Posts tonen met het label VvMU. Alle posts tonen
Posts tonen met het label VvMU. Alle posts tonen

vrijdag 6 mei 2016

Erdogan, de vrijheid van meningsuiting en de denkfouten

De discussie over de vrijheid van meningsuiting naar aanleiding van de affaires met de Turkse schurk Erdogan wordt mijns inziens geplaagd door een aantal denkfouten.
   Op een daarvan wees ik eerder al: de aanname dat Jan Böhmermann Erdogan voor van alles en nog wat zou hebben uitgemaakt is een kwalijke vereenvoudiging en daardoor pertinent onjuist. Hij kondigde nadrukkelijk aan: wat ik nu ga zeggen mag volgens een stoffig Duits wetsartikel helemaal niet, in tegenstelling tot dat onschuldige spotliedje waar Erdogan al om uit zijn slof schoot en naar de rechter liep. Die context wordt vrij stelselmatig genegeerd, gevoed door de beeldcultuur: uitentreuren zien we fragmenten van het voorlezen van het gedicht voorbij komen, het kader waarbinnen Böhmermann dat deed blijft onderbelicht.
   Een tweede denkfout vloeit hieruit voort en vinden we vooral bij de Dolf Jansens van deze wereld, bijvoorbeeld bij Dolf Jansen zelf: 'Als er geen gedachte of doel achterzit is beledigen zwaktebod. Satire vaak ook, trouwens.' Los van de vraag of je het hiermee eens moet zijn, gaat het in het geval van Erdogan, Merkel en Böhmermann dus niet op. Er zat wel degelijk een bloedserieuze gedachte achter de sketch, de presentator had wel degelijk een welomlijnd doel: een misstand aantonen, namelijk dat er een slapend wetsartikel is dat ondermijning van de vrije samenleving door een buitenlands staatshoofd faciliteert, en daar is hij dan ook op zeer wrange wijze in geslaagd.
   Een derde fout corrumpeert de discussie over de zaak-Ebru Umar. De usual suspects Kuzu en Azarkan, maar ook als academici vermomde activisten redeneren als volgt: Ebru Umar mag zomaar alles zeggen maar voor Nederturken die het daar niet mee eens zijn geldt die vrijheid van meningsuiting blijkbaar niet. Een klassieke denkfout, die stevige kritiek op een mening verwart met het monddood willen maken van degene die deze mening uit. Als ik mijn afschuw uitspreek over een bepaalde mening, dan betekent dat niet dat ik vind dat die persoon zijn mening niet had mogen uiten. Integendeel, laat abjecte en andere onwelgevallige meningen maar volop gespuid worden, dan kunnen we ze tenminste plaatsen, leren herkennen, weerleggen, met andere meningen bestrijden en desnoods belachelijk maken.
   Een laatste fout is veel principiëler en daardoor ook veel ergerniswekkender. Deze gedachtegang werd deze week bij Pauw gedebiteerd door voormalig misdaadverslaggever en thans officieuze Denk-ideoloog Peter R. de Vries. Het is het moet dat nou-argument: is het nu echt nodig om Erdogan te beledigen en hem met de grofste scheldwoorden te provoceren? Nee, dat moet inderdaad niet, Peter, maar dat is de kwestie ook niet, de essentie is dat het mag.
   De Vries verplaatst de discussie oneigenlijk van het juridische domein naar ethisch-moreel terrein. Schimpen, schelden, beledigen, de vertrouwde hete hangijzers in de nooit aflatende kwestie hoe we met elkaar moeten samenleven, met elkaar kunnen communiceren, met elkaar mogen discussiëren - het zijn zaken van fatsoen, van morele hygiëne. De vraag wat wel en niet kan, waar de grenzen van het debat en dus van de meningsvrijheid liggen, dat is een vraag die alleen in en door dat debat beslecht kan worden, in de publieke ruimte, en dan nog altijd maar met tijdelijke geldigheid, want het debat mag nooit stoppen, het gesprek moet altijd gevoerd blijven worden.
   Daarom kan de vrijheid van meningsuiting niet absoluut begrensd worden, want dan is het helemaal geen vrijheid van meningsuiting meer. Geen wettelijke instantie kan bovendien bepalen wat beledigend is, wat kwetsend is, dat zijn hoogst subjectieve termen. En zelfs een veroordeling achteraf is zinledig, zoals Carine Crutzen mooi laat zien: 'Geen rechter die kan bepalen waardoor ik wel of niet gekwetst kan zijn, geen rechter die mijn gekwetstheid kan wegnemen door te zeggen dat die ander niet mag kwetsen.'
   Erdogan speelt de beledig- en kwetskaart nu als troef uit in een politiek kaartspel met de EU waarbij hij niet alleen een van de spelers is maar ook de croupier die weet dat de andere partij zwakke kaarten heeft. Hij geniet van zijn macht en gaat telkens een stap verder. Gisteren: Ebru Umar mag Turkije niet verlaten terwijl er GEEN aanklacht vanwege het OM tegen haar loopt! Dan wordt ze dus de facto in gijzeling gehouden door het regime van deze schoft. Het is een grof schandaal.
   Daarnaast waren er twee nieuwe aangiftes ingediend tegen haar, waarvan er een een cartoon betrof, van de hand van Linda Zoon, waarop Umar al schrijvend te zien is, geketend aan een grote, zware kogel met de Turkse vlag erop. Om een tekening gemaakt door iemand anders een aangifte aan je broek krijgen! Krankzinniger wordt het niet, zou je zeggen.
   Bij monde van Frans Timmermans kondigde de EU woensdag aan dat visumvrij reizen voor Turken in juli al een feit kan zijn. Turkije had 'indrukwekkende vooruitgang' geboekt in het voldoen aan de gestelde voorwaarden. 
   Een dag later werd premier Davotoglu door Erdogan aan de kant geschoven omdat hij moeite heeft met een grondwetswijziging die de macht van de president vergroot ten koste van de premier. Gedoodverfde opvolger is Berat Albayrak. Hij is de schoonzoon van Erdogan.
   Vandaag blufpokerde Erdogan vrolijk verder. Een van de resterende voorwaarden is dat Turkije wijzigingen aanbrengt in haar antiterreurwetgeving. Die is nu zo breed geformuleerd dat ook journalisten op basis van deze wet in hechtenis genomen kunnen worden. Dat gaan we dus mooi niet doen, zei Erdogan tegen zijn aanhangers, wij gaan onze eigen weg. 
   En wat was de reactie van Timmermans en de zijnen? O nee, Erdogan, maar dan gaat dat akkoord dat we hadden dus ook niet door? Deal's off! 
   Niets van dat alles, het bleef oorverdovend stil, het momentum ging voorbij. 
   Dat laffe zwijgen, dat kruiperige, huichelachtige buigen voor zo'n bandiet, het is oneindig veel schadelijker en gevaarlijker dan welke grof geformuleerde beschimping, belediging of scheldkanonnade dan ook.

vrijdag 16 januari 2015

Bij het recht op vrije meningsuiting gaat het in de eerste plaats om het recht, niet om de mening

We zijn een week verder sinds de driedaagse terreur in Frankrijk. Twintig doden in totaal. Negen medewerkers van Charlie Hebdo, een onderhoudsmedewerker en twee agenten op woensdag; een agente op donderdag; de drie terroristen en vier burgers op vrijdag. In Berlijn en België vonden deze week antiterreuracties plaats, waarbij in Verviers twee doden vielen, dit keer gelukkig alleen de terroristen.

Het lijkt een kwestie van tijd voor er ook hier iets gebeurt, alle maatregelen ten spijt. In België was het ook op het nippertje, al lijkt het daar meer ingekankerd dan hier - met dat Sharia for Belgium en zo. Het is al veel vaker gezegd, maar het is hét onderscheidende kenmerk van dit type 'oorlog': niet langer valt er een leger een land binnen, de aanval komt van binnenuit, we zijn in zekere zin weer terug van de tank naar de tijd van het paard - dat van Troje welteverstaan.

Ik ben sinds de jaarwisseling zo'n beetje dag en nacht aan het werk, voor wie een verklaring voor de blogloosheid wenst, en het enige dat ik ernaast deed is het nieuws volgen - het was tot dit weekend immers ook nog winterstop. De kranten, de tv-programma's, de internets, het ging uiteraard nergens anders meer over. Drie reacties sprongen er voor mij uit, omdat ik er bijkans van uit mijn vel sprong.

In de Volkskrant mocht Peter Buwalda het Goed Volk toespreken. Meneer heeft ooit één succesvolle roman geschreven, in 2010 alweer, en teert daar sindsdien op. 'Wat volgens mij niet handig is aan de hysterie rond Charlie Hebdo,' begon hij quasi-aarzelend, 'is ons gejeremieer rond de vrijheid van meningsuiting.' We zouden namelijk nogal fundamentalistisch omgaan met dat fundamentele recht. En dat is 'niet handig'.

Buwalda, die er op foto's altijd uitziet als een doorgesnoven Johnny Cash, had de oplossing: 'Gewoon een beetje oppassen met grappen over Zwarte Piet, kanker, Anne Frank en kennelijk ook de Profeet, en alles komt vanzelf goed.' Kennelijk ook de Profeet. Buwalda heeft al die jaren dat hij aan zijn boek werkte kennelijk niet echt zitten opletten wat er buitenshuis allemaal aan de hand was. En al die jaren daarna ook niet, klaarblijkelijk. Fijn rijtje ook trouwens, probeer daar maar eens een kwartetcategorie van te maken.

Merk ook op hoe hij heel slinks de naam Mohammed omzeilt. Alsof niet alleen het afbeelden maar ook het opschrijven van de naam van de profeet je al een fatwa oplevert. Deze zin uit zijn stuk is ook heel mooi: 'Wat we de daders van eergisteren overigens moeten nageven is dat ze tenminste een motief hadden.' Nee, dan hebben we natuurlijk geen recht van spreken, wij fundamentalisten... Wij hebben ook een motief voor ons 'gejeremieer', Buwalda, dat we ons een recht waarvoor eeuwenlang gestreden is niet zomaar willen laten afpakken, niet door onze overheden en zeker niet door een stelletje barbaren.

Het Brabants Dagblad plaatste op de opiniepagina een stuk van Peter Storm, beroepsboeroeper van de extreemst linkse signatuur. Hij was Charlie niet, schreef hij, men moest van hem geen solidariteit met dat krantje verwachten. Hij had ergens gelezen dat het blad als 'links' bekend stond. En toch plaatste het islamkritische cartoons! Dat past natuurlijk niet in het verwrongen wereldbeeld van de linkse activist, voor wie reeds de voorzichtigste kanttekening bij de islam gelijkstaat aan snoeihard racisme.

Het jennen van moslims, zoals Charlie Hebdo doet, zou niet zijn 'prioriteit' hebben gehad als hij een radicaal-links satirisch blad zou hebben gemaakt. Nee maar, wat een timing. Kritiek uiten op de koers van Charlie Hebdo is nu niet de eerste prioriteit die ik zou hebben gehad, nog geen vierentwintig uur nadat de halve redactie op brute wijze is vermoord.

Nee, dan Michiel Beelen. De shock jock die door het leven gaat als Giel Beelen, niet te verwarren met Giel Ottink, die als Thomas Berge door het leven gaat en ook zijn bijdrage leverde aan het debat, enfin, Beelen dus, haalde het nieuws door live op de radio in huilen uit te barsten. Hij haalde ooit al eens het nieuws door zich live op de radio te laten fellationeren, maar nu moest hij brullen om een liedje van Paolo Nutini. Want het was allemaal zo vreselijk wat er was gebeurd in Parijs.

Meteen in De wereld draait door natuurlijk. Maar daar bleek Beelen ineens als een blad aan een boom omgedraaid. Hij vond de hype om dat krantje maar overdreven. 'Als het Jezus was geweest, dan waren er ook heel veel christenen geweest die het niet leuk hadden gevonden.' Aardig dat je het zegt, Michiel, want daar heb je onbedoeld precies de crux te pakken. Die waren dan ook gekwetst geweest, ja, maar ik denk niet dat ze dan met kalasjnikovs op de burelen van het blad waren verschenen.

Die tijd hebben we achter ons gelaten. De islam heeft die hele verlichting nooit doorgemaakt. De multiculturele samenleving is, alle problemen ten spijt, ook een unieke mogelijkheid om die versneld te laten plaatsvinden. Jihadisten en islamisten willen die ontwikkeling ondermijnen, een halt toeroepen, vernietigen. De indrukwekkendste beelden waren die van de laffe executie van de agent. Zijn naam was Ahmed Merabet. Ook onze moslims zijn in oorlog met het islamisme.

Wie kritiek uit zoals ik hier doe, krijgt vroeg of laat het verwijt dat hij dan wel betoogt dat iedereen moet mogen zeggen wat hij wil, maar dat dit voor deze mensen en hun meningen blijkbaar niet geldt. Dat is flagrante onzin. Waar het om gaat is dat ik de drie heren hierboven om hun mening bekritiseer, en niet hen het recht wil ontnemen die mening te uiten.

Het recht op vrije meningsuiting houdt ook de vrijheid in om iemands mening vervolgens keihard te mogen bekritiseren, aanvallen, belachelijk maken, wat niet hetzelfde is als beweren dat hij of zij die mening nooit had mogen uiten - laat staan dat hij of zij er dood om moet.

Al die mensen die nu Charlie zijn, waren dat voorheen nooit, hoor je ook vaak. Nee, inderdaad, maar Charlie zijn betekent in dit geval niet het gedachtegoed van Charlie onderschrijven maar een principiële steunbetuiging geven aan het recht, de vrijheid om een Charlie te kunnen zijn, zonder het gevaar te lopen afgeslacht te worden.

Bij het recht op vrije meningsuiting gaat het in de eerste plaats om het recht, niet om de mening. De mening is altijd secundair, die is in principe inwisselbaar. Maar het recht zelf, dat mag nooit onderhandelbaar zijn.

donderdag 4 september 2014

Geenstijl rijmt op Pierre Bayle

I

Bij de hevige politieke en maatschappelijke onrust van de laatste weken rond de demonstraties van voor- en tegenstanders van ISIS en rond de acquisitieafdeling die deze terreurbeweging in de Haagse Schilderswijk zou hebben, speelde Geenstijl een prominente rol. Het weblog plaatste een spotprent over Jozias van Aartsen en werd prompt object van een strafrechtelijk onderzoek door het OM. Een week later werd besloten niet tot vervolging over te gaan.

Wel werden opeens met grote voortvarendheid ronselaars en andere jihadhooligans uit de Schilderswijk van hun gebedsmatje gelicht, onder wie Azzedine Choukoud ('Abou Moussa') en Rudolph Holierhoek ('Abou Babyschudder'), die beiden al wekenlang onder het roze vergrootglas lagen, zoals Geenstijl zelf niet naliet op te merken: 'Is dat toevallig? Dat twee geradicaliseerde booslims die al weken onder de loep liggen bij Geenstijl ineens heel daadkrachtig van de straat worden gehaald door een burgemeester die het OM heeft verzocht datzelfde weblog strafrechtelijk te onderzoeken.'

Het aardige is dat Van Aartsen dit maandag bij Pauw min of meer toegaf. Indirect, omfloerst en in die typische kakkineuze liberalenretoriek waarvan Van Aartsen een waardige vertolker is, maar hij onthulde niettemin dat al zijn acties, en vooral zijn gebrek daaraan, in dienst stonden van het onderzoek naar de schadelijke sujetten die uit de samenleving verwijderd moesten worden. Het onderzoek naar Geenstijl was dus een afleidingsmanoeuvre. Dat hij zijn hoofd van de romp gescheiden op een spotprent aantrof, als kritiek op het feit dat hij zijn gezicht maar niet liet zien, leidde alleen maar dankbaar de aandacht af van het feit dat hij de kopstukken in het vizier had.

II

Nadat minister Asscher bekend had gemaakt dat hij haat predikende imams het leven zuur ging maken en ze zelfs het land uit wilde zetten, kwam Geenstijl niet, zoals velen verwachtten, met een juichend bericht vol borstklopperij, maar met een even genuanceerd als prikkelend betoog tegen deze maatregel. Die zou namelijk betekenen dat de vrijheid van meningsuiting wordt beknot en dat mag nooit het gevolg zijn:

'Maak het leven van haatimams niet "lastig", maar zet ze in de spotlight. Maak indoctrinerend haattuig dat gebruik maakt van vrijheid van meningsuiting openbaar, hun woorden inzichtelijk en hun waanideeën publiekelijk. Niet censuur, maar transparantie en openheid is de weg naar de-radicalisatie. Duistere Middeleeuws gedachtegoed kwijnt weg als de rationele Verlichting er op schijnt. [...] Transparantie, kennis en onderwijs is wat we nodig hebben en de enige manier om achterlijk religieus gedachtegoed definitief uit te bannen.'

Het beroep op de Verlichting in dit citaat is niet verrassend. Geenstijl is immers al eens, in een artikel in Trouw, tot hedendaagse erfgenaam van de 'Radicale Verlichting' gebombardeerd. De eminente Britse historicus Jonathan Israel schreef een baanbrekende studie over deze Radicale Verlichting (1650-1750). Zijn werk kreeg hier bijzondere bijval omdat Israel de wortels van de Radicale Verlichting in het Nederland van midden en eind zeventiende eeuw situeerde, bij Spinoza en in diens kring met fascinerende figuren als Lodewijk Meyer, Adriaan Koerbagh en Franciscus van den Enden.

Israel is niet alleen een expert op het gebied van de Radicale Verlichting, hij is ook zeer kritisch op de hedendaagse verkwanseling van de verworvenheden van diezelfde Verlichting. De ideologie van het multiculturalisme ziet hij als een van de oorzaken, en die ideologie is in zijn visie door het postmodernisme gefaciliteerd. In het voorwoord bij zijn boek Revolutie van het denken (2011) trekt hij ongemeen fel van leer:

'Een van de meest geprononceerde en voor de samenleving zeer schadelijke vormen van verzet tegen Radicale Verlichting kwam recentelijk van het modieuze multiculturalisme dat, gelardeerd met postmodernisme, de westerse universiteiten en regeringen wist te bekoren. Volgens deze tijdelijk machtige nieuwe vorm van intellectuele rechtzinnigheid waren namelijk alle tradities en waardenstelsels min of meer even geldig. Men sprak zich categorisch uit tegen de gedachte van een universeel systeem van hogere waarden die naar rede en billijkheid vanzelf spreken, of die een hogere status zouden verdienen dan andere waarden. Meer in het bijzonder hield het in dat veel westerse intellectuelen en regeringsbeleidmakers geen universele geldigheid en verheven status boven andere culturele tradities wilden toekennen aan de kernwaarden die uit de westerse Verlichting zijn ontstaan, hoezeer die ook aanspraak mogen maken op rationele degelijkheid, want, zo redeneerden zij, dat zou rieken naar eurocentrisme, elitarisme en gebrek aan respect voor de "ander".' (11-12)

Men kan hiertegen inbrengen dat de Radicale Verlichting juist zo goed wortel kon schieten in het Nederland van eind zeventiende eeuw door het open en tolerante klimaat dat er heerste. Spinoza en ook Pierre Bayle, in Israels model de twee wegbereiders van de Radicale Verlichting, waren immers twee 'allochtonen' in de Republiek, en als dusdanig exponenten van een multicultureel klimaat. Israels kritiek richt zich dan ook niet zozeer op de multiculturele samenleving als gegeven, als wel op het multiculturalisme als postmoderne ideologie, waarin elke morele of ethische hiërarchie wordt ontkend.

III

Dit kritische geluid tegen postmodernisme klinkt overigens ook steeds vaker op uit de hoek van de jonge generatie publiekshistorici. Rutger Bregman stelt in Geschiedenis van de vooruitgang (2013) dat het vooruitgangsgeloof ten onder is gegaan aan de door het postmodernisme uitgevoerde aanval op zijn intellectuele grondslagen: 'Geen postmodernist durfde nog dat heilige begrip van weleer, "waarheid", in de mond te nemen. Geschiedenis, of eigenlijk alles wat überhaupt gezegd kon worden, was gedegradeerd tot "tekst en interpretatie".' Het postmodernisme stelde daar echter niets tegenover. Bregman citeert geschiedfilosoof Chris Lorenz, die schreef dat het postmoderne relativisme 'aanzienlijk meer elasticiteit dan we doorgaans bij denkende personen aantreffen' veronderstelt. 'Oftewel: het postmodernisme zit vol baarlijke nonsens.' (239)

Collega-wonderkind Thierry Baudet sprak in zijn Oikofobie. De angst voor het eigene (2013, 198-199) al van de 'oplichterij' van de postmoderne sociologie, en ook Bregman velt een hard oordeel:

'De ironie van het postmodernisme is dat het, ondanks zijn afkeer van de Grote Verhalen, op den duur zelf een Groot Verhaal werd. Maar dan wel alleen voor zichzelf. Met een eigen jargon, eigen profeten en eigen gebruiken kreeg het postmodernisme iets sektarisch over zich. Nog altijd worden jonge literatuurwetenschappers, feministen en historici ondergedompeld in de geschriften van waarzeggers als Jacques Lacan, Julia Kristeva, Jacques Derrida en Gilles Deleuze. Kritiek op hun leerstellingen wordt door menig volgeling als heiligschennis opgevat. Ik spreek uit ervaring.
Met hun obscure jargon hebben de postmodernisten zich van het grotere publiek vervreemd. Voor de geesteswetenschappen, die bestaan bij de gratie van de samenleving, is dat een ramp geweest. De geesteswetenschappen, soms ook menswetenschappen genoemd, zeggen de mensheid als studieobject te hebben. Het wordt tijd dat ze die mensheid ook weer ten dienste gaan staan.' (242-243)

Maar ik dwaal af.

IV

Om zijn radicale verlichtingsideeën te verspreiden gebruikte Bayle onder meer het nieuwe medium van het 'geleerdentijdschrift', dat opkwam in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Zo'n geleerdentijdschrift was in de basis een wetenschappelijk blad met objectieve en neutrale berichtgeving, maar verkreeg gaandeweg ook een opiniërende invalshoek. Bayle lanceert in 1684 de Nouvelles de la République des Lettres, waarin hij onder veel meer voor verlichte tolerantie pleit. Dit doet hij niet in obscuur, zich van het grote publiek vervreemdend jargon. 'Interessant is', schrijven Inger Leemans en Gert-Jan Johannes in Worm en donder (2014, 165), 'dat Bayle niet exclusief voor geleerden schrijft. Voor een wat journalistieke presentatie trekt hij zijn neus niet op.'

In 1692 lanceert Pieter Rabus met de Boekzaal van Europe het eerste Nederlandstalige geleerdentijdschrift. Ook Rabus springt in de bres voor de verlichtingsbeginselen. Hij wordt gezien als een 'wegbereider van de gematigde, protestantse variant van de Verlichting, zoals die in de loop van de achttiende eeuw dominant zal worden voor de intellectuele cultuur van de achttiende-eeuwse Republiek.' Die gematigde variant wordt door Israel als een stap terug gezien ten opzichte van de Radicale Verlichting.

Rabus in de gematigde categorie indelen is evenwel niet eerlijk, zo geven ook Leemans en Johannes deels toe: een tijdschrift als dat van Rabus was 'per definitie enigszins "radicaal" van aard', want ze pionierden voor 'een open debat over allerlei normen, waarden en dogma's die vaak als onaantastbaar en onveranderlijk w[e]rden beschouwd'. (166) Veeleer zijn de latere 'spectatoriale' tijdschriften als Justus van Effens Hollandsche Spectator vlaggenschepen van het gedachtegoed van de gematigde Verlichting.

Rabus bestrijdt elke vorm van geloof en bijgeloof, waartussen voor hem overigens, geheel in lijn met Bayle, geen verschil bestaat. Ook op de islam gaat Rabus los. Hij noemt de Koran een 'grolboek' vol 'vuiligheden van het Mahometaansche bygeloof' en de profeet Mohammed een 'Arabische vuilik', 'galgbrok', 'plompe vlegel' en 'onbeschaamde bakkes'. (166) Voor degenen die nu trillend en rood aanlopend de islamofobie-kaart trekken: voor het katholicisme is Rabus nauwelijks coulanter.

V

Lezend over Bayle en Rabus en hun strijd tegen geloofsdwang en pleidooien voor verlichte waarden moest ik denken aan het beroep dat Geenstijl doet op 'rationele Verlichting' als remedie tegen 'achterlijk religieus gedachtegoed'. Het weblog is misschien wel een hedendaagse, digitale nazaat van het geleerdentijdschrift, al heeft het de profeet Mohammed bij mijn weten nog nooit de epitheta toebedeeld die Rabus van stal haalt. Dat kan als een teken van vooruitgang worden gezien. Maar misschien zegt het ook wel iets over de gedimde staat van de Verlichting in het huidige tijdsgewricht.

donderdag 21 februari 2013

Laat de SGP toch met rust

Politiek-maatschappelijke discussies zijn vaak zo hardnekkig omdat ze principieel onoplosbaar zijn. Ze zijn onoplosbaar omdat er meestal sprake is van twee botsende, met elkaar onverenigbare rechten. Het recht op vrije meningsuiting en het recht op non-discriminatie bijvoorbeeld. Het recht op privacy en recht op een veilige leefomgeving is ook zo'n beruchte. Zulke botsingen zijn vaak goed voor veel maatschappelijke onrust. Het is aan de politiek en de rechterlijke macht om te bepalen welk recht in welk geval prevaleert.

Vaak duiken in allerlei media vurige voorvechters op van het ene recht, met als bekendste voorbeelden natuurlijk Wilders en de vrijheid van meningsuiting en mevrouw Weski en het recht op privacy. Deze pleitbezorgers hebben de makke dat ze niet pragmatisch kunnen of willen denken: ze verheffen principes tot dogma's en verliezen de specifieke context waarin het probleem zich voordoet en het praktische maatschappelijk belang uit het oog.

Nog zo'n klassieke botsing is die tussen het al genoemde recht op non-discriminatie en het recht op godsdienstvrijheid. Vorig jaar juli oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de SGP vrouwen niet mag uitsluiten van zijn kieslijst. De mannenbroeders moeten met andere woorden ook hun vrouwenzusters een actieve rol laten spelen.

Om twee redenen is dat een vreemde zaak. Ten eerste is het bijzonder curieus en ook vérstrekkend dat een Europese rechtbank over zo'n bij uitstek nationale kwestie een bindende uitspraak kan doen. Het Europees Hof pretendeert alleen 'universele' uitspraken te doen, maar de Straatsburgse rechters bemoeien zich nu blijkbaar ook met zaken die aan de politieke soevereiniteit en nationale identiteit van het betreffende land raken.

Thierry Baudet stelt terecht dat dit onwenselijk is: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens 'zou zich weer moeten richten op waar het oorspronkelijk voor is bedoeld: het beschermen van personen tegen de meest elementaire onrechtvaardigheden zoals fysiek geweld en grove wreedheden tegen weerloze burgers, en het zou moeten opkomen voor uitsluitend de meest elementaire beginselen van de democratie, zoals de persvrijheid en vrije verkiezingen.' (De aanval op de natiestaat, 2012, p. 337-338)

Ten tweede is er alleen in theoretische zin sprake van een botsing van rechten: de uitspraak vooronderstelt in feite dat er binnen de SGP een groep mensen gediscrimineerd wordt, maar is dat wel zo? Kun je van discriminatie spreken als degene die als de gediscrimineerde partij wordt gezien dat zelf helemaal niet zo ervaart? Met andere woorden: moeten vrouwenrechten prevaleren boven godsdienstvrijheid wanneer die vrouwen zelf die godsdienstvrijheid hoger aanslaan en hun individuele rechten daar graag aan ondergeschikt maken? Volgens de Europese rechters dus wel.

Het is maar de vraag of hier iemand bij gebaat is. De partij moet nu tegen haar zin haar grondbeginselen wijzigen, de vrouwelijke leden, die dus helemaal niet zitten te wachten op deze 'steun', voelen zich onnodig voor het blok gezet. In de terminologie van Baudet botsen hier twee rechten uit het mensenrechtendiscours: een klassiek recht - godsdienstvrijheid - en een groepsrecht - rechten die geclaimd worden omdat men tot een minderheid, in dit geval: seksuele minderheid behoort. Maar die rechten worden dus helemaal niet geclaimd door die minderheid, die worden hen nu in zekere zin zelfs opgedrongen, waarmee het recht eerder een plicht is geworden. Natuurlijk is het goed als die vrouwen zich zouden emanciperen, maar dat is een proces van bewustwording, niet iets wat van bovenaf opgelegd moet worden.

Iets soortgelijks gaat mijns inziens op in de discussie over de 'weigerambtenaar': de ambtenaar van de burgerlijke stand die weigert een huwelijk te sluiten tussen twee mensen van hetzelfde geslacht omdat hij 'gewetensbezwaard' is. Een motie om ambtenaren die weigering te verbieden haalde het in 2011 net niet. Het is bijzonder twijfelachtig of hier ook maar iemand bij gebaat zou zijn geweest. De ambtenaar staat dan met tegenzin zijn plicht te doen, terwijl ik toch aanneem dat ook de geliefden liever niet in de echt worden verbonden door iemand die hen als minderwaardig beschouwt.

De SGP-zaak is nu voorgesteld als een klassieke zaak van botsende grondrechten, maar dat is alleen zo voor buitenstaanders, niet voor de mensen die het betreft, en daar zou het toch om moeten gaan. Er is geen vrouw binnen de SGP die er een probleem van maakt niet verkiesbaar te zijn. Voor de vrouw die dat wel een probleem zou vinden is er bovendien de ChristenUnie. De partij zelf is echter wel gebonden aan de uitspraak en heeft niet die keuzevrijheid, tenzij ze zichzelf opheft. De hele zaak is bij nadere beschouwing een jammerlijke verspilling van tijd, geld en energie. Laat de SGP toch met rust.

donderdag 26 maart 2009

Meer Hitler in de polder

Joost Zwagerman - Hitler in de polder & Vrij van God (2009), 72 blz.In Hitler in de polder, het eerste deel van zijn tweedelige pamflet Hitler in de polder & Vrij van God, berijdt Joost Zwagerman een van zijn meest succesvolle stokpaardjes. Hij opent opnieuw de aanval op de hypocrisie van de "lelieblanke culturele elite", een clubje pensioengerechtigde opiniemakers dat kritiek op het Christendom als een grote deugd ziet maar kritiek op de Islam daarentegen als een nieuwe manifestatie van racisme en fascisme. Columnisten als Hugo Brandt Corstius en Jan Blokker grossieren in het vergelijken van hun tegenstanders in het debat met nazikopstukken en -praktijken. Ook mensen als Geert Mak en Huub Oosterhuis maken zich hier schuldig aan.

De vergelijkingen dienen om het vermeende kwaad in de samenleving aan te wijzen, hoe oneigenlijk dat ook is: "De paradox is nu dat het absolute en radicale kwaad van het nazisme als onherhaalbaar en onvergelijkbaar wordt voorgesteld, terwijl sommigen van ons in de praktijk telkens weer een mogelijk herhaling of het begin van een herhaling waarnemen en de nazi's ter sprake brengen zodra iemand iets beweert wat zich kennelijk met het Derde Rijk en de Jodenvervolging laat vergelijken." Kenners van het columnistische werk van Zwagerman weten dat hij deze tendens al eerder gesignaleerd en uitgewerkt heeft. In dit pamflet gaat hij een stap verder en zoekt naar een verklaring voor deze houding.

Zelf houd ik het altijd op overlopende zelfgenoegzaamheid, op een stuitend vertoon van vermeende morele superioriteit. Zwagerman lijkt ook in die richting te denken. Hij wijst op de historisch bepaalde 'erfzonde' van de Tweede Wereldoorlog. Iedereen wordt met de paplepel ingegoten dat het ultieme kwaad hier ooit heeft kunnen woeden en -belangrijker - altijd weer in ons midden kan opstaan. Deze "obsessie met waakzaamheid die ons is ingeprent" heeft in de praktijk geleid tot een krampachtige etikettering van tegenstanders in de meningsvorming als de vertegenwoordigers van het nieuwe kwaad, als de nieuwe nazi's. Het contrast met de etiketteerder als 'goede Nederlander' wordt er des te groter door: "In zijn kennelijk verslavende en roesverwekkende drang om door zijn landgenoten voor goede Nederlander te worden aangezien, is hij bereid om degenen met wie hij van mening verschilt te promoveren tot het kwaad in eigen persoon."

In een essay in De Groene Amsterdammer (13-2) bekritiseren Dick Pels en August Hans den Boef Zwagerman. Zij stellen dat hij vrolijk meedoet aan "het oer-Hollandse gezelschapsspel van de demonisering." Ook voor Zwagerman zijn Hitler en de holocaust "niet veel anders dan het gepersonifieerde kwaad." Pels & Den Boef gaan hier echter voorbij aan het feit dat dit voor Zwagerman twee zaken zijn die losstaan van elkaar. Zwagerman benadrukt zoals gezegd de krampachtige preoccupatie in den lande met het fascisme. Ook Pels & Den Boef wijzen op de bizarre praktijk dat het "nog steeds kwalijker gevonden [wordt] om extreem rechts te zijn dan extreem links." Zij spreken in dit geval van "een soort etnocentrisme van het leed en de herinnering". Zwagerman komt echter in opstand tegen publicisten die deze 'erfzonde' misbruiken om tegenstanders van vandaag de dag de mond te snoeren.

Zwagerman polemiseert (Pels & Den Boef spreken liever van demoniseren) inderdaad sterk tegen Blokker en Brandt Corstius - al jaren. Hij verlaagt zich echter niet tot het vergelijken van zijn opponenten met nazi's zoals die dat zelf wel steeds weer doen. Het in stand houden van deze "slachtofferarrogantie" (Pels & Den Boef), deze vlucht in de erfzonde dient dan inderdaad om het eigen gelijk welhaast te verheffen tot theologisch dogma. Overigens worden Blokker en Brandt Corstius volgens Pels & Den Boef "door niemand ter linkerzijde nog serieus genomen". Deze kritiek op de vijandkeuze van Zwagerman lijkt me onbedoeld een nog pijnlijker opmerking voor de beide heren dan de aanval van Zwagerman zelf, maar dat terzijde.

In hun verder behartenswaardige essay pleiten Pels & Den Boef voor een verruiming van de vrijheid van meningsuiting: "Discriminerende, racistische en fascistische en andere haat zaaiende meningen moeten worden getolereerd zolang ze niet feitelijk oproepen tot geweld." Dat betekent ook dat de Koran niet net als Mein Kampf moet worden verboden, zoals Wilders wil, maar dat juist het verbod op Mein Kampf opgeheven moet worden. Zo'n radicale vrijheid van meningsuiting brengt wel de plicht met zich mee ondemocratische en discriminerende uitingen in het debat te bevechten. Zoals Pim Fortuyn al voltaireaans opmerkte: "Ik kan uw mening nog zo abject vinden, ik zal uw recht verdedigen om die te uiten."

Zwagerman zou dus niet voorbij het demoniseren geraken. Hij is "zo geobsedeerd door zijn gevecht tegen linkse windmolens dat hij geen tijd heeft om aan te geven hoe die meer genuanceerde islamkritiek er dan uit zou moeten zien." Dit doet hij aan het eind van zijn pamflet echter juist wél, en gek genoeg op dezelfde manier als Pels & Den Boef. Het is immers ook een van Zwagermans kapitale stellingen dat moslims als Aboutaleb en Marcouch "het slachtofferschap ver voorbij zijn" (Pels & Den Boef). Deze politici - maar ook moslims als Tofik Dibi en Said Bouddouft - gaan niet prat op "een vermeend slachtofferschap," zo schrijft Zwagermans zelfs letterlijk, "dat hun wordt opgedrongen door schijnbare autochtone bondgenoten in het debat." Zij waken er wel voor zich te "laten gijzelen door de hysterische retoriek van de beschuldigers van het radicale kwaad".

Pels & Den Boef concluderen: "Etiketten als fascisme en racisme zijn in dit debat geenszins taboe, mits ze zakelijk en op goede historische gronden worden gehanteerd en niet met het doel mensen de mond te snoeren." Het zijn nu juist die drie genoemde voorwaarden waar de nazivergelijkingen van opiniemakers als Brandt Corstius niet aan voldoen, en daar richt Zwagerman zich m.i. dan ook op in zijn pamflet. Want exact Aboutaleb en Marcouch bewijzen volgens Zwagerman dat het op inhoudelijke gronden fel bestrijden van verbaal geweld - de wenk van Pels & Den Boef - een vruchtbare weg is: "Was ik moslim in Nederland, ik zou me inderdaad geschoffeerd voelen door de populistische slogans van Geert Wilders en zijn partijgenoten. Maar ik zou die schofferingen pareren met een lucide argumentatie en mij niet laten verleiden tot de beschuldigingen van de zelfbenoemde ontmaskeraars van het radicale kwaad."

Pels & Den Boef en Zwagerman zitten meer op één lijn dan op het eerste gezicht het geval lijkt.

zondag 18 mei 2008

Het volgende kabinet is een zakenkabinet

In dictaturen werden en worden dissidenten dikwijls van hun bed gelicht. Ook kunstenaars zijn daarbij vaak de pineut als zij zich in woord en beeld kritisch uitlaten over de maatschappelijke verhoudingen. Vrijheid van meningsuiting mag de (partij)ideologie niet in de weg staan. Ook Nederland kan er wat van, zo is gebleken. Hier is het echter niet de AIVD, maar het OM, met als eindverantwoordelijke Minister Ernst Hirsch Ballin, dat het debat over de vrijheid van meningsuiting verder op scherp heeft gezet door cartoonist Gregorius Nekschot door een pelotonnetje politie van zijn bed te laten lichten.

Nekschots cartoons zijn messcherp, uitdagend, vaak op en soms over het randje. Maar dat mag, dat is wat kunst soms doet. Kunst is een bijzondere module in de werkelijkheid. Zij stelt zaken aan de orde die bij andere gelegenheden zoals politiek en journalistiek om uiteenlopende redenen niet aan de orde mogen en kunnen komen. Een kunstuiting is herkenbaar als een kunstuiting door haar vorm en presentatie. In je hoofd word je mentaal getriggerd om deze uiting vervolgens als zodanig te bezien, te overdenken en er een oordeel over te vormen. Dat bij fanatici en waanzinnigen door permanente kortsluiting de knop niet wordt omgezet, is bekend. Dat echter ook de Nederlandse regering nog immer besmet is met een mentaal virus, is zorgwekkend. Misschien is dit hèt moment om de kunst los te koppelen van de vrijheid van meningsuiting en een aparte vrijheid van kunstuiting in de grondwet op te nemen.

De verantwoordelijken voor de arrestatie hebben de mond vol van politiek correct handelen door het OM. 'Politiek correct', een kwalijk begrip, want in feite een contradictio in terminis. Politiek is per definitie incorrect, draait om macht en geld, om partij A behagen en daarmee partij B teleurstellen. In deze zaak wordt het begrip gebruikt om de werkelijkheid te ontkennen. In Denemarken werd cartoonist Kurt Westergaard dapper in woord en daad in bescherming genomen tegen de barbaren, in Nederland wordt de cartoonist omstandig in het gevang gegooid. Een private dagvaarding was blijkbaar niet mogelijk. Men vond het nodig de grootst mogelijke ruchtbaarheid aan de zaak te geven. Gevolg is dat de internationale gemeenschap, inclusief de Arabische, nu bekend is met de zaak. Nederland is laf en ziek, zo wordt wijd en zijd gediagnosticeerd. In Islamitische landen zal het rood-wit-blauw tevoorschijn komen, en niet vanwege het naderende EK voetbal.

Het CDA beweegt zich richting een vrije val door deze zaak. Hirsch Ballin toont zich een lafhartige minister en ook de grote leider verliest langzaamaan mijn vertrouwen. Stemde ik bij de vorige verkiezingen nog zeer bewust op het fatsoenlijke, bedachtzame CDA en de steeds beter wordende Balkenende, nu moet ik tot mijn grote spijt op mijn schreden terugkeren. In een toespraak voor alle kameradski's op de als 'familiedag' gelabelde partijdag van de SP noemde Jan Marijnissen hem een onzichtbare leider. En daar heeft Marijnissen wel gelijk in. Collega Sarkozy is overal, is bij de gebeurtenissen aanwezig, geeft leiderschap een gezicht. Balkenende is vooral afwezig en is nu zelfs kandidaat om af te vloeien naar de onontwarbare bestuurlijke kluwen die Europa/Brussel heet.

Maatschappelijke problemen zijn groter dan ooit. De samenleving bestialiseert, mensen staan elkaar naar het leven. Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van geloof zitten elkaar steeds meer in de weg. Economie en milieu vormen groeiende probleemgebieden die ook nog eens met elkáár collideren. De handelsconcurrentie neemt toe, maar een zuchtende planeet vraagt om even grote aandacht. Echter, nog immer hebben ideologie, fanatisme en partijpolitiek de touwtjes in handen. De neiging is sterk om Rita Verdonk de regie te geven. Zij wil daadkracht en actie, maar heeft nog geen concrete oplossingen gepresenteerd. De gevestigde orde zegt oplossingen te hebben, maar mist de daadkracht om deze te verwezenlijken. (De 'daadkracht' die tentoongespreid werd bij de arrestatie van Nekschot verdient dit label niet.) Wanneer Verdonk de kans krijgt om haar stevige taal waar te maken, weten we meteen hoeveel realisme erin schuilt. Het beste zou zijn om haar en haar 'beweging' te accepteren en te tolereren. Dus niet onschadelijk proberen te maken en de mens Verdonk 'demoniseren', maar de kans op verandering met het volle verstand benutten. Wie zou daartoe in staat zijn? Misschien één man.

Een andere hype is Alexander Pechtold, de retoricus die het hersendode D66 weer heeft doen herademen. Pechtold praat makkelijk, presenteert zich als een intellectueel met een scherp inzicht in de zwakke en rotte plekken bij alle andere partijen. Maar heeft hij wél oplossingen? Wat betekent D66 in de veranderende constellatie? De partij kampte jarenlang met het fundamentele probleem van een kleine middenpartij: zij helde dan eens naar links en kreeg een klap van rechts, kantelde berouwvol weer naar rechts en kreeg een schop van links. D66 was een klaploper in het spel en daar loopt het slecht mee af. Met Pechtold lijkt de partij definitief voor links te kiezen en dat is misschien wel een gouden greep. Links heeft tegenwoordig immers veel weg van een kermis op een kerkhof, met de terminale PvdA (Pal voor de Afgrond) als begraafplaats waarop het Sociabel Populisme van de SP en het wezenloze GL (GááááápLinks) respectievelijk als opwindende maar gevaarlijke en veilige maar inspiratieloze attractie fungeren. D66 heeft daar veel speelruimte, kan de verdorde grond weer vruchtbaar maken en nieuwe bezoekers (lees: potentieel electoraat) aantrekken.

Wat zou het opleveren als Pechtold en Verdonk eens ophielden elkaar te bestrijden en in plaats daarvan toenadering zochten tot elkaar? Niet meer een crashtest van botsende ego's, maar een stevige samenwerking waarbij de twee elkaar in evenwicht houden en zo ervoor zorgen dat de scherpe kanten aan beide kanten geen kans krijgen etterende snijwonden te veroorzaken. Een zakenkabinet Pechtold-Verdonk met op het ene gebied een 'linkse' aanpak, op het andere een 'rechtse', maar altijd een daadkrachtige. Niet altijd dat voortbroddelende pappen en nathouden, veroorzaakt door een structurele politieke onbalans, maar rationele beslissingen door onafhankelijke deskundigen. Een zakenkabinet met bestuurders aan het roer die niet gehinderd worden door zaken als partijpolitiek en -ideologie. Die de concrete plannen meteen aan de Tweede Kamer presenteren, alwaar Pechtold en Verdonk de democratische gang van zaken bewaken en voorkomen dat elk voorstel bij voorbaat stukloopt op partijpolitieke tegenstellingen.

Daadkrachtig links en daadkrachtig rechts in balans. Met als nettoresultaat het pragmatische midden. En dan niet meer dat traditionele midden als optelsom van alle middenposities en bijbehorende logge besluitvorming, maar een midden als optelsom van daadkrachtige handelingen. Misschien is het ondoenlijk door de te grote ego's, maar geef het een kans. Want zoals Herman Finkers al wist: 'ondoenlijk is ook doenlijk, want onweer is ook weer.'