vrijdag 14 november 2008

De literaire beterweter #17

Marcel Möring - Dis Het magnum opus van Marcel Möring is in de pers nagenoeg met de grond gelijkgemaakt. Ik ben eigenlijk nog niemand tegengekomen die positief is over het boek. Zelf vind ik Dis een zeer boeiende en broeierige roman. Ik heb niet de illusie er een zorvuldig afgebakende literatuuropvatting op na te houden die als meetlat moet dienen voor de beoordeling van elk werk, maar als ik kernachtig moet zeggen wat een grote roman moet doen, dan zeg ik: evoceren en provoceren. Dat doet Dis met verve. Het vertelheden van Dis is gesitueerd in de nacht van Assen, de traditionele feestnacht voorafgaand aan de TT (moderne uitvoering van Dantes hel). Hoofdpersoon is de jood Jakob Noach. Noach leefde tijdens WOII in een hol onder de grond en besluit na de oorlog uit wraak voor zijn vermoorde ouders en schaamte over zijn eigen overleven zoveel mogelijk panden in het foute Assen op te kopen. Hij wordt puissant rijk maar nooit gelukkig. Critici struikelden over Mörings intertekstuele spel met Dantes Goddelijke Komedie en Joyce' Ulysses. Möring provoceert mijns inziens de literaire traditie door nu eens op het clichématige af naar die teksten te verwijzen, dan weer plotsklaps en expliciet de Odyssee tot referentietekst te maken. Nadat Noach een auto-ongeluk heeft gehad, krijgt hij gezelschap van zijn eigen Vergilius, een Wandelende Jood. In schitterende hallucinante scènes spat de verbeeldingskracht dan van de pagina's af, met o.m. enkele evocatieve natuurbeschrijvingen (zie fragment). Dis is ook een peinzend verhaal, met uitweidingen over leven en dood, tijd, schuld en identiteit. Qua vorm heeft Möring alle registers opengetrokken. Typografische exuberanties, stream of consciousness in een zin van 14 pagina's lang, en zelfs een dialoog als een graphic novel. De tweede hoofdpersoon, de autodidact Marcus Kolpa, is minder overtuigend en ook het grafische gedeelte voegt weinig toe. Critici lijken hun negatieve oordeel evenwel hoofdzakelijk te baseren op Mörings megalomanie en de in hun ogen chaotische, onvolkomen inschrijving in Dante en Joyce. So what? denk ik dan. Als alles had moeten kloppen, had dat waarschijnlijk een steriel boek opgeleverd. En, zo leert ons een terugkerende zin in Dis: 'Alles is niets'. Het chaotische en het sprankelende maken van Dis een rijk en wervelend boek met bovendien een prachtig slot. Een leesbare pil ook, en dat kun je van de twee voorbeelden niet zeggen. [*****]
Fragment: O, de sneeuw, o, de witte wereld, ongereptheid van donzige straten in avondlicht, lobbig pak dat als room op de daken ligt, het stille licht dat van de grond weerkaatst en een blauwe mist onder de bomen is, de doffe stilte in de lege straten, het ver verwijderde knerpen van eenzame voeten, de twinkeling van maanlicht, de donzen contouren van weg en huis en heg, auto's van watten, het stuiven van witte wolken op een plotselinge windvlaag, een kat die op hoge poten door een voortuin stapt, de stille sporen van een hert in het winters bos en het raadselachtige vallen van vlokken op het koude water van de eendenvijver en de hoge bomen daaromheen die nu niet meer zwart en kaal zijn maar... De plotseling opstuivende werveling die een spiraal van kersenbloesem is, de eerste vlokken die als confetti neerdwarrelen en als spatjes melkschuim op de straat blijven liggen.

Tim Krabbé - Marte Jacobs Elke jeugliefde is verschillend, elke vergeefse jeugdliefde is universeel. Tim Krabbé heeft het thema van de onmogelijke, gefnuikte jeugdliefde uitgewerkt in zijn korte roman Marte Jacobs. Hoofdpersoon is Emile Binenbaum. Hij wordt verliefd op een veel jonger meisje, de dartele Marte Jacobs. Hij schrijft een gedicht over en voor haar, 'Pasgeboren girafje', dat hem later tot een eeuwig veelbelovende dichter zal maken. Emile is echter een zesdeklasser, Marte brugklasser. De liefde lijkt later alsnog geconsumeerd te gaan worden, maar Binenbaums jeugdvriend, de gevierde romancier Willem Reiff, kaapt haar na afloop van de schoolreünie voor zijn neus weg. Niet veel later pleegt Marte zelfmoord. Krabbé formuleert uiterst voorzichtig en precies. De compositie van de roman is zeer uitgekiend, de lezer wordt op haast slinkse wijze bespeeld. Want laten we eerlijk zijn: een melodramatische verliefdheid, een gedicht met zo'n suffe titel en een clichématige schaking van de aanbedene door de beste vriend van de protagonist: dat riekt naar effectbejag, naar lectuur wellicht. Het knappe van Krabbé is nu dat hij je gaandeweg het verhaal weet mee te slepen naar het einde toe. Er blijft steeds iets duisters over de plot hangen, iets ongerijmds. De innerlijke drijfveren en twijfels van Binenbaum op liefdesgebied correleren mooi met zijn gedachten over literatuur en literaire roem: hij is een binnenvetter, een voor succes té aardige romanticus. De spiegeling met Krabbé zelf is evident, maar niet storend. [****]
Fragment: En hij zag haar in de gangen bij het wisselen van de uren, soms onverwacht, soms verwacht. Er doemde een vaste keer op, woensdagochtend als hij van het lokaal Grieks op de eerste verdieping naar Duits op de tweede verdieping liep. Afhankelijk van hun treuzelen of juist haast maken, zag hij haar dan op de overloop van de tweede verdieping, of in de donkere gang van het lokaal Duits, en op den duur was het alsof er in haar knikje en lachje van die keer iets speciaals was, een opluchting dat ze er allebei ook nu weer waren.

Anne-Gine Goemans - Ziekzoekers Goemans won met dit boek de Anton Wachterprijs voor het beste debuut. De prijs voor het mooiste omslag zal ze er niet mee winnen: de bonte kermis aan kleuren doet pijn aan je ogen. Ziekzoekers is een zeer vlot vertelde roman over het wel en wee van de tulpenbollendynastie Zeevoet. De levens van de familieleden worden afzonderlijk verteld om gedurende de roman steeds meer samen te komen. De roman is bij vlagen wat chaotisch door de soms overvolle verhaallijnen. Ook zit er tussen het voorlaatste en het laatste hoofdstuk onverhoeds een grote tijdsprong. Het lijkt haast alsof Goemans naar een einde toe moest terwijl ze daar eigenlijk nog honderd pagina's langer naar toe wilde werken. Ziekzoekers is zeker geen diepzinnig verhaal. De teloorgang van de bollenstreek als Nederlands cultuurerfgoed komt te weinig op de voorgrond, alle aandacht gaat uit naar de woelige verwikkelingen van de personages. Ziekzoekers is eigenlijk een soort Joe Speedboot, maar dan met soap-acteurs in plaats van gedenkwaardige literaire helden. Goemans schrijft als gezegd erg zwierig. Soms slaat een vergelijking de plank mis ('Een stem als chocoladepasta op witbrood'), niet zelden echter word je getrakteerd op verrassende, rake zinnetjes: 'Hun mannen hadden koppen waarin stiekem hoerenbezoek lag besloten.' Of: 'de blauwe aders op zijn handen die als regenwurmen een dutje lagen te doen.' En: 'Hockeymeisjes waren altijd luidruchtig, en nadrukkelijk aanwezig.' Met meer controle en gevoel voor dosering kan Goemans een vaste waarde in de Nederlandse literatuur worden, talent heeft ze zeker. [***]
Fragment: 'Excusez le mot, maar het is hier een klotezooi. Moet je dat zien.' De projectontwikkelaar wees op een moderne bollenschuur die als een verdwaald containerschip in het veld stond. 'Lelijkheid en rommel worden hier als kwaliteiten gezien. Tulpen hebben een mythische status bereikt en waar hebben we het helemaal over? Over een doodordinaire massabloem, die maar een paar weken bereid is om te bloeien en voor de rest kijken we máánden tegen stro aan.'
Ze raakten nu allebei op dreef. Roelof verhief zijn stem. 'Die lullige bloem zorgt jaarlijks anders wel voor een paar miljoen bezoekers. Dit landschap is een natuurreservaat.'


Willem Brakman - Naar de zee, om het strand te zien 'Er is veel dat ik niet begrijp en daar ben ik dankbaar voor' zegt de verteller van Naar de zee, om het strand te zien, de laatste roman van Willem Brakman, ergens in een van zijn overpeinzingen. Misschien bevat die zin de essentie van dit frivole, onconventionele boek, van de attitude die de lezer zich moet aanmeten bij het lezen. Misschien ook wel van Brakmans schrijverschap als geheel. Ik heb nu zijn eerste en zijn laatste boek gelezen, nu de rest nog. Dat dat niet chronologisch hoeft, spreekt bij Brakman voor zich. [***]

Thomas Rosenboom - Hoog aan de wind Tegenvallende verhalenbundel van de stilistische meester. Niet door de vorm, Rosenboom schrijft als altijd vlekkeloos en virtuoos. De inhoud is echter karig, en dat ligt waarschijnlijk aan de uitgever die het weer eens tijd achtte voor een nieuwe Rosenboom. Het eerste verhaal bestrijkt eenderde van de bundel en heet 'De jongen met de viool'. Het stond ook al in De mensen thuis. De rest is een allegaartje van eerder verspreid gepubliceerde kortverhalen, een jeugdverhaal en een romanfragment. Dat laatste, 'De onderhandelaar' getiteld, is een voorstudie voor Rosenbooms nieuwe roman en belooft veel. We wachten af. [**]

Gerbrand Bakker - Boven is het stil Dat plattelandsromans met uitgebreide natuurbeschrijvingen niet per se saai en clichématig zijn, bewijst Boven is het stil. Bakker heeft een sensitieve en ingetogen roman geschreven over een vereenzaamde boer die bij het verzorgen van zijn stervende vader de spoken uit het verleden op zich af ziet komen. Bakker wordt nergens overdadig of juist te karig in zijn stijl. Metaforen en vergelijkingen lijken soms zelfs met enige schroom aan het papier toevertrouwd. Dat Bakker evenwel weet waarover hij het heeft, bewijst een zin als deze: 'Er zijn heel veel boeren, die herken je direct aan hun kleren, ze dragen bijna allemaal een 'nette trui' over een schoon overhemd.' [****]

woensdag 12 november 2008

[N64] Star Wars: Rogue Squadron

Vorig jaar besprak ik a.d.h.v. de top 25 van een zelfgemaakte lijst de muziek uit mijn jeugd. Dit jaar een tweede serie in de categorie 'wenken voor een toekomstige biograaf' met als onderwerp de Nintendo 64-games. Met welke spellen bracht ik menige regenachtige middag (maar ook als de zon scheen) op mijn kamertje door? Geen toplijst deze keer, maar in chronologische volgorde en in interviewvorm. In aflevering 8: Star Wars: Rogue Squadron.

Is Star Wars leuk?
Ja. Best wel. Ik ben geen liefhebber van science-fiction, maar Star Wars heb ik toch altijd wel erg mooi gevonden. De eerste drie films (4, 5 en 6) waren erg sfeervol en authentiek en de laatste drie (1, 2 en 3) visueel overdonderend en inventief.
Hoe zit dat met de game die we hier behandelen?
Die is eveneens sfeervol en inventief. Visueel overdonderend is dan weer te veel eer.
Lelijke graphics?
Lelijk is het verkeerde woord. De vliegtuigen zien er prima uit. De omgevingen zijn echter een standaardvoorbeeld van wat altijd foggy graphics werd genoemd: mist. Dat betekent dat je niet ver kon kijken, dat een level ter plekke 'opgebouwd' werd. Bij een game als Rogue Squadron leverde dat weleens problemen op.
Beschrijf Star Wars: Rogue Squadron eens.
In Rogue Squadron kruip je in de huid van Luke Skywalker. Het is geen avonturengame en er komt ook geen lichtzwaard in voor. Alles draait om de luchtgevechten. Samen met je compagnon Wedge Antilles (wat een legendarische naam) voer je het bevel over een speciale elite-eenheid: het Rogue Squadron. Met je team word je de lucht in gestuurd om uiteenlopende missies tot een goed einde te brengen. De opdrachten lopen uiteen van simpele karweitjes als het beschermen van een konvooi en het aanvallen van een vijandelijke basis tot grotere klussen als het vernietigen van een keizerlijke gevechtseenheid tot een all out luchtoorlog boven een planeet of maan.
Het vliegen is dus het hoofdonderwerp van deze game. Is de besturing in orde? En zijn er genoeg voertuigen om je langere tijd te vermaken?
De besturing is oké. De snelheid is weliswaar vaak te laag, maar de wendbaarheid en precisie van je vechters zijn nauwkeurig en makkelijk onder de knie te krijgen. Het aanbod is dik in orde. Alle bekende gevechtsvliegtuigen zijn aanwezig. De X-Fighters, Y-Fighters en V-Fighter zijn het bekendst, maar ook buitenbeentjes als de Millennium Falcon en de Naboo Starfighter zijn vrij te spelen.
Valt er op de missies genoeg te beleven?
Dat verschilt. Sommige missies zijn wel heel erg beperkt van opzet, andere bevatten meerdere doelen en duren lang genoeg. Missies die hier thuis een klassieke status hebben zijn bijvoorbeeld 'Ambush at Mos Eisley', 'The Jade Moon', 'Liberation of Gerrard V', 'Imperial Construction Yards' en 'Battle above Taloraan'. Absolute topper is 'The Search for the Nonnah', een zoektocht naar een neergestort luchtschip dat, eenmaal gelokaliseerd, beschermd moet worden tegen vanuit alle windstreken aanstormende vijandelijke eenheden.
Nog legendarische momenten?
Het neerhalen van de Imperial Walker. Dat is dat enorme dinosaurusachtige pantservoertuig dat met kogels en raketten niet te vernietigen is. De enige manier is hem te laten struikelen over zijn eigen poten. Daartoe moest je een kabel afschieten en vervolgens ettelijke rondjes vliegen om het beest heen. Na een tijdje ging hij door de knieën. Genieten geblazen.
Mogen we Star Wars: Rogue Squadron een klassieke status toekennen?
Dat gaat wellicht net te ver. De levensduur is wellicht net iets te kort om van een absolute topper te spreken. Niettemin hebben mijn broer en ik me prima vermaakt met Rogue Squadron. Ik wil afsluiten met klassieke citaten uit de game:
(als het mis dreigde te gaan:) "Rogue Squadron, where's our cover!!??"
(als je een narrow escape had gemaakt:) "That didn't even scratch me..."
(een collega over de radio:) "I'm clear but my fighter is down!"
(over de radio, na een succesvolle missie:) - "Did Skywalker make that shot?"
- "That was me!"
- "I thought I was the best..."
- "Heeeyyy..."

dinsdag 11 november 2008

Faust en carnaval

Vandaag is het elf november, 11-11, een grote dag voor de liefhebber van het carnaval. Ik voor mij heb helemaal niets met dit volksfeest. Toch moest ik vandaag denken aan carnaval. De reden was de eerder dit jaar in de Perpetuareeks verschenen vertaling van Goethe's Faust door Ard Posthuma.

In het Duitse origineel zegt Mephistopheles in de verzen 1346 t/m 1348:

Bescheidne Wahrheit sprech’ ich dir.
Wenn sich der Mensch, die kleine Narrenwelt,
Gewöhnlich für ein Ganzes hält;


In de vertaling van Posthuma wordt dit (p.54):

Ik ga bescheiden om met wat ik weet.
Terwijl het Oeteldonkse mensenras
zich o zo autonoom en alomvattend acht

Pardon? 'Die kleine Narrenwelt' vertalen als 'het Oeteldonkse mensenras'? Oeteldonk is de naam van 's-Hertogenbosch tijdens het carnaval. Snel naar de toelichting gebladerd. Daar schrijft Posthuma (p.473-474):

'1347: het Oeteldonkse mensenras - een eigentijdse maar niettemin zeer nauwkeurige vertaling van "kleine Narrenwelt". Oeteldonk is de naam van 's-Hertogenbosch in de week waarin het geheel door narren wordt bevolkt. Het weidse begrip "mensheid" wordt door Mefistofeles heel concreet tot een lachwekkend carnavalsgebeuren gereduceerd [...]. De vertaling is in overeenstemming met Goethes modernistische visie op de figuur van de duivel [...].'

Zeer gedurfd, zo'n vertaling. Ik vind het vooral ontzettend lelijk. Om dan ook nog van een 'zeer nauwkeurige vertaling' te spreken getuigt bovendien van enige zelfoverschatting. 'Zwei Seelen wohnen, ach! in meiner Brust' is een gevleugelde frase uit de Faust. Twee zielen wonen nu ook in deze vertaling...

maandag 10 november 2008

Lezen, lezen, lezen #4

Paul Claes (red.) - De onsterfelijken (1999) 95 blz.
Ik houd van Paul Claes. De erudiete Vlaming heeft alles gelezen en deelt zijn kennis middels goede vertalingen, nuttige toelichtingen en gedurfde interpretaties. De boeken zelf, de materiële dingen dus, zijn bovendien vaak erg mooi. De tweetalige uitgave van Eliots The Waste Land is prachtig vormgegeven met een fraaie wit-zwart-gouden cover. Ook zijn vorige week verschenen bloemlezing Lyriek van de Lage Landen ziet er piekfijn uit. Daarover later meer. De onsterfelijken is een bloemlezing met werk van Nobelprijswinnaars. De toekenning van de Nobelprijs voor de Literatuur vorige maand aan de in den lande volslagen onbekende Le Clézio toonde weer eens aan dat de Zweden vaak een verrassende keuze maken. Pas na WOII werd een rijtje grote namen gelauwerd met vanaf '46 achtereenvolgens Hesse, Gide, Eliot, Faulkner en Russell. In De onsterfelijken staat alleen poëzie. De Nederlandse vertaling van een gedicht staat groot afgedrukt, het origineel staat er in kleinere lettergrootte naast. De inleiding van Claes is zeer lezenswaardig: 'Naast het classicisme van Sully Prudhomme en Carducci vinden we het symbolisme van Maeterlinck en Yeats, naast het modernisme van Eliot het surrealisme van Jiménez en Neruda, naast het hermetisme van Quasimodo het absurdisme van Beckett, naast de retoriek van Saint-John Perse het spreekvers van Szymborska.' Via karakteristieke gedichten maakt de lezer kennis met relatief onbekende Zweden, Spanjaarden en Italianen. Verrassend fris is de poëzie van de twee winnaars uit het Nieuw-Grieks: Jorgos Seféris en Odysséas Elytis. Mooi vind ik ook de gedichten van T.S. Eliot, Neruda, Paz, Brodsky en Szymborska. Van die laatste hier de openingsregels van het spreekvers 'De eerste foto van Hitler': "Wie is die dreumes in zijn kieltje? / Dat is Adolfje; de zoon van meneer en mevrouw Hitler! / Misschien wordt hij wel doctor in de rechten? / Of tenor in de opera van Wenen?"

Bas Haring - Voor een echt succesvol leven (2007) 173 blz.
Naar aanleiding van een uitzending van VPRO's Boeken besloot ik dit boek te gaan lezen. Schrijver Bas Haring verkondigde in het programma namelijk dat zijn boek een aanklacht tegen de huidige jacht naar succes zou zijn. Ambitie en eerzucht slaan tegenwoordig de klok en de gevolgen zijn stress, slechte gezondheid en geknakte zielen. We zouden met zijn allen wat minder ambitieus moeten worden en ons weer moeten leren verstaan met het kleine geluk en het schone. In Haring vond ik dus een medestander. Zijn boodschap draagt hij in zijn boek overtuigend uit. Het is echter de stijl die soms behoorlijk irritant is. Haring is bereid ver te dalen om een lekenpubliek onderhoudend te onderwijzen. Dat is sympathiek, maar hij schiet daarbij te ver door. De lezersaansprekingen zijn legio. Uitentreuren verkleint Haring woorden: hij heeft het steeds over zijn 'boekje' en vertelt anekdotes over een 'vriendje' van hem. En niet een vriendje uit zijn jeugd, nee een huidig 'vriendje'. Haring is 40! Ook de talloze herhalingen werken op een gegeven moment op de zenuwen. Herhaling is de moeder der didactiek, maar Haring blijft aan de gang. 'Mijn vader vertelt altijd alles twintig keer, en vermoedelijk ga ik daar later ook last van krijgen of heb ik dat al' schrijft hij ergens. Dat heeft hij al. De genoemde feilen zijn erg jammer want de inhoud is erg goed. Door middel van sprekende voorbeelden maakt Haring inzichtelijk dat de zucht naar succes een biologisch gegeven is. Neem de slachtkip. Slachtkippen worden snel vet en mals en worden dan ook jong geslacht. Dat is balen voor elke kip, maar goed voor de soort. Het is een schoolvoorbeeld van een eigenschap die slecht is voor elk individu van een soort, maar goed voor de soort als geheel. Dat geldt ook voor de mens en zijn eigenschap 'ambitie'. Ook is het moeilijk je eraan te onttrekken. Het principe van Google gaat op: de zoekresulaten die bovenaan in Google staan, blijven daar staan omdat iedereen er op klikt. Het systeem houdt zichzelf in stand. Het komt nu volgens Haring aan op een denkomslag: voor een echt succesvol leven moeten we de keuze maken geen succes te hebben.

Floris Cohen - De herschepping van de wereld (2007) 298 blz.
Over dit boek ontspon zich begin dit jaar een discussie in het boekenkatern van NRC/Handelsblad. Wetenschapshistoricus Cohen betoogt in De herschepping van de wereld dat er wel degelijk een Wetenschappelijke Revolutie heeft plaatsgevonden in het Europa van de 16e en 17e eeuw en hij wil verklaren waarom die juist in Europa plaatsvond en niet in China of de Islamitische gebieden. Cohen verzet zich met zijn inzichten tegen vakgenoten die alles doodrelativeren door te beweren dat er helemaal geen revolutie heeft plaatsgevonden. Op een later tijdstip zal Cohen zijn inzichten voor vakgenoten publiceren in een wetenschappelijke studie, dít boek is voor een breder publiek bestemd. Het is ontzettend goed geschreven. Cohen maakt op ongeëvenaarde wijze inzichtelijk welke ontwikkelingen hebben geleid tot de herschepping van de wereld in Europa. De kernwoorden zijn transplantatie en transformatie. De manier waarop de auteur de klassiek Griekse natuurfilosofie in enkele bladzijden helder samenvat is een pluim waard. De Griekse benadering won het van de Chinese door de culturele transplantatie van de kennis naar o.a. Renaissance-Europa en naar de Islambeschaving. De ontwikkeling binnen de Islambeschaving stokte omdat zij zich onder invloed van vijandige invallen en religieuze opleving naar binnen keerde. In Europa zette de Revolutie wel door omdat de drie vormen van natuurkennis (abstract-wiskundig, natuurfilosofie, opsporend-experimenteel) transformeerden. De gelijktijdige transformatie van de drie lag besloten in de aard van Europa t.o.v. andere beschavingen: 'een naar verhouding grotere openheid, intenser nieuwsgierigheid, sterkere dynamiek, krachtiger individualisme en gerichtheid naar buiten toe, een sterker zoeken van heil in een actief aards bestaan.' De religieuze basis van de Wetenschappelijke Revolutie moet dus niet onderschat worden. Het 'nastreven van een zieleheil al in deze wereld' zette veel praktisch natuuronderzoek in gang. In zo'n samenleving konden genieën als Huygens, Newton en Boyle tot wasdom komen. Een Islamitische Galilei of Kepler had wel kunnen bestaan, maar hun werk had geen navolgers gevonden door de genoemde blikwending naar binnen. Een uitstekend boek, bevattelijk verteld, rijk aan wetenschapshistorische kennis. Zeer uitgesproken zonder de noodzakelijke relativering uit het oog te verliezen.