Posts tonen met het label 9/11. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 9/11. Alle posts tonen

woensdag 14 september 2016

15 jaar na 9/11

Afgelopen zondag, vijftien jaar na de omineuze nine eleven, stelde GeenStijl zijn lezers de volgende vraag: 'Hoe veranderde uw wereld(beeld) door de aanslagen van 9/11 en de gebeurtenissen in de jaren die er op volgden?'
  In mijn geval veranderde het wereldbeeld niet, het werd die dag en in de jaren daarna pas gevormd. W.F. Hermans zei ooit dat hij de oorlog op het meest ongunstigste moment had meegemaakt: toen hij eindexamen deed en het leven open zou moeten gaan kwam de oorlog roet in het eten gooien. Zijn cynische wereld- en mensbeeld werd erdoor in marmer gebeiteld.
  Tot aan die uitzonderlijk warme septemberdinsdag in het zestiende jaar van mijn leven had ik nooit echt na hoeven denken over mijn wereldbeeld en de invloed van de grote gebeurtenissen op wat ik deed en wie ik was. Ik kreeg wel alles mee van wat er zich op het wereldtoneel afspeelde, deels uit oprechte nieuwsgierigheid, deels ook plichtmatig omdat het moest, maar alles gebeurde hoe dan ook buiten mijn leven om. Met 11 september 2001 was dat veranderd. Het ging nu ook over mij.
  Kort erna kwam Pim Fortuyn en de beerput ging open. Fortuyn werd vermoord. Theo van Gogh. Vermoord. Hirsi Ali. De Hofstadgroep. Het ging over de islam, over de multiculturele samenleving, over terrorisme en veiligheid, identiteit en eigenheid. Sociale spanningen, de opkomst van extreem-rechts, de teloorgang van links met haar sleetse idealen en de onwil of het onvermogen om dat in te zien.
  Martin Amis gaf zijn collectie essays over 9/11 de trefzekere titel The Second Plane. Dat tweede vliegtuig in New York was inderdaad het kantelpunt. In het titelstuk schrijft Amis over de impact van United Airlines 175: 'Het was de komst van het tweede vliegtuig, dat als een haai over het Vrijheidsbeeld scheerde; dat was het beslissende moment. Tot dan toe meenden de Amerikanen dat ze niets ergers beleefden dan de ernstigste vliegramp uit de geschiedenis; nu drong tot hen door welk gigantisch geweld er tegen hen in stelling was gebracht.' De boodschap van de terroristen was: 'Amerika, het is tijd dat je merkt hoe hartgrondig je gehaat wordt.' En met Amerika het ganse Vrije Westen. Om met Amis te spreken: de glinstering van dat tweede vliegtuig bracht 'in een flits een wereldwijde toekomstblik'.
  9/11 en ik ben 15 jaar. Wat een tijd om jong te zijn.

Ik herinner me nog dat het aanvankelijk de Palestijnen waren die het gedaan zouden hebben, die claimden het gedaan te hebben, en dat er volop gejuicht werd door Arabieren wereldwijd. (We weten inmiddels dat Abou Jahjah die middag ook de victorie kraaide.) Ik herinner me ook de historische verwarring onder de deskundigen, het vaste begrippenapparaat dat schromelijk tekortschoot om dit te duiden.
  Maarten van Rossem presteerde het nog dezelfde avond op nationale televisie te verklaren alle opwinding maar overdreven gedoe te vinden.
  In de jaren erna bleek 9/11 toch wel degelijk die cesuur te zijn die een nieuw tijdperk had ingeluid. De era van het moslimterrorisme. Aanslagen in Londen en Madrid. Uitzichtloze oorlogen in Afghanistan en Irak, met als langetermijneffect uiteindelijk het herstel van het Kalifaat. De aanslagen in Brussel, Parijs, Istanbul en nogmaals Brussel, de immigrantenstroom.
  'Vandaag', schreef Bart Nijman zondag, 'vijftien jaar na de oorlogsverklaring aan de vrije wereld, zijn alle internationale verhoudingen, maar ook nationale en maatschappelijke verstandhoudingen binnen de westerse wereld, opgeschud en van koers verlegd.'
  De schrijver Jamal Ouariachi noemde 9/11 in de bundel WTF?! Volwassen worden na 11 september (2011) niettemin 'een overschat fenomeen'. Het curieuze is dat zijn argumentatie vervolgens juist een weerlegging van zijn standpunt vormt: 'Natuurlijk is het gruwelijk dat er die dag zo'n drieduizend slachtoffers vielen. Maar rechtvaardigt dat feit werkelijk twee oorlogen, in Afghanistan en Irak, die tien jaar na dato nog altijd niet uitgewoed zijn en inmiddels een veelvoud van het aantal slachtoffers van 9/11 hebben geëist?'
  Die oorlogen en die slachtoffers vormen toch juist het bewijs dat de invloed van 9/11 enorm is geweest - en nog altijd is? Of je die reacties nu rechtvaardig vindt of niet staat daar toch los van.
  De psychologische effecten, de maatschappelijke impact, de politieke gevolgen, je kunt ze niet los zien van de gebeurtenis zelf.
  Je ziet dat nu ook gebeuren met de angst voor terreur die de maatschappij ingrijpend verandert. Of die angst en de maatregelen nu overdreven zijn of niet - als dat überhaupt al vast te stellen is -, feit is dat ze er zijn; de invloed is er, het gebeurt en het verandert ons en onze levens.

Het is verleidelijk om te filosoferen hoe toekomstige historici deze periode zullen gaan labelen. Blijken de jaren tussen de val van de Muur en de val van de Twin Towers uiteindelijk niet meer dan een interbellum te zijn geweest? 1989-2001 als een soort tweede Twaalfjarig Bestand, een oase van voorspoed tussen de kilte van de Koude Oorlog en de hitte van de 'Derde Wereldoorlog', die in 2001 begon en die zich, om met Paus Franciscus te spreken, in hoofdstukjes zal afspelen, zich nog over vele decennia zal uitstrekken en van een heel andere orde is dan de vorige twee?
  Van Rossem bagatelliseerde de aanslagen met het volgende argument: 'Als het oorlog was geweest, waren Arabische pantserdivisies enkele uren later de Amerikaanse grens overgereden of zoiets.'
  Ja, of zoiets. Dat bedoel ik dus met dat verouderde begrippenapparaat. Toen de Eerste Wereldoorlog begon stond men bij wijze van spreken ook nog het negentiende-eeuwse beeld voor ogen van met trommels en vaandels naar het slagveld marcherende soldaten die aldaar om de beurt een schot mochten lossen. Gifgas, mitrailleurs en loopgraven maakten snel genoeg duidelijk dat het gezicht van de oorlog veranderd was.
  Het grootste probleem in het huidige hoofdstuk van de eenentwintigste-eeuwse oorlog is dat het Westen de controle volledig kwijt is. In een voortreffelijk artikel in Trouw toont Ghassan Dahhan overtuigend aan dat Europa de grote verliezer dreigt te worden: 'De Syrische oorlog komt naar Europa.' De vijanden van het Westen zijn in het Midden-Oosten allemaal met elkaar in oorlog, maar op termijn werkt dit averechts: 'Deze oorlog verzwakt de vijanden van het Westen niet, maar maakt ze juist sterker. Hun aantal groeit met de dag, net als hun ervaring en hun ambitie.'
  Dahhan verwijst naar een fabel van Aesopus: 'In een moeras kijken twee kikkers hoe twee stieren strijden om de heerschappij over de kudde. Eén kikker waarschuwt bezorgd: "De stier die verliest zal zich in ons moeras terugtrekken, en elke stap levert een platte kikker op. Hun machtsstrijd kost ons de kop." In Syrië vechten niet twee, maar honderden stieren om de hegemonie. En Europa dreigt straks vertrapt te worden - door de verliezers, maar ook door de vluchtende kudde.'
  In Amerika hanteren ze ook een treffende dierenmetafoor. Een Amerikaanse militair waarschuwde onlangs: 'Tussen de VS en IS zitten een paar continenten en zeeën, maar dat geldt niet voor Europa. In Amerika zeggen we: je hoeft niet sneller dan een beer te kunnen rennen om aan hem te ontkomen; je moet alleen sneller zijn dan de persoon naast je. Jullie zijn in geografisch opzicht kwetsbaarder dan wij, en bovendien militair zwakker.'
  Er zijn helemaal geen invasieve pantserdivisies meer voor nodig om ten onder te gaan. Imploderende natiestaten, een wrede vijand met een doodscultus en poreuze grenzen zijn voldoende: 'De meeste Europese jihadisten hebben er inmiddels meer vechturen opzitten dan de meeste militairen uit hun geboorteland. Bovendien: zij vechten niet om in leven te blijven of om levens te redden, zij vechten om te sterven en om zoveel mogelijk levens te nemen.'
  15 jaar na 9/11 en ik ben 30 jaar. Wat een tijd om volwassen te zijn.

donderdag 11 september 2014

Roze nevel

Bruce Springsteens The Rising (2002) is 'hét album dat het Amerikaanse rouwproces in muziek ving', schreef Peter Zantingh drie jaar geleden in NRC Handelsblad bij de tiende herdenking van 9/11. The Rising is inderdaad een even belangrijk als schitterend album, getuigend van verlies en verbijstering maar met een onmiskenbaar optimistische en hoopgevende grondtoon.

Aardig weetje is dat Springsteen The Rising weliswaar als 9/11-conceptalbum heeft geconcipieerd maar enkele van de vijftien nummers al vóór de aanslagen had geschreven. 'Nothing Man' bijvoorbeeld, waarin iemand op zijn vermelding in de plaatselijke krant reflecteert: 'I don't remember how I felt / I never thought I'd live / To read about myself / In my hometown paper.' De reden voor die vermelding wordt niet duidelijk, maar voor zijn vrienden is hij in elk geval nog gewoon dezelfde: 'Around here, everybody acts the same / Around here, everybody acts like nothing's changed. / Friday night, the club meets at Al's Barbecue / The sky is still the same unbelievable blue.'

In de context van een album over 9/11 kunnen de geciteerde regels plotseling anders worden geïnterpreteerd. De vermakelijke hineininterpretierders van het onvolprezen SongMeanings lezen er bijvoorbeeld het relaas van een brandweerman in die zich nooit zo gewaardeerd heeft gevoeld als nu in de nasleep van de aanslagen, een lied over algemene survivor's guilt, de postmortale woorden van een zelfmoordenaar, enzovoort.

Dat dit nummer al van voor de aanslagen stamt, wil niet zeggen dat Springsteen niet aan de teksten heeft zitten schaven tussen september 2001 en maart 2002, de tijd waarin The Rising geschreven en opgenomen werd. De ongelooflijke blauwheid van de lucht is bijvoorbeeld een door velen opgemerkt en tot symbool geworden kenmerk: 11 september 2001 begon als een stralende dag. Maar ook het mysterieuze tweede deel van het eerste couplet wijst in die richting: 'How my brave young life / Was forever changed / In a misty cloud of pink vapor.' Dat doet me aan Martin Amis denken.

Is The Rising het ultieme 9/11-album, dan is Amis' The Second Plane (2008) misschien wel de ultieme bundel eigenzinnige beschouwingen over de wereld sinds 9/11. Het lange essay 'Terror and Boredom' (2006) was voer voor woedende critici, maar ik beschouw het als een moedige evenwichtsoefening tussen reflectie op het eigen schrijverschap en erudiete, genadeloze analyse van de geopolitieke situatie, die bovendien juist nu opnieuw relevant is. (Als Amis schrijft over het islamisme - ik citeer uit de Nederlandse vertaling: 'De extreemste soennieten willen de hele wereldbevolking behalve de extreemste soennieten doden', dan is dat met terugwerkende kracht geen hyperbolische provocatie maar een accurate aankondiging van de ISIS-terreur.)

In het opinieartikel 'The voice of the lonely crowd', op 1 juni 2002 gepubliceerd in The Guardian en opgenomen in The Second Plane, schreef Amis: 'Telkens als het gevoel van kolossaal ongeloof lijkt te gaan verdwijnen, wordt het, merk ik nog steeds, gretig op het oude peil gebracht door een bovendrijvend detail: de "roze nevel" die er hing door het uiteenspatten van de vallende lichamen.' Deze 'roze nevel' - 'pink mist' in het origineel - doet ontegenzeglijk denken aan Springsteens 'pink vapor' of roze damp.

Toen Amis' artikel verscheen, was The Rising echter al opgenomen. Springsteen kan het dus niet van Amis hebben, als dat al een reële mogelijkheid was. Amis heeft de woordcombinatie dan ook niet zelf bedacht. Merk op dat hij 'pink mist' tussen haakjes plaatst, wat suggereert dat het bij hem al een citaat is. Het blijkt uit Newsweek van 24 september 2001 te komen: 'They landed with such force, according to an eyewitness who was watching along with New York's mayor, Rudy Giuliani, that a pink mist of gore rose from the sidewalk as they hit.'

Op internet staat her en der te lezen dat 'Nothing Man' is geschreven en opgenomen in 1994 en 're-recorded' in 2002. Jeffrey Symynkywicz schrijft in The Gospel According to Bruce Springsteen (2008): 'It was originally written in 1994 about a Vietnam veteran suffering from post-traumatic stress syndrome. The main character in "Nothing Man" has physically survived some great, traumatic event in his life but still feels a lingering, living death as a result of what he has been through.' Het is niet duidelijk of Symynkywicz zich hier baseert op een toelichting van Springsteen zelf of dat hij een eigen interpretatie geeft.

De regels 'The pearl and silver / Resting on my night table / It's just me Lord, pray I'm able' uit het laatste couplet worden door Symynkywicz als volgt verklaard: 'Now he lies in bed, contemplating the pistol ("the pearl and silver") on the night stand - and he prays for courage. We don't really know, of course, whether he's asking for the courage to pull the trigger or not to, whether he's reaching out for salvation or just escape.' De 'pink vapor' verwijst dan op een andere, niet minder lugubere manier naar bloed en 'gore'.

Er zijn dus geen concrete aanwijzingen dat Springsteen in 2001/02 de tekst van 'Nothing Man' heeft aangepast ten opzichte van de versie uit 1994. Wellicht heeft de 'pink mist' waarvan sprake was in de commentaren na 9/11 hem zelfs ingegeven het nooit uitgebrachte 'Nothing Man' op de tracklist van The Rising te plaatsen: de 'pink vapor' uit de tekst maakte het lied plotsklaps uitermate geschikt voor het album dat het Amerikaanse rouwproces in muziek moest gaan vangen.

vrijdag 13 september 2013

De helden van onze tijd?

De Franse premier Jean-Marc Ayrault heeft zijn ministers verboden nog langer een smartphone te gebruiken. Reden is de recente onthulling van de afluisterpraktijken die de Amerikaanse geheime dienst NSA erop nahoudt. De dienst zou toegang hebben tot vrijwel al het smartphonedataverkeer.

De ware essentie van een land wordt weerspiegeld door het functioneren van zijn geheime dienst, zei de Britse spionageschrijver John Le Carré. De drang van de Amerikanen om al het wereldwijde dataverkeer te controleren kan niet los worden gezien van 9/11. Sinds die verschrikkelijke dag is Amerika in essentie een land dat wanhopig probeert een volgende binnenlandse terreuraanval een stap voor te zijn.

De bescherming van burgers kan niet afdoende gebeuren zonder concessies te doen aan de privacy van burgers, zo luidt daarbij het credo. Dat is lang - pakweg de eerste tien jaar na de aanslagen - als aanvaardbaar gezien, maar de laatste paar jaar lijkt er een kentering opgetreden. Er heerst nu een stemming van ongenuanceerde afkeer van geheime informatie. Assange, Snowden, Manning, ze worden door menigeen als de helden van onze tijd gezien.

Mark Bowden plaatst daar in The Atlantic terecht kanttekeningen bij. 'The most famous leakers in American history were motivated not by a general opposition to secrecy but by a desire to expose specific wrongdoing.' De huidige klokkenluiders is het er echter niet om te doen specifieke misstanden binnen een concrete casus aan het licht te brengen: 'These are young people at war with the concept of secrecy itself, which is just foolish.' Het grondt in een naïeve, jongensboekachtige kijk op wereldpolitiek: 'It proceeds from a Julian Assange-influenced, comic-book vision of the world where all governments are a part of an evil plot against humanity.'

De onredelijkheid is groot en wordt gevoed door angst, die altijd deels irrationeel is. Als vliegangst ter sprake komt is er altijd wel iemand in de buurt die zegt dat de kans dat je een auto-ongeluk krijgt veel groter is dan dat je vliegtuig uit de lucht valt. Die persoon vergeet dan dat het niet alleen gaat om de kans dat het gebeurt, maar zeker ook om wat de gevolgen zijn als het gebeurt. Er is een meer dan redelijke kans dat je een auto-ongeluk overleeft, terwijl een vliegtuigcrash praktisch altijd fataal is.

Ik heb soms de indruk dat er ook zoiets aan de hand is in de kwestie van de bescherming van burgers versus de privacy van burgers. De kans slachtoffer te worden van een terreuraanslag is misschien vele malen kleiner dan de kans dat een geheime dienst onder het mom van burgerbescherming privacygevoelige informatie van mij onderschept, maar als er aanslag plaatsvindt, bijvoorbeeld omdat de geheime diensten dit door privacywetten niet hebben kunnen voorkomen, dan ben ik de pineut als ik net op de verkeerde plek ben, terwijl het nog maar de vraag is hoe 'dodelijk' het is als de Amerikaanse geheime dienst werkendeweg mijn mailtjes kan lezen.

Het is vooral de schimmigheid rond wat er precies met de verzamelde privacygevoelige informatie gebeurt die de discussie vaak zo ongericht maakt. De overheden kunnen via hun geheime diensten bij onze privégegevens, maar wat doen ze er vervolgens mee als je een doorsnee burger bent? Wat me meer zorgen baart is dat het überhaupt technisch mogelijk is, dat er bijvoorbeeld 'backdoors' zijn ingebouwd om betalingsverkeer te kunnen screenen. Als in wezen bonafide overheden het kunnen, dan kwaadwillende individuen en cellen dus ook.

Ieder jaar krijgen we aan de vooravond van de zomervakantie het advies vooral niet ons paspoort te laten kopiëren aan de hotelbalie omdat dat gekopieer het risico op identiteitsfraude zou vergroten. Makkelijk gezegd, maar wat is het alternatief? Je wilt toch een slaapplek 's nachts en hebt bovendien vaak al vooraf betaald. Moet je dan maar op straat slapen en de financiële strop voor lief nemen omdat er een niet te berekenen kans bestaat dat er een boef in de buurt is die er met de kopie vandoor gaat, al is het de hotelier zelf?

Tegelijk zijn de mensen die het hardst protesteren tegen de NSA-praktijken tevens de mensen die er niet over peinzen hun Facebook op te zeggen. Alsof je klaagt dat er te weinig tegen inbrekers wordt gedaan maar intussen wel weigert een goed slot op je deur te laten maken. Zo'n Alexander Klöpping debiteert bij DWDD gemoedelijk dat Facebook en Twitter alleen gratis kunnen zijn omdat die bedrijven alles van de gebruiker weten en zelfs minuut na minuut kunnen tracken waar hij zich bevindt. Verontrustend, zou ik zeggen.

Maar vervolgens gaat het gesprek alleen over aantallen 'followers' en de noodzaak van een beursgang, en niet over die merkwaardige combinatie van enerzijds slaafse onderwerping aan sociale mediabedrijven die het niet zo nauw nemen met de privacy van gebruikers en anderzijds ongenuanceerde idolatrie van figuren die op een dubieuze manier juist de klok luiden tegen de schending van privacy.

maandag 1 oktober 2012

Lezen, lezen, lezen #30

Jim Dwyer & Kevin Flynn, 102 Minutes. The Untold Story of the Fight to Survive Inside the Twin Towers (2005), 323 blz. (****)
Dwyer en Flynn, journalisten van de New York Times, reconstrueren in dit filmische boek de waanzin in de Twin Towers vanaf het moment waarop het eerste vliegtuig de noordelijke toren in vliegt tot en met het instorten van de laatste van de twee torens, 102 minuten later. De auteurs hebben ervoor gekozen minutieus de handelingen van een aantal betrokkenen te beschrijven, alles op basis van geluidsopnames, ooggetuigenverslagen en gesprekken met overlevenden. De beslissingen die mensen namen op basis van informatie, intuïtie of welke reden dan ook hebben een dramatisch effect omdat je als lezer weet wat er staat te gebeuren. Bijvoorbeeld de terugkeer van de werknemers in de zuidelijke toren naar hun verdieping nadat duidelijk is geworden dat er alleen in de noordelijke toren brand is: je wéét dat er even later ook daar een vliegtuig dood en verderf gaat zaaien. Of het getreuzel, het beschaafd geduldig de trappen afdalen - of juist bestijgen door brandweermannen -, terwijl je wéét dat de torens dan al op instorten staan. Je wilt die mensen wel toeschreeuwen: schiet op! verdwijn! elke seconde telt!
In 102 Minutes wordt onwillekeurig benadrukt hoe groot de rol van het toeval is in zaken van leven en dood. Onduidelijkheid over de ernst van de situatie, mensen die plichts- en gezagstrouw zijn en daarmee levens redden door een extra inspanning te doen, of juist onbedoeld doden veroorzaken door anderen volgens het boekje te sommeren terug te gaan naar hun kantoor. Ook is er aandacht voor de funeste gevolgen van een jarenlange vete tussen politie en brandweer, waardoor beide korpsen niet met dezelfde communicatiesystemen werkten, en staat het boek vol morbide wetenswaardigheden: zo werd één agent gedood door een vallende man. Hoe indrukwekkend elke bladzijde zo ook is, een wat zakelijkere stijl had evenwel niet misstaan. Nu zijn alleen de historische en technische gedeelten puur beschrijvend, de verhalen van de mensen daarentegen zijn opgeschreven als betrof het een roman, inclusief semi-fictionele dialogen en stilistische strapatsen: cliffhangers, filmische scènes, terzijdes over mensen die net hun geliefde ten huwelijk hebben gevraagd - het is allemaal niet vrij van typisch Amerikaans melodrama en effectbejag. De auteurs hebben zich nu soms te veel laten meeslepen door de heroïek van mensen en de dramatiek van de gebeurtenissen. En dat terwijl louter een beschrijving had volstaan om de lezer te emotioneren. Zelf werd ik het meest getroffen door het verhaal van Ed Beyea en Abe Zelmanowitz. De verlamde Beyea kon in zijn rolstoel niet gemakkelijk geëvacueerd worden uit de north tower. Zijn vriend Zelmanowitz weigerde zichzelf in veiligheid te brengen, zelfs na fel aandringen van Beyea, en bleef trouw aan de zijde van zijn vriend. Beiden kwamen om toen de toren instortte. Of het verhaal van Raffaele Cava, een 80-jarige medewerker van een transportbedrijf op de 89ste verdieping van de north tower, die als een van de eersten in het gebouw was komen werken, en nu alle 89 verdiepingen per trap moest afdalen om er weer uit te geraken. Hij redt het, als een van de laatsten. Zo komen er 352 namen voorbij, employees, agenten, brandweerlieden, bezoekers, wier lotgevallen meer of minder uitgebreid worden beschreven; 126 van hen overleefden het niet. In totaal kwamen 2749 mensen om, ongeveer 12 000 wisten bijtijds weg te komen.
102 Minutes is een schitterend boekwerk, waaruit men enerzijds een indruk kan opdoen van de achtergronden die deze ramp zijn catastrofale proporties gaven - en dan niet niet de voorgeschiedenis van Al-Qaeda of zo, maar de 'fysieke' elementen, zoals de op efficiëntie gerichte constructie van de torens, de met de jaren steeds meer aan de laars gelapte veiligheidsprocedures, enzovoort - en waarin anderzijds een aantal voorheen anonieme doden een naam en een verhaal krijgen. Een krankzinnig, al te gruwelijk verhaal, als het allemaal niet zo verschrikkelijk waargebeurd is: 'One plane crash. Sixteen minutes later, another plane crash. Twenty-five minutes later, word of a third plane approaching - untrue, but certainly not outside the freshly staked borders of the plausible. Then, about thirty minutes after that, the first building falls. Twenty-nine minutes later, it was over. It was as if a car going ninety miles per hour were making a ninety-degree turn every few minutes. Each moment brought fresh demands, fresh hell.'

Een zondagmiddag met J.J. Voskuil. 27 meest academische reacties op Het Bureau (1998), 143 blz. & Arjan Peters (red.), Nog even een ommetje. Beschouwingen over Het Bureau van J.J. Voskuil (2000), 248 blz. (***)
Van 1 januari tot en met 13 augustus jongstleden las ik Het Bureau van J.J. Voskuil. Zeven delen, 5100 bladzijden en geen moment saai. Een grootse en subliem geschreven roman over een tobber die dertig jaar lang op een wetenschappelijk instituut doorbrengt, intens tragisch in de beschrijving van de sleur, de zinloze anonieme levens en het verglijden van de tijd, onweerstaanbaar grappig in de tekening van de karakters en de weergave van de onmogelijkheid van sociaal verkeer. In de grootste Nederlandse roman van de 20ste eeuw, De avonden, beschrijft hoofdpersoon Frits van Egters zijn kantoorbaan als volgt: 'Ik neem kaarten uit een bak. Als ik die er uit genomen heb, dan zet ik ze er weer in.' Het Bureau is een ruim vijfduizend pagina's dikke uitwerking van deze zin. Deze great Dutch novel verscheen tussen 1996 en 2000 en schijnt indertijd een ware hype te zijn geweest, niet alleen onder het reguliere leespubliek maar ook onder academici en andere intellectuelen, die niet alleen in sommige personages de werkelijke personen herkenden maar in de typering van het Bureau ook een zedenschets van hun eigen werkkring lazen. Iedere lezer hoopt stiekem dat er op zijn werk ook een collega is die een manuscript in de la heeft liggen waarin het wel en wee van de werkvloer wordt beschreven, zo las ik ergens. Een waar woord.
Boekhandel Roelants in Nijmegen nodigde Voskuil in 1998 uit voor een ontmoeting met lezers en liet 27 academici van de KUN een stukje schrijven over Het Bureau. De bijdragen van Wam de Moor, Harry Bekkering en Anton van Hooff bijvoorbeeld zijn prachtige persoonlijke stukken waarin de auteurs de roman op speelse wijze vanuit hun eigen achtergrond aan een bespiegeling onderwerpen. Overigens staan er niet alleen maar onverdeeld bewonderende teksten in het boekje. Zo haakte Liesbeth Eugelink naar eigen zeggen af uit ergernis over het gebrek aan zelfreflectie van de auteur. Dat ben ik dan niet met haar eens, Voskuil portretteert inderdaad genadeloos zijn oud-collega's, maar het hardst is hij voor zichzelf. De literaire ontmoeting in Nijmegen vond plaats toen er pas drie of vier delen van de zeven verschenen waren, wat sommige contribuanten tot merkwaardige stukjes heeft geïnspireerd. Zo beschrijft Marinel Gerritsen - Engelien Jansen in Het Bureau - alvast haar belangrijkste momenten met Voskuil in de nog te beschrijven jaren, die de lezer dus in de volgende delen van de roman mag verwachten terug te lezen. Een andere academicus beschrijft zelfs vol vuur zijn enige ontmoeting met Voskuil en kan bijna niet wachten tot hij die terug zal lezen in deel 6. De ijdelheid spat er vanaf.
Criticus Arjan Peters redigeerde in 2000 een boek met wat langere beschouwingen over Het Bureau. De elf schrijvers die een bijdrage leverden hebben elk een eigen invalshoek gekozen. Peters' eigen bijdrage is de meest curieuze, om met understatement te spreken, want hij heeft simpelweg de recensies die hij schreef na de verschijning van weer een deel achter elkaar geplaatst, met als resultaat een knip-en-plak tekst met slecht weggewerkte naden. Paul van Tongeren vergelijkt Het Bureau met Prousts Op zoek naar de verloren tijd en heeft daarbij heel veel woorden nodig om het essentiële verschil tussen beide werken te benoemen: waar Proust probeert te tijd te laten stollen door één klein moment extreem gedetailleerd te beschrijven, daar laat Voskuil door zijn uitgepuurde beschrijving van een jarenlang voortmodderend ambtenarenbestaan juist de genadeloze maalstroom van de tijd zien. Een kortere versie stond overigens al in Een zondagmiddag met J.J. Voskuil. Weer een publicatie erbij. Zeer boeiend zijn de teksten van Wim van den Berg en Jan Fontijn, respectievelijk een aandachtige close-reading van de passages waarin het scherpe waarnemingsvermogen van Maarten Koning voor zijn omgeving tot uiting komt en een openhartige open brief aan de auteur. De leukste bijdrage is van Carola Kloos, die op even hilarische als scherpzinnige wijze op inconsequenties en vooral onzinnigheden in de denkwereld van Maarten en Nicolien wijst, met name met betrekking tot het begrip 'solidariteit'. Beide bundels bevatten aldus een aantal lezenswaardige artikelen waarin een poging wordt ondernomen de impact van deze roman te verklaren. Toch las ik de interessantste duiding elders. J.D.F. van Halsema meent dat er van de eindeloze herhaling van taferelen 'troost' uit gaat: 'Het Bureau [is] een typisch boek van na 1989. Het is de documentatie van het heersende gevoel in onze samenleving dat alle grote verhalen zijn stukgelopen, en dat het enige dat overblijft de kleine individuele geschiedenis is. [...] Het is een boek van troost voor het geseculariseerde publiek van nu.'

Sebastian Haffner - Kanttekeningen bij Hitler (2002 [1978]), 236 blz. (*****)
Over Adolf Hitler zijn bibliotheken volgeschreven. De vandaag de dag toonaangevende biografie staat op naam van Ian Kershaw. Diens tweevuistendikke werk vergt echter aardig wat tijd en inspanning van de lezer. Veel korter is de everseller van de Duitse journalist Sebastian Haffner: Anmerkungen zu Hitler, voor het eerst verschenen in 1978. Slechts 200 pagina's heeft Haffner nodig. Het Historisch Nieuwsblad plaatste dit werk in zijn top 20 van boeken over de Tweede Wereldoorlog die iedereen gelezen moet hebben. De kernachtigheid en trefzekerheid die Kanttekeningen bij Hitler kenmerken springen al meteen aan het begin in het oog. Waar de meeste biografieën beginnen met een ellenlange beschrijving van de vader en de moeder en de groot- en andere voorouders van het subject, daar handelt Haffner het allemaal in drie regels af: 'De vader van Adolf Hitler had het ver geschopt. De buitenechtelijke zoon van een dienstmeid wist een belangrijke positie in de ambtenarij te verwerven en was bij zijn dood een gezien en geacht man.' Bam, die staat, de aandacht kan meteen naar Adolf verschoven worden. Wat deze biografie vooral zo aantrekkelijk maakt is de open, eerlijke blik op Hitler. Ons beeld van de man is voor eeuwig gekleurd door de oorlog, door de holocaust, maar Hitler had ook een voorgeschiedenis: die van succesvol politicus. Zoals een andere Hitler-biograaf, Joachim Fest, al stelde: als Hitler in 1938 plotseling gestorven zou zijn, dan zou hij als een van de grootste staatsmannen die ooit geleefd hebben de geschiedenisboeken in zijn gegaan.
Haffner heeft zijn boek opgedeeld in zeven secties: na een korte levensbeschrijving komen achtereenvolgens Hitlers 'prestaties', 'successen', 'vergissingen', 'fouten', 'misdrijven' en 'verraad' aan bod. Door deze opdeling maakt Haffner de 'kennis van nu' onschadelijk en kunnen Hitlers daden bijna autonoom belicht worden, zonder de denkfout 'om alles wat Hitler heeft gedaan in zijn geheel als fout te bestempelen, alleen maar omdat Hitler het heeft gedaan'. Dit helpt om Hitlers populariteit te verklaren. Hij had in 1928 slechts 2,5 procent van de bevolking achter zich. De economische crisis dreef 40 procent in zijn armen, maar de volgende 50 procent die ná 1933 aanhanger van Hitler werd, werd dit puur op basis van zijn prestaties: herroeping van 'Versailles', bezetting van het Rijnland, herstel nationalistische trots, herbewapening en natuurlijk het eerste Wirtschaftswunder. Zijn successen behaalde Hitler tot 1941, daarna leidden talloze vergissingen en fouten zijn ondergang in. Zijn grootste fout was dat zijn virulente antisemitisme feitelijk zijn politieke machtsstreven in de weg stond. Zoals Frits Boterman het in zijn lezenswaardige nawoord samenvat: Hitler had zich 'enerzijds als politicus ten doel gesteld om de Duitse heerschappij over geheel Europa te vestigen, anderzijds wilde hij als Programmatiker de joden uit de samenleving verwijderen, ofwel uitroeien. [...] Zijn grootste fout was echter om deze twee doeleinden tegelijkertijd na te streven.' De grote misdrijven - massamoord op de zieken, de zigeuners, de Poolse intelligentsia, de Russen en de joden - schrijft Haffner geheel en al op het conto van Hitler persoonlijk. Het 'verraad' van Hitler is volgens Haffner de vernietiging van het Duitse volk dat hij voorstond toen hij ondervond dat het niet het superieur zegevierende volk bleek te zijn waar hij op had ingezet.
Kanttekeningen bij Hitler is een helder, intelligent en soms zelfs spannend boek. Praktisch iedere zin bevat nieuwe, boeiende informatie. Haffner schrijft persoonlijk en stoutmoedig en schrikt niet terug voor een boude bewering meer of minder. Bovendien strooit hij met beeldende vergelijkingen, bijvoorbeeld om de desillusie van de Duitsers in de laatste oorlogsweken te schetsen: 'Het was de Duitsers in deze weken vergaan als een vrouw wier minnaar zich plotseling als haar moordenaar ontpopt en die schreeuwend haar buren te hulp roept tegen de man met wie zij zich heeft ingelaten.' Adolf Hitler zal altijd een enigma blijven, maar deze Kanttekeningen vormen een aanbevelenswaardige inleiding in het fenomeen.

dinsdag 11 september 2012

9/11 op 12-9

Vandaag is het 11 jaar na 11 september en nog steeds vind ik het uitermate schokkend om de beelden te zien van de vliegtuigen die de WTC-torens in vliegen. Dat zal nooit wennen.
Nine eleven is toch meer en meer het dramatische kantelpunt naar de wereld van vandaag gebleken. Ik zat in mijn zestiende levensjaar, de politiek was een bezadigd en kleurloos bastion, de nabije toekomst zou niet significant verschillen van het heden.
En ineens was alles anders.
De voorspoedige en zorgeloze jaren negentig die op het ontdooien van de koude oorlog waren gevolgd werden toen in één klap - of in twee klappen dus - ingeruild voor een nieuw tijdperk van angst, stress en crisis.
Veiligheid werd het bepalende thema in de internationale en nationale politiek. Nog in 2010 werd dit onderwerp door de kiezer aangewezen als belangrijkste thema, vóór traditionele items als zorg, onderwijs en werk.
Toch lijkt die obsessie met veiligheid en criminaliteit, waar natuurlijk het terrorismespook als een constante dreiging omheen waarde, anno 2012 ineens naar de achtergrond gedrongen. De financiële crisis heeft de aandacht verlegd naar economie en de EU. De PVV van Wilders is daar het sprekende voorbeeld van. Immigratie en islam en werden in rap tempo ingeruild voor Europa en de euro. Is Fortuyn dan toch dood?
Hoe dan ook, de Goddelijke Kale zou wel eens heel rap gereanimeerd kunnen worden als Xander Pechtold zijn zin krijgt en Paars III er binnenkort uitrolt. Want al worden in het collectieve geheugen de puinhopen van Paars vooral geassocieerd met de ontspoorde multiculturele samenleving - die in later jaren altijd weer de spil van het thema veiligheid bleek -, de ware puinhopen waren de vermarkting en privatisering van de collectieve sector, het onderwijs en de zorg. De enige partijen die daar vandaag de dag nog tegen strijden zijn de SP en de PVV, en in mindere mate de christelijke partijen.
De SP is in twee weken echter door de VARA vakkundig ontmanteld, omgekeerd evenredig aan het tempo waarmee Samsom naar de macht is gepiloteerd. En de PVV, die heeft zichzelf ontmanteld, door bewezen incompetentie.
Wat 11 jaar geleden in ieder geval nog wel beter was, was dat die nare blaag van een Sywert van Lienden (of 'Van der Linden', aldus Pechtold) nog geen talking head was. Te pas maar vooral te onpas duikt Seabert op met proefballonnen waarbij die van Hilbrand Nawijn nog visionaire ideeën waren.
De 'stembreker' is zijn laatste schot hagel, dat hij bij DWDD uitentreuren mag komen promoten. Verdeel met een aantal personen in overleg jullie stemmen over meerdere partijen om zo de coalitievorming te beïnvloeden, dat is zo'n beetje de achterliggende gedachte.
Mathematisch is dat echter een krankzinnig concept, zo werd reeds dezelfde dag nog aangetoond door zo'n pienter 'wiskundemeisje'. Die zijn echter veel te bescheiden en timide om uitgenodigd te worden, en dus mocht onze schoolverlater de volgende dag weer aanschuiven om met moeilijke bril heel bestudeerd vanaf zijn laptop hoge rechter te spelen in het tribunaal genaamd 'Meet DWDD'.
Eerder wilde hij al als een soort geweldloze putschist infiltreren in de grote partijen om die te verjongen. Zijn 'G500' heeft een tienpuntenplan om die revolutie in te vullen. Daarin komt het woord 'veiligheid' niet voor.
Morgen is er de dankbare taak van de gang naar de stembus. Voor het eerst in deze eeuw stemmen we dan dus in meerderheid met het thema veiligheid niet meer als belangwekkendste onderwerp.
Sywert is daarmee de verpersoonlijking van het zojuist begonnen post-9/11-tijdperk.
Ik hoor daar niet meer bij. Ik was te jong in de jaren negentig om een kind van die periode te zijn. En ik ben nu te oud om een kind van dit nieuwe tijdperk te zijn.
Ik ben een kind van 9/11. En dat zal ik altijd blijven.

donderdag 29 september 2011

Oorzaak en gevolg, in willekeurige volgorde

Als de wetenschappers van het CERN geen foutje hebben gemaakt en neutrino's inderdaad sneller dan het licht kunnen reizen, dan heeft dat grote gevolgen voor alles wat we weten. Bijvoorbeeld met betrekking tot causaliteit: oorzaak en gevolg lopen in de war. Toch, wanneer men het maatschappelijk debat in ogenschouw neemt lijkt het soms of die 'ontdekking' al veel langer bekend is. Met oorzaak en gevolg wordt namelijk nogal eens een loopje genomen.

Prominentste voorbeeld is Geert Wilders. Sluw maar ferm heeft de opvatting postgevat dat de populariteit van Wilders de oorzaak is van maatschappelijke tweedeling, politieke instabiliteit of zelfs het wangedrag van jeugdige Marokkanen, in plaats van het logische gevolg ervan. Alsof Wilders uit het niets kwam. Wilders is de grote gedoger, niet de onbewogen beweger.

Een ander thema waarop omgekeerde causaliteit te pas en te onpas wordt losgelaten is Project Europa. Het wil de regeringsleiders maar niet lukken een verenigd Europa zonder kinderziektes of chronische kwalen te realiseren. Het volk stemt tegen een Europese Grondwet en zie: dat Europa niet uit de verf komt wordt pardoes het gevolg genoemd van een revival van - liefst dubieuze - nationalistische sentimenten. Maar het is natuurlijk andersom: de herwaardering van het nationalisme is een logisch gevolg van onvrede met en onzekerheid over de gestage uitverkoop van bevoegdheden en zeggenschap aan zoiets abstracts als 'Europa'.

Pijnlijkste voorbeeld van de geniepige omkering van oorzaak en gevolg viel waar te nemen rond de herdenking van tien jaar 9/11, eerder deze maand. Hier en daar durfden beschouwers vraagtekens te plaatsen bij het karakter van de herdenking: was de aandacht niet teveel op de VS gericht? En al die slachtoffers in Afghanistan en Irak dan? De neosofist Rob Wijnberg vroeg zich bijvoorbeeld in zijn column in NRC Next af: 'wat hebben we nu eigenlijk herdacht? Dat er in Afghanistan en Irak tot op de dag van vandaag ieder jaar meer burgers sneuvelen door zelfmoordaanslagen dan op nine eleven zelf?' Nee, we herdachten 'slechts de moderne beeldenstorm. Solidariteit per afstandsbediening.'

Een grove omkering van zaken. Wat nog enthousiast als 'War on Terror' werd begonnen is inderdaad een behoorlijk fiasco geworden, maar niettemin voor eens en altijd het gevolg van de aanslagen in New York. Maar we herdachten 'slechts' New York, aldus Wijnberg. Alsof je het herdenken van het bombardement op Rotterdam gaat bagatelliseren met het argument dat er nadien in Hamburg en Dresden nog veel meer onschuldige burgerdoden zijn gevallen.

Maar eigenlijk gaat Wijnberg nog veel verder. Hij noemt 9/11 een 'beeldenstorm'. Een beeldenstorm! Een irrationele vernietiging van objecten, van levenloze dingen dus. Dat er daarbij - in tegenstelling tot bij de originele Beeldenstorm van 1566 - ook nog vele slachtoffers vielen, om precies te zijn 2973, is blijkbaar even irrelevant. Het satirische 'Radio Bergeijk' stak ooit de draak met de datumnotatie '9/11' (9 november 2001? Dat was hier een heel normale dag, hoezo?'). Je zou haast denken dat Rob Wijnberg ook een andere dag voor ogen had.