jaarlijks vast [...]. De prijsvorming is dus volledig vrij en wordt slechts begrensd door de marktomstandigheden.' (46) Marijnissen doelde overigens ook vooral op de zorgsector met zijn kritiek, zeg ik eerlijkheidshalve.
Toch verdient ook dit beeld weer bijstelling. Het is dan altijd nuttig om mijn zakbijbel inzake Fortuyn, Dick Pels’ De geest van Pim, er op na te slaan. Pels zet in dit boek veel misvattingen en vooroordelen rond Fortuyn recht, waaronder ook het beeld van diens opvattingen rond privatisering: Pels stelt dat Fortuyn ‘niet simpelweg het liedje van de staat inruilt voor het liedje van de markt, maar een “derde weg” inslaat’. (142) Zijn uitgangspunt was een ‘steeds intensiever wordende vervlechting tussen collectieve en private sector’.
In een wetenschappelijk artikel van eind jaren tachtig schetste Fortuyn al een beeld van die operatie die uitwassen aan beide kanten moest voorkomen: het ging erom de ‘staat [te] ontlasten’ en tegelijk de ‘natuurlijke expansiedrang’ van de markt te beteugelen. In het adviesrapport Ordening door ontvlechting (1990) heette het kernachtig: politieke besluitvorming centraliseren, praktische uitvoering decentraliseren.
Het rapport, door Pels beoordeeld als ‘een helder geschreven en deskundig werkstuk’ (149), heeft als krachtige aanbeveling, (in de parafrase van Pels): ‘De gezondheidszorg kan slechts ten dele een markt zijn, want het gaat hier niet zomaar om een verhandelbaar goed, maar om het “hoogste goed” dat ieder mens zich wenst. Omdat de aanbodkant daarbij sterk monopoloïde trekken blijft vertonen, zal een zekere mate van centrale sturing onontbeerlijk zijn (Fortuyn 1990a: 2-3).’ (146) En die derde weg tussen markt en staat blijkt Fortuyn ook in 2002 weldegelijk nog te volgen: 'Ik koos [in 1990 dus] voor een uitwerking van de plannen van de commissie-Dekker [= van aanbod- naar vraaggericht; beperkte marktwerking; kostenreductie door substitutie] en niet voor het Engelse staatssocialistische voorbeeld van staatssecretaris Simons. Wel was ik en ben ik van mening dat de politiek, kabinet en Kamer, de regievoering te allen tijde in handen dient te houden. De politiek moet immer aan te spreken zijn op het aanbod aan zorg, zowel de kwaliteit daarvan als de kwantiteit, en op de toegankelijkheid daarvan.' (24, mijn cursivering)
Het is ook deze vorm van selectieve, gerichte privatisering die de LPF na de dood van Fortuyn in concreet beleid trachtte om te zetten. Zo wilde de LPF ziekenhuizen redden met privatisering als tovermiddel. Privatisering is hier dus nadrukkelijk een middel om een kleinschalig streekziekenhuis te behouden en niet – zoals vaak – een instrument in schaalvergrotingsoperaties. En minister van Economische Zaken Herman Heinsbroek vond tussen het ordinair ruziemaken nog tijd om de privatisering van de energiesector af te remmen. Hij wilde deze ‘niet terugdraaien, maar wel heel kritisch bekijken en met nog meer regels dichttimmeren’.
Dit lokte prompt ruimhartige bijval uit PvdA-hoek uit. Kamerlid Ferd Crone prijst Heinsbroek als een ‘ware volgeling van wat Fortuyn over privatisering schreef’. Crone citeert Fortuyn zonder bron: ‘Het privatiseren van een publiek goed met monopoloïde trekken is geen goede gedachte en pakt uitermate vervelend uit voor de consument-eindverbruiker’. Dit lijkt verdacht veel op het citaat met 'monopoloïde' uit 1990 (zie hierboven), maar het blijkt uit De puinhopen te komen en luidt daar volledig: 'Kortom, het privatiseren van een publiek goed met monopoloïde trekken is geen goede gedachte en pakt uitermate vervelend uit voor de consument-eindgebruiker: prijzen gaan omhoog en het geleverde product dendert achteruit qua kwaliteit en de toekomst van de producten en dienstverlening is allerminst veilig gesteld.' (123-124) Ik merk wel op dat het Fortuyn in 1990 nog om de zorg ging, terwijl de geciteerde zin in 2002 op de nutssector betrekking heeft.
Na de roemloze aftocht van de LPF is ook snel de gedetailleerde, genuanceerde kennis van Fortuyns ideeën rond overheid en martkwerking achteruit gehold. Zo kon het zelfs gebeuren dat de – in de woorden van Pels - ‘(groen)linkse denker’ Wijnand Duyvendak eind 2003 plannen tegen privatisering presenteerde die bijna letterlijk aan Fortuyn ontleend leken (en wie weet ook wel daadwerkelijk aan hem ontleend waren).
Mijn conclusie: op gebieden als energie, vervoer, telecom ontwikkelde Fortuyn zich van voorstander tot felle tegenstander van privatisering; voor de gezondheidszorg bleef Fortuyn consequent een gematigd voorstander van privatisering op uitvoerend terrein, maar met een grote rol voor de overheid in beleid, 'regievoering' en toezicht.
De 'multiculturele samenleving' is de geschiedenisboeken ingegaan als hét stokpaardje van Fortuyn. Maar 'privatisering' was feitelijk zijn eerste grote thema, als wetenschapper, als columnist en ook nog als politicus. Boektitels als De overheid als ondernemer (1992) en in het bijzonder Zonder ambtenaren (1997) wijzen al op een preoccupatie met de functie die de overheid zou moeten vervullen in de moderne, verregaand geïndividualiseerde samenleving.
Maar wat was eigenlijk zijn standpunt in deze kwestie? Was Fortuyn nu vóór of juist tegen privatisering? Aangezien Fortuyn zich afzette tegen Paars zou men toch het laatste verwachten. Als de Paarse heerschappij immers met één woord gekenschetst moet worden, dan is ‘privatisering’ de grootste kandidaat. PvdA, maar vooral VVD en zeker D66 hebben in acht jaar tijd de marktwerking in alle sectoren van de maatschappij doorgevoerd. Energie, vervoer, telecommunicatie, zorg, geen sector was veilig voor Netelenbos, Jorritsma, Els Borst, Hans Wijers en andere spoken uit het verleden. Fortuyn vatte de Paarse jaren in de pakkende metafoor van de puinhopen.
Toch lijkt het erop dat Fortuyn vandaag de dag juist als pro privatisering wordt gezien. Jan Marijnissen sprak recent in de uitzending van Pauw & Witteman over het legendarische nachtelijke debat nog zijn afschuw uit over de vermeende privatiseringszucht van Fortuyn: ‘hij wilde alles vermarkten,’ zei Jan. En zelfs op het weblog JAAP, tegenhanger van het meerderwaardigemensenweblog JOOP, viel te lezen dat Fortuyn voor privatisering was.
Het is verhelderend om De puinhopen van acht jaar Paars (2002) weer eens op te slaan, die klassieker die het inmiddels zelfs tot de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL) heeft geschopt en daar integraal te lezen is. Deze zin op pagina 123 laat aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Ik heb aan de wieg gestaan van het bedrijfsmatiger werken bij de overheid en die van het idee van privatisering van overheidsdiensten.' Fortuyn erkent echter dat de privatisering geen onverdeeld succes is gebleken, integendeel. Bijvoorbeeld in de telecomsector: 'Ik was een hartelijk voorstander van de privatisering van de PTT en de omvorming daarvan tot KPN en ten slotte tot de beursgang van dit bedrijf. Maar ook daar kunnen we van leren. Achteraf gezien hadden we wel het bedrijf moeten privatiseren en naar de beurs laten gaan, maar hadden we dit niet moeten doen met al het onroerende goed en het vaste net en die mooie telefooncentrales.' (125)
Fortuyn concludeert: 'nutsbedrijven (energie- en waterleveranciers en energie- en waterproducenten) niet privatiseren; terugdraaien van de liberalisering van de stroommarkt als we geen stroom willen die door kernenergie wordt opgewekt en anders wel liberaliseren, maar dan blijft onze kerncentrale in Borsele open en studeren we op een tweede; NS niet privatiseren en zeker niet naar de beurs, bovendien de scheiding tussen NS-reizigers en railinfrabeheer opheffen, er moet één aanspreekpunt zijn voor een punctueel treinenverloop en niet twee die elkaar de bal kunnen toespelen, zoals nu het geval is; Schiphol en het Rotterdams havenbedrijf niet privatiseren en absoluut niet naar de beurs.' (125) Merk op dat het gesignaleerde elkaar-de-bal-toespelen van NS en ProRail inmiddels zo destructief is geworden dat de splitsing als dé oorzaak voor de huidige spoorchaos wordt beschouwd.
In de genoemde sectoren was Fortuyn dus na aanvankelijke instemming - en zelfs medewerking - uiteindelijk mordicus tegen verdere privatisering. In deze conclusie is echter nog niets gezegd over de gezondheidszorg: daar lijkt Fortuyn toch wel voor marktwerking te zijn geweest om de torenhoge kosten en dodelijke wachtlijsten te bestrijden. Een van de 'aanbevelingen' in De puinhopen luidt: 'De zorgaanbieder stelt op basis van volledige concurrentie met andere zorgaanbieders, private aanbieders en ondernemingen, alsmede de klassieke semi-statelijke instellingen, zelf zijn prijs jaarlijks vast [...]. De prijsvorming is dus volledig vrij en wordt slechts begrensd door de marktomstandigheden.' (46) Marijnissen doelde overigens ook vooral op de zorgsector met zijn kritiek, zeg ik eerlijkheidshalve.
Toch verdient ook dit beeld weer bijstelling. Het is dan altijd nuttig om mijn zakbijbel inzake Fortuyn, Dick Pels’ De geest van Pim, er op na te slaan. Pels zet in dit boek veel misvattingen en vooroordelen rond Fortuyn recht, waaronder ook het beeld van diens opvattingen rond privatisering: Pels stelt dat Fortuyn ‘niet simpelweg het liedje van de staat inruilt voor het liedje van de markt, maar een “derde weg” inslaat’. (142) Zijn uitgangspunt was een ‘steeds intensiever wordende vervlechting tussen collectieve en private sector’.
In een wetenschappelijk artikel van eind jaren tachtig schetste Fortuyn al een beeld van die operatie die uitwassen aan beide kanten moest voorkomen: het ging erom de ‘staat [te] ontlasten’ en tegelijk de ‘natuurlijke expansiedrang’ van de markt te beteugelen. In het adviesrapport Ordening door ontvlechting (1990) heette het kernachtig: politieke besluitvorming centraliseren, praktische uitvoering decentraliseren.
Het rapport, door Pels beoordeeld als ‘een helder geschreven en deskundig werkstuk’ (149), heeft als krachtige aanbeveling, (in de parafrase van Pels): ‘De gezondheidszorg kan slechts ten dele een markt zijn, want het gaat hier niet zomaar om een verhandelbaar goed, maar om het “hoogste goed” dat ieder mens zich wenst. Omdat de aanbodkant daarbij sterk monopoloïde trekken blijft vertonen, zal een zekere mate van centrale sturing onontbeerlijk zijn (Fortuyn 1990a: 2-3).’ (146) En die derde weg tussen markt en staat blijkt Fortuyn ook in 2002 weldegelijk nog te volgen: 'Ik koos [in 1990 dus] voor een uitwerking van de plannen van de commissie-Dekker [= van aanbod- naar vraaggericht; beperkte marktwerking; kostenreductie door substitutie] en niet voor het Engelse staatssocialistische voorbeeld van staatssecretaris Simons. Wel was ik en ben ik van mening dat de politiek, kabinet en Kamer, de regievoering te allen tijde in handen dient te houden. De politiek moet immer aan te spreken zijn op het aanbod aan zorg, zowel de kwaliteit daarvan als de kwantiteit, en op de toegankelijkheid daarvan.' (24, mijn cursivering)
Het is ook deze vorm van selectieve, gerichte privatisering die de LPF na de dood van Fortuyn in concreet beleid trachtte om te zetten. Zo wilde de LPF ziekenhuizen redden met privatisering als tovermiddel. Privatisering is hier dus nadrukkelijk een middel om een kleinschalig streekziekenhuis te behouden en niet – zoals vaak – een instrument in schaalvergrotingsoperaties. En minister van Economische Zaken Herman Heinsbroek vond tussen het ordinair ruziemaken nog tijd om de privatisering van de energiesector af te remmen. Hij wilde deze ‘niet terugdraaien, maar wel heel kritisch bekijken en met nog meer regels dichttimmeren’.
Dit lokte prompt ruimhartige bijval uit PvdA-hoek uit. Kamerlid Ferd Crone prijst Heinsbroek als een ‘ware volgeling van wat Fortuyn over privatisering schreef’. Crone citeert Fortuyn zonder bron: ‘Het privatiseren van een publiek goed met monopoloïde trekken is geen goede gedachte en pakt uitermate vervelend uit voor de consument-eindverbruiker’. Dit lijkt verdacht veel op het citaat met 'monopoloïde' uit 1990 (zie hierboven), maar het blijkt uit De puinhopen te komen en luidt daar volledig: 'Kortom, het privatiseren van een publiek goed met monopoloïde trekken is geen goede gedachte en pakt uitermate vervelend uit voor de consument-eindgebruiker: prijzen gaan omhoog en het geleverde product dendert achteruit qua kwaliteit en de toekomst van de producten en dienstverlening is allerminst veilig gesteld.' (123-124) Ik merk wel op dat het Fortuyn in 1990 nog om de zorg ging, terwijl de geciteerde zin in 2002 op de nutssector betrekking heeft.
Na de roemloze aftocht van de LPF is ook snel de gedetailleerde, genuanceerde kennis van Fortuyns ideeën rond overheid en martkwerking achteruit gehold. Zo kon het zelfs gebeuren dat de – in de woorden van Pels - ‘(groen)linkse denker’ Wijnand Duyvendak eind 2003 plannen tegen privatisering presenteerde die bijna letterlijk aan Fortuyn ontleend leken (en wie weet ook wel daadwerkelijk aan hem ontleend waren).
Mijn conclusie: op gebieden als energie, vervoer, telecom ontwikkelde Fortuyn zich van voorstander tot felle tegenstander van privatisering; voor de gezondheidszorg bleef Fortuyn consequent een gematigd voorstander van privatisering op uitvoerend terrein, maar met een grote rol voor de overheid in beleid, 'regievoering' en toezicht.
dinsdag 6 maart 2012
[Pims achtertuin 2002-2012]: Fortuyn, Wilders en de euro
Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com de komende maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.
Op 1 december 2003 diende ik mijn profielwerkstuk Pim Fortuyn in. Het was de voorlopige afsluiting van een 24 maanden eerder begonnen fascinatie. Pim Fortuyn beheerste sinds 25 november 2001 het nieuws. Op die dag werd hij door Leefbaar Nederland tot lijsttrekker gekozen. Ik weet nog goed hoe de reactie van mijn pa luidde: dat is een goeie. Niet vanwege standpunten met betrekking tot asiel, immigratie, integratie - zeg maar: buitenlanders - die veel Nederlanders al snel tot Fortuyn zouden bekeren, maar omdat hij reeds enkele boeken van de man had gelezen, met name over de zorgsector, toen van Fortuyn de politicus nog lang geen sprake was.
Op 6 maart 2002 - mijn zestiende verjaardag - kreeg Fortuyn met Leefbaar Rotterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen maar liefst 35% van de stemmen. Het debat dat de VARA na middernacht uitzond werd legendarisch en heeft de historische betekenis van een politieke kentering verkregen. Een chagrijnige Ad Melkert en een hooghartige Hans Dijkstal vonden er hun politieke Waterloo. Het debat werd door 1,1 miljoen mensen bekeken, astronomische kijkcijfers voor een uitzending na middernacht. Dijkstals ‘ik hoop dat er nog een paar mensen kijken’ tekende zijn totale desoriëntatie. Vanavond is er een documentaire op tv over het debat: De dag dat Pim Fortuyn won.
Misschien is het niet geheel toevallig dat Geert Wilders gisteren het door erkende eurosceptici uitgevoerde onderzoek naar de terugkeer van de gulden presenteerde. Wilders wordt immers geregeld als de regelrechte nazaat van Fortuyn gezien, een status die Wilders zich zonder morren laat welgevallen. Die directe lijn is er echter nauwelijks, Wilders mist in alle opzichten de intellectuele kracht, de maatschappijbrede visie en het analyserend vermogen van Fortuyn.
In hun virulente afkeer van ‘Europa’ zouden Fortuyn en Wilders gelijkgestemden zijn, heet het. Misschien ideologisch, ja, maar de onderbouwing en de consequenties liggen mijlenver uiteen.
Al in 1997 waarschuwde Fortuyn in Zielloos Europa voor ingrijpende problemen rond de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) die de invoering van de euro voorbereidde. De ‘convergentiecriteria’ waaraan deelnemers of kandidaat-lidstaten moesten voldoen, zoals een begrotingstekort van maximaal 3% van het BNP, vormden weliswaar geen probleem in de toenmalige economische voorspoed, maar 'anders wordt het als het economische tij langdurig tegenzit. Gezien hun opgebouwde staatsschuld in het betrekkelijk recente verleden [...] zitten de meeste EMU-landen dan zo weer in de problemen' (p. 75) Het project had drie gebreken: de EMU ging van start 'zonder dat de economieën van de lidstaten in voldoende mate convergeren, [...] zonder breed draagvlak onder de bevolkingen van de EMU-landen, en zonder een volwaardige centrale staat.' De gevolgtrekking van Fortuyn: 'De kans dat dit project al bij aanvang ontspoort, of in later jaren, is dus niet gering.' (p. 75)
De gulden stond sterk en de mogelijke invoering van de euro werd buiten het politieke debat gehouden: 'In Nederland wordt gewoon geen enkele discussie van betekenis gevoerd, terwijl het land niet alleen een vitaal onderdeel van zijn soevereiniteit laat amenderen, maar bovendien zeer grote risico's loopt. De gulden is minstens zo hard als de mark en dat zal nog wel een tijdje zo blijven. Als de euro onder druk van bijvoorbeeld de economische situatie in Duitsland en Frankrijk gaat schuiven, verarmt het land [...] Pas als het misgaat, zijn de rapen gaar; dan schrikt eenieder wakker en zit Nederland in grote politieke en mentale problemen.' (p. 79) Het oplossen van de problemen is dan bijkans onmogelijk, want de nationale parlementen wordt de bevoegdheid ontnomen 'om vrij over de hun voorgelegde begroting te kunnen beslissen. Deze beslissingsruimte is vanaf dat moment ingeperkt door de convergentiecriteria en het stabiliteitspact van de EMU.’ (p. 80) Zondag benadrukte een iets te triomfantelijke Europese president Van Rompuy bij Buitenhof nog maar eens dat Nederland zich aan de gemaakte afspraken over het begrotingstekort MOET houden.
Fortuyn noemt de euro een ‘buitengewoon riskant project’ met ‘allerhande mogelijkheden van mislukking’ in zich. Er kunnen spanningen ontstaan door onder meer uiteenlopende ‘economische prestaties’, door ‘verschil in begrotingsdiscipline’ (!) en door ‘verschillen in cultuur, mentaliteit, geschiedenis’. Hierdoor is het uiteenvallen van de EMU ‘niet denkbeeldig’. (p. 81) Er kunnen ook spanningen ontstaan wanneer landen die buiten de eurozone blijven het economisch beter blijken te doen. Dat is nu dus het geval met Zwitserland en Zweden, en Wilders is degene die de spanningen benoemt en dankbaar aanjakkert. Hierdoor zal ‘de ontbindende kracht van de EMU toenemen,’ voegde Fortuyn er terecht aan toe.
Maar Wilders is dus geen Fortuyn, zei ik al. Wilders concludeert nu dat de gulden terug moet. Fortuyn zag daarentegen wel in dat de euro er moest komen. Hij sprak zich alleen uit tegen het overhaaste, ondemocratische proces van de eurocraten: ‘Men had de convergentie tussen de economieën van de lidstaten van onderaf aan langzaam kunnen laten groeien en deze groei vanuit het forum van de EU kunnen begeleiden en stimuleren.’ Dit laatste is natuurlijk wel enigszins gebeurd, maar invoering van de euro ergens halverwege het proces, zonder fatsoenlijk functionerende politieke unie, was een kardinale vergissing: ‘Logisch sluitstuk had dan kunnen zijn de totstandkoming van een gezamenlijke munt. Dat zou dan in de volgende eeuw zijn gebeurd op een moment dat het fysieke geld vrijwel is vervangen door digitaal geld. Voor het gevoel van de mensen zou het dan niet meer zijn geweest dan een administratieve procedure, gedragen door werkelijke eenheid van staten en hun economieën.’ (p. 82) Die voorspelde verdwijning van het materiële geld ten faveure van elektronische pecunia wordt inmiddels niet meer ver weg geacht. Ergens tussen 2015 en 2017 zal het definitief zo ver zijn.
Conclusie: Fortuyn voorzag de huidige eurocatastrofe vijftien jaar op voorhand, de euro is vijftien jaar te vroeg ingevoerd? Volgens Mark Rutte echter zou Nederland er nu met de gulden juist veel slechter hebben voorgestaan. Maar dat is geredeneerd vanuit de gedachte dat de andere 'sterke' landen wél de euro zouden hebben - en daarmee net zo'n zinloze, nietszeggende bewering als Wilders' wens, die immers ook uitgaat van een soloactie van Nederland.
In Zielloos Europa pleitte Fortuyn volgens mij niet tegen de euro an sich, hij pleitte voor een generaal geduld.
Op 1 december 2003 diende ik mijn profielwerkstuk Pim Fortuyn in. Het was de voorlopige afsluiting van een 24 maanden eerder begonnen fascinatie. Pim Fortuyn beheerste sinds 25 november 2001 het nieuws. Op die dag werd hij door Leefbaar Nederland tot lijsttrekker gekozen. Ik weet nog goed hoe de reactie van mijn pa luidde: dat is een goeie. Niet vanwege standpunten met betrekking tot asiel, immigratie, integratie - zeg maar: buitenlanders - die veel Nederlanders al snel tot Fortuyn zouden bekeren, maar omdat hij reeds enkele boeken van de man had gelezen, met name over de zorgsector, toen van Fortuyn de politicus nog lang geen sprake was.
Op 6 maart 2002 - mijn zestiende verjaardag - kreeg Fortuyn met Leefbaar Rotterdam bij de gemeenteraadsverkiezingen maar liefst 35% van de stemmen. Het debat dat de VARA na middernacht uitzond werd legendarisch en heeft de historische betekenis van een politieke kentering verkregen. Een chagrijnige Ad Melkert en een hooghartige Hans Dijkstal vonden er hun politieke Waterloo. Het debat werd door 1,1 miljoen mensen bekeken, astronomische kijkcijfers voor een uitzending na middernacht. Dijkstals ‘ik hoop dat er nog een paar mensen kijken’ tekende zijn totale desoriëntatie. Vanavond is er een documentaire op tv over het debat: De dag dat Pim Fortuyn won.
Misschien is het niet geheel toevallig dat Geert Wilders gisteren het door erkende eurosceptici uitgevoerde onderzoek naar de terugkeer van de gulden presenteerde. Wilders wordt immers geregeld als de regelrechte nazaat van Fortuyn gezien, een status die Wilders zich zonder morren laat welgevallen. Die directe lijn is er echter nauwelijks, Wilders mist in alle opzichten de intellectuele kracht, de maatschappijbrede visie en het analyserend vermogen van Fortuyn.
In hun virulente afkeer van ‘Europa’ zouden Fortuyn en Wilders gelijkgestemden zijn, heet het. Misschien ideologisch, ja, maar de onderbouwing en de consequenties liggen mijlenver uiteen.
Al in 1997 waarschuwde Fortuyn in Zielloos Europa voor ingrijpende problemen rond de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) die de invoering van de euro voorbereidde. De ‘convergentiecriteria’ waaraan deelnemers of kandidaat-lidstaten moesten voldoen, zoals een begrotingstekort van maximaal 3% van het BNP, vormden weliswaar geen probleem in de toenmalige economische voorspoed, maar 'anders wordt het als het economische tij langdurig tegenzit. Gezien hun opgebouwde staatsschuld in het betrekkelijk recente verleden [...] zitten de meeste EMU-landen dan zo weer in de problemen' (p. 75) Het project had drie gebreken: de EMU ging van start 'zonder dat de economieën van de lidstaten in voldoende mate convergeren, [...] zonder breed draagvlak onder de bevolkingen van de EMU-landen, en zonder een volwaardige centrale staat.' De gevolgtrekking van Fortuyn: 'De kans dat dit project al bij aanvang ontspoort, of in later jaren, is dus niet gering.' (p. 75)
De gulden stond sterk en de mogelijke invoering van de euro werd buiten het politieke debat gehouden: 'In Nederland wordt gewoon geen enkele discussie van betekenis gevoerd, terwijl het land niet alleen een vitaal onderdeel van zijn soevereiniteit laat amenderen, maar bovendien zeer grote risico's loopt. De gulden is minstens zo hard als de mark en dat zal nog wel een tijdje zo blijven. Als de euro onder druk van bijvoorbeeld de economische situatie in Duitsland en Frankrijk gaat schuiven, verarmt het land [...] Pas als het misgaat, zijn de rapen gaar; dan schrikt eenieder wakker en zit Nederland in grote politieke en mentale problemen.' (p. 79) Het oplossen van de problemen is dan bijkans onmogelijk, want de nationale parlementen wordt de bevoegdheid ontnomen 'om vrij over de hun voorgelegde begroting te kunnen beslissen. Deze beslissingsruimte is vanaf dat moment ingeperkt door de convergentiecriteria en het stabiliteitspact van de EMU.’ (p. 80) Zondag benadrukte een iets te triomfantelijke Europese president Van Rompuy bij Buitenhof nog maar eens dat Nederland zich aan de gemaakte afspraken over het begrotingstekort MOET houden.
Fortuyn noemt de euro een ‘buitengewoon riskant project’ met ‘allerhande mogelijkheden van mislukking’ in zich. Er kunnen spanningen ontstaan door onder meer uiteenlopende ‘economische prestaties’, door ‘verschil in begrotingsdiscipline’ (!) en door ‘verschillen in cultuur, mentaliteit, geschiedenis’. Hierdoor is het uiteenvallen van de EMU ‘niet denkbeeldig’. (p. 81) Er kunnen ook spanningen ontstaan wanneer landen die buiten de eurozone blijven het economisch beter blijken te doen. Dat is nu dus het geval met Zwitserland en Zweden, en Wilders is degene die de spanningen benoemt en dankbaar aanjakkert. Hierdoor zal ‘de ontbindende kracht van de EMU toenemen,’ voegde Fortuyn er terecht aan toe.
Maar Wilders is dus geen Fortuyn, zei ik al. Wilders concludeert nu dat de gulden terug moet. Fortuyn zag daarentegen wel in dat de euro er moest komen. Hij sprak zich alleen uit tegen het overhaaste, ondemocratische proces van de eurocraten: ‘Men had de convergentie tussen de economieën van de lidstaten van onderaf aan langzaam kunnen laten groeien en deze groei vanuit het forum van de EU kunnen begeleiden en stimuleren.’ Dit laatste is natuurlijk wel enigszins gebeurd, maar invoering van de euro ergens halverwege het proces, zonder fatsoenlijk functionerende politieke unie, was een kardinale vergissing: ‘Logisch sluitstuk had dan kunnen zijn de totstandkoming van een gezamenlijke munt. Dat zou dan in de volgende eeuw zijn gebeurd op een moment dat het fysieke geld vrijwel is vervangen door digitaal geld. Voor het gevoel van de mensen zou het dan niet meer zijn geweest dan een administratieve procedure, gedragen door werkelijke eenheid van staten en hun economieën.’ (p. 82) Die voorspelde verdwijning van het materiële geld ten faveure van elektronische pecunia wordt inmiddels niet meer ver weg geacht. Ergens tussen 2015 en 2017 zal het definitief zo ver zijn.
Conclusie: Fortuyn voorzag de huidige eurocatastrofe vijftien jaar op voorhand, de euro is vijftien jaar te vroeg ingevoerd? Volgens Mark Rutte echter zou Nederland er nu met de gulden juist veel slechter hebben voorgestaan. Maar dat is geredeneerd vanuit de gedachte dat de andere 'sterke' landen wél de euro zouden hebben - en daarmee net zo'n zinloze, nietszeggende bewering als Wilders' wens, die immers ook uitgaat van een soloactie van Nederland.
In Zielloos Europa pleitte Fortuyn volgens mij niet tegen de euro an sich, hij pleitte voor een generaal geduld.
Abonneren op:
Posts (Atom)
