Posts tonen met het label Populisme. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Populisme. Alle posts tonen

vrijdag 31 maart 2017

Door roeien en ruiten. Laatste blog

Nihil novi sub sole

De voltallige wereldpers had vorige week de kampementen opgeslagen in onze moerasdelta om verslag te doen van de 'kwartfinale' tegen de populisten - pardon, de 'verkeerde' populisten -, aldus Rutte. Nederland weer even de navel van de wereld - wat een weelde.
  Er stond wat op het spel, zo mochten we van de buitenlandse verslaggevers vernemen, want de reputatie van het open en tolerante Nederland stond op de helling: zouden de Hollanders hun verstand erbij houden of zouden ze hun onderbuik laten spreken?
  Je ging er bijna door hopen dat Wilders toch zou winnen, opdat we eindelijk eens konden afrekenen met dat fabeltje van het o zo tolerante Nederland. Historisch gezien was wat we nu tolerantie noemen in hoofdzaak een vorm van geslepen mercantilisme, terwijl het in het nabije verleden in de gedaante van het cultuurrelativisme vooral een ideologisch dogma is geweest dat het sociale bindweefsel van de samenleving uiteen heeft gereten.
  Maar Wilders won niet - dat wil zeggen, hij werd niet de grootste - en de vlag ging uit, te beginnen bij het Brussels geboefte. Jean-Claude Juncker bracht een toast uit: deze verkiezingsuitslag was een collectieve stem vóór Europa. Guy Verhofstadt proclameerde dat Nederland een pro-Europees bastion bleef.
  De mensen hebben evenwel noch met hun verstand, noch met hun onderbuik gestemd, ze hebben het ultrakortetermijngeheugen laten beslissen. Vier jaar lang hebben ze zich kapot geërgerd aan de volksverlakkerij van Mark 'Pinokkio' Rutte & Zijn Boevenbende van Bonnetjes & Inlegvelletjes, maar één zaterdag het land verdedigen tegen Erdoğans aanvalsplan was genoeg om als een blad aan een boom om te draaien.
  Dat menigeen zijn voor Wilders gereserveerde stem uiteindelijk niet op de PVV heeft uitgebracht omdat de partij bij voorbaat overal van uitgesloten werd, komt bij de victorie kraaiende commentatoren niet op. De PVV zelf vertoonde overigens ook allesbehalve de gretigheid om het momentum te verzilveren. Wilders ontdook het debat, en wanneer hij wel meedeed draaide hij zijn inmiddels behoorlijk grijsgedraaide riedels af. Het is te hopen dat zijn trucje nu wel is uitgewerkt, maar zeker is dat allesbehalve.

Meer nog dan de populisten werden de sociaaldemocraten verslagen. De PvdA leed een historische nederlaag. Niemand hoeft medelijden te hebben met de voormalige arbeiderspartij, die de voorbije decennia de traditionele achterban gestaag van zich heeft vervreemd, uit opportunistische, cliëntelistische motieven een vijfde colonne de partij binnenhaalde, en nu met de gebakken peren zit sinds die zich heeft afgescheiden en de nieuwe achterban heeft meegenomen naar Denk.
  Toch kun je niet anders dan enige empathie voelen wanneer je de beelden ziet waarin Attje Kuiken van de PvdA tijdens een debat wordt aangevallen door Farid Azarkan van Denk over de mede dankzij de PvdA aangescherpte regels rond halal slachten: 'U vindt dat deze mensen naar België moeten om een schaap te halen!' schuimbekt Azarkan. Een meute joelende mohammedanen vormt het onheilspellende achtergrondkoor terwijl deze schurk zich intimiderend over het tafeltje naar Kuiken toe buigt.
  Zo kan het dus gaan: je koos ooit voor de softe aanpak om de nieuwe Nederlander te paaien, plaatst allochtonen op je lijst om die mensen als stemvee aan je te binden, en voor je het weet blijk je het Paard van Troje te hebben binnengehaald dat, eenmaal losgebroken, je het verwijt maakt je mensen naar België te jagen voor een schaap. O, PvdA.
  Overigens doet het gejeremieer van de PvdA-partijbonzen evenzeer pijn aan de oren. De partij moet zichzelf opheffen (Oudkerk), de negen zetels kunnen beter aan GroenLinks worden geschonken (Plasterk). Alsof deze mastodonten de voltooidlevenwet van Doodbidders66 alvast maar op hun eigen partij willen uitproberen.
  Van het CDA dachten we vier jaar geleden ook dat het einde oefening was, en kijk nu eens: een wederopstanding in de beste christelijke traditie. Zo is ook de PvdA nog lang niet opgegeven. Gewoon maximaal vier jaar oppositie voeren tegen het aanstaande kabinet, en dan met Aboutaleb aan het roer de volgende verkiezingen in.

Hoewel GroenLinks een van de winnaars is en waarschijnlijk zal gaan regeren, bleek Jesse Klaver toch niet veel meer dan de mediahype die hij was: structureel overschat in de peilingen, vooral aanbeden door zwijmelende meisjes, inclusief mejuffrouw Jinek: 'Jesse, je bent een rockstajjrr!'
  En dan zit daar bij de nabeschouwing uitgerekend Paul Rosenmöller zich te verkneukelen over de verkiezingscampagne van GroenLinks, terwijl Pim Fortuyn straks alweer 15 jaar in zijn graf ligt, Fortuyn die, aldus destijds diezelfde Rosenmöller, 'niet gewoon rechts, maar extreemrechts' was, Rosenmöller die sindsdien vooral in het nieuws kwam wanneer hij, zelfbenoemde strijder tegen de graaicultuur, weer eens schaamteloos zijn zakken had gevuld uit de pot met publieke middelen en pas onder grote druk bereid was de poen terug te storten, diezelfde Rosenmöller zeg ik, die zit zich daar dan te verkneukelen over de zege van zijn partij en de campagne te prijzen, die geleid werd door Wijnand Duyvendak, ministerie-inbreker en kopstuk binnen de extreemlinkse RaRa, uit dezelfde duister-activistische hoek als de moordenaar van Fortuyn.
  Duizelingwekkend ergerniswekkend.
  Fortuyn was de laatste weken ineens opvallend vaak in het nieuws. Het begon met Alexander Pechtold bij Pauw & Jinek: Fortuyn had gelijk, ik keek destijds weg van de problemen, gaf Pechtold grootmoedig toe. Goedkoop, gratuit grootmoedig, bedoel ik. Hoeveel mensen zijn er toen, voordien en nadien niet weggezet als racist, als extreemrechts, als xenofoob - de hele santenkraam -, sociaal en maatschappelijk geslachtofferd op het aambeeld van de politieke correctheid? Er zijn letterlijk mensen gesneuveld, Pechtold, met dat wegkijken van jou. Maar er lering uit trekken, verantwoordelijkheid nemen, de consequenties aanvaarden? Ach, vergissinkje, kan gebeuren.
  Toen kwam Jeroen Dijsselbloem op de radio: Fortuyn had gelijk, vond ook de Dijs, die destijds integratiewoordvoerder van de PvdA was. 'Hij had het over Marokkaanse en Turkse jongens die de straten van Rotterdam terroriseerden. Fortuyns boodschap was om zelf voor je normen te gaan staan en die niet te laten aantasten. Ook als je samenleving door migratie verandert. Het is legitiem om tegen nieuwkomers te zeggen dat ze zich in onze normen en waarden verdiepen.' Ja, zalvende woorden en zo, maar kwam daar toen maar eens om.
  'Ik weet niet meer wat ik toen dacht, maar ik ben het nu met hem eens.' Nou, we kunnen zo wel raden wat Dijsselbloem toen dacht, of wat hij misschien toen al wel dacht maar niet mocht uitspreken van zijn baas Ad Melkert, uweetwel, die van dat chagrijnige bakkes en van 'Nederland, word wakker!'

Intussen hebben de exorcisten een nieuwe duivel gevonden, en wel in de persoon van Thierry Baudet, die met zijn Forum voor Democratie twee zetels behaalde. Met weinig middelen maar met tomeloze energie wist Baudet in amper een paar maanden tijd een partij uit de grond te stampen en de Kamer binnen te loodsen. Ongehoord is de kwaadaardigheid waarmee het columnistendom en de socialemediagestapo de kersverse parlementariër sindsdien te lijf gaan.
  Asha ten Broeke (de Volkskrant) begreep niet hoe het mogelijk was dat de partij Artikel 1 van Sylvana Simons nul zetels had behaald, want in haar 'socialemediabubbel' stemde iedereen erop.
  In plaats van dan de logische conclusie te trekken dat die bubbel blijkbaar een tamelijk kortzichtig, om niet te zeggen bekrompen wereldbeeld oplevert, trekt ze liever van leer tegen Baudet, die een 'verkrachtingsverheerlijkende fascist' (sic) zou zijn.
  Zoals dat tegenwoordig gaat werd de bepaald niet appetijtelijke Ten Broeke vervolgens bestookt door het getokkificeerde geteisem, met reacties van de categorie Asha ten Broeke, daar trap ik mijn hond nog vanaf. Voer voor een nieuwe column natuurlijk. Gevolg: de goegemeente bemoederde de gekwetste ziel, over de wanstaltigheid van de oorspronkelijke column werd met geen woord meer gerept.
  Het Algemeen Dagblad liet ene Anne Fleur Dekker aan het woord, die Baudet ook al 'fascistoïde' mocht noemen. Anne Fleur afficheert zichzelf als 'activist', 'marxist' en 'veganist', iemand dus die in ideologisch opzicht in dezelfde onwelriekende moestuin rondscharrelt als Volkert van der Graaf.
  Dekker zou stemmen gaan tellen in Hilversum, Stel je voor, iemand met zo'n agenda die zonder enige vorm van controle stemformulieren op het juiste stapeltje moet leggen! De gemeente werd gelukkig bijtijds op haar antidemocratische inborst gewezen en stak er een stokje voor.

Maar ook het intellectuele puikje van Nederland hield zijn kruit niet droog. Buitenhof bracht ons socioloog Willem Schinkel. Baudet is iemand die 'eigenlijk' racistische en seksistische uitspraken doet, aldus Schinkel, zo maar even tussen neus en lippen door. 'Eigenlijk', alsof iemand van racisme en seksisme beschuldigen iets is wat we even in een bijzin doen, alsof dat niet een verkapte oproep tot ingrijpen is die altijd in verkeerde handen valt.
  Schinkel is een uitgesproken tegenstander van integratie van nieuwkomers en pleitte in 2012 voor een nieuwe 'politisering' die zich 'links van links' moest manifesteren. Links van links, ja. Ultralinks, links-radicaal, extreemlinks - allemaal geperverteerde begrippen, dus noemen we het links van links, moet hij geredeneerd hebben, maar het blijft natuurlijk hetzelfde dubieuze uiterste waar men zich beter verre van houdt.
  'Het integratiedebat heeft weinig baat bij dit trieste proza', schreef Max Pam al eens over een onleesbaar opstel van de socioloog.
  Schinkel, door Arend Jan Boekestijn een 'extremist' genoemd en door René Cuperus een 'jihadistische intellectueel', maaide ook Ahmed Aboutaleb nog even neer, door de moedige Rotterdamse burgemeester ervan te betichten 'Turken in elkaar te hebben geslagen'.
  Ik zeg het niet vaak, maar wat een gotspe. Nou ja, ik zeg het wél vaak, maar nooit was het zo gerechtvaardigd. Dit is gewoon onvervalste Erdogan-retoriek.

Het voorlopige dieptepunt werd bereikt door VPRO-medewerker Michael Schaap, beter bekend - naar verluidt - als 'De Hokjesman'.
  Hij twitterde: 'Je zou je hond nog niet op Asha zetten, dixit Baudet.' Maar dat had Baudet helemaal niet gezegd, het was een uitspraak van een van de laffe scheldkanonniers. Hiermee geconfronteerd koos Schaap de vlucht vooruit: 'Hij zei het kennelijk niet. Fuck him anyway. Druiloor en hufter ineen.' Dit is zo laagbijdegronds, werkelijk ongehoord. Kunnen die moslims van Azarkan als ze in België een schaap moeten gaan halen deze Schaap niet als ruilmiddel inzetten?
  Zo'n lastercampagne is kenmerkend voor links van links. Waar rechts van rechts altijd een groep aanwijst die tot zondebok wordt gebombardeerd, daar is extreemlinks gespecialiseerd in het belasteren, beschadigen en uiteindelijk onschadelijk maken van individuen. Je legt diegene woorden in de mond die hij óf in een totaal andere context óf in het geheel niet heeft gezegd, en als dat uitkomt speel je de vermoorde onschuld of maak je een halfslachtig terugtrekkende beweging om vervolgens vrolijk door te gaan met je haatcampagne. Het is de klassieke parabel van Barbertje van Multatuli.
  (Wat beide extremismen overigens gemeen hebben is dat ze uitgesproken 'pro-Palestina' zeggen te zijn, uweetwel, het slecht plakkende label waardoorheen in hun geval het aloude antisemitisme overduidelijk waarneembaar is.)

Kort na de verkiezingen circuleerde er op internet een afbeelding van een alinea tekst uit een boek van Baudet, waarmee de demoniseerders zijn levensgevaarlijke misogynie meenden te kunnen aantonen. Het bleek echter een passage uit Voorwaardelijke liefde (2014), Baudets roman, en de erin ontvouwde gedachten waren die van het personage. Maar hij is het zelf, aldus de Annefleurigen.
  Is Baudet dan dus ook een voorstander van vrouwenbesnijdenis? De hoofdpersoon van die, naar mijn mening overigens niet zo geslaagde roman, laat aan het eind immers zijn vriendinnetje deze ingreep ondergaan.
  Baudet voert in zijn roman een personage op dat deels op hem geënt is en met dat imago aan de haal gaat. Harry Mulisch werd zelfingenomenheid verweten, in De pupil (1987) liet hij een alter ego over zichzelf opmerken: 'Ofschoon ik een grondige hekel had aan zelfingenomenheid, ontveins ik mij niet, dat ik vaak zeer onder de indruk was als ik aan mijzelf dacht.' Baudet wordt op basis van zijn bijdrage aan de Fifty Shades/Julien Blanc-discussie vrouwonvriendelijkheid verweten, in Voorwaardelijke liefde levert de dolgedraaide protagonist Gregor zijn vriendinnetje over aan de vernederendste van alle behandelingen.
  Het zijn de wegen van de literatuur.
  Overigens heeft Baudet wel meer gemeen met Mulisch. Die laatste was de meester van de ironische zelfvergroting: het verwijt ijdel en arrogant te zijn pareren door het niet te bagatelliseren maar er juist een schepje bovenop te doen. Zo ook Baudet, die op het verwijt een elitaire kwezel te zijn reageerde met een quote in het Latijn. Dat is zelfironie, maar zoals Mulisch al wist: in Nederland is men daar absoluut ongevoelig voor.
  Angstaanjagend, deze hedendaagse boekverbranders met hun hetze. Je zou toch denken dat we hier sinds de processen tegen W.F. Hermans en Van het Reve vanaf waren.
  Het verschil is dat het destijds geborneerde gereformeerden en overmoedige katholieken waren die reclameerden over een paar hun onwelgevallige passages in romans, terwijl het nu onberekenbare activisten zijn die niet alleen in het geweer komen maar er ook eentje in een la hebben liggen, of tenminste zulke mensen kennen dan wel zouden kunnen inspireren.

De disproportionaliteit van deze demonisering is des te verbijsterender als men bedenkt dat er met Denk drie pionnen van Erdoğan, misschien wel de enige prominente politicus van het moment die zich daadwerkelijk als een fascist heeft geprofileerd, in de Tweede Kamer zijn gekomen.
  De politiek heeft al noodverbanden moeten leggen om de lange arm van Ankara buiten de commissie-Stiekem te houden: alleen de vijf grootste partijen zetelen er nog in, eventueel aangevuld met andere partijen op uitnodiging. Het is zeker niet denkbeeldig dat Denk in de nabije toekomst bij die vijf gaat horen. De partij werd nu al de grootste in de getto's van de grote steden. Het zaadje is geplant, de wortels vertakken zich onder de oppervlakte, het onkruid schiet op. Zelfs tot diep in België nu: de onvermijdelijke Abou Jahjah, godbewaarons, gaat geïnspireerd door het succes van Denk ook al de politiek in.
  Het is een hersenbreker: wat brengt een weldenkend mens ertoe Denk buiten schot te laten en alle pijlen, gedoopt in het bijtendste zuur, op Baudet te richten? Ik bedoel: wijs mij gerust het gevaar aan waar je het meent te ontwaren, maar de ongekende verbetenheid en haatdragendheid waarmee dat gebeurt, de huichelachtigheid ook, waar komt dat in godsnaam vandaan?
  De psychiater Esther van Fenema - misschien is er inderdaad een psychiater voor nodig om het te duiden - verklaart het uit de Nederlandse volksaard: 'de onstilbare behoefte om te controleren, te castreren en te nivelleren'. En om te 'ontmaskeren', kunnen we daaraan toevoegen, naar de fameuze analyse van Menno ter Braak door W.F. Hermans. Voor Ter Braak was het ontmaskeren van het Kwaad uiteindelijk een geval van 'persoonlijke penitentie', meende Hermans: 'Als ik de duivel maar overal ontmasker, denkt de christen, kom ik wel in de hemel. Als ik maar veel ressentiment ontmasker, denkt Ter Braak, ben ik... krijg ik... Ja, wat was hij dan, kreeg hij dan?'
  Dan deug ik, kunnen we inmiddels wel invullen, dan krijgt de ontmaskeraar een verlenging van zijn verblijfsvergunning in Deugdorp. De betreurde Vliegende Panters wisten het al in 2006 in hun onvolprezen 'Deuglied' vlijmscherp te verwoorden: 'Les 1 van willen deugen: huichel en wees laf.'

Asha ten Broeke kon Baudet 'op idealen niet betrappen', schreef ze ook nog, heerlijk helder huichelachtig. Baudet is iemand met wiens idealen ik het hartgrondig oneens ben, bedoelde ze natuurlijk, maar zoiets zorgt in die hoek onmiddellijk voor kortsluiting: in de bubbel van de Ten Broekes van deze wereld ben je het nooit oneens met iemand, daar bestaan geen andersdenkenden, daar bestaan alleen mensen die deugen en de rest zijn fascisten.
  Frank Poorthuis van het Algemeen Dagblad leek wel een serieuzere poging te willen wagen het fenomeen Baudet te demonteren, maar hij was niet belezen en niet geïnformeerd genoeg, zo gaf hij zelf grif toe: 'Natuurlijk, ik heb niet al zijn boeken uitgelezen, maar anderen gelukkig wel.' En dan vervolgens uitgerekend naar Sander Philipse verwijzen, de lippenstiftdragende social justice warrior die zelfs in eigen kring om zijn NSB-methoden wordt gehaat.
  Philipse meende aan de hand van een foto van Baudets boekenkast te kunnen aantonen dat hij een nazi is.
  Tja, als we zo gaan beginnen. In mijn kast staat het boek Voor Europa! van Verhofstadt en Cohn-Bendit, ben ik dan ook een federatiefundamentalist? En omdat ik het halve oeuvre van Grunberg bezit vind ik zeker ook automatisch dat het nazisme nuttig was omdat het ons Angela Merkel heeft opgeleverd?

Mark Rutte heeft geen visie en is daar trots op: visie is een 'olifant die het zicht belemmerd' heeft hij gezegd. Nederland is onder zijn leiding uit de crisis gekomen, pocht hij nu, en dus heeft hij het goed gedaan. Onder zijn leiding, ja, maar niet door zijn leiderschap. Integendeel: er is veel te hard bezuinigd, zo wees een rapport van ING uit, waardoor het hier veel langer heeft geduurd dan nodig was voor het weer beter ging.
  Baudet etaleert een visie die de olifant in de kamer benoemt. Hij appelleert aan een gevoel van urgentie: zijn boodschap is dat wat we betreft een aantal belangwekkende thema's - de EU, de euro, massa-immigratie, de toekomst van de democratie - op een kantelpunt in de geschiedenis staan.
  W.F. Hermans zei ooit in een interview met 'een geologische blik' naar de geschiedenis te kijken: de aarde is 3 miljard jaar oud, menselijk leven is er pas 1 miljoen jaar, de moderne mens hoogstens achtduizend jaar. Oftewel: de mens neemt in deze constellatie zo'n marginale rol in dat elk streven zinloos is.
  Die geologische blik is het andere uiterste van de economische blik van Rutte. Beide perspectieven zijn fundamenteel apolitiek.
  Veeleer gaat het nu om de 'demografische' blik van de middellange termijn: de vergrijzing in West-Europa versus de bevolkingsexplosie in met name Afrika en de impact die beide ontwikkelingen op ons land zullen hebben - dat wat in agitatorische kringen ook wel de 'omvolking' wordt genoemd.
  Tegen 2050 zal de Afrikaanse bevolking, met name in de Subsahara, verdubbeld zijn. Niger telt nu 17 miljoen inwoners, in 2050 55 miljoen. Nigeria nu 166 miljoen, in 2050 278 miljoen. Ethiopië: van 90 naar 186 miljoen. Enzovoort.
  Miljoenen Afrikanen zullen dan staan te popelen om naar de toch al steeds drukker wordende steden van het 'rijke' Europa te trekken. Het valt ze niet kwalijk te nemen, maar het stelt ons wel voor fundamentele keuzes, want als het inderdaad zo ver komt is er helemaal geen vrij en rijk Europa meer, met een verzorgingsstaat en sociale vangnetten en dergelijke verworvenheden, niet meer voor ons natives maar ook niet voor de nieuwkomers.
  Immigratie van die proporties zal instabiliteit veroorzaken, overbevolking is een prikkel voor oorlog, welvaarts- en welzijnsdaling kunnen ertoe leiden dat men levensruimte gaat opeisen, desnoods met genocidaal geweld jegens een zondebokgroep.

Het is een kardinale kwestie die om visie schreeuwt, maar verder heb ik er alleen Sybrand Buma (CDA) over gehoord. De leus van de CDA-campagne was dan ook 'voor een Nederland dat we door willen geven'. Buma kreeg uiteraard onmiddellijk het verwijt de racistische retoriek van de populisten te hebben overgenomen. (Overigens was het jammer dat het 'radicale midden', mijns inziens nog steeds een behartigenswaardige politieke koers, dit keer nauwelijks meer als campagneslogan werd gebruikt terwijl er juist nu zo'n behoefte aan was. Baudet wil zijn FvD als een middenpartij positioneren - misschien is er een vorm van samenwerking mogelijk.)
  De Buma's en Baudets waarschuwen voor de destructieve kracht van een migratiestroom van de geschetste proporties, de Anne Fleurs pleiten voor een 'grenzeloze solidariteit'. Beide visies kunnen geattaqueerd worden, maar dat gebeurt niet. Want het gaat nooit en nergens over de ideeën, de vergezichten, de inhoud, het gaat alleen over de buitenkant, de voorkant, de persoonlijke verdachtmaking en de radeloze en redeloze rancune. Na de casus Wierd Duk in de eerste maanden van 2016 is de casus Thierry Baudet daar het zoveelste moedeloos makende voorbeeld van.
  Telkens weer die tergende flauwekul over de pianofoto en het lavendelzakje, telkens weer die fixatie op 's mans uit de bocht vliegende hyperbolen. De stijl fungeert als alibi om niet op de achterliggende probleemstelling in te hoeven gaan. Nergens ook maar een serieuze overweging van de door Baudet in De aanval op de natiestaat geformuleerde 'derde wegen' van 'multicultureel nationalisme' en 'soeverein kosmopolitisme' bijvoorbeeld, of zelfs maar een beschouwing over de haalbaarheid van de door hem zo gewenste Nexit.
  Er zijn tal van redenen om eurokritisch, -sceptisch of zelfs anti-EU te zijn - de vechtscheidingmentaliteit jegens de Britten is het recentste voorbeeld -, maar laat ik de meest evidente noemen: zo lang men vrolijk doorgaat om het hele zootje maandelijks van Brussel naar Straatsburg te verplaatsen (kosten: meer dan honderd miljoen euro) vind ik het moreel pervers om niet tegen deze EU te zijn. Maar dat betekent niet dat een Nexit de oplossing is. Een serieus debat daarover wordt echter consequent bij voorbaat ondermijnd door botsende belangen, bangmakerij en ideologische dogma's.
  Dat was bij Fortuyn natuurlijk net zo: louter ophef over een interviewuitspraak, geëmmer over zijn avonturen in de darkroom, calvinistisch gefemel over zijn dandyeske gedrag en ego ('Ik word minister-president van dit land!'). Niemand heb ik toen gehoord over de mogelijke analytische waarde van Fortuyns metafoor van de 'verweesde' samenleving - hét kernidee van zijn denken - als verklaringsmodel voor de problematiek van een te snel ontzuilde moderne maatschappij, niemand over de ideologische en praktische potentie van zijn oplossingsvoorstel van een terugkeer naar de 'menselijke maat' - niemand. Ja, achteraf, toen het al te laat was, toen kwamen de serieuze studies, toen namen de andere partijen het gedachtegoed stilzwijgend over. Lees Zielloos Europa (1997). Alsof het gisteren is geschreven.

Vijftien jaar verder, maar niets geleerd. Weer komen de demoniseerders uit ivoren torens afgedaald en uit duistere holen gekropen. Dit is geen verdediging van Thierry Baudet, maar een aanklacht tegen de manier waarop het 'debat' in Nederland altijd weer moet worden gevoerd, een essay uit ergernis omdat hier blijkbaar niets van het recente verleden is geleerd.
  Een luttele twee zetels en alle alarmen in Deugdorp gaan af. Of zou het zo zijn dat de dorpsbewoners wel inzien dat FvD zo maar eens een factor van betekenis kan gaan worden in de toekomst? Wie weet, er is ook een gerede kans dat het voortijdig implodeert. Baudet is in ieder geval iemand die door roeien en ruiten gaat om iets te bereiken en dat is een manier die zowel respect afdwingt als angst inboezemt. 
  Val de politicus tot die tijd gerust aan hoor, maar op argumenten a.u.b., op de inhoud, en in het debat. Betoog dat zijn visie ongefundeerd is, zijn visioenen onhaalbaar zijn, zijn oplossingen onzinnig, of voor mijn part een averechts effect hebben, maar niet bij het minste of geringste dat het extreemrechts is en de visionair een fascist en een nazi en wat dies meer zij, want dan worden as we speak op muffe zolderkamers en in duistere kelders de messen geslepen, de kogels opgepoetst.
  Er is wel één belangrijk verschil met die omineuze jaren 2001-2002: waren het vijftien jaar geleden de politici (Melkert, Rosenmöller, De Graaf) die, weliswaar geruggensteund door bepaalde media- of mediafiguren (NRC Handelsblad, Job Frieszo, en natuurlijk Marcel van Dam als bruggenhoofd) voorgingen in de lugubere demoniseringsdans, daar gedragen de politici van vandaag zich over het algemeen een stuk fatsoenlijker en is het vooral het Gilde van de Kleine & Grote Meningen dat, ongetwijfeld ook vanuit een verstikkende distinctiedrang, een kabaal maakt dat zeer doet aan de oren.

Er zijn te veel columnisten, er zijn te veel twitteraars, er zijn te veel bloggers. Iedereen runt tegenwoordig zijn eigen open afdeling.
  P.F. Thomése hierover in 'Mijn reizen door cyberspace' (Verzameld nachtwerk, 2016, p. 37-38): 'Je ziet op het internet voortdurend dat de deelnemers het liefst zelf schrijven. Zelf het middelpunt zijn van dit onuitputtelijke universum. Die aanwezigheidsdrang, zeg maar gerust aanwezigheidsmanie verklaart ook de krankzinnige accumulatie aan "informatie". Iedereen schept zijn eigen helderheid, ieder hecht aan zijn eigen statements in dit uitdijend heelal vol uit hun baan geslingerde meteoren.'
  Een citaat als een mokerslag. En het noopt tevens tot zelfreflectie. Dit blog bestaat deze maand precies tien jaar, een myriade aan meningen, gedachten, aanzetten, probeersels, essays en andere opinies zijn cyberspace in geslingerd.
  Het begon ooit als een soort openbaar dagboek, maar door de jaren heen werd het persoonlijke vaker verruild voor het politieke, het anekdotische voor het analytische, het verslag voor de mening. De frequentie ging omlaag, de lengte van de stukken omhoog.
  Altijd was het met het doel helderheid te scheppen, voor mijzelf in de eerste plaats. Maar men wordt het ook een keer moe, en ik hecht ook niet zo aan mijn 'statements' - die overigens ook niet vrij bleven van ontmaskeringsdwang.
  Na 1340 blogberichten is het wel een keer mooi geweest, naar wij dachten.
  Bij dezen verontschuldig ik mij.

Geschreven 22-26 maart

vrijdag 1 juli 2016

Brexit, de ctrl+alt+delete van de EU?

I
Hel en verdoemenis staan ons te wachten, althans volgens de onheilsprofeten die de Brexit met geheven vingertje als het begin van het einde van de beschaving voorstellen. De kelderende beurskoersen vorige week vrijdag werden gretig aangegrepen als het schokkende bewijs. Nu de beurzen luttele dagen later alweer gestaag in de lift zitten wordt dat als gegoochel met cijfertjes afgedaan en zou het echte leed zich elders, dieper in de economie manifesteren.
  Andersom werkt het trouwens ook zo. De fanatieke Brexiteers buitelden over elkaar heen om de betekenis van de dieprode cijfers te bagatelliseren, maar nu wijzen ze triomfantelijk naar de koersen en roepen om het hardst 'zie je wel! Niets aan de hand!'
  Zeker is dat niemand met zekerheid kan zeggen wat de Brexit gaat betekenen voor Groot-Brittannië en voor haar voormalige EU-partners. Historisch gezien is dit een situatie zonder precedent. Het ligt bovendien meer voor de hand dat de uiteindelijke betekenis, de ware impact van de Brexit niet zozeer door het vertrek van de Groot-Brittanniërs uit de EU zelf zal worden bepaald als wel door de politieke keuzes die beide partijen nu gaan maken qua hervormingsbeleid en qua invulling van de wederzijdse betrekkingen.
  Waar Farage, Johnson, c.s. direct pleitten voor kalmte en een geleidelijke losmaking, daar beloofden de eerste reacties vanuit bastion Brussel alvast weinig goeds. Daar lijkt men op een rancuneuze vechtscheiding aan te willen sturen.
  Zo'n Jean-Claude Juncker, dat is toch een verschrikking tot en met! Scheef onderuit gezakt in zijn stoel als Jan Mulder in zijn beste Barend & Van Dorp-dagen, kleinzielig fotografen belettend plaatjes te schieten van Farage, diezelfde Farage hautain vragend wat hij eigenlijk komt doen... Waarom stapt Juncker niet op? Dit is toch ook zijn nederlaag? Waarom krijgen ze hem niet weg daar, ter meerdere eer en glorie van de EU?
  Je kunt veel van David Cameron zeggen, maar hij beloofde de uitkomst van het referendum te respecteren, ook al was het raadgevend, en hield zich aan zijn woord. Daarmee toont hij zich overigens een veelvoud van een vent dan onze eigenste premier, die de uitslag van het Oekraïne-referendum niet opvolgt, maar ook niet naast zich neer legt - Rutte doet geen van beide, hij negeert het gewoon!

II
Er is de voorbije week veel gezegd en geschreven over de tweedelingen die door het referendum zichtbaar werden. Tussen hoog- en laagopgeleid, tussen het kosmopolitische Londen en de rest van het land, tussen jong en oud vooral. Jongeren stemden in meerderheid Remain terwijl ouderen voor een Brexit waren.
  De retoriek ging erg ver, tot op het pathetische af. De ouderen zouden de jeugd hun toekomst hebben afgepakt. Helaas vergaten velen er voor de eerlijkheid de opkomstpercentages tegenover te zetten: slechts 36% van de jongeren had de moeite genomen te gaan stemmen. De geëngageerde jongeren zijn dus eerder gepiepeld door hun luie of ongeïnteresseerde leeftijdsgenoten dan door de babyboomers.
  In een reportage van een tijdje geleden werden Britse jongeren en ouderen geïnterviewd. Wat toen opviel was dat de ouderen die aan het woord kwamen een beargumenteerde Brexit-stem gingen uitbrengen, gebaseerd op collectieve overwegingen, terwijl de jongeren niet in het landsbelang dachten maar individueel redeneerden en daarbij bovendien niet veel verder kwamen dan dat ze de privileges van vrij reizen niet kwijt wilden.
  Ook een commentaar dat na de Brexit 'viraal' ging ademde die sfeer: 'the younger generation has lost the right to live and work in 27 other countries. We will never know the full extent of the lost opportunities, friendships, marriages and experiences we will be denied.' Als de ouderen met de onderbuik hebben gestemd, hebben deze jongeren dan met hun hormonen gestemd? Zonder gekheid: die nadruk op 'experiences' is misschien wel typerend voor de individualistische (some say: narcistische) selfiegeneratie, die 'yolo' (je leeft maar één keer) als motto heeft. Wereldreis boven wereldwijs.
  Nieuwsuur had vrijdagavond een reportage waarin een jongere zijn teleurstelling uitsprak over het vertrek van zijn land uit de EU, want hij had over een paar jaar in Europa willen gaan studeren. Het Remain-kamp had hem - en vele van zijn generatiegenoten - blijkbaar wijs weten te maken dat dat alleen kan als je in de EU zit, wat natuurlijk flagrante onzin is.
  Verhofstadt, de oorlogshitser van de Maidan, brieste dat de Leave-campagne 'full of lies' was. Ontegenzeglijk waar, maar dat gold dus net zozeer voor het pro-EU-kamp. Men vergeet allicht dat in dit type referendum, met een verregaande reductie van complexe materie tot een binaire keuze ja of nee, beide kampen geneigd zijn zich over te geven aan simplificaties, verdachtmakingen en volksverlakkerij. Dat zagen we eerder al gebeuren bij ons Oekraïne-referendum en hetzelfde gebeurde ook in Groot-Brittannië. Zo blijken deze al te simpele ja/nee-referenda zich in de praktijk tot kleine informatieburgeroorlogjes te ontpoppen, en zoals in elke oorlog is het eerste wat sneuvelt de waarheid.

III
Wat is nu de belangrijkste les van de Brexit? Afgelopen zondag zag ik bij Het filosofische kwintet ene Melvin Schut, een onuitstaanbaar pedant mannetje maar wel een messcherpe analyticus. De Brexit was volgens hem het logische gevolg van de combinatie van een falende en van de werkelijkheid losgezongen EU-politiek enerzijds en de toename van nationalisme en patriottisme als reactie op de globalisering, die mensen de controle over hun leven doet verliezen, anderzijds. Die tendens kon alleen beteugeld worden door nu eindelijk eens af te stappen van het heilloze streven naar supranationalisme, waar de mislukte EU de monstrueuze belichaming van is, en vol in te zetten op intergourvernementalisme, de samenwerking tussen soevereine natiestaten zonder een overkoepelend politiek orgaan.
  De boodschap is inderdaad dat méér EU nu echt uit den boze is. Minder EU, of ten minste een ingrijpend andere EU is het devies.
  Schokkender dan de Brexit zelf was daarom dat de Eurocratische elite zich zo geschokt en overrompeld toonde door de Brexit. Ze hadden het totaal niet zien aankomen. Het is het hele probleem in een notendop: de antenne voor wat er leeft bij de burger staat finaal verkeerd afgesteld. Nu moet het ineens allemaal anders. Er wordt naar verluidt gewerkt aan een 'flexibele' EU: een tweesporenbeleid, met continuering voor landen die wel verder willen integreren en maatwerk voor landen die het allemaal te snel vinden gaan.
  Er moest eerst een belangrijke lidstaat voor sneuvelen, maar nu kan er opeens wel naar de burger geluisterd worden. Alle onvrede en ergernis, die al jarenlang gisten en borrelen maar stelselmatig geridiculiseerd of gewoon stug genegeerd werden, het is nu ineens wel relevant en urgent.
  Desalniettemin zagen we de hardleerse harde kern van de eurofielen - de Van Rompuys, de Junckers, ten onzent Pechtold en Klaver -, alweer het populisme als de oorzaak van alle ellende aanwijzen - in plaats van als het gevolg van falende politiek - en reflexmatig voor meer centralisering pleiten. Niet een stap terug dus, maar nog een reuzensprong verder. Want intergouvernementalisme en supranationalisme zijn de eerste twee treden van een drietrapsraket, met bovenaan nog het federalisme, het ultieme streven van de EU: zelf een nieuwe natiestaat worden, ter vervanging van de bestaande. De beruchte ever closer union.
  René Cuperus stelde in zijn commentaar in de Volkskrant terecht dat die mantra nu definitief bij het grof vuil moet worden gezet: 'We moeten stoppen met de fictie van de eenwording van Europa.' 'Om een Brexit-domino-effect te voorkomen is een reset van het Europese Project nodig.' Het is wel een aardige metafoor: de elites hebben geen band, geen connectie, geen verbinding meer met hun onderdanen. En als je geen verbinding hebt moet je inderdaad resetten. Dat kan door de zaak opnieuw op te starten - control alt delete. Maar vaker, zoals wij allemaal weten, werkt de rigoureuze methode uiteindelijk toch beter: de stekker eruit.

dinsdag 22 januari 2013

Nederland niet meer zo tolerant? Gelukkig maar...

Een verzuchting die je de laatste jaren vaak hoort, is dat Nederland een imagoprobleem heeft. Vooral vaderlandse intellectuelen met vrienden in het buitenland rapporteren te pas en te onpas dat die vrienden hun, niet zelden 'teleurgesteld' of 'vertwijfeld', vragen wat er toch met ons land aan de hand is: we stonden altijd bekend als het tolerantste volk ter wereld, maar daar is weinig meer van over.

Ik weet niet of het waar is dat Nederland niet meer de tolerantiekampioen is, maar als dat inderdaad zo is, dan lijkt me dat eerder een compliment dan een zwaktebod.

Tolerantie is namelijk bij uitstek iets dat pas gedijt bij de juiste dosis, bij een goede balans tussen wat wel en wat niet getolereerd wordt, en geen kwestie van hoe meer, hoe beter. Een samenleving waarin alles getolereerd wordt zal namelijk binnen de kortste keren verworden tot een vrijstaat waar regels en wetten papieren tijgers zijn, het gezag zelfs geen symbolische functie meer heeft en normen en waarden ten prooi vallen aan verval, verloedering en verwildering.

Het imago van tolerante natie verkreeg Nederland in een vorig leven, in de Gouden Eeuw, toen de Republiek  uitgroeide tot vrijhaven voor handelaars en ondernemers en vrijplaats voor wetenschappers, kunstenaars en intellectuelen. Grote geesten uit heel Europa trokken naar de vrijzinnige Republiek. Natuurlijk zijn er talloze nuanceringen en bijstellingen van dit beeld te geven, maar het tolerante Nederland is sindsdien spreekwoordelijk geworden.

Die tolerantie viel echter zo op omdat ze afstak tegen de situatie in omringende landen, ze gedijde juist in een omgeving waar repressie en intolerantie de norm waren. In een gesloten samenleving is méér tolerantie dan inderdaad nastrevenswaardig. Nu we echter alweer enige tijd in een open samenleving leven is juist de behoefte aan grenzen groter geworden, omdat die open samenleving blijkbaar zélf zo langzamerhand op haar grenzen is gestuit.

De visie op 'gedogen' is een goede graadmeter. In een samenleving die zich nog aan het openen is, is het aantrekkelijk om elementen die dat proces verstoren of vertragen niet te onderdrukken of te vervolgen, maar oogluikend toe te staan, te gedogen, om zo de algehele voortgang te waarborgen. De trend is echter dat gedogen steeds meer als onwenselijk wordt gezien, als oorzaak voor bepaalde feilen van de open samenleving, in plaats van als voorwaarde voor haar functioneren.

Ik geloof niet dat zulke veranderingen primair een top-down kwestie zijn: van beleidsmaatregelen die van bovenaf aan de samenleving worden opgelegd, maar veeleer bottom-up, van onderaf zich in de samenleving nestelen. Niet het veranderen van regels en wetten bepaalt het maatschappelijke klimaat, maar veranderingen in perceptie van het maatschappelijke klimaat leiden uiteindelijk tot het verscherpen cq. losser maken van die regels en wetten.

Aan politici wordt dan ook veel te veel invloed toegekend. Geert Wilders is natuurlijk het pregnantste voorbeeld. Hoe vaak hoor je niet dat de PVV-leider als oorzaak van intolerantie, verruwing en tweedeling wordt weggezet? Terwijl zijn succes eerder het - logische - gevolg is van die ontwikkelingen, van een van onderaf ontstane nieuwe maatschappelijke constellatie.

Politici lopen altijd achter de feiten aan. Zij die dat beseffen en een scherp oog hebben voor die feiten, zijn de beste politici. Dat heeft niets te maken met klakkeloos doen wat 'het volk' wil, maar met aanvoelen wat de mensen dwars zit, en daar dan betere maatregelen voor bedenken dan de maatregelen die die mensen voor ogen staan.

Intolerantie is nooit goed, maar dat betekent niet dat tolerantie zaligmakend is. Een tolerante samenleving is een samenleving die voortdurend met zichzelf onderhandelt waar de grenzen van de tolerantie liggen.

donderdag 19 juli 2012

[Pims achtertuin 2002-2012]: Gerrit Komrij 2002-2012

Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media hebben de tiende verjaardag van Fortuyns dood niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.

Donderdag 5 juli jongstleden overleed Gerrit Komrij op 68-jarige leeftijd. Komrij was dichter, romanschrijver, bloemlezer, columnist, essayist, vertaler en polemist. Tussen 2000 en 2004 was Komrij Dichter des Vaderlands, een periode waarin Nederland drastisch veranderde en dus een een dankbaar tijdvak om die erefunctie te bekleden. In tegenstelling tot onze huidige Dichter des Vaderlands misbruikte Komrij zijn positie als poet laureate niet om in hoogdravende opiniestukken de Nederlander een collectieve depressie aan te praten en een particuliere wereldpolitieke agenda te voeren.

Op 8 mei 2002, twee dagen na de moord op Fortuyn, publiceerde Komrij in NRC Handelsblad het gedicht 'De zittende politicus':

Hij heeft nog nooit gedanst. Hij kent zijn doel.
Nog nooit is op zijn vale klerkensmoel
Zomaar een lach verschenen, maar die nacht,
Nadat de gek de nar had omgebracht,
Kroop hij zijn bed uit, glimmend van de pret,
En maakte hij onbespied een pirouette.
Dank, dank, riep hij, het monster is geveld.
Hij oefende het woord 'geschokt' voor morgen
En sliep als twintig ossen kunnen slapen.
Straks is hij, voor de camera, vol zorgen.
Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld.
Daar klinkt verdomd weer zijn belegen lied.
Hij loopt op straat, ondragelijk rechtschapen,
En ziet nog steeds het echte monster niet.

Een gedicht dat de tongen los maakte. In de 'hij' in dit gedicht, de zittende politicus uit de titel, werd al gauw Ad Melkert herkend, al dan niet als pars pro toto voor de Paarse gevestigde orde. Met de 'vale klerkensmoel' waarop nooit een spontaan een lach was verschenen vatte Komrij de chagrijnige facie van Melkert tijdens het debat na de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart op werkelijk geniale wijze in woorden. Tegelijk was het gedicht niet pro-Fortuyn, integendeel: de vermoorde politicus was slechts 'de nar' van het verhaal.

Desalniettemin reageerden andere opiniemakers als door een wesp gestoken. Erik van Muiswinkel, begenadigd cabaretier maar ook parttime activist en boycot-roeper, droeg enkele dagen later - waarschijnlijk was het op 14 mei - bij Barend & Van Dorp zijn tegengedicht 'De pittende satiricus' voor, een rammelend vers vol krakkemikkige regels als 'Er plooit zich op zijn fraaie dichterssmoel / Zowaar een lach inenen' en 'En HIJ schaart zich ineens onder de schapen / Die dertig ongekozenen gaan kiezen, morgen'. Opmerkelijk is voorts dat Van Muiswinkel het gedicht als een aanval op Wim Kok las: 'Heeft hij het mes in Kok zijn rug gezet'.

Van Muiswinkel meende dus dat Komrij zich in dit gedicht niet alleen tegen Paars keerde maar zich ook engageerde met Fortuyn en op de LPF zou gaan stemmen. Dat is een gevolgtrekking die lichtelijk absurd mag worden genoemd, ten eerste omdat Komrij Fortuyn zoals gezegd een 'nar' noemde en ten tweede omdat niets in het gedicht in die richting wijst. De slotregel biedt zelfs voer voor een tegengestelde interpretatie. Want wat bedoelde Komrij met 'het echte monster'? Die regel zorgt ervoor dat een verder kraakhelder en begrijpelijk gedicht toch meerduidig en voor tegenovergestelde interpretaties vatbaar blijft.

Na de moord werd 'De zittende politicus' dankbaar geadopteerd door de Fortuynisten. In de bloemenzeeën in Rotterdam en Driehuis lagen afdrukken van het gedicht en bij herdenkingen van Fortuyn in later jaren werd het voorgelezen. Maar ook dubieuze clubjes gingen ermee aan de haal. Zowel het extreemrechtse Stormfront als het extreemlinkse Indymedia plaatsten het gedicht op hun websites als vermeende steun voor hun verderfelijke ideologieën, waarbij 'het echte monster' zou staan voor respectievelijk buitenlanders en skinheads.

Komrij zelf bleef lang vaag over de betekenis van 'het echte monster'. In 2004 verscheen zijn roman Hercules. Enkele critici meenden in de hoofdfiguur trekken van Pim Fortuyn te bespeuren, maar het was eerder het wereldbeeld van de roman dat als een commentaar op het Nederland na Fortuyn kon worden gelezen, iets wat Komrij in interviews overigens niet naliet te bevestigen. Tegenover Lies Schut van De Telegraaf (26 maart 2004) bijvoorbeeld: 'Iedereen doet wel vrolijk, maar we dansen op een vulkaan. [...] Met Pim Fortuyn werd gezegd: Nederland is wakker geschud. Nu is het twee jaar later en ligt iedereen weer te snurken.'

Een bepaalde geestverwantschap tussen Fortuyn en Komrij was ook geen gekke gedachte. In de tijd dat Fortuyn met Tegen de islamisering van onze cultuur (1997) zijn zorg uitsprak over de scheiding tussen kerk en staat en de positie van de vrouw door de toenemende islamisering was ook Komrij al uitermate kritisch over de slappe houding tegenover de intolerante kanten van de islam, bijvoorbeeld in het boekenweekessay Niet te geloven (1997), waarin hij zijn alter ego Boksvoet laat uitvaren tegen de religie van de 'besnorde en betheedoekte jihadroepers, het zand nog achter de oren', die een regelrechte bedreiging zou gaan vormen voor de zwaarbevochten westerse waarden. En nog in 2010 rekende Komrij in Morgen heten we allemaal Ali af met de erfenis van zijn generatie, de babyboomers, in woorden die aan de Fortuyn van De verweesde samenleving doen denken: 'Ik maak deel uit van een generatie die, voor het eerst in eeuwen, de wereld lelijker achterlaat dan ze haar heeft aangetroffen. Niets van allure, niets van stijl, niets van een groot gebaar bracht ze tot stand.'

Komrij heeft echter voor zijn dood nog opheldering verschaft over de betekenis van de slotregel. In een interview met Mark Schaevers voor Vrij Nederland (3 maart 2012) is Komrij aanvankelijk niet van plan zich uit te spreken - 'Ik wil met mijn interpretatie al die mensen hun gedicht niet ontnemen' -, maar na aandringen van Schaevers - 'Komaan, tien jaar later mogen we het wel weten: wie is het echte monster?' - komt Komrij over de brug: 'Als je mij kent, kun je wel bedenken dat ik het populisme het echte monster vind. Ik ben altijd erg bang geweest voor een zwijgende meerderheid die ineens een stem krijgt, en daar zitten we nu middenin.'

dinsdag 1 mei 2012

[Pims achtertuin 2002-2012]: 10 jaar zonder Pim

Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.

De tiende verjaardag van de moord op Fortuyn nadert nu met rasse schreden en dat is te merken aan de stijgende media-aandacht. Zo kwam Hans Wiegel deze week in Nieuwsuur naar buiten met zijn 'scoop' dat Fortuyn hem als premier wilde als de LPF in de regering was gekomen. Maar ook buiten het scherm neemt de aandacht toe. In Den Haag vindt komende zondag een wetenschappelijk symposium 'De verweesde samenleving: Pim Fortuyn tien jaar later' plaats over de invloed van Fortuyn op het Nederland van vandaag. Sprekers zijn o.a. Paul Scheffer, Paul Schnabel en biograaf Leonard Ornstein. Ornstein publiceerde inmiddels ook het eerste deel van zijn Fortuyn-biografie, De jonge Fortuyn.

Afgelopen week verscheen voorts, onder redactie van Joost Eerdmans en Martijn van Winkelhof ('nabije buurtgenoot'), 10 jaar zonder Pim. 12 hoofdrolspelers over de erfenis van Fortuyn, een bundel interviews met betrokkenen van toen, te weten Harry Mens, Wouke van Scherrenburg, Paul Schnabel, Mat Herben, Lidy Nicolasen, Herman Heinsbroek, Marco Pastors, Felix Rottenberg, Marten Fortuyn, Hans Wiegel, Marcel van Dam en Ivo Opstelten. Vooraf gaat een al te ronkend voorwoord van Eerdmans, een zakelijke epiloog van professor Henri Beunders en diens pupil Chris Aalbers besluit het boek. De twaalf 'hoofdrolspelers' gaan in op tien vragen die tezamen de erfenis van Fortuyn bestrijken.

De vraag Welke lessen heeft de politiek na 2002 ter harte genomen? wordt behoorlijk eensluidend beantwoord. Volgens Mens hebben Fortuyns ideeën 'direct of indirect een plek binnen andere politieke partijen gekregen'. Uiteraard gaat het dan om het thema 'integratie en immigratie', waarop vooral in Rotterdam flinke progressie is geboekt (Schnabel, Pastors). Ook Rottenberg vindt de agendering van problemen met allochtonen een positief punt, maar hij wijst er wel op dat Fortuyn doorsloeg en dat zijn plannen weinig 'realisatiewaarde' hadden. Van Dam is als enige negatief: hij meent dat de huidige politici de problemen met allochtonen impliciet op het 'ras' van de allochtonen schuiven, maar dat feitelijk maatschappelijke achterstelling de oorzaak is. Behalve dit thema wordt ook de 'terugkeer naar de menselijke maat' meermaals als erfstuk genoemd (Mens, Van Scherrenburg, Herben). Toch vinden sommigen ook dat er juist weinig veranderd is. Nicolasen meent dat het politieke systeem nauwelijks verbeterd is, en Heinsbroek ziet alleen Wouter Bos als kortstondige erfgenaam. Wiegel daarentegen tovert een artikel uit het FD (25-3-2012) tevoorschijn, getiteld: 'Zelden heeft een politicus zo succesvol over zijn graf geregeerd als Fortuyn'.

De tweede vraag peilt of de terugkeer van de polarisatie in de politiek sinds Fortuyn als een goede zaak wordt ervaren. Opvallend genoeg vindt Mens dat Fortuyn veel te ver ging: 'Je mag alles zeggen wat je denkt, maar je hóeft niet alles te zeggen,' citeert hij de moeder van Theo van Gogh. Van Scherrenburg wijst er terecht op dat de huidige polarisatie veel meer economisch gemotiveerd is: mensen vrezen weer echt voor hun baan, hun huis, hun pensioen. Meerdere geïnterviewden hekelen het links-rechts-karakter van de polarisering. Schnabel herinnert eraan dat Paars door links, rechts én internationaal geroemd werd. 'Wat er mis was, was eerder ontkenning van ongenoegen dan slecht beleid.' Ook Van Scherrenburg benadrukt dat links én rechts verantwoordelijk waren voor de maatschappelijke problemen van de uitgedijde verzorgingsstaat, maar dat alleen links er de schuld van kreeg. Volgens Heinsbroek, Rottenberg, Schnabel en Nicolasen waren politici als Melkert en Dijkstal evenwel de wereldvreemde technocratie in hoogsteigen persoon, terwijl Fortuyn de moderne tijd verpersoonlijkte. Rottenberg: 'Je zag daar eigenlijk de 20e en 21e eeuw tegenover elkaar aan tafel zitten.' En Schnabel komt met een interessante constatering: 'Niemand heeft ooit in de gaten gehad dat Fortuyn acht of negen jaar ouder was dan Melkert. [...] Het ging dus niet om jong zijn maar om uitstraling'.

Als Fortuyn nog zou leven zou hij volgens recent onderzoek nog altijd op zo'n 30% van de stemmen kunnen rekenen. Wat zegt dit? Volgens Opstelten is dit pure emotie en dus geen serieus te nemen cijfer. Ook Schnabel gelooft het onderzoeksresultaat niet. Van Dam vindt het zelfs beangstigend: 'De islamisering van onze cultuur is sociologisch gezien gewoon onmogelijk. [...] Tegen beter weten in kweekte Fortuyn ongefundeerde angst en dat vond ik het ergste van Fortuyn.' Marten Fortuyn legt de oorzaak bij de onder het volk vigerende opinie dat er sinds 2002 weinig veranderd is, Pastors stelt dat mensen nog steeds behoefte hebben aan een leider en Heinsbroek voert het ontbreken van een charismatische politicus anno 2012 als verklaring op. Van Scherrenburg oppert - ik denk terecht - dat Fortuyn door zijn voortijdige dood een mythe is gebleven: 'hij heeft nooit kunnen tegenvallen en zo blijf je lichtelijk heilig'.

Hebben de media geleerd van de moord? is een heikele vraag. Mens verrast opnieuw met zijn afkeer van de nieuwe 'rechtse' media als WNL: 'Je kunt het nieuws 's morgens wel door twee lekkere wijven laten presenteren, maar daarmee bedrijf je nog geen rechtse journalistiek.' Insiders Van Scherrenburg en Nicolasen beantwoorden de vraag positief. Er is nu het besef dat het weldegelijk van belang is om vinger aan de pols van de samenleving te houden. Nicolasen prijst voorts de vernieuwingsimpuls van De Pers en GeenStijl. Beiden wijzen wel op het hysterische element, alsof de kritische Clairy Polak een afgezant van de linkse kerk zou zijn. Nicolasen biedt nog een verhelderende kijk op de praktijken van de Volkskrant: 'Er waren in 2002 bij de Volkskrant mensen die vonden dat Fortuyn moest worden bestreden.' Leer ons de Volkskrant kennen... Schnabel, Herben en Van Dam ontwaren eveneens een verandering in benadering van de media, maar zij achten de komst van de commerciële media een belangrijkere oorzaak hiervoor dan de invloed van Fortuyn. Alleen Pastors en Marten Fortuyn zijn negatief. Volgens de laatste bewijzen programma's als DWDD 'lippendiensten aan linkse partijen'.

De belangrijke vraag of Geert Wilders de erfgenaam is van Fortuyn wordt door de meesten met zowel ja als neen beantwoord. Met zijn nadruk op thema's als immigratie en de menselijke maat heeft Wilders het stokje van Fortuyn overgenomen, maar inhoudelijk, kwalitatief, haalt Wilders het bij lange na niet bij Fortuyn. Marten Fortuyn noemt het zelfs 'volkomen onterecht' dat Wilders als opvolger van Pim wordt gezien: 'Hij is lomp en bruut; het is echt ongepast hoe hij Job Cohen heeft beschadigd.' Fortuyn was breder dan Wilders (Van Dam), had wél een coherente visie (Herben), ging wél de dialoog aan (Rottenberg) en dacht wél oplossingsgericht (Van Scherrenburg). Bijna iedereen wijst op het grote verschil in eruditie. Heinsbroek: 'Bovendien bezat Fortuyn in tegenstelling tot Wilders het vermogen om zaken in een breder verband te zien en daarbij rekening te houden met de globalisering. [...] Er komt een storm aan waarbij onze verouderde sociale wetgeving en welvaart ter discussie staan. Dan heb je weinig aan een rapport dat zegt: "De gulden moet terug."' Alleen Pastors volgt Wilders hierin. Opvallend is nog dat Van Dam zichzelf in een bepaald opzicht als voorloper van Fortuyn ziet: 'Hij pleitte net als ik voor een decentralisatie van het overheidsbestuur om het bestuur dichter bij de mensen te brengen'.

De meest markante herinnering aan Fortuyn is afhankelijk van de mate waarin de geïnterviewden Fortuyn persoonlijk kenden. Afgezien van broer Marten kende Pastors Fortuyn het langst - ze werkten samen aan het OV-jaarkaart-project. Heinsbroek heeft Fortuyn nooit ontmoet - het andere uiterste. Mens lepelt een verzameling nogal gênante anekdotes op, Herben is het taartincident het meest bijgebleven. Interessant zijn de reacties van Van Scherrenburg en Van Dam, van wie je respectievelijk het 'Ach mens, ga lekker naar huis, koken'-moment en de 'U bent een minderwaardig mens'-uitspraak zou verwachten. Van Scherrenburg koestert geen enkele wrok, ze noemt die uitval van Fortuyn zelfs 'gewoon oprecht'. Van Dams uitspraak was uit 1997 - ik denk dat velen menen dat het tijdens de 2002-campagne gebeurde. Van Dam verwijt Fortuyn dan ook nog steeds dat hij die uitspraak vijf jaar later weer oprakelde terwijl ze het al hadden bijgelegd, bovendien zegt hij spijt te hebben van de uitspraak. 'Later maakte hij er Untermensch van,' vult Van Dam nog aan, 'terwijl ik dat woord nooit over mijn lippen zou krijgen.' Dit is dan weer nogal schijnheilig. Iemand een minderwaardig mens noemen roept automatisch de beladenheid van het Untermensch-begrip op, dat zou Van Dam toch moeten weten.

Wat is de grootste fout van Fortuyn geweest? is een minder geslaagde vraagstelling. De meesten wijzen erop dat Fortuyn simpelweg te kort aan het firmament stond om grote fouten te kunnen maken. Wel worden genoemd: hij was te eerlijk voor een politicus (Herben, Pastors), hij was te emotioneel (Van Scherrenburg, Schnabel) en hij wist niet de juiste mensen om zich heen te verzamelen (Nicolasen, Heinsbroek). Wiegel 'zou niet weten wat Fortuyn fout zou hebben gedaan'. Ook de vraag wat men ervan vindt dat de moordenaar over een jaar 'weer' op vrije voeten komt maakt de tongen niet los. Niemand durft zich hier echt aan te branden, men 'doet geen uitspraak'. 'De straf is een realiteit, daar moet je je bij neerleggen,' vindt Herben. 'De twee van Breda zijn uiteindelijk ook vrijgelaten,' zegt Mens. Alleen Heinsbroek spreekt volop schande van de lage straf. Pastors is de enige die een complot niet uitsluit.

Bij de vraag of populisme een zorg of een zegen is voor het land wordt door oudgedienden Wiegel en Van Dam ferm voor 'een zorg' gekozen. 'Ik ben voor een behoorlijke afstand tussen de gekozene en de kiezer,' zegt Wiegel. En volgens Van Dam ligt 'de u-vraagt-wij-draaien-consensus als een verstikkende deken over de Nederlandse politiek'. Pastors kiest voor 'een zegen', terwijl ook Van Scherrenburg de positieve effecten benadrukt. Heinsbroek en Opstelten merken terecht op dat Fortuyn geen eenvormige populist was: hij combineerde een populistische stijl met eruditie en flexibiliteit. Herben voelt zich aangevallen: 'Populisme is een misplaatst etiket dat wordt opgeplakt door partijen die morele superioriteit claimen.' Marten Fortuyn laakt de negatieve beeldvorming rond populisme, gesymboliseerd door de pejoratieve term 'onderbuik': 'Waarom zo minachtend? De onderbuik is een ander woord voor intuïtie en dat is weer gebaseerd op kennis en ervaring. Ik ben er heilig van overtuigd dat die onvrede weer terugkomt als die minachting niet verdwijnt.' Het antwoord van Rottenberg is even raadselachtig als verbijsterend: 'De opkomst van Fortuyn, de moord en daarna ook het populisme van de LPF hebben een enorme turbulentie teweeggebracht. Daarmee is hij een voetnoot geweest in de geschiedenis. Niet méér dan dat, maar een voetnoot in de geschiedenis is ook niet niks.'

De slotvraag mikt op balansopmaking: Pim Fortuyn, een politieke aardschok of een storm in een glas water? Geen van de betrokkenen kiest echter expliciet voor een van de twee opties. Van Scherrenburg en Wiegel wijzen er nogmaals op dat de andere partijen Fortuyns ideeën hebben overgenomen. Pastors en Opstelten menen dat Fortuyn in Rotterdam voor revolutie heeft gezorgd, maar landelijk daar niet de kans voor heeft gekregen.  Heinsbroek vindt dat Fortuyns politieke invloed op het gebied van immigratie en integratie na tien jaar 'nog voelbaar' is. Van Dam hoopt juist dat er iemand opstaat 'met de gaven van Pim Fortuyn, zonder zijn aberraties' die dit thema weer marginaliseert. Schnabel en Nicolasen wijzen het revolutie-idee af. Schnabel: 'Dit land is ontzettend goed georganiseerd en het systeem is erop gericht dergelijke schokken op te vangen.' Volgens Nicolasen 'is veel nog bij het oude gebleven'. Dat is ook de mening van Mens, die vervolgens toch nog filosofisch wordt: 'Nooit is iets voor niks geweest. [...] Het huidige economische klimaat dwingt ons wellicht om meer met zijn ideeën te doen. De economie heeft meer macht dan tien "Pimmen" Fortuyn.'

vrijdag 20 april 2012

[Pims achtertuin 2002-2012]: Fortuyn en 'het' populisme

Op 6 mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord door Volkert van der Graaf. De media zullen de tiende verjaardag van Fortuyns dood ongetwijfeld niet onopgemerkt voorbij laten gaan. Een huilende Harry Mens beet op 1 januari al het spits af. Op zoggel.blogspot.com deze maanden een poging tot een serieuzere kijk op het fenomeen.

Onlosmakelijk verbonden met Pim Fortuyn is het populisme. Sinds Fortuyn is populisme niet meer weg te denken, het is alomtegenwoordig als verschijningsvorm én als twistpunt, in de politiek, in de wetenschap en niet in de laatste plaats in de publieke ruimte. Met Fortuyn lijkt het populisme zich dus definitief gevestigd te hebben als nationaal gespreksonderwerp. Zoals ik ergens - ik ben helaas vergeten waar - een recensent zag opmerken: Het debat over het populisme is populairder dan het populisme zelf.

Populisme is met name als term, als dé term om het onderliggende, diffuse fenomeen te benoemen een succes. Want het fenomeen zelf bestaat natuurlijk al langer. Joost Zwagerman beschouwde Leefbaar Nederland al ogenblikkelijk als 'revival van de Boerenpartij, met die types uit de wereld van de truckers. Cabaretpartij!' (Algemeen Dagblad, 25-01-2002) Wie de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek doorzoekt op het trefwoord 'populisme' ziet dat van de 68 gevonden publicaties er maar liefst 43 na 2002 zijn verschenen. Van de 25 oudere publicaties zijn er bovendien slechts twee Nederlandstalig, waarvan er een ook nog handelt over populisme in Zuid-Amerika.

Het eerste belangwekkende boek na 6 mei 2002 was De uitdaging van het populisme (2003) van Arie van der Zwan. Volgens deze PvdA-ideoloog was met Fortuyn de derde fase van het populisme aangebroken. De eerste golf was het neoliberale bewind van Thatcher en Reagan geweest, de tweede fase werd gedomineerd door de 'Derde Weg' die onder meer in Engeland als redding van het socialisme werd gebombardeerd. Beide vormen appelleerden aan de genegeerde noden van de lagere middenklasse. Het gemediatiseerde populisme van Berlusconi en Fortuyn nu zou naadloos in die traditie passen. In een interview over zijn boek (de Volkskrant, 12-04-2003) definieert Van der Zwan populisme heel mooi als 'een correctie op hetgeen de politiek heeft laten liggen'.

Noemenswaardig is een bijdrage uit Duitsland. Daar verscheen, ook in 2003, van Frank Eckardt Pim Fortuyn und die Niederlande. Populismus als Reaktion auf die Globalisierung. Eckardt doet een interessante poging het revolutiekarakter van de 'Fortuyn-shock' te nuanceren door hem in een politieke traditie te plaatsen. Daarbij verwijst hij allereerst naar boer Koekoek als Fortuyns voorloper, maar opvallend genoeg ook naar 'die AOV von Nijpels', het Algemeen Ouderen Verbond onder leiding van Jet Nijpels. Een derde voorganger is volgens Eckardt Frits Bolkestein, wiens pleidooi: 'Großbritannien und die USA müssten den Niederlanden helfen, gegen die deutsche Dominanz anzukämpfen' als een populistisch idee wordt voorgesteld. Ook in hun zelfpositionering als intellectueel die niettemin oog heeft voor de noden van het volk ziet Eckardt - terecht - een overeenkomst. Waarom wist Fortuyn dan wel de massa te overtuigen en Bolkestein niet? 'Fortuyn hingegen nutzte seinen Ruf als Intellektueller, ohne in der Blasiertheit Bolkesteins gefangen zu sein.'

Een boek dat een bijzonder boeiende invalshoek heeft die evenwel teleurstellend uitgewerkt wordt is het kloeke In de greep van de angst. De Europese sociaal-democratie en het rechtspopulisme (2005) van Rinke van den Brink. In dit boek wordt Fortuyn vergeleken met populistische bewegingen in België, Frankrijk, Oostenrijk, Denemarken en Zweden. De auteur is expert in het fenomeen extreem-rechts en die achtergrond vertroebelt echter de blik op de eigenheid van het populisme. In plaats van dat Fortuyn reliëf krijgt tegen figuren als De Winter, Le Pen en Haider probeert Van den Brink hem juist geforceerd in dit rijtje in te kapselen, vanzelfsprekend met dat even nietszeggende als clichématige woord 'poldervariant'.

In de tweede helft van de voorbije tien jaar worden Fortuyn en populisme vaker losgekoppeld en wordt de aandacht verlegd naar hedendaagse verschijningsvormen als Verdonk en Wilders. In David van Reybroucks mooie Pleidooi voor populisme (2008) komt Fortuyn niet of nauwelijks voor. En Populisme als politiek drijfzand van Anton Zijderveld is weliswaar een begeesterd pleidooi tégen populisme, maar over Fortuyn is Zijderveld relatief mild. Fortuyn kon 'lachen zonder uit te lachen', iets wat van Verdonk en vooral Wilders niet gezegd kan worden. En de verdienste van Fortuyn is voorts dat hij problemen benoemde die voor boosheid zorgden onder brede lagen van de bevolking maar door de politieke elite genegeerd werden. Toch ziet Zijderveld het populisme als een heilloze weg.

In 2011 was er een ware hausse in studies en essays over het populisme. Het volk bestaat niet. Leiderschap en populisme in de mediademocratie van Dick Pels, Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed van Bas Heijne en Paniek in de polder. Populisme en polytiek in Nederland van Jos de Mul zijn de prominentste publicaties. Heijne heeft de mosterd duidelijk bij Pels gehaald, dat wil zeggen de Pels van De geest van Pim (2003). Heijnes opvatting dat met de 'felle, geschokte afwijzing' van het populisme 'het kind met het badwater [werd] weggegooid' is regelrecht in de lijn van Pels.

Heijne vult 'het nieuwe populisme' in als een verhaal 'over identiteit en gemeenschap in tijden van globalisering en immigratie', 'twee fenomenen die de progressieve politiek nooit goed in een verhaal heeft weten te vatten'. Hij meent dat het populisme bij uitstek een 'onredelijk' fenomeen is en dus niet, zoals Van Reybrouck denkt, op een rationele manier tegemoet kan worden getreden. Heijne meent dat de geloofsartikelen van de Verlichting in de handen van de progressieve elite tot dogma's verwerden die tot zelfgenoegzaamheid en hypocrisie bij die elite leidden. De excessen van globalisering en immigratie 'pasten eenvoudig niet in het progressieve wereldbeeld'. Het populisme ziet Heijne dan ook als een tegenbeweging binnen de Moderniteit: 'Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere'. Beide vormen van moderniteit moeten worden aanvaard én idealiter verenigd.

Jos de Mul tot slot pleit voor een terugkeer naar het oer-Nederlandse polderen, maar zonder het populisme daarmee af te serveren. In zijn optimistische betoog wordt de opkomst van Fortuyn verklaard met behulp van massapsychologie en met een beroep op Slavoj Zizek - in zekere zin de populist onder de hedendaagse filosofen. Volgens De Mul is de paradox van Fortuyn dat zijn kiezers stemden op 'een leider wiens leefwijze, belangen en opvattingen voor een belangrijk deel ingingen tegen die van henzelf'. Zijn verklaring is dat Fortuyn 'de eeuwige terugkeer van de oervader' symboliseert. De moord was dan ook onvermijdelijk, want de oervader wordt altijd gedood door zijn zonen. Zijn zonen? En Volkertje dan? Fortuyn werd al gedood toen hij bij Leefbaar Nederland werd afgezet, aldus De Mul. De echte moord was '"slechts" een (barbaarse) herbevestiging van de symbolische moord die reeds had plaatsgevonden'.

Of hiermee de conclusie moet zijn dat men over het onderwerp 'Fortuyn en het populisme' na tien jaar wel is uitgeschreven of juist dat men er nog lang niet over is uitgeschreven laat ik maar in het midden...

dinsdag 6 december 2011

Gerrit van de Kamp, radicale populist

Gerrit van de Kamp, voorzitter van politievakbond ACP, wil geen uitpubliek meer bij voetbalwedstrijden. Vorig weekend ging het goed mis in Utrecht bij FC Utrecht-FC Twente. Fans van Twente gooiden vuurwerk in het aanpalende Utrecht-vak, waarna supporters van de thuisclub verhaal gingen halen en later ook buiten het stadion voor ongeregeldheden zorgden, onder meer gericht tegen de politie. Ook in Den Bosch ging het mis.

Een deel van de jonge Marokkanen zorgt voor veel criminaliteit en overlast. Een klein deel. De meerderheid zijn brave burgers. De goeden lijden, zoals altijd, onder de kwaden. Zoals het absurd en volslagen onredelijk zou zijn nu alle jeugdige Marokkanen hard aan te pakken, zo is het absurd en onredelijk om alle fans te weren van uitduels van hun club. Een deel van de voetbalsupporters misdraagt zich rond wedstrijden. Een klein gedeelte. De overgrote meerderheid doet geen vlieg kwaad. Ook zij lijden onder de kwaadwillenden.

Scheve vergelijking? Dacht het niet. Rond beide fenomenen zie je dezelfde dynamiek plaatsvinden. De klootzakjes hebben het nooit gedaan, hun gedrag is in de eerste plaats de schuld van de politie, die alles zelf uitlokt, en in de tweede plaats van de media, die stigmatiserend zijn en - natuurlijk - onder een hoedje werken met de politie. Verder zijn het dankbare issues voor op scoren beluste politici, hoofdpijndossiers voor incompetente plucheklevende politici, blijven concrete maatregelen tergend lang uit en is er grote maatschappelijke onrust en overlast.

De reactie van Gerrit van de Kamp is typisch zo'n door scoringsdrift ingegeven maatregel. De maat is vol, aldus Van de Kamp, nu opnieuw politieagenten in het nauw zijn gedreven. Eerder gebeurde dat al bij Feyenoord-De Graafschap en nu dus ook bij Utrecht-Twente. Beide keren waren het echter de fans van de thuisclub die de agenten aanvielen. Werden de Utrechters aanvankelijk nog opgestookt door Twentenaren, de rellen buiten het stadion hadden niets meer te maken met confrontaties onderling. De Rotterdammers opereerden zelfs geheel op eigen houtje, uit 'onvrede' met het eigen bestuur, terwijl in Den Bosch niet eens uitfans aanwézig waren. En 'dus' moeten er nu maar geen uitsupporters meer toegelaten worden. De logica is ver te zoeken.

Hulde dan ook voor de leider van die andere politiebond, de NPB. Jan Willem van de Pol pleit voor een striktere naleving van de dit jaar ten langen leste ingevoerde voetbalwet, die een gerichte aanpak van notoire relschoppers beoogt. Die moeten inderdaad keihard aangepakt worden, desnoods tot in alle aspecten van hun sociale actieradius. Hier is ook een taak weggelegd voor de goeden: die moeten de rotzakken massaal filmen met camera's en mobieltjes. En klikken maar, ik doe er graag aan mee. (Nog een overeenkomst met dat andere maatschappelijke probleem: het verzet moet zeker ook van binnenuit komen.) En zijn de vandalen nog naamloos, dan moet de politie de beelden in de openbaarheid gooien, desnoods op billboards. Hoe hard Inez Wesky, de vleermuis van de advocatuur, dan ook weer zal gaan tegenfladderen.

De maatregel van Van de Kamp is pure symboolpolitiek. De hooligans worden geweerd uit het stadion, maar ze zijn er pas in de tweede plaats voor het voetbal en in de eerste plaats voor het knokken en vernielen. Dat zal niet ophouden maar zich alleen verplaatsen. En de supporters, die in de eerste tot en met de laatse plaats voor het voetbal komen, zijn de pineut. Een supporter die zijn club ook buitenshuis wil ondersteunen waant zich nu al een halve crimineel. Meervoudige fouillering, verplichte deur-tot-deur busreizen, nul privacy, uitvakken als bunkers. Om de onschuldige liefhebber nu ook nog eens verplicht huisarrest te geven zou echt de druppel zijn.

Populisme is niet per se verkeerd als thermometer. Maar laat de diagnose en voorzeker de remedie in godsnaam pragmatisch zijn.

donderdag 8 september 2011

Waar blijft het volksoproer tegen Aleid Wolfsen?

Na 11 september is het populisme in Nederland alomtegenwoordig. Velen menen dat de dramatische gebeurtenis in New York hiervan de oorzaak is, maar dat lijkt me te kort door de bocht. De stormachtige doorbraak van Fortuyn liet eerder zien dat de behoefte aan een populistische politieke vorm al veel langer sluimerde. De aanslagen sloegen het gat in de politieke markt waar Fortuyn dankbaar in sprong.

In zijn boek Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland (2010) betoogt Henk te Velde dat de politieke geschiedenis van Nederland een conjunctuur laat zien van afwisselend regenteske polderaars en scherpslijpende populisten. Zo zitten we nu midden in een populistische fase, maar de zucht naar een hernieuwde regentenheerschappij zou al merkbaar zijn.

In die constatering kon ik me aanvankelijk totaal niet vinden - het maatschappelijke discours laat immers juist een nog steeds toenemende aandacht voor en omarming van het populisme zien -, maar de huidige gebeurtenissen in Utrecht bewijzen dat Te Velde het meer bij het rechte eind heeft dan ik vermoedde. De stemming is het beste te omschrijven als: dorre apathie.

Aleid Wolfsen is in alles de ouderwetse plucheklevende regent. Een volledig incompetente en wereldvreemde volksverlakker die mislukking op mislukking stapelt, niet terugschrikt voor censuur en verduistering van cruciale stukken en die oostindisch doof is voor kritiek. Dat hij dan ook lekker blijft zitten waar hij zit is niet verwonderlijk. Wél dat hij hier glansrijk mee wegkomt.

GeenStijl zit de Utrechtse burgemeester al heel lang op de huid. Elk ander medium dat zo'n indrukwekkend dossier kan overleggen zou de katalysator zijn van grootschalige onderzoeken, Kamervragen en uiteindelijk het onvermijdelijke aftreden van het object van onderzoek, of het nu Zembla, de Volkskrant of Elsevier is. Maar nu is het GeenStijl maar, een 'pubersite', aldus Het Licht in Leer, Von der Dunk, en dus niet serieus te nemen. Dat onder de retoriek keiharde feiten en gedegen onderzoek aan de basis van dit 'hinderlijk volgen' liggen, wordt voor het gemak maar genegeerd.

Maar wat nog het meest frappeert is de houding van de Utrechters. Je zou toch verwachten dat men zich onderhand kapot schaamt voor zo'n burgervader, dat de maat vol is en men intussen in drommen voor het stadhuis samenkomt om het aftreden van Wolfsen te eisen, maar neen. Weliswaar wordt wat balorig in een opiniepeiling door de meerderheid aangegeven dat Wolfsen liefst geen tweede termijn het ambtsketen mag dragen. Hij is echter pas sinds 2008 burgemeester, en een termijn duurt zes jaar. Dat betekent dat Wolfsen nog ruim twee jaar onbelemmerd de geniepig stuntelende stoethaspel mag uithangen.

Toch frappeert de houding van de Utrechters ergens ook weer niet. De coalitie die keer op keer weigert Wolfsen de doodsteek toe te dienen is immers gekozen door de Utrechters zelf. Het is een coalitie van GroenLinks, D66 en PvdA, de natte droom van linksdraaiend Nederland. Hét weerwoord tegen de landelijke regering. Het linkse lentebriesje dat dapper tegen de gure rechtse wind in blaast. De enclave van beschaving temidden van een door barbaren geleid land.

Maar dus ook een coalitie die het prima vindt onder een burgemeester te werken die de vrijheid van drukpers met voeten treedt, die officiële stukken laat vernietigen en die zijn reet afveegt aan zwaarbevochten homorechten. En met diezelfde reet stevig op het pluche blijft zitten. Aleid Wolfsen is de meest regenteske regent ooit. Te Velde heeft gelijk: de regentenmentaliteit is terug, en Wolfsen is haar profeet.

zondag 30 januari 2011

Jolande Sap en de achterban

GroenLinks afficheert zich vaak als de absolute tegenpool van de PVV. De partij zou in alles een tegenwicht bieden aan het populisme van Wilders en de zijnen. Tot nog toe was daar weinig van te merken, maar juist nu laat Jolande Sap zien dat de theorie ook in praktijk gebracht kan worden.

De kersverse fractieleider is de laatste dagen flink onder vuur komen te liggen vanuit de eigen achterban. Haar besluit om na lang wikken en wegen in te stemmen met een nieuwe opdracht in Afghanistan en zo het kabinet aan een meerderheid te helpen inzake dit dossier, wordt door het grootste deel van de GroenLinksers niet gesteund. Een paar honderd leden hebben zelfs hun partijkaart ingeleverd. Sap lijkt zich dus al onmogelijk te hebben gemaakt voor ze goed en wel op weg is. Toch meen ik dat Jolande Sap een pluim verdient, en wel om twee redenen die beide iets te maken hebben met waar de partij voor zegt te staan.

Ten eerste houdt Sap vast aan een eerder ingenomen partijstandpunt. Onder Femke Halsema diende GroenLinks immers samen met D66 in april vorig jaar het voorstel in voor een politiemissie. Daar werd toen een politieke strategie achter gezocht: GroenLinks zou hebben willen laten zien dat het bereid was concessies te doen om mee te mogen regeren in een volgend kabinet.

Helaas, het bleek niet voldoende om daadwerkelijk in de coalitie te belanden. Dat de partij nu toch vasthoudt aan een eerder ingenomen standpunt is moedig. Wilders riep voorafgaand aan de verkiezingen dat de verhoging van de AOW-leeftijd een breekpunt was, maar de stemmen waren nog niet geteld of hij liet dit punt al vallen om maar mee te mogen doen. De motie van GroenLinks is niet eens beloond met regeringsdeelname en tóch laat Sap het voorstel niet vallen. Geen strategie dus, maar een politiek idee op basis van argumenten en overtuiging.

Een tweede reden heeft te maken met 'democratie' en 'populisme' en wat tegenwoordig onder die begrippen wordt verstaan. De PVV vaart blind op het kompas van de volksmening. Wat de mensen willen, dat moet in Den Haag gebeuren. Als Sap nu was gezwicht voor het rumoer en de gevoelens van onvrede, dan had GroenLinks de manier van politiek bedrijven van de PVV vervaarlijk dicht genaderd. Bovendien is het dus niet zo dat GroenLinks nu ineens een standpunt inneemt dat honderdtachtig graden verschilt van hoe men er vóór de verkiezingen over dacht. Wie op GroenLinks heeft gestemd in juni mag verondersteld worden op de hoogte te zijn geweest van de ideeën van de partij over een eventuele vervolgmissie.

Sap zegt goed te hebben geluisterd naar de achterban en de bezwaren van tegenstanders zeer serieus te nemen. Ze zal echter ook ingezien hebben dat de hardste schreeuwers uit de hoek van het activisme komen, zie Sietse Bosgra. Daarnaast bestaat een groot deel van de GroenLinks-achterban uit linkse intellectuelen bij wie de tegenstem eerder voortkomt uit een principieel en virulent anti-amerikanisme dan uit kennis van de specifieke materie. Klagers die zeggen terug te verlangen naar Femke Halsema slaan al helemaal de plank mis, aangezien het hele idee van een politiemissie dus uit de koker van Halsema kwam.

Jolande Sap komt simpelweg na wat haar partij voor de verkiezingen beloofd heeft. In een politiek klimaat van gedraai en gekonkel, van breekpunten die niets waard blijken en van machtspolitiek is die democratische helderheid en eerlijkheid heel wat waard. GroenLinks is niet mijn partij, maar die Jolande Sap mag ik wel.

maandag 8 november 2010

Lezen, lezen, lezen #21

Maarten van Rossem - Waarom is de burger boos? Over hedendaags populisme (2010), 126 blz.
Beroepsouwehoer en emeritus hoogleraar Maarten van Rossem heeft een paar uur lang in een dictafoon zitten oreren over populisme, waarna hij de tekst heeft uitgeschreven - of heeft laten uitschrijven. Het resultaat is dit dunne boekje, Waarom is de burger boos? Die titel is inadequaat. Van Rossem gaat namelijk na een halve bladzijde al een stapje verder: hij bespreekt veeleer de vraag Waarom heeft de boze burger geen recht van spreken? Het gaat zo goed met Nederland dat geklaag over de staat van het land overdreven en onzinnig is. Aan de hand van summiere overzichten van de hemelbestormingen van Fortuyn, Verdonk en Wilders wijst Van Rossem op het holle karakter van het populisme. Helaas doet hij weinig moeite op zoek te gaan naar de wortels van de inmiddels structurele onvrede; verder dan erop wijzen dat er nu eenmaal een grote groep Nederlanders is die zichzelf als 'zeer rechts' bestempelt en dat populisten handig in dit gat zijn gesprongen, komt Van Rossem niet. Hoe zijn al die mensen van socialistisch-links in het rechtse kamp terecht gekomen? Waarom is er meer welvaart maar minder tevredenheid? Wanneer zijn mensen zich ontheemd in hun eigen wijk gaan voelen? Het zijn voor deze kwestie fundamentele vragen die Van Rossem links - of beter: 'zeer rechts' - laat liggen. Hij redeneert: allochtonen zijn sociaal-economisch zwak, dus wat hebben we ervan te vrezen? De handgranaatgooiers van de Hofstadgroep zijn dan ook niet meer dan 'verwarde adolescenten'. En natuurlijk zijn het weer de media die schuldig zijn aan het vertekende beeld. Waarom is de burger boos? heeft twee positieve aspecten: het benadrukt dat de vreemdelingenwet van Job Cohen heus een strenge, 'rechtse', wet is en dat meer democratisering niet de oplossing is voor morrende burgers. Wat wel de boosheid kan temperen komen we echter niet te weten.

Martin Bosma - De schijn-élite van de valse munters. Drees, extreem rechts, de sixties, nuttige idioten, Groep Wilders en ik (2010), 375 blz.
De PVV is een behoorlijk gesloten organisatie. Wilders is de baas, het enige lid en begin en eind van de partij. Daarom is het goed dat een andere PVV'er nu naar buiten treedt met zijn geloofsartikelen. Martin Bosma, speechschrijver van Wilders, heeft een fascinerend en belangrijk boek geschreven. De schijn-élite van de valse munters - de titel is ontleend aan een citaat van PvdA-ideoloog Jacques de Kadt, Bosma's geestelijke vader - is dwars, diepgravend, overdreven, leerzaam, drammerig, overtuigend, oppervlakkig, twijfelachtig en bovenal zeer leesbaar. Eerst maar de positieve punten: Bosma haalt ontzettend veel naar boven. Het intellectuele geweten van de PVV kent zijn vakliteratuur en beheerst zijn metier. Veel taaie mythes ontkracht hij vakkundig, met name dat Janmaat de eerste zou zijn geweest die de immigratie ter discussie stelde. Dat was de oude Drees, gevolgd door Drees jr. en Den Uyl. Daarnaast is dit boek de meest trefzekere aanklacht tegen de generatie '68. De idealen van Nieuw Links verwerden tot een geloof dat alle zicht op de realiteit wegnam en decennialang het gezonde verstand eronder hield. Bosma duidt de maatschappelijke ontwikkeling sinds '68 scherp en onder verwijzing naar talloze wetenschappelijke onderzoeksresultaten en politieke boeken. Hij laat mooi zien hoe het immigratievraagstuk te lang is weggedrukt omdat vraagtekens en kritiek niet pasten in het ideologische heilstaatproject. De eerste helft van dit boek is weloverwogen en coherent. Het tweede deel is beduidend zwakker. Bosma schiet er wel erg ver door in zijn bestrijding van links. De twee haakjes in 'Op 4 mei gedenken wij de slachtoffers van het (nationaal) socialisme' uit het PVV-partijprogramma heb ik altijd tamelijk walgelijk gevonden. Bosma gaat in De schijn-élite van de valse munters zo ver om vele pagina's te besteden aan bewijsvoering voor de stelling dat Hitler eigenlijk links was, een behoorlijk non-issue. Ook zijn radicale verdediging van Israël is tunnelvisionair. Bosma's betoog ontaardt zo in een nieuwe geloofsbelijdenis. Er is geen ruimte meer voor nuancering of onderscheid van hoofd- en bijzaken. De retoriek krijgt alsnog de overhand. Dat is erg jammer, want op de eerste 200 pagina's regeren de argumenten en de inhoud.
Van Rossem en Bosma zijn fraaie exponenten van de actuele politieke realiteit. De elite en de populisten die elkaar bestrijden, die elkaar niet begrijpen. En de argeloze burger, die simpelweg in relatieve rust wil leven zonder al te veel last van anderen, daar vertwijfeld tussenin.

Piet Calis - Venus in minirok. Seks in de literatuur na 1945 (2010), 240 blz.
Oude baas Piet Calis belooft in dit boek de literaire weerslag van de seksuele revoluties na WOII te presenteren. Dat is in het bestek van nog geen driehonderd bladzijden natuurlijk niet te doen. Venus in minirok biedt dan ook een oppervlakkig en arbitrair overzicht van seksuele passages in de naoorlogse Nederlandse literatuur. Calis heeft zijn boek thematisch ingedeeld. Hij bespreekt aspecten als de eerste keer, incest, generatieverschillen, homoseksualiteit, porno, etc. Daarbij citeert hij veel en vaak. De duiding van de fragmenten is soms zinnig en scherpzinnig, maar vaak ook marginaal en repetitief. Goed is dat Calis ook de meest recente ontwikkelingen meeneemt (de periode Grunberg via Bouazza tot Weijts), vreemd is dat hij ook een heel hoofdstuk wijdt aan de liefde. Venus in minirok is een oppervlakkig overzicht, een bloemlezing met tussenzinnetjes. Dat is niet per definitie slecht. Wetenschappelijk heeft het dan misschien weinig om het lijf, voor de popularisering van het vakgebied vervult het zeker een functie. De letterkundige neerlandistiek heeft behoefte aan laagdrempelige overzichtswerken die een inkijkje bieden in de rijke Nederlandse literatuur en die uitnodigen tot verder lezen. Zijn Vondel-biografie had al een enthousiasmerende werking, Venus in minirok heeft ook de potentie een breed publiek aan te spreken. Lichtelijk storend is nog de aanwezigheid van Calis zelf. Hij laat geen mogelijkheid onbenut te benadrukken dat hij niet alleen getuige is geweest van de seksuele bevrijding maar dat hij er ook met volle overgave aan deelgenomen heeft - en nog steeds doet. Op de radio zei Calis onlangs dat niet Mulisch maar hijzelf als eerste met een sportwagen door Amsterdam cruiste. Nu lijkt hij ook nog Mulisch' seksuele track record naar de kroon te willen steken.

zaterdag 28 november 2009

Smolders, de rotste appel uit de mand

Met de columns van Tony van der Meulen in het Brabants Dagblad ben ik het bijna altijd hartgrondig oneens - daarom lees ik ze ook zo graag, ik ben nu eenmaal geen Francisco van Jole die alleen maar wil lezen wat hij zelf ook al vindt. Vanochtend moest ik Van der Meulen echter gelijk geven. Hij had een stukje geschreven over het afscheid van Ruud Vreeman als burgemeester van Tilburg en de rol van raadslid Hans Smolders daarin. Van der Meulen was woest op Smolders.

De Tilburgse populist was niet aanwezig op de afscheidsreceptie van de ex-burgervader. Dat zou hetzelfde zijn als de van ontucht verdachte Bossche zwemleraar een hand geven, aldus Smolders. 'Nu ik deze goorheid overtik, word ik weer hels,' schreef Van der Meulen. Inderdaad een walgelijke uitspraak van Smolders. Een uitspraak die typerend is voor het smaldeel Fortuynisten dat de erfenis van de kale revolutionair te grabbel gooit.

David Van Reybrouck schreef het al in zijn mooie pamflet Pleidooi voor populisme: Er is niet minder populisme maar beter populisme nodig. Intelligente politici die dicht bij het volk staan en tegelijkertijd de mores van het politieke spel kennen en beheersen. Na de dood van Fortuyn ging de LPF ten onder aan de slechteriken binnen de eigen gelederen. Verlichte populisten met bestuurlijke vaardigheden (Herben) en goed beargumenteerde politieke ideeën (Eerdmans) dolven het onderspit tegen de eigenheimers en baantjesjagers. Het is allemaal na te lezen in het spannende boek In de ban van Fortuyn. Van Hans Smolders wordt daarin een allesbehalve rooskleurig beeld geschetst.

In februari 2001 moest er snel een lijst met kandidaten voor de LPF worden opgesteld. Smolders was een van de zes vrijwilligers die zo hard hadden gewerkt dat ze wel een bonus verdienden: ze mochten op de lijst. Smolders, volgens John Dost 'de rotste appel die ertussen zit', was elke dag om zeven uur al aanwezig op het partijkantoor, vandaar. Smolders zou al snel intern in opspraak komen. Seksuele intimidatie, bedreiging, fysiek geweld: hij vestigde in recordtempo een bedenkelijke reputatie. Bovendien zou hij een van de twee kandidaten zijn geweest die een dusdanig zakelijk verleden hadden dat de partij er onder zou lijden.

Op 6 mei wist Smolders luttele minuten na de moord Volkert van de Graaf te overmeesteren, zijn enige prestatie van formaat - al lijkt mij het in bedwang houden van zo'n door veganisme verzwakt lijfje ook weer niet al te moeilijk. Smolders ging de Tweede Kamer in, werd lid van de Tilburgse Ouderen Partij (TOP), begon zijn eigen partij Lijst Smolders Tilburg (LST), figureerde nog even als kandidaatkamerlid van EénNL maar keerde vervolgens snel terug naar zijn stad. Daar legde hij burgemeester Vreeman en diens PvdA het vuur na aan de schenen. Vreeman zou informatie achter hebben gehouden en werd beschuldigd van machtsmisbruik.

Het is altijd goed dat nieuwe politici oude structuren trachten te doorbreken. Nog dagelijks lezen we berichten over - veelal lokale - PvdA-bestuurders die aan zelfverrijking doen door middel van overmatig declareren, het aannemen van steekpenningen en het bedrijven van machtspolitiek. Er zijn echter twee hoofdredenen waarom juist Smolders niet de man is om als een hedendaagse Robin Hood hiertegen op te treden. Ten eerste is hij een nobody qua politiek cv en intellectuele bagage die zich bovendien bedient van termen als 'die klootzak'. Ten tweede - en veel belangrijker - is de Tilburger de pot die de ketel iets verwijt waar hij zichzelf ook schuldig aan maakt, zo blijkt al uit zijn LPF-voorgeschiedenis. Smolders zou daarnaasr 75 000 euro hebben gevraagd in ruil voor steun aan de bouw van een groot winkelcentrum in Tilburg. Er loopt momenteel een justitieel onderzoek naar deze zaak. Eerder werd hij al uit de TOP gegooid omdat hij een dubieuze rol zou hebben gespeeld in een andere steekpenningenzaak.

'De revolutie eet haar eigen kinderen op' is een befaamde en beproefde wijsheid. Revolutionairen opereren in naam van de gewone, kleine man, geven gehoor aan de volkswil. Eenmaal aan de macht ontpoppen de meest radicale oproerlingen zich altijd tot regenten die in terreur en volksverlakkerij niet onderdoen voor hun afgezette voorgangers. Hans Smolders is zo iemand die de populistische revolutie bezoedelt. Het feit dat de ex-ijshockeyer, -chauffeur en -boevenvanger nu van corruptie verdacht wordt, is al een aanwijzing dat hij geen haar beter is dan Vreeman.

Tony van der Meulen zou Smolders geen hand geven als hij hem tegen kwam. Misschien is een bodycheck in dat geval meer op zijn plaats.

dinsdag 2 juni 2009

Lezen, lezen, lezen #11

Max Pam - De armen van de inktvis (2005), 607 blz.
In aflevering 7 van deze rubriek schreef ik dat Joost Zwagerman als columnist een verademing is tussen al die oude, zure, versteende mannetjes - althans, dat was de strekking van het verhaal. Zwagerman zou de enige zijn die serieus tegengas gaf aan de eenzijdig links geöriënteerde columnistenelite. Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Er is ook nog Max Pam. Pam (geen pseudoniem) is de 60 gepasseerd, maar bij hem geen spoor van verzuring of verstening. Nog altijd schrijft hij scherpe, frisse columns over politiek en maatschappij. Zijn flirt met GeenStijl toont aan dat hij nog zeer bij de tijd is. Vier jaar geleden verscheen De armen van de inktvis, een bloemlezing uit Pams journalistieke werk, samengesteld door Dap Hartmann en ingeleid door Jaap van Heerden. Met ruim 600 dichtbedrukte pagina's is het een zeer ruime bloemlezing. Toch bevat het maar een fractie van wat Pam geschreven heeft, wat aantoont dat de man inderdaad de workaholic is die hij zegt te zijn. Het boek bevat vier afdelingen: verhalen (21 stuks), interviews (11), columns (136) en kritieken (38). Onder de verhalen bevindt zich het befaamde onderzoeksartikel over literaire jury's, interessante interviews zijn die met Mulisch, Willem Frederik Hermans (2x) en vooral Douglas Hofstadter. De literaire kritieken zijn bijzonder. Pam is geen neerlandicus en onderscheidt zich daarmee van de andere boekbesprekers. Waar voor een neerlandicus een onleesbaar boek vaak vooral experimenteel en vernieuwend is, daar is het voor Pam vooral onleesbaar. Soms slaat hij de plank mis, maar Pams kijk op boeken is altijd authentiek en lezenswaardig. Hoogtepunt vond ik de columns. Ik was van plan ze niet allemaal te gaan lezen, maar eenmaal begonnen heb ik ze alle 136 verslonden. Ze zijn zonder uitzondering glashelder geschreven, scherpzinnig en toch ook nuchter qua ideeënrijkdom en vaak zeer humoristisch. De polemische stukken zijn geschreven in de geest van W.F. Hermans, Pams grote voorbeeld, en soms bereiken ze eenzelfde niveau. De column over een achtervolging door een junk is doodeng en zou zo in een bundel thrillerverhalen kunnen. De stukken bestrijken de periode 1972-2004; de late zijn nog net zo scherp als de vroege. Prachtboek.

David Van Reybrouck - Pleidooi voor populisme (2008), 80 blz.
'Pamflet' is de ondertitel van Pleidooi voor populisme van de jonge Vlaamse auteur David Van Reybrouck. De titel is enigszins provocerend, de inhoud is zeer behartigenswaardig. In de Lage Landen is in toenemende mate sprake van een 'diplomademocratie' (kennis door opleiding = politieke macht). Van Reybrouck beziet de groeiende kloof tussen hoog en laag opgeleiden met zorg. De eerste groep verzet zich met hand en tand tegen het opkomende populisme in de politiek. Ten onrechte, vindt Van Reybrouck, populisme kan een grote groep mensen die zich door de politiek miskend en genegeerd voelt weer betrokken maken. Er is dan ook niet minder, maar beter populisme nodig. Het huidge populisme is een 'duister populisme', een populisme dat denkt 'dat het volk een homogeen blok vormt, dat de wil van het volk eenduidig en rechtlijnig is en dat die volkswil eigenlijk het centrum van de macht dient te bekleden.' Rita Verdonk dus, in Nederland. Hoe moet het dan? Van Reybrouck ziet twee mogelijkheden: democratisch populisme en verlicht populisme. De eerste variant moet garanderen dat er een partij is waarmee laaggeschoolden affiniteit voelen, ook al zorgt deze partij met 'absurde beleidsvoorstellen' en 'forse taal' voor heisa: 'Het democratisch populisme helpt om de basis van de democratie, het conflict, weer nieuw leven in te blazen.' Dat is dus Wilders en zijn PVV. De tweede mogelijkheid vereist een poldervariant van een Mandela of een Obama, iemand die tot een 'nieuwe synthese' weet te komen. Zo iemand zal in Nederland niet gauw opstaan. Daarmee is het zwakke punt van dit pamflet aangeroerd: de voorgestelde oplossingen zijn niet bevredigend, ook omdat Van Reybrouck sterk pleit voor meer laaggeschoolden in het parlement 'als noodzakelijke voorwaarde om het duister populisme te bestrijden'. Daar zie ik niets in. Ze moeten vooral hun belangen behartigd zien, deelname aan het inefficiënte regeltjesbolwerk zou ze alleen maar afschrikken en nog hopelozer maken, vermoed ik. Het schort dus nog wat aan de wenken, de analyse is in zijn beknoptheid pregnant en helder. Ikzelf kom er ook in voor, trouwens: Van Reybrouck heeft het ergens over 'jonge universitairen [die] vrolijk heen en weer zappen tussen Arvo Pärt en de Pfaffs.'

Calvin S. Hall - De psychologie van Freud. Een inleiding (1981), 160 blz.
Sigmund Freud. Een grote naam, een van dé namen van de twintigste eeuw. En toch is zijn status zeer schimmig, voorzover ik het kan overzien. Volgens de een is Freud een briljante wetenschapper die baanbrekend werk heeft verricht op het gebied van psychologie en psychoanalyse. Volgens de ander is de Weense dokter een charlatan en een kwakzalver die de status van wetenschap eerder kwaad dan goed heeft gedaan. Ik geloof dat de consensus tegenwoordig meer naar de eerste positie neigt. Om mijn ignorantie qua Freud weg te poetsen zocht ik naar een beknopte inleiding. Deze van Calvin Hall zou de meest geschikte zijn voor een eerste kennismaking. Het slot van het eerste, biografische, hoofdstukje maakt in ieder geval duidelijk wat de positie van Hall is: 'Het woord "genie" wordt wel eens al te lichtvaardig gebruikt om de bekwaamheid van bepaalde mensen aan te duiden, maar er is geen woord dat zo zeer van toepassing is op Freud. Hij was inderdaad een genie. Persoonlijk beschouw ik hem als een van de sporadische alzijdige geesten die de geschiedenis heeft voortgebracht. Evenals Shakespeare, Goethe en Leonardo da Vinci wist Freud alles wat hij aanraakte te verhelderen, te verduidelijken. Hij was een groot en zeer wijs mens.' Alstublieft, daar gaat de objectieve inleiding waarop ik hoopte. Gelukkig onthoudt Hall zich in het vervolg van loftuitingen en beperkt hij zich tot een kernachtige uiteenzetting van Freuds ideeën, steeds uitgaand van de kernbegrippen 'Es', 'Ich' en 'Über-Ich'; onderbuik, persoonlijkheid en moraal. Vervolgens worden zaken als driften, bewuste en onbewuste, angst, verdringing en fixatie verklaard als dynamische wisselwerkingen tussen de genoemde drie delen van de persoonlijkheid. Ik begrijp de aantrekkingskracht van Freuds theorieën. Ze zijn helder, veelomvattend en spreken tot de verbeelding. Toch staat de inleiding ook bol van de opmerkelijke zinnen: 'iemand kan menen hoogtevrees te hebben omdat hoogte nu eenmaal gevaarlijk is, terwijl hij eigenlijk vreest dat zijn geweten van de gelegenheid gebruik zal maken hem te straffen voor zijn zonden door hem in de diepte te laten storten.' En verdrongen orale verlangens kunnen zich manifesteren wanneer een persoon belangstelling krijgt voor 'linguïstiek, flessen verzamelen of buikspreken'. Wonderlijk.