zaterdag 6 juni 2009

Zoeken met Google

Het leuke aan Google is dat je er een indicatie kunt krijgen van de populariteit of bekendheid van iets of iemand. Typ een woordcombinatie tussen dubbele aanhalingstekens en je ziet het aantal zoekresultaten. Onderstaand lijstje geeft de resultaten weer van de twintig clubs uit de Jupiler League. Uiteraard is de lijst nauwelijks betrouwbaar. Niet alle zoekresultaten zullen daadwerkelijk betrekking hebben op de zoekterm en de ene clubnaam leent zich beter voor een zoekopdracht dan de andere. Niettemin zal dit lijstje een aardige weerspiegeling zijn van het aantal mentions van de clubs op het internet.

FC Den Bosch 74 800
FC Zwolle 61 000
Excelsior 57 900
RKC Waalwijk 48 900
Fortuna Sittard 45 800
VVV-Venlo 40 000
TOP Oss 37 500
FC Eindhoven 36 300
Cambuur Leeuwarden 31 400
Helmond Sport 29 900
MVV 29 000
Go Ahead Eagles 27 400
BV Veendam 24 100
FC Dordrecht 22 600
RBC Roosendaal 21 100
HFC Haarlem 18 900
FC Emmen 18 100
Telstar 16 500
FC Omniworld 15 200
AGOVV Apeldoorn 12 800

NB: Alle clubs zijn ingevoerd met hun hele clubnaam. Bij MVV was dit problematisch omdat dat de enige clubnaam was bestaande uit één woord, waarbij dat woord ook nog eens afkorting is. Als extra zoekterm is Maastricht gebruikt. Ook bij 'Excelsior' en 'Telstar' moest een correctie worden toegepast, 'excelsior' is ook een bekende latijnse term, 'telstar' komt ook veelvuldig voor in andere contexten. De clubs met 'FC' voor de naam van de stad waaruit ze afkomstig zijn scoren waarschijnlijk hoger dan gemiddeld omdat de stadsnaam het aantal zoekresultaten verhoogt. Clubs als Cambuur Leeuwarden en Go Ahead Eagles scoren hier daarentegen weer lager omdat er dikwijls ook verwezen wordt met kortweg 'Cambuur', 'Go Ahead' of 'Eagles'. Dit geldt in mindere mate ook 'AGOVV Apeldoorn' (vaak kortweg 'AGOVV') en 'HFC Haarlem' (kortweg 'Haarlem').

dinsdag 2 juni 2009

Lezen, lezen, lezen #11

Max Pam - De armen van de inktvis (2005), 607 blz.
In aflevering 7 van deze rubriek schreef ik dat Joost Zwagerman als columnist een verademing is tussen al die oude, zure, versteende mannetjes - althans, dat was de strekking van het verhaal. Zwagerman zou de enige zijn die serieus tegengas gaf aan de eenzijdig links geöriënteerde columnistenelite. Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Er is ook nog Max Pam. Pam (geen pseudoniem) is de 60 gepasseerd, maar bij hem geen spoor van verzuring of verstening. Nog altijd schrijft hij scherpe, frisse columns over politiek en maatschappij. Zijn flirt met GeenStijl toont aan dat hij nog zeer bij de tijd is. Vier jaar geleden verscheen De armen van de inktvis, een bloemlezing uit Pams journalistieke werk, samengesteld door Dap Hartmann en ingeleid door Jaap van Heerden. Met ruim 600 dichtbedrukte pagina's is het een zeer ruime bloemlezing. Toch bevat het maar een fractie van wat Pam geschreven heeft, wat aantoont dat de man inderdaad de workaholic is die hij zegt te zijn. Het boek bevat vier afdelingen: verhalen (21 stuks), interviews (11), columns (136) en kritieken (38). Onder de verhalen bevindt zich het befaamde onderzoeksartikel over literaire jury's, interessante interviews zijn die met Mulisch, Willem Frederik Hermans (2x) en vooral Douglas Hofstadter. De literaire kritieken zijn bijzonder. Pam is geen neerlandicus en onderscheidt zich daarmee van de andere boekbesprekers. Waar voor een neerlandicus een onleesbaar boek vaak vooral experimenteel en vernieuwend is, daar is het voor Pam vooral onleesbaar. Soms slaat hij de plank mis, maar Pams kijk op boeken is altijd authentiek en lezenswaardig. Hoogtepunt vond ik de columns. Ik was van plan ze niet allemaal te gaan lezen, maar eenmaal begonnen heb ik ze alle 136 verslonden. Ze zijn zonder uitzondering glashelder geschreven, scherpzinnig en toch ook nuchter qua ideeënrijkdom en vaak zeer humoristisch. De polemische stukken zijn geschreven in de geest van W.F. Hermans, Pams grote voorbeeld, en soms bereiken ze eenzelfde niveau. De column over een achtervolging door een junk is doodeng en zou zo in een bundel thrillerverhalen kunnen. De stukken bestrijken de periode 1972-2004; de late zijn nog net zo scherp als de vroege. Prachtboek.

David Van Reybrouck - Pleidooi voor populisme (2008), 80 blz.
'Pamflet' is de ondertitel van Pleidooi voor populisme van de jonge Vlaamse auteur David Van Reybrouck. De titel is enigszins provocerend, de inhoud is zeer behartigenswaardig. In de Lage Landen is in toenemende mate sprake van een 'diplomademocratie' (kennis door opleiding = politieke macht). Van Reybrouck beziet de groeiende kloof tussen hoog en laag opgeleiden met zorg. De eerste groep verzet zich met hand en tand tegen het opkomende populisme in de politiek. Ten onrechte, vindt Van Reybrouck, populisme kan een grote groep mensen die zich door de politiek miskend en genegeerd voelt weer betrokken maken. Er is dan ook niet minder, maar beter populisme nodig. Het huidge populisme is een 'duister populisme', een populisme dat denkt 'dat het volk een homogeen blok vormt, dat de wil van het volk eenduidig en rechtlijnig is en dat die volkswil eigenlijk het centrum van de macht dient te bekleden.' Rita Verdonk dus, in Nederland. Hoe moet het dan? Van Reybrouck ziet twee mogelijkheden: democratisch populisme en verlicht populisme. De eerste variant moet garanderen dat er een partij is waarmee laaggeschoolden affiniteit voelen, ook al zorgt deze partij met 'absurde beleidsvoorstellen' en 'forse taal' voor heisa: 'Het democratisch populisme helpt om de basis van de democratie, het conflict, weer nieuw leven in te blazen.' Dat is dus Wilders en zijn PVV. De tweede mogelijkheid vereist een poldervariant van een Mandela of een Obama, iemand die tot een 'nieuwe synthese' weet te komen. Zo iemand zal in Nederland niet gauw opstaan. Daarmee is het zwakke punt van dit pamflet aangeroerd: de voorgestelde oplossingen zijn niet bevredigend, ook omdat Van Reybrouck sterk pleit voor meer laaggeschoolden in het parlement 'als noodzakelijke voorwaarde om het duister populisme te bestrijden'. Daar zie ik niets in. Ze moeten vooral hun belangen behartigd zien, deelname aan het inefficiënte regeltjesbolwerk zou ze alleen maar afschrikken en nog hopelozer maken, vermoed ik. Het schort dus nog wat aan de wenken, de analyse is in zijn beknoptheid pregnant en helder. Ikzelf kom er ook in voor, trouwens: Van Reybrouck heeft het ergens over 'jonge universitairen [die] vrolijk heen en weer zappen tussen Arvo Pärt en de Pfaffs.'

Calvin S. Hall - De psychologie van Freud. Een inleiding (1981), 160 blz.
Sigmund Freud. Een grote naam, een van dé namen van de twintigste eeuw. En toch is zijn status zeer schimmig, voorzover ik het kan overzien. Volgens de een is Freud een briljante wetenschapper die baanbrekend werk heeft verricht op het gebied van psychologie en psychoanalyse. Volgens de ander is de Weense dokter een charlatan en een kwakzalver die de status van wetenschap eerder kwaad dan goed heeft gedaan. Ik geloof dat de consensus tegenwoordig meer naar de eerste positie neigt. Om mijn ignorantie qua Freud weg te poetsen zocht ik naar een beknopte inleiding. Deze van Calvin Hall zou de meest geschikte zijn voor een eerste kennismaking. Het slot van het eerste, biografische, hoofdstukje maakt in ieder geval duidelijk wat de positie van Hall is: 'Het woord "genie" wordt wel eens al te lichtvaardig gebruikt om de bekwaamheid van bepaalde mensen aan te duiden, maar er is geen woord dat zo zeer van toepassing is op Freud. Hij was inderdaad een genie. Persoonlijk beschouw ik hem als een van de sporadische alzijdige geesten die de geschiedenis heeft voortgebracht. Evenals Shakespeare, Goethe en Leonardo da Vinci wist Freud alles wat hij aanraakte te verhelderen, te verduidelijken. Hij was een groot en zeer wijs mens.' Alstublieft, daar gaat de objectieve inleiding waarop ik hoopte. Gelukkig onthoudt Hall zich in het vervolg van loftuitingen en beperkt hij zich tot een kernachtige uiteenzetting van Freuds ideeën, steeds uitgaand van de kernbegrippen 'Es', 'Ich' en 'Über-Ich'; onderbuik, persoonlijkheid en moraal. Vervolgens worden zaken als driften, bewuste en onbewuste, angst, verdringing en fixatie verklaard als dynamische wisselwerkingen tussen de genoemde drie delen van de persoonlijkheid. Ik begrijp de aantrekkingskracht van Freuds theorieën. Ze zijn helder, veelomvattend en spreken tot de verbeelding. Toch staat de inleiding ook bol van de opmerkelijke zinnen: 'iemand kan menen hoogtevrees te hebben omdat hoogte nu eenmaal gevaarlijk is, terwijl hij eigenlijk vreest dat zijn geweten van de gelegenheid gebruik zal maken hem te straffen voor zijn zonden door hem in de diepte te laten storten.' En verdrongen orale verlangens kunnen zich manifesteren wanneer een persoon belangstelling krijgt voor 'linguïstiek, flessen verzamelen of buikspreken'. Wonderlijk.

maandag 1 juni 2009

Noodzakelijk en gevaarlijk

Op de achterflap van Wij, de nieuwe roman van Elvis Peeters, staan twee citaten uit recensies van Peeters' vorige roman De ontelbaren. De criticus van Het Parool sprak van een 'sterk geëngageerde, noodzakelijke roman' en de boekbespreker van de Standaard der Letteren vond De ontelbaren behalve 'een straffe roman voor een breed publiek' ook 'een noodzakelijk boek'.

Twee keer 'noodzakelijk'. Zeer frappant, omdat ik me kort geleden nog met iemand verwonderde over het kwistige gestrooi van recensenten en andere literatoren met het woord 'noodzakelijk'. Aanleiding was toen iemand - ik weet helaas niet meer wie - die H.H. ter Balkt prees omdat deze dichter zo 'noodzakelijk' en 'gevaarlijk' zou dichten. Twee loodzware, dure karakteriseringen op het eerste gezicht, maar eigenlijk niet meer dan lege, nietszeggende woorden.

Waarom zou men zo vaak het label 'noodzakelijk' op een roman of gedicht plakken? Zou het echt niet meer zijn dan verhullend taalgebruik, het maskeren van het ontbreken van een echte mening via een dubieus woord? Niet meer dan het wollige taalgebruik van kunstcritici waar Gerrit Komrij meer dan dertig jaar geleden al zo tegen tekeerging?

De betekenis van het woord 'noodzakelijk' is volgens Van Dale 'werkelijk nodig'. Onmisbaar, onontbeerlijk dus. Literatuur kan veel zijn, maar dat nu juist niet. Voedsel is onmisbaar, water is onontbeerlijk, zuurstof is werkelijk nodig. Zonder literatuur is het leven hoogstens minder aangenaam en meer verwarrend, maar dood ga je er niet een twee drie aan. 'Gevaarlijk' is ook al te veel eer. Aan het einde van de achttiende eeuw schijnen enkele lezers zelfmoord te hebben gepleegd na de lectuur van Goethe's Leiden des jungen Werther. De tragiek van de jonge Werther was ze te veel geworden. Zoiets gebeurt tegenwoordig niet meer. Hoogstens lazert ergens een verward kereltje met bezemsteel en al van een dak omdat hij denkt Harry Potter na te kunnen doen.

En toch, soms jaagt literatuur je onbedoeld de stuipen op het lijf. Niet omdat ze zo 'gevaarlijk' of 'noodzakelijk' zou zijn, maar omdat zeer onverwacht een treurige gebeurtenis uit je eigen leven en een aanvankelijk onschuldig gedicht met beangstigende precisie samenkomen. Zo las ik vlak nadat het was gebeurd in het in mei 1921 geschreven gedicht 'Resumerend' van Victor E. van Vriesland een wel heel precieze beschrijving van het overlijden van mijn opa:

[...] Wees rustig, en ga dood
Hartelijk en tevreden in het gras
Van een klein tuintje, op een voorjaarsmorgen

Misschien vangen we hier een glimp op van de 'noodzakelijkheid' van literatuur. In al haar misbaarheid is ze aanwezig als het plotseling nodig is.