Posts tonen met het label Denkers. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Denkers. Alle posts tonen

donderdag 4 september 2014

Geenstijl rijmt op Pierre Bayle

I

Bij de hevige politieke en maatschappelijke onrust van de laatste weken rond de demonstraties van voor- en tegenstanders van ISIS en rond de acquisitieafdeling die deze terreurbeweging in de Haagse Schilderswijk zou hebben, speelde Geenstijl een prominente rol. Het weblog plaatste een spotprent over Jozias van Aartsen en werd prompt object van een strafrechtelijk onderzoek door het OM. Een week later werd besloten niet tot vervolging over te gaan.

Wel werden opeens met grote voortvarendheid ronselaars en andere jihadhooligans uit de Schilderswijk van hun gebedsmatje gelicht, onder wie Azzedine Choukoud ('Abou Moussa') en Rudolph Holierhoek ('Abou Babyschudder'), die beiden al wekenlang onder het roze vergrootglas lagen, zoals Geenstijl zelf niet naliet op te merken: 'Is dat toevallig? Dat twee geradicaliseerde booslims die al weken onder de loep liggen bij Geenstijl ineens heel daadkrachtig van de straat worden gehaald door een burgemeester die het OM heeft verzocht datzelfde weblog strafrechtelijk te onderzoeken.'

Het aardige is dat Van Aartsen dit maandag bij Pauw min of meer toegaf. Indirect, omfloerst en in die typische kakkineuze liberalenretoriek waarvan Van Aartsen een waardige vertolker is, maar hij onthulde niettemin dat al zijn acties, en vooral zijn gebrek daaraan, in dienst stonden van het onderzoek naar de schadelijke sujetten die uit de samenleving verwijderd moesten worden. Het onderzoek naar Geenstijl was dus een afleidingsmanoeuvre. Dat hij zijn hoofd van de romp gescheiden op een spotprent aantrof, als kritiek op het feit dat hij zijn gezicht maar niet liet zien, leidde alleen maar dankbaar de aandacht af van het feit dat hij de kopstukken in het vizier had.

II

Nadat minister Asscher bekend had gemaakt dat hij haat predikende imams het leven zuur ging maken en ze zelfs het land uit wilde zetten, kwam Geenstijl niet, zoals velen verwachtten, met een juichend bericht vol borstklopperij, maar met een even genuanceerd als prikkelend betoog tegen deze maatregel. Die zou namelijk betekenen dat de vrijheid van meningsuiting wordt beknot en dat mag nooit het gevolg zijn:

'Maak het leven van haatimams niet "lastig", maar zet ze in de spotlight. Maak indoctrinerend haattuig dat gebruik maakt van vrijheid van meningsuiting openbaar, hun woorden inzichtelijk en hun waanideeën publiekelijk. Niet censuur, maar transparantie en openheid is de weg naar de-radicalisatie. Duistere Middeleeuws gedachtegoed kwijnt weg als de rationele Verlichting er op schijnt. [...] Transparantie, kennis en onderwijs is wat we nodig hebben en de enige manier om achterlijk religieus gedachtegoed definitief uit te bannen.'

Het beroep op de Verlichting in dit citaat is niet verrassend. Geenstijl is immers al eens, in een artikel in Trouw, tot hedendaagse erfgenaam van de 'Radicale Verlichting' gebombardeerd. De eminente Britse historicus Jonathan Israel schreef een baanbrekende studie over deze Radicale Verlichting (1650-1750). Zijn werk kreeg hier bijzondere bijval omdat Israel de wortels van de Radicale Verlichting in het Nederland van midden en eind zeventiende eeuw situeerde, bij Spinoza en in diens kring met fascinerende figuren als Lodewijk Meyer, Adriaan Koerbagh en Franciscus van den Enden.

Israel is niet alleen een expert op het gebied van de Radicale Verlichting, hij is ook zeer kritisch op de hedendaagse verkwanseling van de verworvenheden van diezelfde Verlichting. De ideologie van het multiculturalisme ziet hij als een van de oorzaken, en die ideologie is in zijn visie door het postmodernisme gefaciliteerd. In het voorwoord bij zijn boek Revolutie van het denken (2011) trekt hij ongemeen fel van leer:

'Een van de meest geprononceerde en voor de samenleving zeer schadelijke vormen van verzet tegen Radicale Verlichting kwam recentelijk van het modieuze multiculturalisme dat, gelardeerd met postmodernisme, de westerse universiteiten en regeringen wist te bekoren. Volgens deze tijdelijk machtige nieuwe vorm van intellectuele rechtzinnigheid waren namelijk alle tradities en waardenstelsels min of meer even geldig. Men sprak zich categorisch uit tegen de gedachte van een universeel systeem van hogere waarden die naar rede en billijkheid vanzelf spreken, of die een hogere status zouden verdienen dan andere waarden. Meer in het bijzonder hield het in dat veel westerse intellectuelen en regeringsbeleidmakers geen universele geldigheid en verheven status boven andere culturele tradities wilden toekennen aan de kernwaarden die uit de westerse Verlichting zijn ontstaan, hoezeer die ook aanspraak mogen maken op rationele degelijkheid, want, zo redeneerden zij, dat zou rieken naar eurocentrisme, elitarisme en gebrek aan respect voor de "ander".' (11-12)

Men kan hiertegen inbrengen dat de Radicale Verlichting juist zo goed wortel kon schieten in het Nederland van eind zeventiende eeuw door het open en tolerante klimaat dat er heerste. Spinoza en ook Pierre Bayle, in Israels model de twee wegbereiders van de Radicale Verlichting, waren immers twee 'allochtonen' in de Republiek, en als dusdanig exponenten van een multicultureel klimaat. Israels kritiek richt zich dan ook niet zozeer op de multiculturele samenleving als gegeven, als wel op het multiculturalisme als postmoderne ideologie, waarin elke morele of ethische hiërarchie wordt ontkend.

III

Dit kritische geluid tegen postmodernisme klinkt overigens ook steeds vaker op uit de hoek van de jonge generatie publiekshistorici. Rutger Bregman stelt in Geschiedenis van de vooruitgang (2013) dat het vooruitgangsgeloof ten onder is gegaan aan de door het postmodernisme uitgevoerde aanval op zijn intellectuele grondslagen: 'Geen postmodernist durfde nog dat heilige begrip van weleer, "waarheid", in de mond te nemen. Geschiedenis, of eigenlijk alles wat überhaupt gezegd kon worden, was gedegradeerd tot "tekst en interpretatie".' Het postmodernisme stelde daar echter niets tegenover. Bregman citeert geschiedfilosoof Chris Lorenz, die schreef dat het postmoderne relativisme 'aanzienlijk meer elasticiteit dan we doorgaans bij denkende personen aantreffen' veronderstelt. 'Oftewel: het postmodernisme zit vol baarlijke nonsens.' (239)

Collega-wonderkind Thierry Baudet sprak in zijn Oikofobie. De angst voor het eigene (2013, 198-199) al van de 'oplichterij' van de postmoderne sociologie, en ook Bregman velt een hard oordeel:

'De ironie van het postmodernisme is dat het, ondanks zijn afkeer van de Grote Verhalen, op den duur zelf een Groot Verhaal werd. Maar dan wel alleen voor zichzelf. Met een eigen jargon, eigen profeten en eigen gebruiken kreeg het postmodernisme iets sektarisch over zich. Nog altijd worden jonge literatuurwetenschappers, feministen en historici ondergedompeld in de geschriften van waarzeggers als Jacques Lacan, Julia Kristeva, Jacques Derrida en Gilles Deleuze. Kritiek op hun leerstellingen wordt door menig volgeling als heiligschennis opgevat. Ik spreek uit ervaring.
Met hun obscure jargon hebben de postmodernisten zich van het grotere publiek vervreemd. Voor de geesteswetenschappen, die bestaan bij de gratie van de samenleving, is dat een ramp geweest. De geesteswetenschappen, soms ook menswetenschappen genoemd, zeggen de mensheid als studieobject te hebben. Het wordt tijd dat ze die mensheid ook weer ten dienste gaan staan.' (242-243)

Maar ik dwaal af.

IV

Om zijn radicale verlichtingsideeën te verspreiden gebruikte Bayle onder meer het nieuwe medium van het 'geleerdentijdschrift', dat opkwam in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Zo'n geleerdentijdschrift was in de basis een wetenschappelijk blad met objectieve en neutrale berichtgeving, maar verkreeg gaandeweg ook een opiniërende invalshoek. Bayle lanceert in 1684 de Nouvelles de la République des Lettres, waarin hij onder veel meer voor verlichte tolerantie pleit. Dit doet hij niet in obscuur, zich van het grote publiek vervreemdend jargon. 'Interessant is', schrijven Inger Leemans en Gert-Jan Johannes in Worm en donder (2014, 165), 'dat Bayle niet exclusief voor geleerden schrijft. Voor een wat journalistieke presentatie trekt hij zijn neus niet op.'

In 1692 lanceert Pieter Rabus met de Boekzaal van Europe het eerste Nederlandstalige geleerdentijdschrift. Ook Rabus springt in de bres voor de verlichtingsbeginselen. Hij wordt gezien als een 'wegbereider van de gematigde, protestantse variant van de Verlichting, zoals die in de loop van de achttiende eeuw dominant zal worden voor de intellectuele cultuur van de achttiende-eeuwse Republiek.' Die gematigde variant wordt door Israel als een stap terug gezien ten opzichte van de Radicale Verlichting.

Rabus in de gematigde categorie indelen is evenwel niet eerlijk, zo geven ook Leemans en Johannes deels toe: een tijdschrift als dat van Rabus was 'per definitie enigszins "radicaal" van aard', want ze pionierden voor 'een open debat over allerlei normen, waarden en dogma's die vaak als onaantastbaar en onveranderlijk w[e]rden beschouwd'. (166) Veeleer zijn de latere 'spectatoriale' tijdschriften als Justus van Effens Hollandsche Spectator vlaggenschepen van het gedachtegoed van de gematigde Verlichting.

Rabus bestrijdt elke vorm van geloof en bijgeloof, waartussen voor hem overigens, geheel in lijn met Bayle, geen verschil bestaat. Ook op de islam gaat Rabus los. Hij noemt de Koran een 'grolboek' vol 'vuiligheden van het Mahometaansche bygeloof' en de profeet Mohammed een 'Arabische vuilik', 'galgbrok', 'plompe vlegel' en 'onbeschaamde bakkes'. (166) Voor degenen die nu trillend en rood aanlopend de islamofobie-kaart trekken: voor het katholicisme is Rabus nauwelijks coulanter.

V

Lezend over Bayle en Rabus en hun strijd tegen geloofsdwang en pleidooien voor verlichte waarden moest ik denken aan het beroep dat Geenstijl doet op 'rationele Verlichting' als remedie tegen 'achterlijk religieus gedachtegoed'. Het weblog is misschien wel een hedendaagse, digitale nazaat van het geleerdentijdschrift, al heeft het de profeet Mohammed bij mijn weten nog nooit de epitheta toebedeeld die Rabus van stal haalt. Dat kan als een teken van vooruitgang worden gezien. Maar misschien zegt het ook wel iets over de gedimde staat van de Verlichting in het huidige tijdsgewricht.

woensdag 17 april 2013

Lezen, lezen, lezen #33

Thierry Baudet & Michel Visser (red.), Conservatieve vooruitgang (2010), 414 blz. (****)
Voor hij zijn begeesterde boeken over de natiestaat en de EU (2012) publiceerde redigeerde Thierry Baudet in 2010, samen met Michel Visser, al een bundel over moderne conservatieve denkers die niet onopgemerkt bleef. Ik zou mezelf denk ik wel gematigd conservatief kunnen noemen. Volbloed progressief zijn in Nederland heeft vaak veel weg van achter een grote, van een helling af stuiterende sneeuwbal aanrennen om die nog een extra zet proberen te geven. De wereld verandert toch wel, en razendsnel ook; aandacht voor en verzorging van wat het waard is te behouden en verzet tegen de kwalijke elementen van de vooruitgang verdient dan extra toewijding. Toch staat conservatisme vaak in een kwade reuk. Ten onrechte, zo constateren ook de samenstellers in hun lezenswaardige en behartigenswaardige inleiding op deze bundel. Het zou 'gelijkstaan aan simpele behoudzucht, "rechts" zijn, of het tegenovergestelde zijn van "progressief".' Het conservatisme is 'veeleer een manier van kijken dan een strikte leer'. Een conservatief is zeker niet iemand 'die tegen alle verandering is, of terug wil in de tijd', dat is conservatief verwarren met 'regressief'. Of met 'reactionair', zou ik daar nog aan toe willen voegen. Dit sluit ook aan bij wat Antoine Bodar schrijft in zijn Klokkenluider van Sint Jan (2004, p. 40): 'De echte conservatief verlangt niet terug naar het verleden, als zou vroeger zonder meer alles beter zijn dan nu. Zo naïef is hij niet. De conservatief is traditionalist. Hij houdt rekening met de traditie waarin het voorgeslacht zich met het nageslacht verbindt. De conservatief kent zich als schakel in die verbinding.' Ware woorden. Conservatief staat voor een keuze voor 'een bepaalde methode van voortgaan in de tijd, een type progressie: niet met grote sprongen, maar stapje voor stapje'. Ook geloven conservatieven in het 'liefde en begrip voor het bestaande' en zijn zij sceptisch over de maakbaarheid van de samenleving: 'de condition humaine van de samenleving blijft eeuwig hetzelfde', er is sprake van een 'eeuwig menselijk tekort'. Conservatieven pleiten tot slot voor 'bescheidenheid met betrekking tot hervormingen', 'het belang van gezag voor het functioneren van een samenleving' en behoud van 'kleinschaligheid' en 'het platteland'.
In Conservatieve vooruitgang worden 20 twintigste-eeuwse denkers gepresenteerd die, ieder op hun eigen manier, hebben bijgedragen aan dit conservatieve perspectief. Daarbij zijn usual suspects als Huizinga, Ortega y Gasset, C.S. Lewis, Wilhelm Röpke en Leo Strauss, maar ook uiteenlopende figuren als Ludwig Wittgenstein, T.S. Eliot, Michael Oakeshott en de Nederlandsers Herman Dooyeweerd en W. Aalders. Ontbrekende cracks zijn Spengler en Miguel de Unamuno, maar daar staat tegenover dat ik kennismaakte met andere, voor mij onbekende filosofen. Wat voorts opvalt is dat alle twintig man zijn; zijn vrouwen niet ontvankelijk voor conservatieve ideeën? Iedere denker wordt door een andere kenner behandeld. Steeds volgt na een korte biografische schets een overzicht van de belangrijkste aspecten van zijn gedachtegoed, met als conclusie een overweging over wat nu het specifiek conservatieve van deze denker uitmaakt. Het knappe is dat de samenstellers erin geslaagd zijn de bundel een uniforme toon te geven - alleen Roger Scruton detoneert met een particuliere kritiek op progressieven -, het redigeerwerk van Baudet en Visser verdient dus alle lof. Jammer is dat soms te veel de nadruk ligt op economie en minder op een algemeen mens- en wereldbeeld. De auteurs presenteren de filosofen bovendien vaak op basis van citaten die profetisch zijn gebleken, zoals bij Ortega over de frivoliteit van de massamens die wel rechten wil maar geen plichten: 'Volgens Ortega uit die frivoliteit zich op allerlei manieren: een gebrek aan romantiek in de omgang met vrouwen, en een obsessie met het lichaam en het uiterlijk, extreme emoties rondom sporten, en een "half belachelijke en half schaamteloze" obsessie met jong zijn en jeugd'. Ook konden niet alle filosofen mijn aandacht vasthouden, maar dat is inherent aan zulke overzichtswerken. Deze kleine bezwaren mogen echter niet in de weg staan van een gunstige beoordeling. Conservatieve vooruitgang biedt een helder, nuttig en urgent overzicht van modern conservatisme en, misschien wel belangrijker nog, maakt korte metten met heersende vooroordelen over de wat het betekent om conservatief te zijn.

Tom Knipping & Iwan van Duren - Voetbal & Maffia. 'We schieten je kapot' (2012), 356 blz. (***)
De tijdschriftenmarkt kampt met sterk teruglopende advertentie-inkomsten. Johan Derksen van Voetbal International heeft echter een gat in de markt ontdekt door een eigen boekenuitgeverij te beginnen. Te midden van de bestsellende documentaires over René van der Gijp, Gert Jakobs en Andy van der Meijde, de autobiografie van Kees Jansma en de verzamelde columns van Dijkshoorn, Johan Derksen en Wilfred Genee, is de monografie Voetbal & Maffia van Tom Knipping en Iwan van Duren waarschijnlijk tegelijk de publicatie met de laagste verkoopcijfers en de hoogste impact. De twee onderzoeksjournalisten van VI hebben zich in de criminele kringen van de voetbalwereld begeven en troffen er een gigantische beerput aan. Voetbal is feitelijk nooit onschuldig vermaak geweest, maar sinds het grote geld van de commercie de sport is gaan gijzelen hebben in het kielzog criminelen, van kruimeldieven en beunhazen tot de echte zware jongens, de touwtjes langzaam maar ferm in handen genomen. Er is sprake van omkoping, corruptie, zwartgeldcircuits, witwaspraktijken en natuurlijk matchfixing, het probleem dat door Knipping en Van Duren op de agenda van de media en zelfs de politiek is gezet. In 25 hoofdstukken passeren diverse maffiose praktijken in het internationale voetbal de revue, variërend van curieus (een WK-scheidsrechter bleek ook drugssmokkelaar) tot schokkend (9 op de 10 wedstrijden in China is verkocht). Natuurlijk zijn er de bekende schandalen als de affaire-Hoytzer en de, veelal Oost-Europese, nieuwe rijken die clubs opkopen en ze tot witwasmachines omturnen. Maar ook minder bekende doch even boeiende voorbeelden zijn opgetekend, zoals de in Finland spelende Zambianen die marionetten van de gokmaffia bleken te zijn en de vele individuele spelers die hun carrière en soms ook hun leven beëindigd zagen door de krachten van de onderwereld.
Storend en soms zelfs ergerlijk is evenwel de stijl van Knipping en Van Duren. Eind 2009 brak ik al eens de staf over het pathetische taalgebruik van de heren, hun 'overdramatische formulering', zoals ik het toen, zelf ook wat overdreven, uitdrukte. Misschien liggen er literaire ambities aan ten grondslag, maar het resultaat doet toch eerder denken aan een clichématige driestuiverroman dan aan bellettrie: 'Lege kannen koffie onder een flikkerend peertje. Een asbak vol uitgedrukte peuken. Stapels papieren kriskras door de hele tot redactieruimte omgevormde garage. [...] Rechts de doorgewerkte dossiers. Links de aangeschafte wereldkaart waarin weer een paar nieuwe speldjes kunnen worden geprikt. We blazen eens uit van onze ontdekkingsreis in de sporen van de voetbalmaffia.' (326) Uitentreuren bedienen ze zich van de 'vergelijking met als', en niet altijd even functioneel. Ik heb weer eens verzuimd met het potlood in de hand te lezen, maar een paar steekproeven leveren al een treffend lijstje op:
- 'De lijntjes lopen ondergronds als oude telefoonkabels.' (15)
- 'De Aziatische ziekte waait als de vogelgriep over naar Europa.' (17)
- 'De Chinese competitie is zo betrouwbaar als een Griekse bank.' (29)
- 'Zoals zalmen de rivier opzwemmen, zoekt Schnitzler de casino's.' (67)
- 'Als paddenstoelen uit rottende grond verrijzen de vreemdste clubs.' (118)
- 'Als sprinkhanen vliegen de nieuwe rijken over het oude Europa.' (120)
- 'Als een atheïst die het licht heeft gezien gelooft hij er nu heilig in dat de wedmaffiosi [...] in het topvoetbal zijn geïnfiltreerd.' (317)
- 'Als kankercellen verspreidt zich de ziekte in het sportieve lichaam van het voetbal.' (329)
Uiteindelijk is die stilistische armoede natuurlijk ondergeschikt aan de urgentie van Voetbal & Maffia, aan het probleem dat het boek aankaart. De maffia vreet het voetbal van binnenuit kapot. Van bonden als de UEFA en de KNVB is weinig heil te verwachten, gezien de aard van de criminaliteit is het ook eerder een zaak van politiek en justitie. Alleen PvdA-parlementariër Tjeerd van Dekken bijt zich erin vast, minister Schippers heeft nog niet zo'n haast.

Raymond Gradus, George Harinck, Karin Hoentjen, Alexander van Kessel, Hans-Martien ten Napel (red.), Canon van de christendemocratie (2012), 92 blz. (****)
Dat ik de christendemocratie in principe de meest aantrekkelijke politieke ideologie vind, heb ik al eens eerder toegegeven. Het liberalisme is me te veel gefixeerd op vrijheid en individualisme, de sociaaldemocratie op radicale gelijkheid. De christendemocratie verbindt beide waarden via de norm van de broederschap of de gemeenschapszin. Dat alles in theorie natuurlijk, de praktijk is vaak weerbarstiger. Toch is de christendemocratie ook een schizofrene ideologie, waarbinnen dienstbaarheid aan de gemeenschap soms conflicteert met, of ondergeschikt wordt gemaakt aan dienstbaarheid aan een godheid. Daarbovenop komt de historisch gezien hoogst problematische combinatie van katholieken en protestanten. Dat die allesbehalve harmonieus gegroeid is komt goed naar voren in de Canon van de christendemocratie, verzorgd door een redactie van historici en politicologen. De canon bestaat uit 40 luiken. Elk luik verwijst naar een historisch moment uit de geschiedenis van de christendemocratie, met steeds op de linkerpagina een treffende afbeelding en op de rechter een driekolomstekst waarin de betreffende gebeurtenis beschreven en in een bredere context geplaatst wordt.
De canon opent met de publicatie van Ongeloof en Revolutie (1847) van Guillaume Groen van Prinsterer. Katholieke en antirevolutionaire kiesverenigingen - partijen bestonden nog niet - voeren indertijd een verschillende koers. Waren de katholieken in de prakijkt vaak conservatieven, de antirevolutionairen verzetten zich tegen zowel liberalen als conservatieven. 'Verschil en gelijkheid' zou je zo een eerste thematische lijn in deze canon kunnen noemen. Met bijvoorbeeld in 1894 de scheuring in de ARP toen Abraham Kuyper een uitbreiding van het kiesrecht wenste voor zijn 'kleine luyden', terwijl de elitaire 'dubbele namen' politieke participatie van het volk niet zo zagen zitten en zich verenigden in het CHU. Ook het voortdurende proces van aantrekking en afstoting tussen katholieken en protestanten valt hieronder, met bijvoorbeeld de kabinetscrisis van 1925 toen een amendement om het vaste gezantschap in het Vaticaan af te schaffen gesteund werd door de hervormden, tot woede van de katholieken, maar ook de befaamde 'Bergrede' van Aantjes in 1975, waarin hij het evangelie als richtsnoer voor de christendemocratische politieke bepleitte.
Een tweede lijn is het sociale en emanciperende gezicht dat de christendemocratie altijd weer heeft geprobeerd te tonen: de Arbeidswet-1889 van het kabinet-Mackay; het Christelijk-Sociaal congres en de invloed van de encycliek Rerum Novarum; de ethische politiek van Minister van Koloniën Idenburg, die met de trefwoorden 'pacificatie' en 'educatie' in de hand de inlanders wilde verheffen maar daarmee tegelijk de revolutionaire geest deed ontwaken; Marga Klompé (KVP) als eerste vrouwelijke minister in 1956; de voortrekkersrol van de christendemocraten bij de ontwikkelingshulp en Europese samenwerking; de publicatie van Nieuwe wegen, vaste waarden in 1995 van coming men Ab Klink en Jan Peter Balkenende van het WI.
Een derde lijn is dat er, het sociale gezicht ten spijt, altijd een moeizame verhouding heeft bestaan met de socialisten. De leer van 'de uiterste noodzaak' van monseigneur Nolens in 1922, die politieke samenwerking met de socialisten beperkte tot 'alleen als het echt niet anders kan', is een treffende uiting hiervan. Een ander voorbeeld is de positie van de confessionelen in het kabinet-Den Uyl, die daarin niks te zeggen hadden, en Van Agt die toen dwars ging liggen en een pas de deux met Wiegel begon, en natuurlijk het meest recente voorbeeld: de uiterst moeizame verstandhouding tussen CDA en PvdA in Balkenende-III. Het laatste luik beschrijft het beruchte formatiecongres van 2010, waarbij weer die de christendemocratie eigen lijkende januskop zich vertoonde: de helft was voor regeringsdeelname, de andere helft niet.
De gereformeerden van de ARP en hervormden van de CHU zijn altijd veel steiler in de leer geweest dan de katholieken van de KVP en voorgangers. Het CDA is en blijft een kunstmatig conglomeraat, en in tijden van crisis steekt dat steeds weer de kop op. De katholieke emancipator Schaepman zette in zijn Proeve van een program (1883) prachtig uiteen hoe het volgens hem moest: 'Deze "proeve van een program" is inderdaad niet meer dan een proeve. Het leven alleen, het historische leven met al zijn worstelingen en ontwikkelingen kan hier den vollen vorm geven'. De tekst wordt 'zoekend van toon' genoemd en bepleit pragmatische politiek die niet vertrekt vanuit bestaande aangenomen waarheden maar altijd op zoek blijft naar bijdetijdse antwoorden op eigentijdse problemen. 130 jaar later heeft die boodschap nog niets aan relevantie ingeboet.

donderdag 11 februari 2010

Zoggel: enigszins rechts en behoorlijk progressief

'Nederland verrechtst'.
'We hebben een ruk naar rechts gemaakt'.
'De rechtse terreur'.
'Na de rechtse winter is het tijd voor een linkse lente'.

Zomaar wat bijeengeplukte beweringen en uitspraken die representatief zijn voor de tijdgeest en de consensus over de staat van het land. BNN speelde handig op deze politiek-maatschappelijke tendens in met zijn interactieve tv-test 'Hoe rechts ben jij?', gisterenavond op tv. Aan de hand van een zestiental meerkeuzevragen kon men ondervinden hoe rechts men was, of hoe niet-rechts natuurlijk.

Ik heb de test op internet ingevuld en ik scoorde 85 uit 160, waarbij 0 extreem-links is, René Danen dus, en 160 extreem-rechts, Anders Högström bijvoorbeeld. Ik ben dus ietwat rechts van het midden te situeren, ik ben '53% rechts'. Het juryrapport luidt:

"Je komt in het midden van het politieke spectrum uit, niet links, niet
rechts. Je hebt niet zozeer een derde of andere opvatting, maar je houdt niet
van extremen, je bent redelijk. Waarschijnlijk ben je ook minder inhoudelijk
bevlogen, maar vooral pragmatisch gericht. Maar bijvoorbeeld economisch liberaal
is nog best wat anders dan cultureel behoudend of conservatief rechts. Je kunt
op bepaalde punten dus nog steeds behoorlijk rechtse opvattingen hebben."

Dat ik niet van extremen houd en pragmatisch ben, vind ik goed om te lezen. Het tweede deel van de toelichting is wat vaag, maar veel wordt duidelijk als we de opzet van de test eens nader onder de loep nemen. De zestien vragen waren onderverdeeld in vier categorieën: Economie, Conservatisme, Identiteit en Lifestyle.

Om met de eerste en de laatste te beginnen: economisch ben ik eerder links dan rechts, ik ben voor gematigde inmenging van de overheid. Dat klopt. Qua lifestyle zou ik dan weer rechts zijn en gericht op uiterlijkheden en status. Hier herken ik me nauwelijks in. Een van de vragen was waar je op vakantie zou gaan als je een reis wint. Met als overige opties 'camping in Frankrijk' en 'ecovakantie in Afrika' is het logisch dat ik voor de derde mogelijkheid, 'een luxe resort om je vrienden te imponeren', heb gekozen, al is dat imponeren niet op mij van toepassing.

Interessanter zijn de andere twee categoriën, m.i. de relevantste voor dit thema. Om kort te zijn: ik ben progressief en qua identiteit nogal rechts. Zeer opvallend, omdat ik eerder geneigd ben mezelf conservatief te noemen, ook al ben ik voorstander van euthanasie, homohuwelijk en aanverwante hangijzers. Conservatisme heeft dan te maken met behoud van tradities, aandacht voor het verleden, zorg voor culturele schatten. Niet in de betekenis van een terugkeer naar een voorbije tijd of een stijfkoppige behoudzucht. Dat ressorteert volgens mij onder 'reactionair'. De wereld verandert al zo snel, conservatisme heeft dan bestaansrecht voor wat betreft het in goede banen leiden van de ontwikkelingen en om te voorkomen dat we de controle verliezen en over de kop vliegen. Maar, gnothi seauton, ik ben dus een stiekeme progressief.

'In jouw ideale Nederland zit iedereen gezellig aan de stamppot of de spruitjes!' luidt het verdict onder 'Identiteit'. Zelf zit ik dat inderdaad graag, maar ik gun iedereen van harte zijn culinaire voorkeuren. Waarschijnlijk slaat de wijzer hier door naar rechts vanwege mijn ideeën over culturele aanpassing. Ik ben fel gekant tegen wat ik maar de 'uitwassen' van het ongebreidelde cultuurrelativisme noem. Behalve het theoretische bezwaar dat je altijd vanuit een bepaald punt, een bepaalde positie naar het Andere kijkt en een algeheel relativisme dus per definitionem onmogelijk is, ben ik van mening dat de ene cultuur op aspecten wel degelijk hoger gewaardeerd kan en mag worden dan de andere, en vice versa. Alles uiteraard weloverwogen en binnen proporties.

Zo zag ik vanavond bij NOVA een reportage over eerwraak in Nederland. Een moslimmeisje zit ondergedoken omdat ze onder de dreiging van eerwraak door haar eigen familie leeft. Wat is er gebeurd? Ze is verkracht door haar neef en heeft daarmee haar maagdelijkheid verloren. En dat kan natuurlijk niet. Het meisje vreest nu voor haar leven terwijl neeflief prinsheerlijk in vrijheid ronddartelt. Walgelijk natuurlijk. Maar als je dit 'achterlijk' noemt ben je 'een minderwaardig mens' volgens de lichtbrengers van links en word je als eng-rechts geclassificeerd. Ik vind dat dit helemaal niks met rechts of links te maken heeft maar met beschaving, met fatsoen, met culturele ontwikkeling.

(Cultuurrelativisme wordt altijd als het tegenovergestelde van etnocentrisme gepresenteerd. Maar hier is sprake van oneerlijke semantiek. Natuurlijk is etnocentrisme fout, etniciteit mag nooit een graadmeter zijn. De juiste term zou eerder iets als 'cultuurcentrisme' moeten zijn.)

BNN gebruikt eigenlijk twee opposities door elkaar die beter gescheiden kunnen worden: links-rechts en progressief-conservatief. In de test is links namelijk gekoppeld aan progressief en rechts aan conservatief. Maar een echte VVD'er (rechts) is vóór het homohuwelijk (progressief). En een echte SP'er (links) is vóór behoud van tradities (conservatief). De test is bovendien gebaseerd op vooronderstellingen over wat rechts zijn inhoudt. Dit is echter afhankelijk van tijd en omstandigheden en aan ontwikkeling onderhevig. Zo merk ik dat voor mijn generatie de binaire opdeling links-rechts steeds problematischer en minder houdbaar wordt, net als progressief-conservatief. De tegenstelling socialist-liberaal heeft meer relevantie.

Saillant detail daarbij is dat ik mezelf, gezien de uitkomsten bij 'Economie' en 'Identiteit', als een 'rechtse socialist' zou kunnen bestempelen. Dit is echter een vrijwel onbestaande combinatie. Googelen leert dat er maar één iemand soms als rechtse socialist wordt omschreven: Adolf Hitler... Dan toch maar liever rechts-progressief.

dinsdag 9 februari 2010

Lezen, lezen, lezen #16

Rob Wijnberg - Nietzsche en Kant lezen de krant. Denkers van vroeger over dilemma's van nu (2009), 282 blz.
In het bericht '2009 voor de vuist weg' schreef ik onder het kopje 'alomtegenwoordig': 'Nico Dijkshoorn'. De corpulente columnist lijkt voor elke krant en elk tijdschrift drie columns per week te schrijven. Een goede tweede zou Rob Wijnberg zijn geweest. De jonge Wijnberg werd en wordt wijd en zijd geprezen om zijn columns en artikelen in NRC.Next; een nieuw talent zou zijn opgestaan. Vervolgens verscheen hij - ik zou haast zeggen: vanzelfsprekend - in allerlei tv-programma's als commentator, deskundige en zelfs tafelheer. Dat laatste was niet zo'n succes. Wijnberg kan zich beter tot het schrijven beperken. In Nietzsche en Kant lezen de krant zijn populair-filosofische mini-essays over maatschappelijke kernthema's gebundeld. De stukken zijn maximaal 5 pagina's groot en hebben steeds dezelfde opzet: Wijnberg signaleert een trend of thema in het publieke debat, graaft in zijn geheugen naar een daarop aansluitend primair filosofisch werk en past dit toe op het onderwerp. De korte analyses zijn zonder uitzondering helder, verfrissend en zinnig. Zo laat Wijnberg zien dat Wilders' principiële onderscheid tussen de islam en moslims niet vol te houden is en dat meer keuze niet automatisch leidt tot meer keuzevrijheid. Een bedenking is dat zo nu en dan de wijsheid van deze of gene filosoof wel interessant is op abstract-theoretisch niveau maar in de (pragmatische) politieke praktijk weinig zoden aan de dijk zet. En de als uitsmijtende kwinkslagen bedoelde slotzinnen verworden door hun repetitieve karakter tot een ergerlijke kunstgreep. Wijnbergs onbevangen maar gedegen deconstructies van politieke dogma's en hype's zijn echter zonder uitzondering nuttige bijdragen aan de publieke opinievorming.

Nop Maas - Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven; 1: De vroege jaren 1923-1962 (2009), 752 blz.
Reve-biograaf Nop Maas maakt van zijn levensbeschrijving van Gerard Kornelis van het Reve een megalomaan project. De biografie zal maar liefst drie delen beslaan, en deel 1 is al ruim 700 pagina's dik. Maar dan heb je ook wat: Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 1 is een prachtboek. Maas slaagt er met zijn sobere doch meeslepende schrijftrant in de volle 700 bladzijden te boeien. We leren de jonge Reve kennen als een begaafde maar onzekere en dikwijls neurotische adolescent, als Frits van Egters ten voeten uit dus. De eerste helft van het boek is interessanter dan de tweede, maar dat ligt niet aan Maas. Lezen we aanvankelijk nog over een merkwaardige jeugd en een enerverende entree in de literatuur, na het midden is het een aaneenschakeling van reisjes naar Engeland en wisselende contacten met 'flikkers', zoals Maas onbekommerd schrijft. Grappig is ook dat er in het begin een paar keer sprake is van een vrouw die Wim heet, maar dat terzijde. De vlotte stijl en compositie gaan helaas wel ten koste van de zorgvuldigheid. Vaak is niet duidelijk uit welke bron Maas citeert, regelmatig gaat hij wat al te makkelijk af op een mondelinge bron die zich iets herinnert wat 60 jaar geleden plaatsvond, en soms laat hij zich te veel meeslepen in zijn enthousiasme. Zo werd ik geprikkeld door het kopje 'Zelfmoordpoging', maar al gauw bleek dat de jonge Reve ooit in een vlaag van nijd uit de klas was gerend en vanaf een brug in de gracht was gesprongen. De briefwisseling Reve-Hermans speelt uiteraard een prominente rol en ergens oordeelt Maas dat het hier de twee grootste naoorlogse schrijvers betreft. Akkoord, een biograaf heeft de vrijheid zijn eigen mening te ventileren. Maar dat Mulisch dan geheel ontbreekt in het register, terwijl hij toch een aantal maal genoemd wordt in de tekst, vind ik dan weer minder acceptabel. Als een soort van collateral damage krijgen ook de figuren rondom Reve nieuw reliëf. Broer Karel komt er slecht uit tevoorschijn: als een nare, pedante kerel. Hanny Michaelis daarentegen, Reve's echtgenote, wekt onvermijdelijk ieders sympathie. Ze moet met lede ogen aanzien hoe Gerard openlijk de buitenechtelijke, promiscue herenliefde bedrijft. Ze houdt zich sterk en berust moedig in haar lot. Gerard Reve. Kroniek van een schuldig leven 1 is zo bovenal een monument voor Hanny Michaelis.

Erwin Mortier - Avonden op het Landgoed. Op reis met Gerard Reve (2007), 125 blz.
Toen Erwin Mortier nog geen bekende schrijver was kwamen hij en zijn partner (Mortier schrijft 'mijn man') Lieven Vandenhaute regelmatig over de vloer bij Gerard Reve en Matroos Vosch. Reve was oud, eenzaam en aan de drank. Vaak trok hij zich terug op zijn 'Geheim Landgoed' in Frankrijk. Mortier en man vergezelden hem tijdens een van deze verblijven en de schrijver in spe hield er een dagboek bij. Jaren later, na het overlijden van Reve, besloot Mortier dit verslag, sterk bewerkt, te publiceren, maar niet na zorgvuldige deliberatie: 'Zelf heb ik me voorgehouden dat de jaren zouden uitwijzen of dit geschrift van belang kan zijn voor de nagedachtenis van Gerard Reve en, niet het minst, een diepere appreciatie van zijn oeuvre.' Een afweging die een wrange ondertoon krijgt na lezing van het boekje. Gerard Reve rijst eruit op als een voortdurend dronken, totaal krankzinnige zielenpoot. Hij is de twee Vlamingen steevast tot last en na een aantal dagen bekennen ze hem liever kwijt dan rijk te zijn. 's Nachts staat hij in beschonken toestand op de slaapkamerdeur te bonken, de schunnige toespelingen zijn niet van de lucht en de geliefden gaan elke avond naar een nabijgelegen dorp om te poepen omdat Reve het jarenlang niet zo nauw heeft genomen met de hygiëne en de sanitaire voorzieningen. Avonden op het landgoed schetst zo een ontluisterend portret van de oude Reve. En toch krijgt het boekje nooit het karakter van een afrekening. Mortier ontmythologiseert zijn idool, maar hij is daar zelf net zo misnoegd over als de lezer zal zijn. Zo wekken de pijnlijke beschrijvingen toch ook medelijden op. Met Kroniek van een schuldig leven 1 en Avonden op het landgoed heb ik nu over begin en einde van Gerard Reve gelezen. Laat die twee volgende delen maar komen.

zaterdag 9 januari 2010

Lezen, lezen, lezen #15

Gijsbert Kamer - Popmuziek in een notendop (2008), 184 blz.
Bij mijn weten bestaat er geen erkend standaardwerk over de geschiedenis van de popmuziek. Dat is vreemd, een historisch overzicht van een van de interessantste culturele fenomenen van de twintigste eeuw zou zeker niet misstaan tussen alle geschiedenissen van... die er tegenwoordig verschijnen. Gijsbert Kamer geeft in ieder geval een mooie voorzet met zijn zeer leesbare geschiedenis-in-een-notendop. In straf tempo loodst hij de lezer door de rijke, onstuimige pophistorie, van de liedjesfabrieken in de Tin Pan Alley tot en met de internethypes Panic! at the Disco en Lily Allen. Kamer heeft ervoor gekozen zijn chronologische verhaal in een honderdtal ultrakorte hoofdstukjes te hakken. Zo omzeilt hij een potentieel probleem: het gegeven dat veel artiesten een carrière hebben die meerdere decennia omspant. Dit zou kunnen leiden tot een verhaal waarin men het overzicht kwijt raakt. Nu kan Kamer binnen een hoofdstuk uitweiden over de verdere carrière van een artiest die in een bepaalde periode doorbrak en het hoofdonderwerp van het betreffende hoofdstukje vormt. Popmuziek in een notendop schetst een helder beeld van de opeenvolging en ontwikkeling van genres. Nadeel is dat belangwekkende artiesten die niet gemakkelijk in een bepaalde stroming zijn onder te brengen wat buiten beeld blijven, bijvoorbeeld Simon & Garfunkel. Ook ontkomt Kamer niet aan een aantal clichés. Ook hij dicht de overschatte Velvet Underground een prominente rol toe en ook hij deelt de Bee Gees eenzijdig in bij de Disco-hype van de jaren tachtig. Het werk van de Bee Gees uit de periode 1967-1969 - nog zonder afgeknepen stemmen - staat niet ver van de Beatles af en zou veel meer het oordeel over de gebroeders Gibb moeten bepalen.

Michel Houellebecq & Bernard-Henri Lévy - Publieke vijanden. Een steekspel in brieven (2009), 352 blz.
'Wij zijn allebei tamelijk verachtelijke individuen.' Zo eindigt de eerste zin die Michel Houellebecq, het enfant terrible van de Franse literatuur, richt tot zijn correspondent Bernard-Henri Lévy, filosoof en mensenrechtenactivist. De twee gelden als buitenbeentjes in het Franse intellectuele debat en hoewel de een als stevig rechts en de ander als stevig links te boek staat, vinden ze elkaar in hun gedeelde positie van paria. De brieven zijn vaak tientallen pagina's lang en zijn een mengvorm van autobiografie en essay. Opvallend is dat Houellebecq, die de naam heeft arrogant te zijn, zich gaandeweg meer en meer in een onderdanige, toegeeflijke positie manoeuvreert en bekent dat hij vaak weinig begrijpt van de hersenspinsels van Lévy. Die is inderdaad dikwijls moeilijk te volgen. Vooral zijn duistere uiteenzetting over religie, 'roeach' en 'goddelijke adem' is een kwelling. Lévy komt onmiskenbaar naar voren als een verwaande, brallerige blaaskaak: hij googlet elke dag zijn naam en bekent alleen in kunst en politiek geïnteresseerd te zijn in zoverre hij er iets aan heeft voor een nog te schrijven tekst. Vervelend zijn ook de talloze verwijzingen naar personen en debatjes in de marge van het Franse culturele en maatschappelijke leven. De genoemde negatieve punten vallen echter in het niet bij positieve: Lévy en vooral Houellebecq geven zich helemaal bloot, hebben boeiende, krachtige ideeën en schrijven ontwapenende, ontroerende zinnen: 'we bevinden ons op zulk moeilijk terrein dat ik het gevoel heb in volstrekte duisternis een tunnel te graven en u op een paar meter afstand te horen graven van uw kant; maar we mogen de hoop koesteren dat we met ons houweel bij toeval een laag vuursteen raken, zodat we even door een felle schittering worden verlicht.' (Houellebecq)

Richard Dawkins - God als misvatting (2006), 448 blz.
De Britse evolutiebioloog Dawkins maakte in 2006 furore met The God Delusion, zijn felle aanklacht tegen religie. In de Nederlandse vertaling is 'delusion' afgezwakt tot 'misvatting'. Dawkins gaat enorm te keer tegen het geloven in een bovennatuurlijke God. Hij doet dit met kennis van zaken en met veel humor. Hij pleit voor een atheïstische beweging die de rechten van atheïsten moet verdedigen. Dit is vooral in Amerika nodig, waar verderfelijke tv-dominees veel te veel politiek-maatschappelijke invloed hebben. Toch ging me tijdens het lezen van God als misvatting steeds meer tegenstaan dat Dawkins als een soort atheïstische tegenhanger van de religieuze fundamentalist bleef hameren op het begrip 'waarheid'. Dat God niet bestaat is waar, en dus moet alle religie bestreden worden. Zelf vind ik de troostende functie van religie veel te belangrijk om die in dienst van 'de' waarheid eenzijdig te slachtofferen. Ik vond het zelf bijvoorbeeld prettig om met een kerkdienst afscheid te nemen van mijn opa. De kerk als instituut, de begrafenis als ceremonie, het ritueel, ze kunnen zeker een rol spelen in het sociale verband. Het ge-ijl van de pastoor over leven na de dood en een hereniging bij God neem ik dan graag voor lief. Dawkins doet dit alles af met de kille bewering: ik erken dat religie troost kan bieden, maar daarmee is het nog niet waar! Wetenschap zou volgens hem zelfs geschikter zijn om het leven zin te geven. Ondanks dit kritiekpuntje is God als misvatting een welkom instrument in de strijd tegen de gruweldaden die nog steeds uit naam van een waanbeeld gepleegd worden.

maandag 28 september 2009

Feminisme en multiculturele samenleving volgens Stine Jensen

Stine Jensen pleit in NRC Handelsblad van 19 september voor een literaire prijs voor Heleen van Royen: 'als Vuijsje een belangrijk werk over de multiculturele samenleving schreef, dan Van Royen ook.' Robert Vuijsje won eerder dit jaar de Gouden Uil voor zijn roman Alleen maar nette mensen. Er zou sprake zijn van een belangrijke roman over 'het failliet van de multiculturele samenleving'. Volgens Jensen bewijst Van Royen dat het wel meevalt met dit failliet. Hoe? Door haar 'feministische toe-eigening van het islamitische strijdjargon'. En passant zou Van Royen ook nog de 'hernieuwde oorlog tussen de seksen' thematiseren. Toe maar.
Er zijn nogal wat kanttekeningen te plaatsen bij Jensens essay. Ten eerste is het niet zo dat Vuijsjes boek het bankroet van de multicultuur in Nederland thematiseert. Jensen zet dit tussen aanhalingstekens, waardoor het een citaat lijkt. Ik weet niet wie het dan gezegd of geschreven moet hebben, het staat in ieder geval niet in het juryrapport van de Gouden Uil. Het doet er ook niet toe, want het is simpelweg niet waar. Vuijsje toont juist aan dat het binaire onderscheid tussen autochtoon en allochtoon in de praktijk vele malen complexer is.

Het 'wij-zij-denken' bestaat wel degelijk, maar iedere bevolkingsgroep heeft er zijn eigen versie van. Het encyclopedische hoofdstukje 'Davids dagboek: de multiculturele samenleving' uit Alleen maar nette mensen is even helder als indringend: 'Hollanders zien geen verschil tussen een Antilliaan en een Surinamer. Ook niet tussen een Turk en een Marokkaan. Turken zijn boos op Marokkanen omdat die hun een slechte naam geven. Om dezelfde reden zijn Surinaamse negers boos op Antillianen. [...] Volgens Antillianen denken Surinamers altijd dat ze elite zijn. [...] Surinaamse negers vinden dat Surinaamse Hindoestanen kapsones hebben. Hindoestanen vinden negers lui en dom. [...] Antillianen uit Curaçao vinden dat Arubanen kapsones hebben. Dat komt doordat ze lichter zijn. Arubanen denken dat Curaçaoënaars lui en dom zijn. Ze geven Antillianen een slechte naam omdat het allemaal criminelen zijn.' Enzovoort. Jensen noemt Alleen maar nette mensen 'een boek over het eindeloos neuken met negerinnen'. En daar nog de Gouden Uil mee winnen ook: 'het nieuwe seksisme levert prestigieuze prijzen op'.

Jensen haalt drie voorbeelden aan die uiteindelijk naar de genoemde oorlogsverkondiging moeten leiden. Ten eerste zou een derde van de vrouwen slachtoffer zijn van seksueel geweld, ten tweede zijn er de seksistische commentaren in de media en ten derde zou er sprake zijn van het eerdergenoemde 'nieuwe seksisme' in de literatuur. Wat het eerste voorbeeld betreft: daar is weinig op te zeggen, behalve misschien dat ook een vijfde van de mannen weleens slachtoffer van seksueel geweld is geweest. Maar dan nog: inderdaad een kwalijke zaak.

De 'seksistische commentaren in de media' zijn volgens Jensen afkomstig van collega-columnisten als Van 't Hek en Blokker, die De Tafel van Vijf respectievelijk als een 'tokshow' en 'gekwebbel' bestempelden. Even afgezien van het feit dat het hier columnisten betreft - schrijvers die overdrijven - is er weinig tegen hun kritiek in te brengen. Ze leggen de vinger op de zere plek. De schrijnende beelden zijn de laatste weken vaak genoeg voorbijgekomen: vijf vrouwen die ruim een minuut lang door elkaar praten, Katja Schuurman die de olijke vraag stelt wie er nog meer van die leuke boeddhabeeldjes in huis heeft... Het is te treurig voor woorden. Jensen zou zich als pleitbezorger van de moderne vrouw juist moeten verzetten tegen deze wanvertoning, deze karikatuur.

Het derde punt is reeds aangevochten door P.F. Thomése (NRC Handelsblad 25 september). Hij maakt dankbaar gebruik van Jensens blunder als voorbeeld van het nieuwe seksisme The Novel van de auteur J. Kessels (!) te noemen. Daar verbindt Thomése dan vervolgens een korte uiteenzetting aan over het aloude onderscheid tussen auteur en personage. Doeltreffend als particuliere verdediging, maar niet zo relevant om Jensens betoog te bekritiseren. Want een trend signaleren in de literatuur kan aan de hand van de teksten, onafhankelijk van de vraag of je de verantwoordelijkheid voor tekstuele uitingen nu bij de auteur of bij het personage moet leggen.

Het is het door Jensen gesignaleerde neofeministische antwoord op dit 'nieuwe seksisme' waar nog wel wat op aan te merken valt. 'The Angry Woman Strikes Back', roept Jensen triomfantelijk uit. De hoofdletters doen hun taak. En hoe striken de angry women dan wel back? Door 'Slut 11' en 'Ik ben een sadistisch varken, een klootzak en een verkrachter' op lichamen van mannen te tatoeëren. Deze praktijkvoorbeelden komen respectievelijk uit De mannentester van Heleen van Royen en Mannen die vrouwen haten van Stieg Larsson. In de eerste roman wordt de vrouwelijke hoofdpersoon Victoria ingehuurd om mannen op verzoek van diens echtgenote te 'testen' op potentiële overspeligheid. Ze verleidt ze, drogeert ze en tatoeëert vervolgens de 'Slut'-boodschap rondom het geslachtsdeel van haar slachtoffers. De hoofdpersoon van Larsson, Lis Salander, past eenzelfde methode toe. Wrede tafereeltjes, geschetst met de tatoeëernaald.

Niet de eerste romans met een sick mind als hoofdpersoon, zou je zeggen. American Psycho all over again. Jensen kent mannentester Victoria evenwel eigenschappen toe als 'daadkracht' en - het staat er echt: - een 'strenge moraal'. Maar er is meer. Een 'saillant detail' bij dit alles zou zijn dat de genoemde vrouwen hun strijdlustige taal rechtstreeks uit de islamitische cultuur hebben overgenomen. Detail of niet, Jensen maakt er subtiel een hoofdzaak van. Mannentester Victoria noemt haar inktverminkingspraktijken namelijk 'berechting' volgens eigen wetgeving, haar 'sharia'. En het 'varken' in Salanders boodschap zou verwijzen naar het varken als scheldwoord voor 'onreine Westerling' uit de islamitische cultuur. Dat is dan, meent Jensen, op te vatten als 'een injectie van het feminisme met een effectief strijdjargon.'

Laten we de redenering eens samenvatten: Omdat Stieg Larsson en Heleen van Royen ieder een roman hebben geschreven waarin een geesteszieke vrouw op gruwelijke wijze 'wraak' neemt op overspelige mannen, spreekt Jensen van 'de hernieuwde oorlog tussen de seksen'. En omdat de genoemde schrijvers hierbij het 'islamitische strijdjargon' in de literatuur introduceren, maken zij een 'belangrijk statement over de vermeende botsing tussen Oost en West.' Met oorlogsretoriek mag men binnen het feminisme wel wat voorzichter omspringen. Bekend zijn de onsmakelijke commentaren na 9/11 dat de twee torens fallische symbolen waren die erop wachtten onderuitgehaald ('gecastreerd') te worden. Het is daarnaast op zijn minst opmerkelijk te noemen dat Jensen 'varken' als een moderne ontlening uit de islam opvat. Voor een al te seksistische, met superioriteitsgevoelens kampende man bestaat immers al langer dan vandaag de term 'male chauvinist pig'. 'Varken' als scheldwoord voor onaardige man heeft stevige fundamenten in het feminisme.

Het multiculturele debat wordt aldus verlevendigd door een feministische injectie: 'Dat het met dat failliet van die multiculturele samenleving misschien wel meevalt, blijkt nu uit deze toe-eigening van vrouwen van het islamitische strijdjargon.' Dus omdat een Westers personage methoden en kreten uit de sharia overneemt is de multicultuur nog niet verloren? Vreemde opvatting van integratie heeft mevrouw Jensen. Het volstaat voor haar echter om De mannentester een belangrijk werk over de multiculturele samenleving te noemen. Jensen heeft er echter weinig fiducie in dat mannen dit ook vinden.

Voor Stine Jensen is de werkelijkheid heel simpel. Je hebt mannen (zij) en je hebt vrouwen (wij). Als 'zij' lof krijgen, dan 'wij' ook! Dit feministische wij-zij-denken is schrijnend. Er wordt een oppositie geconstateerd die niet bestond voordat deze geconstateerd werd. Het is bij uitstek dit wijdverspreide binaire denken dat Vuijsje thematiseert en in een moeite door ironiseert. Hij toont de complexe achtergrond van de tegenstelling autochtoon-allochtoon die aan de basis ligt van het multiculturele debat. Een met een islamitische term opgefleurde roman over een mannenhater levert geen wezenlijke bijdrage aan dit debat. De auteur die daarentegen in een even wervelend geschreven roman de binaire oppositie tussen 'man' en 'vrouw' thematiseert en ironiseert, mag de volgende Gouden Uil krijgen. Ook als de auteur een vrouw is, dat is mij vanzelfsprekend om het even.

woensdag 1 juli 2009

Lezen, lezen, lezen #12

Ap Dijksterhuis - Het slimme onbewuste. Denken met gevoel (2007), 238 blz.
Eerder vroeg ik me af hoe er in de hedendaagse psychologie tegen Sigmund Freud wordt aangekeken. Ik vermoedde dat zijn inzichten inmiddels wel gewaardeerd worden. Psycholoog Ap Dijksterhuis verwijst in zijn bestseller Het slimme onbewuste in ieder geval enkele keren naar Freud. Dijksterhuis vertelt een helder verhaal over de schromelijke onderschatting van het onbewuste. We leven in een maatschappij waarin bewust nadenken en expliciet de voors en tegens tegen elkaar afstrepen hoger worden ingeschat dan een beslissing op intuïtie. Dijksterhuis maakt korte metten met die gedachte. Aan de hand van voorbeelden van experimenten komt hij tot intrigerende conclusies. De onbewuste waarneming ziet en hoort meer dan de bewuste, je onbewuste mening is belangrijker voor je handelen dan je bewuste, beslissingen zijn beter na onbewuste denkarbeid, creativiteit en genialiteit zijn het gevolg van onbewuste denkprocessen en bewustzijn speelt een marginale rol in menselijk gedrag. Belangrijkste gevolgtrekking beslecht eeuwenlange filosofische disputen: vrije wil bestaat niet. Het onbewuste is ons steeds een stapje voor. Populariserende psychologieboeken als Het slimme onbewuste zijn er in overvloed, bijna allemaal zijn ze gebouwd op aantrekkelijke, spannende experimenten. Reuze interessant, maar toch knaagt er altijd iets. De psychologie weet zichzelf heel goed te verkopen. Er wordt echter weinig rekenschap gegeven van de betrekkelijke wetenschappelijke waarde ervan. Vaak hebben ze slechts zeer kleine resultaten en ik heb mijn twijfels bij het menselijk handelen in een gecontroleerde omgeving. Vooral als we ons zoals hier op het terrein van bewust en onbewust handelen bevinden. En bovendien: als het onbewuste het bewuste regeert, welke waarde moeten we dan aan de - bewuste - interpretatie van de experimentele resultaten toekennen? Een merkwaardige double bind ligt op de loer?

A.F.Th. van der Heijden - Kruis en kraai. De romankunst na James Joyce (2008), 103 blz.
Na de Perpetua-reeks is uitgeverij Athenaeum opnieuw een mooie serie gestart: Over de roman. Bekende schrijvers zetten hun visie op aspecten van de romankunst uiteen. Dat is dus literatuurtheorie maar dan zonder het dorre, afstompende taalgebruik. Van der Heijden is dan de juiste man om de reeks te beginnen. Of hij nu een vuistdikke roman schrijft of een literair-theoretische verhandeling, zijn stijl is enig in zijn soort. Van der Heijden heeft zijn essay in de vorm van een lange brief aan Anthony Mertens gegoten. In meerdere opzichten is dit een boeiend boekje. Van der Heijdens visie is niet alleen zijn visie op de romankunst als zodanig, maar ook vooral een verklaring van zijn eigen poëtica en methode. (Wie bekend is met zijn werk herkent de passages over de bronnen van zijn schrijverschap uit het schitterende boek met dagboeknotities Engelenplaque - dat Van der Heijden zijn eerste roman op een enorme rol krantenpapier schreef, is en blijft een mooie anekdote.) Daarnaast tracht hij een definitie te geven van het genre. Van der Heijden onderscheidt daarbij tien vormen van literaire inspiratie, ze zijn als intermezzi in de tekst opgenomen. Volgens mij heeft de auteur al eerder in het tijdschrift Literatuur zo'n opsomming van inspiratievormen gegeven. Hij verwijst er hier niet naar. Interessant zijn de passages over ultieme pogingen Het Boek te schrijven. Ook Van der Heijden is een erkende bewonderaar van Mulisch - hij was een van de zes auteurs die een gelegenheidsnovelle mochten schrijven voor Mulisch 80ste verjaardag - en het is dan ook duidelijk waar hij wat dit onderwerp betreft een substantieel deel van de mosterd heeft gehaald. Kanttekening heb ik wel bij de doelstelling van de reeks: 'de positie van de roman te bevorderen in de multimediale en multiculturele samenleving'. Dat nieuwe media de status van de roman kunnen aantasten, wil ik nog wel geloven. Maar dat de multicultuur funest zou zijn voor het genre, begrijp ik niet. Misschien lezen allochtone jongeren iets minder dan autochtone, maar daar staat tegenover dat schrijvers als Kader Abdolah en Hafid Bouazza een verrijkende impuls aan de roman hebben gegeven.

Filosofie. De nieuwste filosofie. Derrida, Sloterdijk, Nussbaum (2006), 579 blz.
Met het werk van Peter Sloterdijk ben ik redelijk vertrouwd. Hij is echter de enige hedendaagse filosoof van wie ik een aantal primaire werken heb gelezen. Verder had ik weinig zicht op wie nu eigenlijk de belangrijkste denkers van deze tijd zijn. Deze bundel, deel vijf van de filosofiecassette van wattenstaafjeswinkel het Kruidvat (jazeker!), is een bloemlezing van teksten van negentien moderne filosofen. Naast Sloterdijk kende ik Michel Foucault, Jacques Derrida, Julia Kristeva en Pierre Bourdieu al enigszins van hun literatuurtheoretische of -sociologische teksten. Van Richard Rorty had ik al wel wat gelezen, van Martha Nussbaum en Hilary Putnam een aantal fragmenten. De overige denkers kende ik slechts van naam, of zelfs dat niet. 'Nieuwe' namen die mijn belangstelling hebben gekregen zijn Leszek Kolakowski, Gianni Vattimo en Slavoj Zizek. De Poolse filosoof Kolakowski verenigt in Over het alledaagse leven in een glasheldere stijl common sense en diepere inzichten. Beheerst weegt hij voors en tegens af bij zowel politieke als menselijke zaken om dan steeds een zeer redelijk standpunt in te nemen. Soms dringt zijn katholicisme daarbij wat al te veel op de voorgrond, maar daar hebben alle Polen last van. Vattimo onderneemt in Ik geloof dat ik geloof een poging de tradities van het christelijke geloof te verenigen met het (post)moderne leven. Hij heeft een punt als hij stelt dat de twee grote systemen die in staat werden geacht de ultieme waarheidsaanspraak van religie over te nemen, de experimentele natuurwetenschap en het (marxistische) historisme, ook niet het laatste antwoord op alle vragen zullen kunnen geven: 'Er zijn vandaag de dag geen aannemelijke, krachtige filosofische redenen meer om atheist te zijn.' Vattimo stelt zich kwetsbaar op en pleit voor een bijdetijdser geloof. De 'provocerende' Sloveense denker Zizek schiet in zijn kritiek op het kapitalisme zowel op het linkse als rechtse liberalisme. In zijn Pleidooi voor intolerantie ontmaskert hij multiculturele tolerantie als juist nadelig voor etnische minderheden. Interessant is verder de feministische visie van Judith Butler, opmerkelijk is de verbinding die Jean-Luc Nancy legt tussen zijn eigen harttransplantatie en de begrippen 'vreemdeling' en 'indringer', onleesbaar is Giorgio Agamben. De teksten van Charles Taylor, Willard van O. Quine, Pascal Bruckner, Marc-Alain Oauknin en Abdelkarim Soroesj tot slot hebben geen blijvende indruk achtergelaten. De samenstellers hebben voor uniformiteit gekozen door van elke filosoof een tekst te kiezen met een politiek-maatschappelijke inslag. Zo is van Bourdieu 'Over televisie' opgenomen en van Kristeva een verhandeling over immigratie en gastvrijheid. De hedendaagse filosofie lijkt mij de facto grotendeels politieke filosofie. Mijn enige leesdoel was kennis te maken met onbekende namen en daarin voldoet De nieuwste filosofie, al laten de vertalingen soms te wensen over. Dieptepunt: twee keer de constructie 'wordt [...] ik', waarbij 'wordt' toch echt de persoonsvorm bij 'ik' is.

dinsdag 28 april 2009

Sloterdijk in Nijmegen

Peter Sloterdijk is een van de populairste nog levende filosofen. In het verleden heeft hij met zijn stellige uitspraken en controversiële meningen regelmatig voor ophef gezorgd, vooral in het hypersensitieve Duitsland. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de grote zaal van de Aula van de RU Nijmegen gisteravond bomvol zat met belangstellenden voor de lezing van Sloterdijk. In de belendende zaal was zelfs een videoverbinding aangelegd om ook mensen zonder kaartje van dienst te zijn.

Gelukkig was ik een keer afgeweken van mijn vervelende gewoonte alles tot het laatste moment uit te stellen en had ik bijtijds een zitplaats gereserveerd. Om 20.00 uur betrad Sloterdijk de zaal, in stilte nam hij plaats tussen het publiek. Tien minuten later werd hij eindelijk naar voren geordonneerd. De titel van zijn lezing was 'God's Zeal. The Battle between Judaism, Christianity and Islam', wat in feite de Engelse vertaling van zijn boek Gottes Eifer is. Sloterdijk abstraheerde van het thema door in zijn lezing in te gaan op meeromvattende thema's. Dat de man een virtuoos schrijver is wisten we al, hij toonde zich nu ook een bevlogen verteller. Zijn tekst las hij voor vanaf zijn papieren, maar regelmatig onderbrak hij zijn voordracht om direct commentaar te leveren of een passage te verduidelijken met een voorbeeld of een kwinkslag, hierbij zorgvuldig formulerend en oogcontact zoekend met het publiek.

Sloterdijk is hoogleraar filosofie en esthetiek in Karlsruhe, maar toont zich begaan met wereldomspannende thema's en problemen zoals de plaats van religie en de zich voltrekkende ecologische ramp. Een zeer interessante gedachtegang baseerde hij op een bon mot van Coleridge: a willing suspension of disbelief. Hiermee wordt bedoeld dat een lezer voor de duur van de lectuur van een fictioneel werk bereid is aan te nemen dat de gebeurtenissen in het voorliggende werk waar zijn, plausibel zijn. Sloterdijk pleit nu voor wat betreft religie voor een willing suspension of belief: religies moeten zich naar het wereldse toe bewegen. Een andere notie die mij ook persoonlijk bijzonder trof was die van de 'eindtijd'. Volgens Sloterdijk leven wij nadrukkelijk in een eindtijd met zaken als de afbraak van het bolwerk van het kapitalisme en de ecologische ramp als eindes van tijdperken, als ik het goed begrepen heb. Generaties vóór ons - en gelovigen in het bijzonder - hebben altijd eindes voorspeld maar nooit genoeg tijd van leven gehad om gelijk of ongelijk te krijgen.

Twee hoogleraren mochten een referaat houden, de eerste deed dat in het Engels, de voertaal de hele avond, maar de tweede vond het nodig het in het Duits te doen. Dan treedt het mechanisme in werking dat je altijd ziet als intellectuele Nederlanders een vreemde taal spreken. In al hun ijver en hijgerigheid doorspekken zij hun betoog met zoveel mogelijk synoniemen en vernuftige zinsconstructies. Leuk voor op papier, maar voor een gehoor dat niet mee kan lezen is het weinig geschikt. Met als gevolg: wat er gezegd wordt is nauwelijks te volgen. Het antwoord van Sloterdijk - ook in het Duits! - was door een logische opbouw en heldere formulering wel helder en duidelijk.

Na afloop verklaarde een man bij de bushalte Sloterdijk 'arrogant' te vinden omdat hij was afgeweken van het onderwerp van zijn voordracht. Ik vond het juist wel een goede keuze om niet zijn boek na te vertellen, een boek bovendien dat 95% van de aanwezigen al gelezen had. Sloterdijks lezing sloeg nu een brug tussen Het heilig vuur en zijn nieuwste, nog niet vertaalde, boek Du musst dein Leben ändern. Bovendien, zou Sloterdijk zelf zeggen, is arrogantie alleen maar een ander woord voor nieuwsgierigheid.

zondag 26 april 2009

Ontkoppeling van emotie en religieuze code

Peter Sloterdijk - Het heilig vuur. Over de strijd tussen jodendom, christendom en islam (vertaling Frans van Zetten) (2008), 160 blz.

Morgen (maandag) geeft Peter Sloterdijk een lezing in Nijmegen. Aanleiding is zijn boek Het heilig vuur over de drie monotheïstische religies in het Westen en hun toekomst.

Filosofen lees je meestal desondanks hun taal. Zij lijken een patent te hebben op duister taalgebruik. Peter Sloterdijk lees je vooral dankzij zijn taal. Het is altijd weer een genot je te laten meevoeren door de meanderende stroom volzinnen, beelden en vergelijkingen. Sloterdijks virtuositeit mag echter niet te veel de aandacht afleiden van zijn bloedserieuze thematiek. De grote onderwerpen van deze tijd zijn voer voor zijn analyses. Was in Woede en tijd nog de 'wereldse' woede in onder meer banlieues object van onderzoek, in Het heilig vuur worden de drie grote monotheïstische religies jodendom, christendom en islam kritisch tegen het licht gehouden.

Aanleiding voor dit boek vormt de uitspraak van Derrida dat 'de oorlog om de toe-eigening van Jeruzalem de wereldoorlog van vandaag' is. Jeruzalem zou de plaats zijn waar de drie religies elkaar in al hun geloofsijver ontmoeten en elkaar naar het leven staan. Sloterdijk zet helder uiteen hoe zij alle drie historisch ontwikkeld zijn en vooral hoe zij door de eeuwen heen in verhouding tot elkaar hebben gestaan. De strijd ging en gaat altijd terug tot een strijd om de claim op de absolute waarheid.

Het is juist dit kardinale aspect van een monotheïstische religie waarin Sloterdijk de oplossing zoekt. Jodendom, christendom en islam moeten evolueren van waarheidstellende religies naar cultuurreligies. De geopolitieke constellatie neigt immers naar een toenemende vermenging van culturen en religies. Samenleven is de toekomst. Daartoe is een 'trialoog' nodig: de huidige strijd leidt uiteindelijk alleen maar tot de ondergang van de drie religies: 'Ze hebben elkaar vandaag de dag over en weer te veel nodig om elkaar nog langer te mogen bestrijden.'

Een interessante these is dat de opleving van religie rechtstreeks voortkomt uit het echec van het communisme. Sloterdijk beschouwt het communisme als de opvolger van de monotheïstische religies. Zij wilde immers na de door Nietzsche geboekstaafde dood van God het 'paradijs op aarde' realiseren. De menselijke zucht naar waarheden richt zich in de postcommunistische tijd weer op het in dat opzicht verleidelijke monotheïsme. Een probleemloze terugkeer naar de voorcommunistische situatie is uiteraard onmogelijk.

Sloterdijk is op zoek naar wat de drie religies ondanks hun evidente verschillen bindt. Het christendom kenmerkt zich door zijn bekeringsdwang (zie recent nog het anti-Darwinfoldertje), de islam door zijn agressief-militaristische expansiedwang en het jodendom door zijn uitgebreide stelsel rituelen. De verbindende factor in Sloterdijks ogen is dan de geloofsijver, het heilige vuur uit de titel. De grond voor deze nietsontziende blinde ijver wordt gezocht in de absolutistische waarheidsaanspraak en de dienstwilligheid die inherent is aan de drie geloven. Het is de reden waarom moslimterroristen hun wandaden verantwoorden door zich op de passende Soera's uit de Koran te beroepen: 'Hun acties mogen afschuwelijk zijn, hun citaten zijn foutloos.'

De rol die is weggelegd voor de islam is even duister als belangrijk. De genoemde expansiedwang is een gevolg van de historische ontwikkeling van deze religie. Omdat zij als laatste van de drie ontstond, is zij geneigd zichzelf als de laatste, beslissende waarheid te zien. Dit betekent ook dat de islam nog fases moet doorlopen die jodendom en christendom al achter de rug hebben. De islam zal moeten moderniseren en dus zijn tijd vooruit moeten zijn. Dat zal met aardschokken gepaard gaan: 'In elk geval staan het "huis van de islam" moderniseringscrisissen van angstaanjagende hevigheid te wachten. Het heeft zichzelf in het "huis van de oorlog" veranderd.'

Het heilig vuur mag als de opvolger van Woede en tijd gelezen worden. Samen vormen ze een tweeluik over de de relatie tussen hedendaagse cultuur en religie enerzijds en oorlog en (stedelijk) geweld anderzijds. Sloterdijk waarschuwt voor een te eenzijdige benadering van geweldsexplosies als religieus gemotiveerde conflicten: 'Zolang men het heftige aan een transcendente oorsprong blijft toeschrijven, is het onmogelijk om in te zien dat iets wat als van buitenaf ingegeven kracht wordt beleefd, voortkomt uit een psychosemantisch getransformeerde werkzaamheid van het eigen organisme tijdens extreme stress [...].' Het gaat dus in laatste instantie om emoties, emoties die per definitie niet uitgeschakeld kunnen worden. En omdat onderdrukken niet aan te raden valt, is kanaliseren het devies. Het is aan de religies zelf om de banden met de seculiere beschaving aan te halen en te komen tot een 'verlichte' vorm van geloof.

Nu is het zo dat elk van de drie religies in feite al een gematigde, meer of minder verlichte variant kent. Het komt er dan ook op aan de fundamentalisten in het hart van het geloof tot Verlichting te 'bekeren', een ijver tegen de ijveraars:

'Ontegenzeglijk zijn we getuigen van, en tot op zekere hoogte ook medestrijders
in, een conflict aan een 'spiritueel front', maar de ernst en de
onvermijdelijkheid van de huidige botsingen komen niet voort uit wat men in de
debatten van de laatste jaren de clash of monotheisms noemt. De strijd
gaat over de vraag hoe binnen elk van de tot geloofsijver geneigde religies - en
de verwoede ideologieën die op de universalistische religies volgden - de
controle over het extremistische potentieel veiliggesteld kan worden. Ik zeg
controle, niet uitschakeling, aangezien zulke spanningen niet uit de wereld te
helpen zijn, maar alleen kunnen worden omgeleid naar minder boosaardige
uitingsvormen. Voor zover het bedoelde extremisme regelmatig voortvloeit uit de
toepassing van het persoonlijke suprematisme op het leven van de
geloofsijveraars en hun omgeving, betekent omleiden in dit concrete geval:
werken aan de tempering van de extreme dienstwilligheid, en wel in het hart van
de stromingen die zich in het uiterste willen storten. Dit vergt de ontkoppeling
van emotie en religieuze code. Het risico hierbij een ijveraar tegen de
godsdienstijver te worden, hoort bij het beroep. Wie met verstand van zaken aan
de desuprematisering van het suprematisme werkt, moet zich dicht in de buurt van
de brandhaard begeven.'
Sloterdijks lezing in de Aula van de Radboud Universiteit Nijmegen is geheel uitverkocht.

maandag 20 april 2009

Filosoof Blaise Nkufo denkt door

Gisteren werd AZ alsnog landskampioen. De verbijsterende nederlaag tegen Vitesse (1-2) bleek een dag later slechts uitstel van de feestvreugde te zijn geweest toen Ajax met 6-2 het schip in ging bij PSV. FC Twente had op zaterdag al een handje geholpen door met 1-0 te verliezen bij Feyenoord. Twente kreeg in de eerste helft een handvol kansen, maar met name Blaise Nkufo had zijn vizier niet op scherp. Bekend is dat de Zwitser ook als wijsgeer actief is. Op dat gebied liet hij onlangs wél van zich horen. In een interview met VI presenteerde Nkufo een stand van zaken in zijn denken. Zijn filosofie ontwikkelt zich onstuimig in minstens vier richtingen.

In het interview openbaarde Nkufo zich ten eerste als een postmoderne denker. Zo mag ten minste zijn verklaring voor zijn mislukte avontuur bij Hannover 96 geduid worden: "Ik had er net een jaar op zitten bij Hannover 96 waar de trainer (Ralf Rangnick, red.) het niet in me zag zitten. Dan moet je voor jezelf opkomen. Een trainer mag vinden dat een speler niet in zijn plannen voorkomt. Maar dat wil niet zeggen dat dat ook dé waarheid is. Het is slechts een waarheid. En dan ga ik op zoek naar een mogelijkheid om ergens míjn waarheid te laten zien. En dat was FC Twente." Nkufo als relativistisch-postmodernist, dus. De vraag is of hij hiermee niet achter de kudde aan loopt. Hij is in ieder geval geen laatpostmodernist, hoogstens een te laat-postmodernist.

Twente-collega Sander Boschker herinnert zich dat hij Nkufo in 2004 maar een vreemde snuiter vond: 'Waar anderen zich in het spelershome uitleefden op de PlayStation speelde Nkufo een potje schaak. Het liefst tegen Nkufo zelf. "Blaise was toen erg met zichzelf bezig".' Nkufo was duidelijk bezig zijn wijsgerig systeem gestalte te geven. Dat was aanvankelijk een felle strijd tegen zichzelf, vandaar het schaken van Nkufo tegen Nkufo. Een jaar geleden zagen we al dat zijn wijsgerige exercities hun vruchten begonnen af te werpen: "Hoe je ook leeft, je lééft," poneerde Nkufo toen (zie bericht 10-4-2008). De Nkufo-exegeet B.J.M. van Tiel noemde deze stelling in een commentaar "de fenomenologische reductie van Nkufo". De uitvoerige Nkufo-studie leverde echter meer mogelijke lezingen op. Zelf hield ik het door het expliciet afwezig stellen van een beoogd doel op een moderne variant van Kants categorische imperatief.

Het afgelopen jaar lijkt Nkufo's aandacht echter verschoven te zijn in de richting van de hypothetische imperatief, de tweede ontwikkeling in zijn denken: "Praten en lezen over filosofie heeft mij de afgelopen jaren geholpen mentaal sterker te worden. Waarom leef je en hoe? Wat is mijn rol? Ik ben niet op aarde gezet om nutteloos te zijn, maar wil een bijdrage leveren." Was een voorstelling van een te bereiken doel eerst nog afwezig, nu is de doelvraag evident: "Waar kom je vandaan en waar wil je naar toe? Wat heb je gisteren gedaan en daarvan geleerd zodat je morgen nog beter kan? Hoe meer antwoorden je vindt, hoe zekerder je van jezelf wordt." Het moge duidelijk zijn: Blaise Nkufo is hard op weg een synthese te bewerkstelligen tussen Kants hypothetische en categorische imperatieven.

De derde richting is een modieuze: Nkufo verzuimt niet aansluiting te zoeken bij de recente herwaardering van Martin Heidegger. Hij ziet zich nu dan ook als 'de sensibele denker, de man die de wereld tracht te doorgronden en gegrepen is door de eeuwige vraag: Waarom?' Nkufo is net als Leibniz en Heidegger bezig met de vraag: waarom is er iets en niet veeleer niets? De vierde en laatste ontwikkeling die ik ontwaar is een uitstap naar de ethiek. Op dat gebied zoekt Nkufo aansluiting bij de Amerikaanse filosoof Barack Obama; hij ontwaart in zichzelf kenmerken van Obama en bewondert diens instelling: "die houding heb ik ook: als je de hele dag ligt te slapen kom je nooit verder dan je dromen." Ook in deze richting is Nkufo steeds op zoek naar dwarsverbanden en syntheses. Zo tracht hij Descartes en Obama te verenigen in een ethisch programma: "Van Obama is ook de uitspraak 'Ik geloof in iemand die durft te twijfelen'. Daar gaat het om. Als je twijfelt denk je na, maak je afwegingen. Wat is goed, wat is kwaad, wat kan beter? Dat is de essentie van alles."

'Deze dagen ligt het leven van Barack Obama in boekvorm op zijn nachtkastje,' meldt VI vol bewondering. 'Hij verslindt boeken over filosofie, psychologie en religie en heeft ook de biografieën van Malcolm X, de vermoorde activist die opkwam voor de rechten van Afro-Amerikanen, en de Zwitserse socioloog Jean Ziegler gelezen.' Er is maar één conclusie mogelijk: waar Nkufo's doelpuntenproductie stokt, daar is zijn wijsgerige loopbaan in volle bloei. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn mentor Joop Munsterman hem omschrijft als 'een respectabel heerschap': "Vooral als hij zijn colbert en bril draagt lijkt het alsof hij zo uit de collegezaal komt lopen." Geloof me, dat is nog maar een kwestie van tijd...

maandag 10 november 2008

Lezen, lezen, lezen #4

Paul Claes (red.) - De onsterfelijken (1999) 95 blz.
Ik houd van Paul Claes. De erudiete Vlaming heeft alles gelezen en deelt zijn kennis middels goede vertalingen, nuttige toelichtingen en gedurfde interpretaties. De boeken zelf, de materiële dingen dus, zijn bovendien vaak erg mooi. De tweetalige uitgave van Eliots The Waste Land is prachtig vormgegeven met een fraaie wit-zwart-gouden cover. Ook zijn vorige week verschenen bloemlezing Lyriek van de Lage Landen ziet er piekfijn uit. Daarover later meer. De onsterfelijken is een bloemlezing met werk van Nobelprijswinnaars. De toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur vorige maand aan de in den lande volslagen onbekende Le Clézio toonde weer eens aan dat de Zweden vaak een verrassende keuze maken. Pas na WOII werd een rijtje grote namen gelauwerd met vanaf '46 achtereenvolgens Hesse, Gide, Eliot, Faulkner en Russell. In De onsterfelijken staat alleen poëzie. De Nederlandse vertaling van een gedicht staat groot afgedrukt, het origineel staat er in kleinere lettergrootte naast. De inleiding van Claes is zeer lezenswaardig: 'Naast het classicisme van Sully Prudhomme en Carducci vinden we het symbolisme van Maeterlinck en Yeats, naast het modernisme van Eliot het surrealisme van Jiménez en Neruda, naast het hermetisme van Quasimodo het absurdisme van Beckett, naast de retoriek van Saint-John Perse het spreekvers van Szymborska.' Via karakteristieke gedichten maakt de lezer kennis met relatief onbekende Zweden, Spanjaarden en Italianen. Verrassend fris is de poëzie van de twee winnaars uit het Nieuw-Grieks: Jorgos Seféris en Odysséas Elytis. Mooi vind ik ook de gedichten van T.S. Eliot, Neruda, Paz, Brodsky en Szymborska. Van die laatste hier de openingsregels van het spreekvers 'De eerste foto van Hitler': "Wie is die dreumes in zijn kieltje? / Dat is Adolfje; de zoon van meneer en mevrouw Hitler! / Misschien wordt hij wel doctor in de rechten? / Of tenor in de opera van Wenen?"

Bas Haring - Voor een echt succesvol leven (2007) 173 blz.
Naar aanleiding van een uitzending van VPRO's Boeken besloot ik dit boek te gaan lezen. Schrijver Bas Haring verkondigde in het programma namelijk dat zijn boek een aanklacht tegen de huidige jacht naar succes zou zijn. Ambitie en eerzucht slaan tegenwoordig de klok en de gevolgen zijn stress, slechte gezondheid en geknakte zielen. We zouden met zijn allen wat minder ambitieus moeten worden en ons weer moeten leren verstaan met het kleine geluk en het schone. In Haring vond ik dus een medestander. Zijn boodschap draagt hij in zijn boek overtuigend uit. Het is echter de stijl die soms behoorlijk irritant is. Haring is bereid ver te dalen om een lekenpubliek onderhoudend te onderwijzen. Dat is sympathiek, maar hij schiet daarbij te ver door. De lezersaansprekingen zijn legio. Uitentreuren verkleint Haring woorden: hij heeft het steeds over zijn 'boekje' en vertelt anekdotes over een 'vriendje' van hem. En niet een vriendje uit zijn jeugd, nee een huidig 'vriendje'. Haring is 40! Ook de talloze herhalingen werken op een gegeven moment op de zenuwen. Herhaling is de moeder der didactiek, maar Haring blijft aan de gang. 'Mijn vader vertelt altijd alles twintig keer, en vermoedelijk ga ik daar later ook last van krijgen of heb ik dat al' schrijft hij ergens. Dat heeft hij al. De genoemde feilen zijn erg jammer want de inhoud is erg goed. Door middel van sprekende voorbeelden maakt Haring inzichtelijk dat de zucht naar succes een biologisch gegeven is. Neem de slachtkip. Slachtkippen worden snel vet en mals en worden dan ook jong geslacht. Dat is balen voor elke kip, maar goed voor de soort. Het is een schoolvoorbeeld van een eigenschap die slecht is voor elk individu van een soort, maar goed voor de soort als geheel. Dat geldt ook voor de mens en zijn eigenschap 'ambitie'. Ook is het moeilijk je eraan te onttrekken. Het principe van Google gaat op: de zoekresulaten die bovenaan in Google staan, blijven daar staan omdat iedereen er op klikt. Het systeem houdt zichzelf in stand. Het komt nu volgens Haring aan op een denkomslag: voor een echt succesvol leven moeten we de keuze maken geen succes te hebben.

Floris Cohen - De herschepping van de wereld (2007) 298 blz.
Over dit boek ontspon zich begin dit jaar een discussie in het boekenkatern van NRC/Handelsblad. Wetenschapshistoricus Cohen betoogt in De herschepping van de wereld dat er wel degelijk een Wetenschappelijke Revolutie heeft plaatsgevonden in het Europa van de 16e en 17e eeuw en hij wil verklaren waarom die juist in Europa plaatsvond en niet in China of de Islamitische gebieden. Cohen verzet zich met zijn inzichten tegen vakgenoten die alles doodrelativeren door te beweren dat er helemaal geen revolutie heeft plaatsgevonden. Op een later tijdstip zal Cohen zijn inzichten voor vakgenoten publiceren in een wetenschappelijke studie, dít boek is voor een breder publiek bestemd. Het is ontzettend goed geschreven. Cohen maakt op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk welke ontwikkelingen hebben geleid tot de herschepping van de wereld in Europa. De kernwoorden zijn transplantatie en transformatie. De manier waarop de auteur de klassiek Griekse natuurfilosofie in enkele bladzijden helder samenvat is een pluim waard. De Griekse benadering won het van de Chinese door de culturele transplantatie van de kennis naar o.a. Renaissance-Europa en naar de Islambeschaving. De ontwikkeling binnen de Islambeschaving stokte omdat zij zich onder invloed van vijandige invallen en religieuze opleving naar binnen keerde. In Europa zette de Revolutie wel door omdat de drie vormen van natuurkennis (abstract-wiskundig, natuurfilosofie, opsporend-experimenteel) transformeerden. De gelijktijdige transformatie van de drie lag besloten in de aard van Europa t.o.v. andere beschavingen: 'een naar verhouding grotere openheid, intenser nieuwsgierigheid, sterkere dynamiek, krachtiger individualisme en gerichtheid naar buiten toe, een sterker zoeken van heil in een actief aards bestaan.' De religieuze basis van de Wetenschappelijke Revolutie moet dus niet onderschat worden. Het 'nastreven van een zieleheil al in deze wereld' zette veel praktisch natuuronderzoek in gang. In zo'n samenleving konden genieën als Huygens, Newton en Boyle tot wasdom komen. Een Islamitische Galilei of Kepler had wel kunnen bestaan, maar hun werk had geen navolgers gevonden door de genoemde blikwending naar binnen. Een uitstekend boek, bevattelijk verteld, rijk aan wetenschapshistorische kennis. Zeer uitgesproken zonder de noodzakelijke relativering uit het oog te verliezen.

zondag 5 oktober 2008

Lezen, lezen, lezen #1

Jeroen Vullings - Meegelokt naar een drassig veldje (2003) 191 blz.
De drie meest toonaangevende critici van de laatste jaren zijn wellicht Hans Goedkoop (NRC Handelsblad), Arjan Peters (De Volkskrant) en Jeroen Vullings (Vrij Nederland). Alle drie publiceerden een boek met hun beste stukken, al dan niet herschreven of aangevuld met gloednieuwe essays. Over het boek van Goedkoop, Een verhaal dat het leven moet veranderen, schreef ik eerder al zeer lovend. Ook Peters' bundel is een aanrader, met onder meer een hilarisch stuk over Maarten 't Hart en een behartigenswaardige verdediging van Voskuils Bureaucyclus. Vullings' boekje kon me helaas niet in gelijke mate bekoren. Veelbelovende essays over Mulisch' 'imperfecte' boeken De procedure en Siegfried en A.F.Th.'s Tandeloze Tijd verzanden in vaagheden doordat Vullings niet genoeg loskomt van zijn filosofische leidsman Georges Bataille. Te veel stukken gaan over perifere literaire zaken en naar mijn zin te weinig echt over concrete literaire fictie. Naar het einde toe gaat de auteur voor een criticus bovendien wel heel veel citeren en dat gaat ten koste van de eigen inzichten. Vullings schrijft niet zo bevlogen als Goedkoop, niet zo soeverein als Peters. Mijn leesgeschiedenis speelt hem nu jammerlijk parten in mijn oordeel.

Rüdiger Safranski - Schopenhauer. De wilde jaren van de filosofie (2002) 518 blz.
In een van de top 5'en van december 2007 noemde ik vijf filosofen die mij wel aanspraken. De lijst was erg beperkt omdat ik nog heel weinig filosofie gelezen had en heb. Anno nu zou Sloterdijk er bijvoorbeeld als nieuwe binnenkomer in opgenomen worden. Dat Heidegger en Schopenhauer op één en twee staan, is te danken aan Rüdiger Safranski. De aimabele Duitser is waarschijnlijk de bekendste filosoof van het moment, en paradoxaal genoeg vooral omdat hij zo indringend over andere filosofen heeft geschreven. Deze biografie van Arthur Schopenhauer is tegelijkertijd een monografie van 'de wilde jaren van de filosofie', de jaren van de turbulente modernisering en volwassenwording van het denken, grofweg van Descartes tot en met Schopenhauer. Deze filosofische passages zijn door het onderwerp taai, daarom werkt de afwisseling met de biografische gedeelten zo wonderwel. Safranski schetst een enerverend tijdsbeeld, legt geduldig en zorgvuldig uit en wekt Schopenhauer en diens naasten echt tot leven, met alle bij de lezer opgewekte sympathie- en antipathiegevoelens die daar bij horen.

Peter Watson - Grondleggers van de moderne wereld. Een geschiedenis van de 20e eeuw (2008) [2000] 886 blz.
Met de verbijsterende twintigste eeuw definitief achter ons staan de schrijvers in de rij om 'het definitieve overzicht' van de eeuw te presenteren. Die eer komt toe aan Peter Watson. De Britse historicus schreef het kloeke Grondleggers van de moderne wereld, te dik en te vol om te lenen. Gelukkig is het boek nu herdrukt in de goedkope reeks SCALA van Spectrum. Dat betekent 886 dikbedrukte pagina's lang genieten. Watson is namelijk een uitmuntende verteller, zijn doorlopende verhaal wordt nooit saai of opsommerig, iets wat het grote risico is bij zulke overzichtswerken. Watson richt zich minder op de politiek-historische en meer op de intellectuele ontwikkelingen van de vorige eeuw. Dat gebeurt aan de hand van drie dominerende krachten: wetenschap, vrijemarkt en massamedia. Het eerste hoofdstuk zet meteen de toon: een 'dwarsdoorsnede' van 1900 met Freud en het onbewuste, Arthur Evans en de opgraving op Kreta, Hugo de Vries en Mendel en het gen, Max Planck en het kwantum en Pablo Picasso en het artistieke walhalla Parijs. De 'intellectuele' invalshoek zorgt voor veel interessante perspectieven. Watson schenkt bijvoorbeeld ook aandacht aan voor mij relatief onbekende gebieden als economie, architectuur, China, sociologie en de rassenkwestie in Amerika. Persoonlijk was ik erg blij met de bovenmatige aandacht voor literatuur. Grondleggers van de moderne wereld is een heerlijk leesbaar en ongeëvenaard leerzaam boekwerk.

maandag 22 september 2008

Sloterdijk, Sarkozy en Wilders: de achtergrond bij onze tijd

Naar aanleiding van:
Peter Sloterdijk - Woede en Tijd. Een politiek-psychologisch essay. Vert. Hans Driessen. SUN 2007, 319 blz.

Van Peter Sloterdijk is bekend dat hij in Martin Heidegger een van zijn filosofische leidsmannen ziet. Wanneer de Karlsruher filosoof dan een boek publiceert met de titel Woede en Tijd, is het gerechtvaardigd hier een expliciete verwijzing naar Heideggers meesterwerk Zijn en Tijd in te herkennen. Sloterdijk maakt evenwel al gauw duidelijk dat we niet bij Heidegger terecht kunnen om de wisselwerking tussen vormen van woede en het tijdsbegrip te kunnen vatten, omdat Heidegger nooit "dieper was doorgedrongen tot de samenhang tussen de historiciteit en het ressentimentskarakter van het bestaan. Zijn analyse van temporele structuren van het zorgende, ontwerpende en stervende bestaan levert geen adequaat begrip op van de diepe band tussen woede en tijd." (p.88)

Ook bekend van Sloterdijk is het feit dat hij - ooit begonnen als linkse filosoof - gevoed door teleurstelling in het linkse gedeelte van het spectrum (concreet: zijn leermeester Habermas) zich ontwikkeld heeft tot een zo nu en dan met nieuw-rechts flirtende vrijdenker. Het is dan ook bijzonder interessant te onderzoeken hoe Sloterdijk de terugkeer van woede in de eenentwintigste eeuw (o.m. het islamisme) onder de loep neemt. Hoe kunnen we zijn observaties toepassen op de Nederlandse situatie? In de inleiding valt Sloterdijk uit tegen de zelfgenoegzame essayisten die na de aanslagen van 11 september met nauwelijks verhulde trots verkondigden dat de geschiedenis was teruggekeerd, daarbij snerend naar Fukuyama's The End of History. Volgens Sloterdijk is het terrorisme bij uitstek een posthistorisch fenomeen: "Zijn tijd breekt aan wanneer de woede van de buitengeslotenen zich met de infotainmentindustrie van de ingeslotenen verbindt tot een geweldtheatersysteem voor laatste mensen. Het getuigt van een macaber misbruik van uitgeputte taalreserves als men dit terreurbedrijf een historische zin wil toedichten." (p.58) En inderdaad, hoe is het moderne terrorisme te beschouwen als een op de toekomst gericht bedrijf? In de woorden van Sloterdijk: "Is er ook maar iemand die de dragers van zwarte oogkleppen de scherpe blik wil toedichten waarmee ze de stand van de evolutie kunnen definiëren?" (ibid.)

In de inleiding ontwerpt Sloterdijk een woedebegrip dat gestoeld is op het Griekse woord thymos, "trefwoord voor het 'orgaan' in de boezem van helden en mensen die vatbaar zijn voor grote opwellingen". (p.19) Het 'thymotische' verwijst in het vervolg van het essay dus behalve naar woede in het algemeen voornamelijk naar zaken als 'wraak', 'ressentiment' en 'geldingsdrang'. Het kanaliseren van moderne uitbarstingen van deze vormen van woede vraagt om een nieuwe vorm van realisme. Plato's visie op ambitiemechanismen kan daarbij helpen, al is een terugkeer naar het Griekse idealisme absoluut niet gewenst, zo haast Sloterdijk te benadrukken: "we luisteren naar hem als naar een gastdocent van een uitgedoofde ster." (p.59) Sloterdijk slaat de spijker op de kop als hij stelt dat met de dood van God de woedeabsorberende kracht van een "streng, respect afdwingend hiernamaals" rap aan het verdwijnen is. Dat leidt tot de centrale stelling, wederom in vraagvorm geformuleerd: "Wie zou willen ontkennen dat het mateloze onheil van de afgelopen eeuw - we noemen slechts de Russische, de Duitse en de Chinese vernietigingswerelden - zijn wortels vindt in de ideologische pogingen van aardse woedeagentschappen om de wraak onder hun hoede te nemen? En wie ziet niet dat zich nu al de wolken hebben samengepakt waaruit het onweer van de eenentwintigste eeuw zal losbarsten?" (p.60)

In het eerste hoofdstuk onderzoekt de auteur de algemene kenmerken van de woededynamiek. Sluimerende ontevredenheid is in welvaartsstaten verborgen onder een dun laagje uiterlijke gelukzaligheid. Sloterdijk laakt de vigerende opvatting dat sinds het einde van de Koude Oorlog de haat als individueel en collectief reëel fenomeen verdwenen zou zijn, nog louter voortlevend in mediabeelden. Integendeel: het ressentiment is het eerlijkst verdeelde artikel ter wereld. Sloterdijk gaat zelfs nog een stap verder door uit het voorgaande de conclusie te trekken dat Heideggers cruciale begrip van de existentiële tijd als zijn-ten-dode (nadenken over de onvermijdelijke dood als voorwaarde voor een volwaardig bestaan) vervangen kan worden door een soort van 'zijn-ten-wrake': "Het bestaan kan zich evengoed richten op het gegeven dat het als geheel het traject tussen de krenking en de wraak doorloopt. Uit een dergelijke verwachtingsvolle vooruitblik op het beslissende moment ontstaat de existentiële tijd [...]. Wanneer het bestaan van woede vervuld is, heeft het niet de vorm van een vooruitlopen op de eigen dood, maar die van de anticipatie op een onafwendbare dag van de woede." (p.81) Hier valt een kritische kanttekening bij te plaatsen: vallen bij het terrorisme het moment van de wraak en het moment van de dood niet samen?

Alvorens de woede als achtergrond bij onze tijd te schetsen, geeft hij in de hoodstukken twee en drie een historische schets van de ontwikkeling van het woedebegrip. In deze hoofdstukken is Sloterdijk soms moeilijk te volgen en verzuimt hij zo nu en dan bepaalde stappen in de redenering toe te lichten. Maar, zoals Raymond van den Boogaard in 2000 in NRC al terecht opmerkte, de lezer van Sloterdijk moet vooral niet gefrustreerd raken wanneer hem eens een hoofdstuk ontgaat. Om de woede te vatten ontwerpt Sloterdijk het ietwat vage begrip van de 'woedebank', de "onderbrenging van de lokale woedevermogens en de verstrooide haatprojecten in een overkoepelende instantie, die net als elke echte bank tot taak heeft de individuele tegoeden te verzamelen en winstgevend te maken." (p.83) Het communistische systeem bijvoorbeeld wordt in hoofdstuk 3 bestempeld als een 'wereldwoedebank'. In dit derde hoofdstuk passeren de eerder genoemde Russisch-communistische, Duits-fascistische en Chinees-maoïstische geweldsprojecten de revue.

De bespreking van het onzinnige en onbegrijpelijke radicalisme van zogenaamd 'progressieve' intellectuelen in de jaren 70 m.b.t. communisme en maoïsme eindigt met een even terechte als hilarische afrekening met Sartre: "De hogeschool van de onverbeterlijkheid vond haar meester in Jean-Paul Sartre, die van de inleving in het revolutionaire geweld al sinds langere tijd een masochistische oefening had gemaakt. En toch was ook hij niet meer dan een eminente vertegenwoordiger van een generatie van fakirs, die op het spijkerbed van de zelfvernedering gingen liggen om te boeten voor het feit dat ze tot de burgerlijke klasse behoorden." Sloterdijk verwijst dan naar de nu grotesk-pijnlijke beelden uit 1970 waarop een Sartre te zien is die een onzinnig maoïstisch krantje aan het venten is. "Hoe grotesker de beelden, des te duidelijke doen ze beseffen hoe diep de kloof is tussen de woede en het principe van de adequaatheid. Die kloof is tekenend voor de paradox van de revolutionaire politiek. Sinds jaar en dag werkt deze zich in het zweet om een maat voor iets te vinden wat van nature de weg naar het mateloze volgt" (p.229-230)

Het vierde en laatste hoofdstuk ('Woedeversplintering in de tijd van het midden') is verreweg het interessantste. De traditioneel verzamelde woede is bij ontstentenis van overkoepelende systemen als het communisme een versplinterde woede geworden. Het ontbreekt aan een inzamelende organisatie, aan een 'woedebank' dus. En dat terwijl "leed, ellende en onrecht" in de tweede en derde wereld in combinatie met de door de groei van de mediacultuur ontstane informatievoorziening toch zouden kunnen leiden tot enorme uitbarstingen van woede en wraak. Maar: "Het lijkt alsof de woede niets meer wil leren. Ze komt niet tot inzicht en het inzicht komt niet tot haar. De verontwaardiging kan niet meer bogen op een wereldomspannende idee. Kennelijk zijn de traditionele linkse partijen een tikkeltje te dom voor hun eigen ambities, als ze al niet te laks zijn om er zoiets als ambities op na te houden." (p.238) Het tijdperk van de extremen is ten einde en Sloterdijk vraagt zich af wat er nu zo angstaanjagend aan was. 'Het midden' heeft de macht gegrepen, het midden met als eigenschappen 'goedmoedigheid', 'karakterloosheid' en 'despotisme' (mijns inziens in Nederland inmiddels vertegenwoorigd door het CDA met als personificaties van deze drie eigenschappen respectievelijk Balkenende, Donner en Hirsch Ballin).

Ook de "negatieve utopie" van de klimaatverandering zorgt niet voor verbroedering. "Een van de lessen van de twintigste eeuw was dat een van boven opgelegd universalisme gedoemd is te mislukken; misschien zal de eenentwintigste eeuw wel met het stigma belast worden dat hij niet in staat was op tijd voor een gevoel van gemeenschappelijke situaties van onderaf te zorgen." (p.243) Kritische politici als Wilders dragen bij aan het van onderaf benoemen van de problemen. De cruciale vraag is of hij hiermee een gemeenschapszin aanboort of juist voor een nieuwe tweedeling zorgt. Wat buiten kijf staat, is dat 'succesvolle' ficties als 'dé multiculturele samenleving' ernstig in twijfel worden getrokken, en dat is conform de functie van Kritiek: "Kritiek was, welteverstaan, de gevolgtrekking uit de ontologische veronderstelling dat ficties op feiten kunnen stuklopen. Nu zijn het de feiten die op ficties stuklopen - al was het maar omdat hun voortaan slechts de status van succesvolle ficties wordt verleend." (p.246)

De andere partijen blijven volharden in hun verzuim Wilders op argumenten aan te pakken. Ze komen nog steeds niet verder dan een mengeling van neerbuigend grinniken en - op z'n Marcel van Dams - het probleem verschuiven naar de moreel "minderwaardige" Wilders. En dat terwijl Wouter Bos - juist Bos - onlangs eindelijk blijk gaf van inzicht door de integratie hét overkoepelende thema van onze tijd te noemen. Een thema waarbij polarisatie nodig is om progressie te boeken. En ja, in dat proces zullen de grenzen van het betamelijke zo nu en dan overschreden (moeten) worden. Jammer alleen dat Bos' eigen adjudant Mariëtte Hamer precies zo'n type is waarop Sloterdijks stempel "te dom voor [de] eigen ambities" (zie boven) van toepassing is, met haar inhoudsloze, uitgemolken kamscheerdersmetaforiek. Geert Wilders is nog steeds niet op argumentatieve gronden aangepakt. En daarmee heeft hij te midden van al zijn schreeuwerige retoriek het gelijk nog immer aan zijn zijde.

Sloterdijk beschrijft de postcommunistische situatie waarin de planeconomie is vervangen door de markteconomie, en daarmee de taal door het geld. Dissidente emoties die traditioneel ten grondslag liggen aan woede en wraak raken zodoende "sociaal geïsoleerd" en "taalkundig verarmd". Vandalisme is dan het resultaat, in de definitie van "de negativiteit van de domme man en dus als een vorm van woede die het definitief heeft opgegeven om tot inzicht te komen." (p.268) Sloterdijk licht dit toe aan de hand van de onlusten in de Parijse banlieus in oktober 2005. Deze bladzijden (p.268-277) zijn de overtuigendste van het hele boek. De heersende politieke macht bleek niet in staat de situatie juist in te schatten. "Alleen minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy bleek een scherp oog te hebben voor de psychopolitieke situatie. Door de onruststokers openlijk uit te maken voor 'tuig' (racaille), dat men met de hogedrukreiniger zou moeten wegspuiten, zondigde hij niet alleen tegen de regels van het politieke beau parler, maar maakte hij ook duidelijk dat naar het oordeel van de nieuwe morele meerderheid in het land dit keer geen inspanningen op het gebied van de integratiepolitiek geboden waren, maar compromisloze eliminatieprocedures. Misschien is uit deze verbale uitval een veelbelovend paradigma van politieke semantiek geboren." (p.269)

Onzinnig is het om, zoals rechts, te spreken van de rellen als geplande, gecoördineerde acties. Nog onzinniger, "tergend" zelfs, is het om met Jean Baudrillard de schuld te leggen bij de autochtone Fransen die zich volgens deze linkse filosoof alleen nog als zodanig kunnen handhaven door immigranten te discrimineren. Zinniger is de verklaring van Hans-Magnus Enzensberger die de verklaring zoekt in het gevoel van overbodigheid, van "teveel zijn" onder de allochtonen jongeren in de troosteloze voorsteden. Sarkozy lijkt in te zien dat politiek tegenwoordig neerkomt op "een systeem van maatregelen ten behoeve van militante consumentenbescherming". Met Agamben toont Sloterdijk aan dat een "primaire sociofobische component" in het sociale leven van de mens heel normaal is. Het doel van sociale organisatie is - heel simpel - het beperken van de last die mensen van andere mensen ondervinden.

Overkoepelende systemen mogen ten onder zijn gegaan, er is echter nog een potentiële woedebank: de politieke islam. Kan deze uitgroeien tot nieuwe wereldbank? Sloterdijk is resoluut: nee. Gebeurtenissen als de Deense cartoonrellen en de aanslagen op moskeeën in Irak tonen aan dat overhaasting en onbezonnenheid een serieuze ontplooiing in de weg staan. "De gebeurtenissen spreken een duidelijke taal. Ze zeggen meer over de honger naar aanleidingen om erop los te slaan bij bepaalde groepen dan over een vermeend onafwendbaar conflict tussen culturen." (p.289) Het overschot aan woedende jongemannen in Arabische landen zal verspild worden aan levensverslindende burgeroorlogen. Tenzij de islam haar achterstand in korte tijd weet in te lopen, zal er nooit een woedeverzamelende instantie ontstaan die de woede 'winstgevend' weet te maken. "Het radicale islamisme van onze tijd is het eerste voorbeeld van een puur wraakzuchtige ideologie: het kan alleen straffen, maar brengt niets tot stand." (p.293) Het ontbreekt de islam aldus aan toekomstvisie: "De zwakheid van de islam als politieke religie, of hij nu van genmatige of radicale snit is, vloeit voort uit het feit dat hij principieel op het verleden is gericht." (ibid.) Daarmee zal zij het - niettemin aanwezige - woedekapitaal op bloedige wijze verspillen in plaats van het te investeren.

De verspreide, regionale woede zal deel uit blijven maken van onze tijd en samenleving. In de epiloog pleit Sloterdijk voor een "meritocratie die zowel inter- als transcultureel een antiautoritair ontspannen moraal weet te verenigen met een duidelijk normbesef en respect voor onvervreemdbare mensenrechten." (p.298) Hiervoor is een rationaliteitscultuur nodig, gebaseerd op de politieke modus van de balanceeroefening: "Balanceren betekent: noodzakelijke strijd niet ontwijken en overbodige strijd niet provoceren." (ibid.) Daarmee eindigt Sloterdijk op de valreep toch met een teleurstellende handreiking. Want hoe valt dit beroep op de "balanceeroefening" te rijmen met de eerder geuite typering van het midden als de "meest vormeloze van alle monsters"? En met het "veelbelovend[e] paradigma van politieke semantiek" (zie boven) van Sarkozy in Frankrijk en Wilders en Bos (althans diens oproep daartoe) in Nederland? Hoe doorwrocht en steekhoudend Sloterdijks betoog ook is, concrete aanzetten voor de toekomst ontbreken te vaak. Zo is de notie van 'overbodig zijn' die leeft onder allochtone jongeren een interessante. De vraag is echter of deze overbodigheid alleen onder de jongeren zelf leeft of ook een reële situatie typeert. Dit is belangrijk om de ontwikkeling van hun woede (vandalisme, intimidatie e.d.) zoals die recent in Amsterdam, Utrecht en Gouda tot wasdom kwam te begrijpen en aan te pakken. Het is echter de taak van de nieuwe poltitiek om hier creatief-rationalistisch mee aan de slag te gaan.

Peter Sloterdijk schetst soms helder, soms duister, maar altijd indringend de politiek-psychologische werkelijkheid van de eenentwintigste eeuw, zonder daarbij hete hangijzers als het islamisme en het vandalisme uit de weg te gaan. De cruciale vraag hoe de om zich heen grijpende woede te controleren, wordt helaas niet voldoende beantwoord. Maar misschien is er helemaal geen antwoord. Het laatste hoofdstuk opent met een prachtig citaat van de socioloog Niklas Luhmann: "De conservatieven beginnen met teleurstelling, de progressieven eindigen met teleurstelling, allen lijden aan de tijd, en daarin stemmen ze overeen. De crisis wordt algemeen." (p.237) Woede zal ooit uitdoven, nieuwe problemen zullen zich aandienen, het ware probleem is en blijft toch het lijden aan de tijd. En daarmee zijn we alsnog terug bij Heidegger.